Skip to main content

9789401467087

Page 1

Gedichten

LiV-VanHecke-binnen.indd 1

24/01/2020 18:48


LiV-VanHecke-binnen.indd 2

24/01/2020 18:48


FIRMIN VAN HECKE

GEDICHTEN

Bezorgd door Els van Damme en Yves T’Sjoen Literatuur in Vlaanderen 1900–1950

LiV-VanHecke-binnen.indd 3

24/01/2020 18:48


Literatuur in Vlaanderen 1900–1950 Cyriel Buysse Oorlogsverhalen ISBN 978 94 014 2139 3 (2014) Daan Boens Frontpoëzie ISBN 978 94 014 2140 9 (2014) Joris Vriamont Proza ISBN 978 90 382 2579 1 (2016) Victor Brunclair Gedichten ISBN 978 90 382 2664 4 (2017) René de Clercq De noodhoorn en andere gedichten ISBN 978 94 014 5234 2 (2018) Raymond Brulez André Terval ISBN 978 94 014 5351 6 (2018) Wies Moens Expressionistisch dichtwerk ISBN 978 94 014 5912 9 (2019) —

LiV-VanHecke-binnen.indd 4

24/01/2020 18:48


Inhoudsopgave

GEDICHTEN 7

NAWOORD (YVES T’SJOEN) 79

EDITIEVERANTWOORDING 97

LiV-VanHecke-binnen.indd 5

24/01/2020 18:48


Aan mijn Vader 6

LiV-VanHecke-binnen.indd 6

24/01/2020 18:48


SUUM CUIQUE

Wie zal nu waarlijk zijn de wijze van diegenen Die voor geen enklen wenk van ’t leven blijven staan, En, steeds ontgoocheld, toch zichzelf geen rust verleenen, Hoe snel ook na den droom hun de oogen opengaan? Hij die gelaten-stil en hopeloos blijft zoeken, Met immer strak gelaat, als marmer schoon en hard, Die, in den bangsten nood, noch bidden wil, noch vloeken, En, als een rechter, tast het ijdle in vreugde en smart? Of hij die onverwinbren angst voor ’s levens vragen Draagt in zijn zielekelk, gelijk een bijtend vocht, En wil, tot eigen troost, zijn wee uitwoên of klagen Dat in zijn huis ’t geluk nooit te vernachten zocht; Wier meest vredige dag slechts kan als ’t lustoord wezen Onder puurblauwe lucht in ’t wellustvolste dal, Doch door wier rustigheid vaart, als een heimlijk vreezen, Het dof gedruisch van eenen verren waterval?… Om ’t even. Laat ons gaan, met open ziel en zinnen, Door ’s levens tuin of veld, en elk doe wat hem lust; Hij juiche en weene, die luid haten moet en minnen, En gij, ga zwijgend voort, die niet gelooft aan rust. Want, wat gelukkigst maakt kan geen voor de andren weten Daar elk door ander leven torst een eigen wensch: Gelatenheid is schoon, en schoon zijn passiekreten Voor wie zichzelf wil zijn en zoo schoon mooglijk mensch.

7

LiV-VanHecke-binnen.indd 7

24/01/2020 18:48


ARTIS SACERDOS

Schoonheid, ik kniel voor u: zegen mijn leven In lief en leed, die komen slechts en gaan Al naar gij wilt, in godlijk rythme, geven Den wenk die schept de droomen en de daên. Gij hebt de werelden in ’t ruim gedreven, En uw schijn licht in menschenlach en -traan, En slechts om u blijft, door het lijden, streven De eeuwigheidszucht van ’t menschelijk bestaan. Schoonheid, ik kniel voor u: laat mijne dagen Een lange jeugd zijn en uw glorie dragen, En zend den dood, zoohaast ik wanklen moet; En weze in ’t land waarin ik werd geboren, Door laetre tijden mijn vers meeverkoren, Als deze tijd herdacht wordt en gegroet.

8

LiV-VanHecke-binnen.indd 8

24/01/2020 18:48


NOX

9

LiV-VanHecke-binnen.indd 9

24/01/2020 18:48


Aan Karel Van de Woestijne 10

LiV-VanHecke-binnen.indd 10

24/01/2020 18:48


NOX I

Wanneer ik eenzaam ga en met het hoofd gebogen, Door ’t avondstille dorp, in sluimervreê gestrekt, Zie ’k door de duisternis – laatste ongeloken oogen – Een lampschijn hier en daar die ouden weemoed wekt. Eenvoudigen, die na uw dagtaak rust kunt vinden En argeloos genot, in een gezellig huis, Die er een vrouwe kust of droomt van een beminde, En voortleeft, onbewust van dieper zielgeruisch, Uw levensgang is recht, gelijk de grauwe voren Des akkers, waar uw hand den zwaren ploeg bedwingt; Het lot vindt u gedwee, gelijk de wind het koren, Gij volgt den zieledrang, die tot vertrouwen dringt; Uw dagen groeien voort, door zonneschijn en vlagen, Gij kent hem niet, den angst, die buigt den twijfelaar; Gij zult, door wel en wee, het hoofd omhooge dragen, En stuipt u slechts als ’t moet, lijk rijp een korenaar. Maar ik, die niet en weet waarom ik heb verloren De rust, die met het kind-zijn zoo vroeg is vergaan, ’k Weet dat de weemoed vaak verleiden komt wie koren ’t Eindloos gedachtenveld voor de engen tuin der daên. Ik heb wel eigen vreugd, en meer dan de uwe machtig, Eenvoudigen, die geene geestwellusten smaakt, Mijn hart doorvoelt uw hart en ook zichzelve prachtig, – Koortsig genot, dat eerder pijnigt dan vermaakt; – Doch ik ga reeds gebukt van onverwinbaar treuren Als een, die vroeg verjaagd uit ’t huis der zekerheid, Door storm en ontij dwaalt, en zoekt zich op te beuren Door eigen zang, die in den wijden avond schreit. 11

LiV-VanHecke-binnen.indd 11

24/01/2020 18:48


-

II

Nu de avond valt, weer weemoed daalt, De nachtspin weeft heur webbe; De dag, die de eigen dood verhaalt, Verruischt als traag eene ebbe. In teêrheid van het schemergrauw Lijkt ’t al gezien dóór water; ’t Is een versmeltend groen en blauw, ’t Is dag en nacht tegader. En de aarde, lijk een moeder moe, Gestrekt in de avond-dampen, Hoort, als ’t getamp heurs harten, hoe De verre klokken tampen… Om alles zijgt er innigheid; En ’k voel mij droevig ruimer, Als de avond zich ter ruste vlijt In slaap nog niet, in sluimer.

12

LiV-VanHecke-binnen.indd 12

24/01/2020 18:48


-

III

Hoor door den zwaren nacht dat oergeweldig kraken, Alsof ze, ginder ver, den ouden aardbol braken; ’t Is ’t winterhart, ginder gebroken… En immer zwaarder, in den nacht, wordt van daarboven De zwarte lijkwade over ’t winterlijk geschoven: Het is de winter, dood gedoken… Doodsch en aanhoudend, als een dunne zwarte regen, Komt wanhoop neergezegen…

13

LiV-VanHecke-binnen.indd 13

24/01/2020 18:48


-

IV

Kent gij de foltering dier nachten Als, door de lichaamspijnen, boort Het duizeldwarlen der gedachten, Die niet te vangen zijn door ’t woord? Wanneer de geest, van twijflen dronken, Woest rond zichzelve krimpt van pijn, En opstaan wil, zoodra gezonken, Om voort zijn eigen beul te zijn; Terwijl en angst, en spijt, en woede Al huilend dansen in uw hart, En ge u de lippen bijt ten bloede, Om ’t geen ge u zelve tegensart. En hoor dan, lijk gebarsten klokken, De waanzin door uw slapen slaan, Voel u de borst van vrees doorschokken Dat zulke nacht nooit zal vergaan; Totdat, bij de eerste morgenklaarte, Ge u ’t koude zweet van ’t voorhoofd wischt, Terwijl, als op een doodkist de aarde, Neerploft op u vermoeienis.

14

LiV-VanHecke-binnen.indd 14

24/01/2020 18:48


-

V

Voor mijn Broeder Philibert

Vondt gij het paradijs voor havelooze zielen, Die ’t leven onmeedoogend boog onder het juk Der onrust, tot zij langs den steilen kruisweg vielen; Vondt gij het paradijs voor havelooze zielen, Waar ’t eeuwig zomer is van onvermoed geluk? Zaagt gij die oogenklare en groenomrande meren, Wier oevers bedden zijn voor idealen lust; Waar enkel rozen op de struiken van ’t begeeren Ontbloeien, langs die geurge en groenomrande meren, Wier blauwe glorie draagt de leliën der rust? Lag op uw wegen niet het land waarin de nachten Paleizen zijn van diep en altoos nieuw genucht, En waar ter sterren nooit en stijgen menschenklachten; Vondt gij het land waar al de nachten liefdenachten En angst- en tijloos zijn onder sonore lucht? Vondt gij het paradijs voor havelooze zielen, Die ’t leven onmeedoogend boog onder het juk Der onrust, tot zij langs den steilen kruisweg vielen; Vondt gij het paradijs voor havelooze zielen, Waar ’t eeuwig zomer is van onvermoed geluk? Laat mij er heen: ik ben ten avond moe gezworven: De bergen, en valleien, en de stroomen, en de zee Heb ik, verrukt, gegroet, maar nergens rust verworven; Laat mij er heen: ik ben ten avond moe gezworven; En vond ik ’t leven schoon, ’t is schoonheid zonder vreê. Maar… luister niet naar mij: lééf voort uw stoere droomen, Ginds verre in ’t onvervalschte en wilde en zonnige oord; En moest over de zee mijn lied tot bij u komen, Gij, dichter door de daad, lééf voort uw stoere droomen, Hier weent over zichzelf een dichter met het woord. 1911 15

LiV-VanHecke-binnen.indd 15

24/01/2020 18:48


-

VI

Laat mij wanhopig bidden voor mij-zelf, En mijn verdriet dat nacht en dag blijft knagen Hoogheffen, onder ’t nachtelijk gewelf, Waaruit er toch voor mij geen troost zal dagen, Daar alles ijdel is, en niemand weet Den tempel waar, gelijk een offerande, In laatsten oplaai van het levensleed, De twijflaar kan zijn smart tot asch verbranden. Wij kennen niets, wij voelen slechts, wij zijn De dorstigen naar God, door niets te drenken, En vreemd is ons ’t geluk, tenzij als pijn Van doornen, die ons doet aan rozen denken; En heel ons leven is een lang gebed, Een hopeloos gebed om rust, een strijden Tusschen verstand en hart, een blind verzet Tegen den scherpen twijfel dezer tijden. En nu de stilte van den zomernacht Over het aardrijk bidt, nu kom ik knielen Voor U, die zwijgt, terwijl een wereld wacht Naar nieuwe woorden voor onze oude zielen.

16

LiV-VanHecke-binnen.indd 16

24/01/2020 18:48


II

SAUL

17

LiV-VanHecke-binnen.indd 17

24/01/2020 18:48


18

LiV-VanHecke-binnen.indd 18

24/01/2020 18:48


SAUL I

Aan mijn broeder Hyacinthe

De nacht is een gevang, waar tusschen koude muren, Mijn overspannen brein zichzelf te ontvluchten tracht, En immer, door de hand der zwijgend-koppige uren, Ter zelfde plaats wordt en ter zelfden angst gebracht. En tegen mij staan op, al spottend, die gedachten Wier oogen eens mij lichtten in mijn zoekersdrift, Toen ’k haar een ziel van zonne en zang schonk in die nachten Dat ik mijn zienersmerk haar heb in ’t hart gegrift. Kan geen gevallene zijn eigen wezen haten, En zijne ziel en lijf, zichzelf niet meer bewust, Als honden door den donkren jagen langs de straten, Totdat ze, moegedoold, vergaan in dierenrust? Doe dan de roode toortsen van den waanzin branden, – De nacht is een gevang – laat haar wild-laaiend licht Als giftge bloemen bloeien langs die wanden Waarlangs de wanhoop leekt die mij ter doemnis richt.

19

LiV-VanHecke-binnen.indd 19

24/01/2020 18:48


-

II

Muziek over mijn hart, totdat ik, dronken Van wellust-in-verdriet, mijzelf vergeet, En dwarlen zie, bij ’t woeste snarenronken, Den doodendans der schimmen van mijn leed. De zomeravond, met zijn purpren prachten, Heeft de oude wonden mijner ziel verzeerd, En strekt me op ’t folterbed der zwoele nachten, Wier stilte als vuur verschroeit, maar niet verteert. David, ik droom nu niet; ’t is vreeslijk lijden Dat, mij de slapen prangend, duizlen doet En vruchtloos smeeken, als naar ’t eind der tijden, Naar eens, één stond nog, ruste van ’t gemoed. Maar ze is voorbij, gevloôn; de nijdge vlagen Van Godes toorn hebben den oogst vernield Die rijpen moest, na mijne lentedagen, En ’t is vergeefs thans om genâ geknield. Ga heen, knaap,… neen, blijf hier, en maak mij dronken Van wellust-in-verdriet, en smoor mijn leed Met zang en dans, en doe de snaren ronken, Totdat ik moegeleên het al vergeet.

20

LiV-VanHecke-binnen.indd 20

24/01/2020 18:48


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401467087 by Uitgeverij Lannoo - Issuu