Inhoud.
Inleiding. Grote durvers uit een klein land
1. De eerste multinationals
p. 7 p. 15
Amandus (ca. 584-679) , Bavo (622-659) Itta (592-652) , Begga (ca. 620-693) Omaar (ca. 600-ca. 670) en Trudo (?-ca. 698)
2. God wil het!
p. 37
Godfried van Bouillon (1060-1100) Peter de Kluizenaar (1050-1115) Robrecht II van Vlaanderen (1065-1111)
3. De transformatie van Brugge
p. 59
Brugge – Bertulf van de Erembalden (1050-1127) Robrecht van der Buerse (1265-1319)
4. De Gentse held en de ondernemer-spion Gent – Jacob van Artevelde Lieven Bauwens (1769-1822)
p. 77
(ca. 1290-1345)
5. ‘Uw toren is niet af’ Mechelen – De familie Keldermans Lucas Faydherbe (1617-1697)
p. 115 (1345-1531)
6. Opwindend, gevaarlijk, disruptief
p. 137
Leuven – Dirk Martens (1446 of 1447-1534) Geert De Kremer (1512-1594)
Inhoud •
5
7. Een Spaanse storm in Europa’s grootste haven p. 137 Antwerpen – Gilbert Van Schoonbeke (1519-1556) Maria Pypelinckx (1538-1608) Willem Usselincx (1567-1647)
8. Religieuze avonturiers in China
p. 157
Albert d’Orville (1621-1662) Ferdinand Verbiest (1623-1688) Philippe Couplet (1623-1693)
9. Een verhaal van biljartlakens, slaaptreinen en zuivere cokes
p. 175
Luik – Gérard-Théodore (1777-1859) & Georges Nagelmackers (1845-1905) Marie Anne Simonis (1758-1831) William Cockerill (1759-1832)
10. Pioniers van onderwijs en onderzoek
p. 197
Brussel – Ernest Solvay (1838-1922) Isabelle Gatti de Gamond (1839-1905)
11. Het glas en de pillen
p. 213
Arthur Leroi (1915-1998) Paul Janssen (1926-2003)
Epiloog. Waar wachten we op?
p. 231
Dankwoord
p. 239
p. 243
Meer lezen
6
• Een kleine geschiedenis van grote durvers
Inleiding. Grote durvers uit een klein land Mijn eerste kennismaking met ‘onze’ geschiedenis deed zich voor in Landen, een klein stadje in Haspengouw, in Vlaams-Brabant, tegen de grens met Waals-Brabant, Limburg en Luik. Mijn vader is er opgegroeid en mijn opa heeft er zijn hele volwassen leven aan het Bronplein gewoond, in een huis dat wel leek stil te staan in de tijd. Naast het huis stroomde water uit een gietijzeren pomp. Het gezin ging er wekelijks zijn flessen vullen. En hoewel het huis zich in het centrum van de stad bevond, stond achter in de tuin een oude schuur met daarin verroeste hooivorken, zeisen, schoppen en spades. Het landbouwgerei was al tientallen jaren niet meer gebruikt, maar het opende voor mij wel een deur naar het verleden. Ik kon me zo inbeelden hoe de boeren uit de streek vroeger, tijdens de zomer, wekenlang bezig geweest moeten zijn met het hooien van de wei of het omploegen van het veld. Het gereedschap leek mij een verzameling artefacten uit een recente geschiedenis, getuigen van de handelingen en gewoontes van onze grootouders, overgrootouders en betovergrootouders, die de maatschappij die wij vandaag kennen mee hebben opgebouwd en vormgegeven. Het bijzonderste plaatsje in Landen ontdekte ik pas veel later, en het opende een andere deur, naar een veel verder verleden. Ik bezocht
Inleiding. Grote durvers uit een klein land •
7
het pas in de lente van 2019, op mijn zoektocht naar de oorsprong van ‘ons land’, het ‘begin’ van onze ontstaansgeschiedenis. Ik vond die op een plek waar mijn vader en zijn zus als kinderen wel eens kwamen, bij de weiden van hun grootouders achter het station. De weiden lagen in een gebied dat schijnbaar nergens heen leidde, een beetje niemandsland op de grens tussen Vlaanderen en Wallonië. Er kwamen wel mensen, maar niet zo heel vaak. Daardoor kreeg ook de mot die er lag maar weinig aandacht. Iedereen in het dorp wist wel wat hij was, die kleine, door de mens aangelegde heuvel. Voor de buurtbewoners was het een Frankische tumulus, een begraafplaats voor een belangrijke persoon, de zogenaamde ‘tombe van Pepijn’. Wie er ook lag, hij of zij kreeg rust, want de mot was overgroeid met gras en de enige levende zielen die er regelmatig kwamen, waren de koeien die er graasden. Dat veranderde rond 1980, vertelde de lokale historicus George Wemans me. Bij het verkavelen van de weiden stootten bouwvakkers nabij de mot op de fundamenten van een gebouw. Van de heuvel wisten archeologen al dat het geen tumulus maar een motte was. Geen grafheuvel dus, maar de verhoogde basis voor het opperhof van een mottekasteel uit de twaalfde eeuw. De fundamenten bevonden zich in wat het neerhof geweest moet zijn en waren veel ouder. Ze bleken van een vroegmiddeleeuwse houten kapel te zijn, misschien wel 1400 jaar oud. Errond lag een begraafplaats voor de Frankische elite die in de streek woonde. De link met Pepijn van Landen, een telg uit een zeer invloedrijke Frankische familie van grootgrondbezitters, was dan toch mogelijk. Deze keer legden zelfs de archeologen die. De kapel en haar begraafplaats waren mogelijk de laatste rustplaats van verwanten van Pepijn, die in de streek is opgegroeid en er zijn machtsbasis had. Ik vond het idee fenomenaal. Pepijn was ‘van bij ons’! De voorvader van Karel de Grote, de eerste van de hofmeiers die de macht van de Merovingische koningen uitholden en de basis legden voor het Karolingische Rijk…
8
• Een kleine geschiedenis van grote durvers
Twee geschiedenissen
In mijn hoofd confronteerde ik de twee ‘geschiedenissen’. Aan de hooivorken, zeisen en schoppen bij mijn grootvader had ik vooral een beeld van ‘vroeger’ overgehouden waarin we met zijn allen boeren waren en leefden van het land. Gewone mensen die de historische gebeurtenissen passief ondergingen en slechts in beperkte mate bij machte waren hun lot te sturen. Het feit dat op diezelfde weiden waar mijn vader en zijn zus speelden misschien ooit de voorouders van de Karolingische vorsten geleefd hadden, botste met dat beeld. Als onze kleine regio in die vroege middeleeuwen de thuis was van de machtigste dynastie van Europa, wat zei dat dan over de andere mensen die er woonden? Belgen zijn niet vaak chauvinistisch, en de geschiedenis van onze regio werd vooral getekend door buitenlandse machthebbers en mogendheden. Dat is toch het idee dat ik kreeg toen ik opgroeide. Op school leerden we over de Romeinse keizers, de Franse koningen en Napoleon, over de Italiaanse stadstaten en de grote Italiaanse renaissancekunstenaars, van wie de invloed tot bij ons reikte. ‘Onze’ geschiedenis leek er daarentegen vooral een van anonieme lijfeigenen, clerici, heren en later burgers, met een occasionele naam van een groot kunstenaar of een graaf erbovenop. En als we al iets meekregen over invloedrijke individuen, dan was dat vooral het geromantiseerde beeld van geëmancipeerde Vlamingen die tegen de kwade Franse koning streden, zoals Jan Breydel en Pieter De Coninck. De vele ‘grote durvers’ die op het Europese en wereldtoneel uitblonken in ondernemerschap of diplomatie, bleven in de geschiedenislessen van mijn jeugd vaak buiten beeld. Met dit boek wil ik mijn steentje bijdragen om hen onder de aandacht te brengen van een breed publiek. Ik begon aan dit project toen ik zelf in Amerika woonde, in New York. ‘If you can make it there, you can make it anywhere’, zong Frank Sinatra over de Big Apple. Zo voelde ik dat zelf ook aan. Ik landde er
Inleiding. Grote durvers uit een klein land •
9
als student journalistiek, en zette er ook mijn eerste carrièrepassen als Amerikadirecteur voor het fietsenbedrijf van Eddy Merckx (ik leerde zo tot in de verste uithoeken van de VS de fans van de ‘Kannibaal’ kennen). Na meer dan acht jaar verliet ik het land uiteindelijk als verantwoordelijke voor de Amerikaanse mediarelaties van het Wereld Economisch Forum, een internationale organisatie. Op mijn allerlaatste dag daar liep ik de marathon van New York. Ik voelde me on top of the world. Ik had het gevoel dat ik als petit Belge mijn eigen Amerikaanse droom had waargemaakt. Alleen… De persoonlijke successen op het einde van de rit verborgen de moeilijkere momenten onderweg. Nadat mijn oorspronkelijke euforie over het verhuizen naar Amerika weggeëbd was, begon ik net zoals zovelen mijn thuis te missen. Mijn familie steunde me, maar was ver weg. Mijn vriendin Valeria, nu mijn vrouw, woonde nog in Panama. En hoewel ik heel wat vrienden had, was mijn onmiddellijke omgeving, mijn dichtste sociaal netwerk toch veel kleiner en beperkter dan in België. En zo begon ik voor het eerst zelf op een andere manier naar ons thuisland te kijken. Gezonde dosis chauvinisme
Ik belde mijn grootvader van moederskant wel eens op, Albert Kellens, een flukse negentiger die nog in de oorlog had gevochten. (Nu ja, gevochten: zijn regiment had zoals het gros van ons leger de benen moeten nemen toen de Duitsers als een Blitz ons land binnenvielen. Maar hij had het allemaal wel van heel dichtbij meegemaakt.) Wanneer ik even in België was en hem ging bezoeken, vertelde hij me fantastische verhalen over het leven bij ons in de jaren 1930 en 1940. Bijvoorbeeld over hoe ondernemend zijn schoonbroer, de glashandelaar Arthur Leroi, wel was. Terug in New York luisterde ik dan vaak naar onze gesprekken, die ik had opgenomen. Ik begon er een kleine familiegeschiedenis over te schrijven.
10
• Een kleine geschiedenis van grote durvers
Daarnaast ging ik in New York meer en meer de Belgische community opzoeken en speurde ik naar cultureel en ander Belgisch erfgoed daar. Ik ging dagelijks werken op het kantoor van de Belgian American Chamber of Commerce, ging geregeld iets eten of drinken in een van de Belgische restaurants in New York, en was er als de kippen bij om ook culturele events met betrekking tot België mee te maken. In het Metropolitan Museum of Art, ‘The Met’, ging ik naar de schilderijen van Pieter Bruegel, Peter Paul Rubens of Antoon van Dyck kijken. En ik begon een gezonde dosis vaderlandse trots te ontwikkelen. Zo merkte ik dat de vele Vlaamse tapijten in de middeleeuwse afdeling van The Met steeds onder een andere naam geklasseerd werden: ZuidNederlands, Noord-Frans, Vlaams... Je moest al een expert zijn om te weten dat ze allemaal uit dezelfde streek kwamen. En hoewel je in New York op elke hoek van de straat een Le Pain Quotidien kon vinden, moest ik de vrienden en collega’s met wie ik er ging eten telkens weer uitleggen dat dit oorspronkelijk een Belgische bakkerij was, geen Franse. Ik deed het met groeiend enthousiasme. Immigranten van over de hele wereld zullen het gevoel herkennen: je leert je land en je landgenoten pas echt appreciëren als je er weg bent. Dat was bij mij dus ook zo, al kwam er nog dat laagje van New Yorkse ambitie bij: ik was niet alleen trots, maar wilde de wereld ook tonen dat Belgen, Vlamingen, Brabanders en alle andere mensen uit onze regio door de geschiedenis heen net zoveel als de Engelsen, Nederlanders of Fransen ondernemers, lefgozers en grote durvers geweest zijn. Het werd een persoonlijke missie, maar ook een historische zoektocht, om die grote durvers te vinden. Ik begon allerlei musea te bezoeken, geschiedenisboeken te lezen en het internet af te reizen. Want ik wilde uiteraard weten: zijn we nu des petits Belges, door de geschiedenis heen onder de voet gelopen door en de speelbal van verschillende Europese mogendheden? De bescheiden bewoners van een bufferzone? Of schuilt er in onze geschiedenis ook een heel
Inleiding. Grote durvers uit een klein land •
11
ander verhaal, dat van een land en een volk met verschillende namen, maar met een sterke gemeenschappelijke identiteit en met inwoners die tot bijzondere dingen in staat zijn? Een kleine geschiedenis van grote durvers is het resultaat van die zoektocht. Het is een duik in het verleden van onze streken en van enkele opmerkelijke mensen van wie het leven zich hier afspeelde, van de vroege middeleeuwen tot nu. We leren mensen opnieuw kennen die een voetnoot waren geworden in de geschiedenis, zoals Isabelle Gatti de Gamond, pionier van het onderwijs voor meisjes en gelijke rechten voor vrouwen. Of Begga, de heilige die de begijntjes inspireerde. We herinterpreteren bekende Europese figuren, zoals Godfried van Bouillon, de eerste christelijke vorst van Jeruzalem, met oog voor hun verwezenlijkingen én tekortkomingen. En we kijken vooral naar sterke, ondernemende figuren die onze geschiedenis mee vorm hebben gegeven door hun karakter en initiatieven. Zoals Maria Pypelinckx, die meer dan alleen maar de moeder van Peter Paul Rubens was. Of Ernest Solvay, de ‘vader’ van het gelijknamige chemiebedrijf en mecenas van de wetenschappen. We ontdekken zo een soms bestoft deel van onze geschiedenis, een dat niet bestaat uit een naamloze standenmaatschappij of zich afspeelt in het modderige strijdperk van de grootmachten, maar beleefd werd door mensen van vlees en bloed, die op hun manier een stempel hebben gedrukt op het leven in onze streken. Dit is dus geen ‘grote’ geschiedenis. Dit boek hoort niet thuis aan een universiteit of op school, wel op het nachtkastje van de liefhebber van toegankelijke geschiedschrijving. Ik schrijf ook geen nieuwe geschiedenis. De feiten zijn allemaal terug te vinden in naslagwerken, on- en offline. Wel heb ik geprobeerd die feiten en de historische figuren tot leven te brengen, ze een gezicht te geven en verhalender te presenteren, en wil ik je als lezer uitdagen om eens door een andere bril naar ons verleden te kijken. We hoeven het verleden van onze
12
• Een kleine geschiedenis van grote durvers
regio namelijk niet te reduceren tot dat van een speelbal tussen grotere en machtigere landen. Brussel is bijvoorbeeld niet de hoofdstad van Europa omdat ze als een compromis tussen de grootmachten uit de bus kwam. En onze politici en bedrijfsleiders worden geen president van Europa of voorzitter van deze of gene raad louter omdat ze ‘aanvaardbaar’ zijn. Even doorslaggevend zijn onze plaats in het centrum van Europa, waar de Germaanse en Franse cultuur elkaar ontmoeten, onze talenkennis en onze interculturele flexibiliteit, ons onderwijs en onze ondernemingszin. We mogen best trots zijn op waar we vandaan komen en op wie onze geschiedenis kleur heeft gegeven. Wie wil ziet in het verleden van onze streken dus niet alleen kleine Belgen, maar ook heel wat grote durvers. Dat is de boodschap die ik met dit boek wil meegeven. Veel leesplezier. Peter Vanham Zomer 2020, Genève, Zwitserland
Inleiding. Grote durvers uit een klein land •
13
1.
De eerste multinationals Amandus (ca. 584-679) , Bavo (622-659) Itta (592-652) , Begga (ca. 620-693) Omaar (ca. 600-ca. 670) en Trudo (?-ca. 698) Een handvol Frankische missionarissen, later heilig verklaard, sticht in de zevende eeuw talrijke abdijen. Ze staan ermee aan de wieg van de landbouweconomie en het prille stadsleven in onze streken.
Het was de beste der tijden, het was de donkerste der tijden. Het was het tijdperk van vadsige koningen, het was het tijdperk van machtige hofmeiers. Het was een periode waarin het christendom in opgang was, een periode waarin de kroon elk jaar van hoofd veranderde. Het was het seizoen van moorden en intriges. Het was de winter van de Gallo-Romeinen, het was de lente van de Franken, het was de zomer van de kerkelijke macht.
De eerste multinationals •
15
Charles Dickens, die ik hier heel vrij citeer, zou zich uitgeleefd hebben, mocht hij in de zogenaamde donkere vroege middeleeuwen in onze streken gewoond hebben. En dan vooral in de zesde en zevende eeuw. De Merovingers zijn dan aan de macht, de nakomelingen van de eerste Frankische koningen Childeric en Clovis en hun legendarische stamvader Merovech. Zij hebben een kwalijke reputatie als het op familiebanden aankomt, want ze bevechten elkaar om de macht in het rijk van hun (voor)vader en schuwen daarbij het geweld en de wreedheden niet. Die gewelddadige machtspolitiek is trouwens geen alleenrecht van de mannen. Met Brunhilde zwaait een echte ‘Iron Lady’ de scepter gedurende vijftig jaar en vier generaties. Ze komt uiteindelijk op verschrikkelijke wijze aan haar einde: ze wordt gemarteld en, vastgebonden aan een paard, aan stukken gereden. Voor de gewone mensen (de boer en boerin, de smid en kleermaakster…) zijn het echter onzekere tijden. Elk jaar is er wel een andere koning of heer. En telkens als er weer een groep krijgers voorbijkomt, is have noch goed veilig. Niet dat ze vrijer waren toen de Romeinen nog in deze streken heersten. Wie nu als horige het land bewerkt, zou dat op de grote landerijen in de Romeinse provincie Gallië ook gedaan hebben. Wie nu een groot deel van de opbrengsten aan een Frankische edelman moet afstaan, zou dat ook bij de Gallo-Romeinse landeigenaar hebben moeten doen. Maar toen waren er nog zekerheden en structuren waarop ze konden rekenen. En die zijn er nu niet meer, in deze maatschappelijke bouwwerf. Zo kan de reizende handelaar van weleer nu beter stoppen, wegens een gebrek aan klanten en een veilig onderkomen onderweg. Toch is er beterschap in zicht. In dit klimaat van politieke onrust verschijnen in de eerste helft van de zevende eeuw een handvol Frankische edellieden ten tonele, die door hun ondernemerschap en onder de vlag van het geloof een nieuw economisch tijdperk
16
• Een kleine geschiedenis van grote durvers
zullen inluiden. De bekendste zijn Amandus en Bavo (geboren als Allowin), de founding fathers van de Sint-Pieters- en Sint-Baafsabdij in Gent. Ook Omaar en Trudo richten abdijen en kloosters op. In hun zog ontstaan markten, die uitgroeien tot heuse steden. En dan zijn er nog Itta en Begga, moeder en dochter, heuse serial entrepreneurs die een hand hebben in het ontstaan van religieuze gemeenschappen her en der. Honderden jaren later zijn hun religieuze ‘start-ups’ ‘multinationals’ geworden, centra van rijkdom en voorspoed, en een inspiratiebron voor weer nieuwe generaties van (christelijke) ondernemers. Het levert hen een heiligverklaring op. Het verhaal van Amandus, Bavo, Omaar, Trudo, Itta en Begga is ook een beetje dat van het prille begin van de graafschappen en hertogdommen die later de Zuidelijke Nederlanden zullen worden. En het is vooral het verhaal van enkele van onze eerste grote durvers, een verhaal dat in zekere zin begint op het braakliggend terrein dat de Romeinen achterlaten. Bekeerde vechtjas
Gedurende vier en een halve eeuw hadden de Romeinen bij ons de dienst uitgemaakt. Julius Caesar had tussen 58 en 51 voor Christus Gallië veroverd. Zodra de Romeinse heerschappij aanvaard werd, maakte zijn genadeloze aanpak geleidelijk aan plaats voor een ‘zachtere’ kolonisatie, waarbij Gallië op alle vlakken sterk geromaniseerd werd. Het Romeinse bestuur garandeerde veiligheid, en de Romeinse heirbanen en villa’s hertekenden het landschap, waardoor een nieuwe economie kon aanzwengelen. Vooral de handel in landbouw- en ambachtelijke producten floreerde en steden konden groeien. Omdat de meerderheid van de bevolking nog steeds uit Galliërs bestond, werd de romanisering van Gallië geen eenrichtingsverkeer, maar ontstond een mengcultuur en een gemengde bevolking: de Gallo-Romeinen, die hun stempel drukten op steden als Doornik en Tongeren.
De eerste multinationals •
17
De Gallo-Romeinen beleefden twee eeuwen lang een relatieve vrede en economische voorspoed binnen de grenzen van het Romeinse Rijk. Maar daar kwam door een cocktail van factoren gestaag een einde aan. Door interne strijd in de keizerlijke paleizen in Rome, Trier en Constantinopel, door een sputterende economie en demografische groei, door verzwakte grenzen en door het uitbesteden van lokale macht aan Germaanse bondgenoten, was het Romeinse Rijk sterk verzwakt en bijzonder uitnodigend geworden voor een opeenvolging van kleinere, grote en nog grotere migratiestromen vanuit Noord- en Oost-Europa. Die volksverhuizingen werden nog eens aangewakkerd door de dreiging van de Hunnen en een veranderend klimaat. Het resultaat was een machtsvacuüm, onveiligheid en chaos, waardoor handel bijzonder moeilijk en gevaarlijk werd en de economie zich terugplooide tot de directe omgeving. Kleinschalige landbouw was de hoofdactiviteit geworden en werd uitgevoerd door aan hun grond ‘gebonden’ landbouwers, die bescherming zochten bij plaatselijke vechtjassen. De ene vechtjas was al machtiger dan de andere. Childeric bijvoorbeeld, de leider van de Salische Franken (een groep van Frankische Germanen). Hij was eerder een bondgenoot van de Romeinen geweest in hun strijd tegen andere Germaanse stammen en slaagde erin het machtsvacuüm in de streek rond Doornik te vullen. Hij installeerde er het hoofdkwartier van de Merovingische dynastie, genoemd naar zijn legendarische (vermoedelijke) vader Merovech, en probeerde met het zwaard een eigen Frankisch rijk uit te bouwen. Alle andere lokale heersers waren daarbij aan hem gehoorzaamheid en trouw verschuldigd. Maar de wildebras was uiteindelijk niet overal succesvol. Toen hij stierf, was zijn grondgebied niet veel groter dan toen hij voor het eerst de macht had gegrepen. Het was wel een vruchtbare basis voor zijn zoon Clodovech. Clodovech, of Clovis zoals we hem beter kennen, was pas vijftien toen hij aan een groot Frankisch rijk begon te timmeren.
18
• Een kleine geschiedenis van grote durvers
Doordat zijn vader met zijn troepen voortdurend op oorlogspad was geweest, waren Clovis’ strijders ervaren krijgslieden en zat de angst voor hen er goed in bij hun tegenstanders. Het liet Clovis toe de Frankische stammen definitief te verenigen. Zijn legers versloegen onder meer de Alemannen en de Thuringers. Zodra zijn aanzien groot genoeg was, schakelde hij ook over naar een uithuwelijkingspolitiek om zijn invloed verder uit de breiden. Onder impuls van zijn vrouw Clothilde bekeerde hij zich tot de Kerk van Rome – de meeste Germanen waren al bekeerd tot het christendom maar aanhangers van het arianisme. Zo werd deze zoon van een Doornikenaar de leider van zowat heel Gallië. Al moest hij er wel voor blijven strijden. Om zijn macht te consolideren, liquideerde hij zowel andere Frankische vorsten als sommige van zijn Salische medestanders, die zijn leiderschap hadden kunnen betwisten. Zodra die ‘hindernissen’ uit de weg, bezat het Frankische Rijk van de Merovingers alle ingrediënten van een machtig, langdurig rijk. Of daar leek het toch op. Het rijk van Clovis kon met name verder bouwen op de restanten van het Romeinse Rijk, waarbij onder andere de taal, gewoonten en godsdienst werden doorgegeven. De meeste Franken spraken na verloop van tijd bijvoorbeeld een verbasterd Latijn, dat later evolueerde tot het Frans. En Clovis was zelf dus een rooms christen geworden, in zijn bekering gevolgd door zijn hele hofhouding en krijgers. Goed nieuws voor de continuïteit dus. Was daar niet… de Salische Wet. De Franken waren dan wel goede krijgers, in ‘goed bestuur’ blonken ze niet echt uit. En hun Salische Wet – een soort grondwet voor hen – maakte dat er niet beter op. Die bepaalde dat alleen de zonen van de koning erfden en dat het rijk min of meer gelijk onder hen verdeeld moest worden. Het gevolg was dat het Frankische Rijk telkens opnieuw uiteenviel en, in combinatie met de krijgerscultuur, de strijd om meer macht en grondgebied opnieuw kon beginnen. Tel daarbij
De eerste multinationals •
19
dat de nakomelingen van Clovis niet meteen de meest capabele koningen waren en familieliefde aan hen niet besteed was… Het leidde tot politieke en bestuurlijke chaos. Nu eens was er een nakomeling van Clovis die over het hele Frankische kerngebied heerste, inclusief de Seine-, Schelde-, Maas- en Rijnvallei. Dan weer leidde een opvolgingsstrijd of een machtsgreep van lokale adel tot eindeloze interne conflicten. Als je de overlevering mag geloven, waren de Merovingers vadsigaards, zwakbegaafden en nog meer van dat moois. En het wreedst van al waren ze voor hun broers, ooms en neven – concurrenten voor de troon of sta-in-de-wegs voor gebiedsuitbreiding. Zelfs de moeders en grootmoeders moesten er af en toe aan geloven, omdat ze als regent voor hun minderjarige zonen en kleinzonen zogezegd te veel macht in handen kregen. Brunhilde was daarvan zonder twijfel het bekendste voorbeeld. De dochter van de koning van de Visigoten was getrouwd met Sigebert, een kleinzoon van Clovis en koning van een van de rijken die na diens dood waren ontstaan. Ze werd zo koningin. Maar hoewel ze na Sigeberts dood geen aanspraak kon maken op de feitelijke macht (de Salische Wet...), had ze gedurende ettelijke decennia de touwtjes wel in handen. Ze was een echte mater familias, die als regent de feitelijke macht in handen had toen achtereenvolgens haar zoon, twee van haar kleinzonen en haar achterkleinzoon (!) als minderjarige koning der Franken werden. Troonopvolgers kwamen en gingen, het rijk werd gesplitst en weer verenigd, maar Brunhilde bleef overeind. Tot de koninklijke hofhouding en de clerus, die het lang gewoon waren geweest de lakens uit te delen, het heft weer in eigen handen namen. Het leidde in 613 tot Brunhildes ondergang. Op bijna tachtigjarige leeftijd, en na een zoveelste machtsstrijd, werd de feitelijke koningin gevangengenomen, gefolterd en tot de dood toe achter een paard aan gesleept. Het was een gewelddadig einde voor wat toen de machtigste vrouw van Europa was.
20
• Een kleine geschiedenis van grote durvers
Gezegend businessplan
Aan het begin van de zevende eeuw lijkt er, na de dood van Brunhilde, even bestuurlijke en economische beterschap aan te komen voor de Frankische koninkrijken. Edelen als Pepijn van Landen, een voorvader van Karel de Grote, en Arnulf van Metz bieden koning Chlotharius II van Neustrië het onverdeelde rijk van Clovis aan, op voorwaarde dat hij het met hen en andere edelen op een akkoord gooit. Dat akkoord houdt onder andere een ander bestuur van het rijk in, waarbij deelkoninkrijken worden opgericht onder leiding van een soort superambtenaar, de hofmeier. Gedurende enkele tientallen jaren brengt het beterschap. Maar omdat het patroon van de erfopvolging niet wordt doorbroken, is het voor het Frankenland nadien telkens terug naar af, ook op economisch vlak. Handel met de rest van Europa, laat staan nog verdere gebieden, is er nog amper. Geld is bijna niet meer in omloop. En de enige economische activiteit die nog rechtstaat, is de landbouw. Enkele eeuwen eerder kon je op de markt in Tongeren of Doornik wellicht nog wijn uit Zuid-Europa kopen, zijde uit het Oosten en sieraden en potten uit Midden-Europa. Nu mag je al blij zijn als je brood op de plank hebt en bier in de ton. En in een maatschappij waar alles draait rond territoriale eigendommen, is het aantal moorden, intriges en plotwendingen onder de Frankische elite niet meer bij te houden. Kan niemand daar wat aan doen? Toch wel. Er is namelijk nog een ander instituut dat invloed uitoefent in die Frankische koninkrijken: de Kerk. Sinds Clovis dankzij vermeende goddelijke interventie een oorlog in Gallië won, is de hele Frankische bovenklasse christelijk, tenminste toch in naam. En via de Kerk blijft er in het wanordelijke West-Europa toch een stuk van de oude Romeinse maatschappijstructuur overeind, met een vrij duidelijke hiërarchie. De paus in Rome is de opperste leider van de Kerk, bisschoppen in elke belangrijke regio staan daaronder, en dan zijn er allerlei priesters, missionarissen en monniken,
De eerste multinationals •
21
die lokaal een functie bekleden. Er is natuurlijk wel wat wisselwerking tussen de adel en de clerus. De Frankische koningen benoemen graag en vaak een getrouwe tot bisschop. Qua opvattingen zijn de geestelijken dus vaak uit hetzelfde hout gesneden. Maar iets lijkt hen toch te verheffen. ‘De Kerk’ heeft namelijk een hoger moreel gezag. Met hun goddelijk mandaat op zak en een eeuwenoude machtsbasis lukt het de bisschoppen in onze streken toch een constructievere economische rol te spelen. De Kerk heeft ook iets wat de koningen en de adel doorgaans missen: een weldoordacht ‘businessplan’. In plaats van eindeloos te vechten voor land vol moerassen en bossen, richten de geestelijken zich met hun gevolg op één stuk grond en blijven ze ter plaatse. De koningen en edelen trekken daarentegen vaak rond van hoeve naar hoeve, zonder ergens permanent iets op te bouwen. De geestelijken geven de boeren in hun gebied dan weer vaker een spade en een ploeg, en motiveren hen om samen te werken om de moerassen droog te leggen, de grond te bezaaien en een grotere oogst na te streven. Zo ontstaan er na verloop van tijd kleine kerkelijke ‘start-ups’: landbouwondernemingen die door lokale geestelijken worden opgericht en over de jaren heen uitgroeien tot solide coöperatieven – met de Kerk natuurlijk als voornaamste aandeelhouder. Om succes te boeken, komen de religieuze ‘entrepreneurs’ op de proppen met een strategie die je ‘bekeer en heers’ zou kunnen noemen: eerst sluiten ze een deal met de lokale adel of koning over het gebied waar ze mogen opereren. De pasmunt kan een plaatsje in de hemel zijn voor de edellieden in kwestie, of een mooie kerkelijke functie voor de adellijke zoon of dochter. Vervolgens zorgen de geestelijken ervoor dat de lokale, heidense bevolking zich ‘bekeert’ tot het christendom. Daarbij kan het van pas komen om een lokale godheid te ‘adopteren’ als heilige, een ‘mirakel’ te verrichten of wat zachte dwang te hanteren. En ten slotte vestigen ze zich op het stuk grond waarop
22
• Een kleine geschiedenis van grote durvers
de lokale bekeerlingen wonen: ze bouwen in het centrum ervan een eigen abdij of kerk, en gaan met hun nieuwe bekeerlingen aan de slag om bossen en moerassen te ontginnen. Bisschoppen zoals Arnulf van Metz, die goed geconnecteerd is aan het Frankische hof van Chlotharius II en later diens zoon Dagobert I, vormen de ‘raad van bestuur’ voor deze plannen: ze geven hun zegen aan de opdrachten en kijken toe op een goede uitvoering ervan. Voor dat laatste leunen ze op andere, avontuurlijkere geestelijken, die vaak van elders komen. De Ierse monnik Columbanus is zo’n pionier, die al sinds het einde van de zesde eeuw actief is en weet wat het is om in onzekere omstandigheden een levensvatbare en zelfbedruipende abdij uit de grond te stampen. Rond 590 al bouwde hij in het Bourgondische Luxeuil een abdij, op de resten van een door Attila vernietigd Keltisch heiligdom. Die groeit in de loop van de zevende eeuw uit tot een welvarende gemeenschap met religieuze autoriteit en een gerenommeerd scriptorium. (Frankische) zieltjes winnen
Het is het begin van een trend. Twee Frankische geestelijken die in dit verhaal een hoofdrol spelen, Audemar en Remaclus, zijn bij de eersten die in Luxeuil intreden. Van daaruit vertrekken ze als missionaris naar de noordwestelijke uithoek van het Frankische Rijk, naar onze streken. Audemar of ‘Omaar’ krijgt van zijn overste een gebied rijk aan duinen en moerassen toegewezen. Het zal later een belangrijk deel van het graafschap Vlaanderen worden. En Remaclus komt in de bossen van de Ardennen terecht. Vanuit het zuiden van Gallië komen nog andere missionarissen naar ons: Amandus, die vooral in Gent en langs de Schelde zal prediken, en Eligius of Elooi, die in Antwerpen en verder in het noorden heidenen wil kerstenen. De belangrijkste beweegreden van de zendelingen is religieus, maar hun broodheren, de Frankische koningen Clotharius II, Dagobert I en
De eerste multinationals •
23
Sigebert III, zien vooral ook een politieke en bestuurlijke opportuniteit in het soort missiewerk dat Columbanus pionierde. Ze geven de missionarissen daarom de vrijheid om in het latere Vlaanderen, Gent, Antwerpen, de Ardennen en Haspengouw te prediken. Wat hebben ze ook te verliezen? Als de kerstening aanslaat, krijgen de koningen een deel van de (agrarische) koek via een vorm van belastingen en een bevolking die hetzelfde geloof aanhangt. Als het opzet niet slaagt, dan krijgen ze met een opgestoken duim van God alvast een minimale ‘return on investment’. Er mag dan wel weinig te verliezen zijn aan de kersteningsopdracht, het loopt in het begin niet altijd van een leien dakje voor deze religieuze ‘start-ups’. Van de vroege missionarissen heeft Amandus het initieel het moeilijkst. In de nederzetting Ganda, waar Schelde en Leie samenvloeien, heeft de lokale bevolking het niet echt begrepen op de prediker. Ze hebben hun eigen gewoontes en gebruiken, en hoeven geen nieuwe God. ‘Wat moeten we met die buitenstaander?’ vragen ze zich af, wanneer Amandus weer eens zieltjes komt winnen. ‘Weg ermee! Gooi hem in de Leie!’ Maar de aanhouder wint. Na enkele jaren wint de missionaris een aantal voormalige slaven uit de buurt voor zich. Het levert hem een kerngroep van volgers op, met wie hij een geloofsgemeenschap opricht in de buurt van de nederzetting (maar wel op een andere oever van de Leie). Het is de basis voor de Gandaabdij, de latere Sint-Baafsabdij. Van koning Dagobert I, die zich een groot deel van de omgeving rond de nederzetting toegeëigend heeft, krijgt hij vervolgens een groot stuk grond ter beschikking om een klooster te bouwen: Blandinium of de Blandijnberg, de hoogste plek van Gent. Dit klooster wordt eerst de Blandiniumabdij en later de Sint-Pietersabdij. Met de koninklijke steun en een eerste groep volgelingen krijgt Amandus nu echt de wind in de zeilen. Wat later sluit zich ook een belangrijke bekeerde edelman bij hem aan: Allowin, een zoon van
24
• Een kleine geschiedenis van grote durvers
de Frankische hofmeier Pepijn van Landen en zijn vrouw Itta van Nijvel. Wanneer Amandus zijn kersteningsopdracht elders verderzet, neemt Allowin het in Gent over. Hij wordt er abt en neemt de naam Bavo aan. Amandus trekt eerst naar het noorden, waar hij bisschop van Maastricht wordt, en nadien naar het zuiden van het groeiende Frankische Rijk, waar hij de Basken niet alleen van het gezag van de Heer maar ook van dat van de Franken moet overtuigen. Tegen het midden van de zevende eeuw ziet het er ook goed uit voor de andere missionarissen. Met de Regel van Benedictus in de hand en onder het motto ‘Ora et Labora’ worden her en der nieuwe kloosters en abdijen opgericht, van waaruit de geestelijken een echte agrarische expansietocht ondernemen. In 648 legt Omaar de eerste steen van wat zal uitgroeien tot de Sint-Bertinusabdij, waarrond de nederzetting Sithiu ontstaat. Vandaag is dat de naar hem genoemde stad Saint-Omer in Frans-Vlaanderen. Rond de abdij worden de moerassen gedempt en verschijnen golvende grasvlakten waar schapen geteeld worden voor hun wol. Het is het prille begin van die zo belangrijke Vlaamse wol- en lakennijverheid. Omaar zal voor zijn inspanningen beloond worden: hij wordt de eerste bisschop van Terwaan. In hetzelfde jaar begint ook Remaclus aan zijn abdij in Stavelot, gelegen in de ontoegankelijke Ardense bossen rond Malmedy. Net als de moerassen rond Sithiu moeten de bossen wijken voor weiden. Ook Remaclus schopt het uiteindelijk tot bisschop, van Maastricht dan nog, waar hij Amandus opvolgt. En al deze vroege missionarissen worden postuum ook tot heiligen uitgeroepen voor hun missiewerk en de aan hen toegeschreven mirakels. Audemar wordt Sint-Omaar, Allowin wordt Sint-Bavo. Amandus en Remaclus krijgen de wat voorspelbaardere heiligennamen Sint-Amandus en Sint-Remaclus mee. Het succes van de ondernemende edelen/missionarissen ontsnapt natuurlijk niet aan de aandacht van heel wat andere edelen. Als zij
De eerste multinationals •
25
eerst nog de kat uit de boom keken, gooien ze zich rond het midden van de zevende eeuw helemaal op de ontluikende abdij-economie. Allowins moeder Itta is de meest enthousiaste onder hen. Ze kent ‘het wereldje’ dan ook van binnenuit. Haar vader is Arnoald, als bisschop van Metz de voorganger van Arnulf (herinner je, de ‘early investor’ van de abdijondernemingen). Haar zoon Allowin kan dan weer uit eerste hand getuigen over zijn ervaringen in Gent. Het leidt tot een hele reeks ‘dochterondernemingen’ van de familie. Samen met haar dochter Gertrude start de goed geconnecteerde Itta in 650 eerst haar eigen abdij in Nijvel. En met de hulp van de Ierse monnik Feuillien en haar zoon en hofmeier Grimoald volgt er niet veel later een tweede, in Fosses. Begga, Itta’s andere dochter, doet het enkele decennia later nog eens allemaal over: na de dood van haar man Ansegisel, een zoon van Arnulf van Metz, begint ook zij een klooster, ditmaal in Andenne, bij Namen. (Ze weet het dan nog niet, maar dat initiatief zal vele eeuwen later nog andere ondernemende gelovige vrouwen inspireren: de begijnen.) Hoewel zowat de hele familie uiteindelijk belangrijke lokale heiligen worden, lijken ze er op het moment zelf toch vooral opuit om hun bezittingen in de regio veilig te stellen en hun invloed in het rijk te vergroten. Een abdij oprichten, je dochter of zoon er als abdis of abt aanstellen, bemoeizuchtige koningen op een afstand kunnen houden: het is een aantrekkelijk vooruitzicht, en het werkt. Hun kleinkinderen en achterkleinkinderen trekken ten langen leste zelfs de politieke macht naar zich toe: ze groeien uit tot het geslacht der Karolingers, met Karel Martel en Karel de Grote als bekendste exponenten. Tot slot is er nog Trudo, een zoon uit een adellijke Frankische familie uit Haspengouw. Opnieuw volgt hij het beproefde succesrecept: hij laat zich tot priester vormen in de abdij van Stavelot, keert naar zijn thuisregio terug en richt zijn eigen abdij op in het landelijke Sarchinium (Zerkingen, vandaag een wijk in Sint-Truiden).
26
• Een kleine geschiedenis van grote durvers
Zijn initiatief valt op vruchtbare grond. De abdij van Trudo wordt het regionale centrum voor wonen, werken, bidden en handelen. En andermaal kunnen zijn navolgers nog eeuwenlang de vruchten plukken, zowel letterlijk als figuurlijk in deze fruitstreek. Trudo laat zijn naam tot vandaag weerklinken in de stad die naar hem werd genoemd, Sint-Truiden. De abdijen die ‘onze’ missionarissen onder meer in Vlaanderen, Wallonië en Noord-Frankrijk stichten, zullen uitgroeien tot de succes volste economische entiteiten van hun tijd. Ze zullen dat ook enige tijd blijven, want succes trekt nu eenmaal succes aan. Veel kleine boeren, vrije burgers of weggelopen horigen vinden de abdijen een interessante organisatie om deel van uit te maken. Ze bieden zich van heinde en verre aan. Ze willen, om het zo te zeggen, tot het Alibaba of Amazon van hun tijd behoren: de jonge maar snelgroeiende ondernemingen, die duidelijk productiever zijn dan vele andere en die hun werk nemers (hopelijk) ook beter behandelen. De kleine abdijen worden zo echte mastodonten, waarvan de invloed tot ver buiten de klooster muren reikt. Met name die van Trudo en Omaar horen na verloop van tijd tot de invloedrijkste van West-Europa. Ze breiden ook geografisch uit, met ‘satellietkantoren’ tot tientallen kilometers ver weg: priorijen of kerkjes waar ze de prior of priester mogen aanstellen, en waar ze recht hebben op een deel van de opbrengst. Gevaar uit het noorden
Maar het succes dreigt na een tijdje een knauw te krijgen, en het gevaar komt van buitenaf. In de negende eeuw verschijnen er tamelijk letterlijk kapers op de kust: de Vikingen of Noormannen. Waarom zij precies op het einde van de achtste eeuw met hun gevreesde invallen waren begonnen, is tot op vandaag niet helemaal duidelijk. Al duizenden jaren woonden er Germaanse stammen in Scandinavië, maar tot de tijd van Karel de Grote bleven ze grotendeels onder de radar in de
De eerste multinationals •
27