Skip to main content

9789401466370

Page 1

www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagillustratie: Eleni Debo Omslagontwerp: Bauke van der Laan (dogma) Auteursportret: Hervé Debaene Stramien: Studio Lannoo Zetwerk: Mediactief Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen berust op louter toeval. Als u opmerkingen of vragen hebt, dan kunt u contact opnemen met onze redactie: redactiefictie@lannoo.com © Koen Paes, Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2020 D/2020/45/366 – NUR 330-332 ISBN: 978 94 014 6637 0 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


I Het geluid van zacht zingend rubber steeg op boven het asfalt dat in een kaarsrechte lijn door een zee van koolzaad liep. De zon was in een goede bui vandaag. Gisteren nog had ze met een genadeloze hitte op ons ingehamerd, vooral dan tijdens de steilere stukken, waar het tempo zakte en de windstilte ons had doen koken in ons eigen zweet. ‘We kunnen met onze shirts een zoutmijn openen’, had Em al lachend gezegd aan het einde van de rit. Maar vandaag had de zon haar hete furie van de voorgaande dagen laten varen en spreidde ze een vergevingsvolle deken van milde warmte over heel Frankrijk. De lucht toonde een volmaakt gelaat, onaangeroerd door zelfs de kleinste wolkenflard, en gekleurd door het soort blauw dat de definitie van oneindigheid lijkt te verbeelden. Het soort blauw dat mijn ogen binnenkwam en mijn hersenen links liet liggen om recht naar mijn ziel te gaan. ‘Because the sky is blue, it makes me cry…’ begon Em plots te zingen, alsof hij mijn gedachten kon lezen. Ik keek hem aan en glimlachte zwijgend. Bij ieder ander had ik ongetwijfeld de drang gevoeld om iets te zeggen of te tonen dat ik wist dat het Lennon was. Bij Em niet. Een blik en een knik waren genoeg

5


om elkaar te begrijpen. Hij wist dat hij het juiste had gezegd, en ik wist dat hij het wist. De ronde heuvels van de Vogezen ontvouwden zich rondom ons en weefden een tapijt van lapjes naaldbos, malse weiden en velden vol gouden graan dat sierlijk danste in de zachte zuidwestenwind. De zon, het landschap en wij twee onderweg, dat was de essentie waartoe ons leven zich had gereduceerd. Niets of niemand anders bestond op dit moment. Nu en dan keek ik naar mijn benen. Twee gladgeschoren cilinders die op en neer bewogen in een onvermoeibare cadans. Lange, smalle spieren, met hun eigen primaire verstand, dat het mijne te boven ging. Een gebruinde huid die zo flinterdun leek dat elke samentrekkende vezel erbovenuit sprong. Mijn benen waren één met de fiets en stuurden het ritme van mijn longen, het schakelen van mijn vingers, het dansen uit het zadel. Wanneer ik fietste, deden zij al het denken, zodat ikzelf vrij was om te dromen. De talloze kilometers van de afgelopen zeven dagen hadden mijn benen sterker gemaakt dan ooit tevoren. Niets verraadde het feit dat ik langzaamaan een man van middelbare leeftijd werd, of hoe moet een negenendertigjarige zich anders noemen? Niets, behalve dan enkele kleine, dunne spatadertjes die zichtbaar waren boven mijn linkerknie. Ik troostte mijzelf door ze te bekijken als de onvolmaaktheden in een Perzisch tapijt, maar als mijn geest naar duisterder oorden ging, leken ze eerder op de eerste microscopische breukjes van metaalmoeheid in een harnas dat ooit onverwoestbaar had geleken. Dan kwam de beschrijving uit mijn cursus sterkteleer weer naar boven. ‘Metaalmoeheid treedt op bij een te lang aanhoudende, cyclische belasting en kan leiden tot een plotse, vaak onverwachte bezwijking van het hele systeem.’

6


Gelukkig was mijn harnas gemaakt van vlees en bloed in plaats van metaal, maar toch, de analogie verborg zich in mijn achterhoofd als een latent virus dat af en toe opflakkerde en door mijn gedachten spookte. Maar niet vandaag. Vandaag was de hele wereld in volmaakte harmonie, terwijl we zij aan zij een flauwe helling op reden, die als een slang sierlijk over de heuvel slingerde en ons een prachtig zicht bood over een wei van veldbloemen, die zich in een caleidoscoop van kleuren uitstrekte over het glooiende landschap. ‘We’re on a road to nowhere…’ begon Em zachtjes te zingen. Em communiceerde graag in liedjesteksten en dat vond ik net zo geweldig aan hem. Hij keek me aan en knipoogde. ‘Het draait allemaal om de reis, niet om de eindbestemming’, antwoordde ik. ‘Zo is dat!’ riep hij lachend, terwijl ik het geluid hoorde van een ketting die gretig naar een kleiner tandwiel sprong. Em kwam uit het zadel en sprintte weg met de dartelheid van een jong veulen. ‘No way, Emerald!’ riep ik terug. Een opstoot van adrenaline veranderde mijn benen in dynamiet. Ik greep mijn koersstuur vast bij de beugels en sprong achter hem aan. Algauw kwam ik bij hem en zij aan zij spurtten we verder tot we samen de top van de heuvel bereikten. Em sloeg zijn arm over mijn schouder, terwijl we zwaar ademend de afdaling tegemoet reden. ‘Zalig!’ was het enige woord dat hij zei. Ik stootte mijn helm zachtjes tegen de zijne in een stille bevestiging. ‘Als mijn vrouw dit zag, zou ze vragen waarom mannen altijd zo competitief moeten zijn,’ ging hij verder, ‘maar ze mist het punt helemaal.’

7


‘Absoluut.’ Dat hij over zijn vrouw begon, verpestte het moment voor mij, alsof ik plots weer besefte dat er ook een realiteit bestond buiten hier en nu. Maar naarmate de kilometers verstreken, ebde dat gevoel weer weg en was er enkel nog de weg, die ons geduldig naar het zuiden voerde, geflankeerd door een voortdurend veranderend landschap van velden en wouden, heuvels en valleien. Rond een uur of vier leidde een laatste deugddoende afdaling ons naar een pittoresk valleitje, waar we algauw de camping vonden waar we de nacht zouden doorbrengen. Een gigantisch, houten uithangbord langs de kant van de weg schreeuwde ‘Le Sanglier Souriant’ in potsierlijk geverfde letters, boven een surrealistische olieverftekening van een everzwijn met een griezelige grijns rond de bek. Het schepsel leek zo weggelopen uit een schilderij van Jheronimus Bosch. ‘Dat beest gaat mij nachtmerries bezorgen deze nacht’, lachte Em, terwijl we langzaam door de ingang naar de receptie reden. We boekten een klein hutje aan het uiteinde van de camping, pal naast een kristalhelder bergbeekje, dat speels en geduldig zijn rotsen polijstte in een eindeloos geruis. Ik vond het heerlijk om naast stromend water te slapen. Er is iets geruststellends, bijna kosmisch in het geluid ervan. Em deelde die mening niet. Hij was bang dat hij ’s nachts om het halfuur zou moeten pissen met dat geluid op de achtergrond. Hij had uiteindelijk met lichte tegenzin toegestemd nadat ik hem al lachend had geantwoord dat hij in zijn slaap te druk bezig zou zijn met vluchten voor grijnzende zwijnen. De hut zelf was klein, maar het terras dat uitkeek over het water en de beboste heuvels aan de overkant, maakte dat meer dan goed. We waren sowieso niet kieskeurig tijdens onze reis.

8


Een bed en een douche waren de enige dingen die we nodig hadden na zo’n lange rit. We plaatsten onze fietsen tegen de zijwand van de hut en begonnen zonder een woord te zeggen aan onze dagelijkse routine. Douchen, een beetje fietsonderhoud, onze fietskleren wassen met de hand, en bovenal een munt opwerpen om te beslissen wie de belangrijke taak op zich zou nemen om eten en drinken te kopen voor de avond en volgende ochtend. Bij Koninklijk Besluit was het opnieuw mijn beurt vandaag. ‘Hoe groot is de kans om drie keer op rij munt te werpen!’ vloekte ik stilletjes in mezelf terwijl ik langs de hoofdstraat van het dorp wandelde op zoek naar een winkel. Toen Em mij drie dagen geleden had vergezeld, had ik nog voorgesteld om beurtelings boodschappen te doen, maar hij had erop aangedrongen om een munt op te gooien om wat spanning in de routine te brengen. Het maakt niet uit, ik blijf morgen ‘kop’ zeggen, dacht ik koppig bij mezelf. In de wielertijdschriften die ik verslond, stonden hele artikels over het belang van een goed gebalanceerde inname van eiwitten, koolhydraten, mineralen en vitamines vlak na een langdurige inspanning om het herstelproces te bevorderen. Met dat in mijn achterhoofd kocht ik twee flessen chocomelk, een grote zak zoute chips, een zak winegums, een paar pakken chocolade en vier blikjes ijskoud bier. Dat moest volstaan om de tijd tot het avondeten te overbruggen, meende ik. Het eten voor de volgende ochtend kopen was nog eenvoudiger, aangezien Em en ik ’s ochtends allebei zwoeren bij brood met pindakaas en aardbeienconfituur. Toen ik terugkwam op de camping, had Em vier stoelen en een klein bijzettafeltje met een paar bierglazen klaargezet op

9


het terras. Hij had er zelfs aan gedacht om kussens in twee stoelen te leggen om onze benen op neer te ploffen. Hij lag languit onderuit geschoven met de handen achter het hoofd en een dromerige blik, omhooggericht naar de blauwe lucht, terwijl de eerste hartslagen van The Dark Side of the Moon galmden uit het kleine luidsprekertje dat hij had meegenomen. Hij had me niet horen aankomen en onbewust leek ik mijn pas te vertragen en zo geruisloos mogelijk te lopen om de perfectie van het moment niet te verstoren. Geluk was nooit een toestand waarin ik lang kon vertoeven, eerder een golf die me soms overspoelde, een heerlijk moment, dat nooit lang genoeg duurde om het te begrijpen, laat staan het vast te grijpen. Toch bleef ik proberen. ‘Aha, moeder de vrouw heeft de tafel al gedekt’, zei ik met een diepe stem, zodra ik zag dat hij me had opgemerkt. Ik wierp hem een blikje bier toe. ‘Natuurlijk, als jij straks maar de afwas doet, schat’, antwoordde Em glimlachend. Ik zakte onderuit in de stoel naast hem en schonk gretig mijn blikje bier in. ‘Op dag 8!’ zei ik plechtig terwijl ik mijn glas omhooghield en naar hem toe leunde. ‘Epische rit opnieuw, kerel!’ antwoordde hij terwijl we onze glazen welgemikt lieten klinken en Pink Floyd ons langzaam meevoerde… Geluk… Acht dagen waren er nog maar verstreken, maar de dag dat ik vertrokken was, leek nu al een eeuwigheid geleden. Ik had maanden gespendeerd aan het nauwkeurig voorbereiden van de tocht, aan het uittekenen van de vijfduizend kilometer

10


lange gps-route die me door elke bergstreek van Frankrijk zou voeren. Het was geen eenvoudige opdracht geweest. Enkel goed geasfalteerde, rustige wegen kwamen in aanmerking en bovendien moest de route een camping of hotel aandoen elke honderdvijftigtal kilometer, de gemiddelde dagafstand waar ik op mikte. Het kostte uren en uren van googlestreetviewen en backtracken door een wegenweb van mogelijkheden, maar zodra ik met een plechtige muisklik het laatste puzzelstukje had gelegd en de route als een blauwverlichte driehoek boven de kaart van Frankrijk scheen, wist ik dat er geen weg terug was. Toen ik op dag 1 de voordeur achter mij dichttrok en mij liet meevoeren door mijn fiets, werd ik overmand door gevoelens van opwinding en melancholie, die voortdurend met elkaar streden om de bovenhand te halen. Dus deed ik wat ik de komende dagen nog zo vaak zou doen: mij concentreren op het ritme van de fiets en de weg voor mij, zonder achterom te kijken. De eerste vijf dagen had ik alleen doorgebracht, reizend door de Ardennen en de Duitse Eifel alvorens via de vallei van de Moezel in Frankrijk aan te komen. Eigenlijk was de hele tocht bedoeld om alleen te rijden. Het was nooit in mij opgekomen om een metgezel te zoeken. In mijn katholiek misvormde geest vormden de veertig dagen in de woestijn een soort verre metafoor voor mijn reis. Als kind al was ik altijd gefascineerd geweest door die episode uit het leven van Jezus. Alleen in de woestijn, overgeleverd aan en strijdend met de verleidingen en verzuchtingen van lichaam, geest en ziel. Voor mij draaide het om een zoektocht naar evenwicht tussen de wereld rondom en de innerlijke wereld. Een zoektocht

11


die niet zonder risico’s is en de dunne grens opzoekt tussen verlichting en waanzin. Ik was op een punt in mijn leven gekomen waar ik die zoektocht niet langer kon ontlopen, en aangezien fietsen voor mij het dichtst aanleunde bij meditatie en transcendentie, kon ik geen betere manier bedenken dan veertig dagen alleen door te brengen op mijn fiets en te zien waar de reis me heen zou voeren. Het was dan ook een regelrechte schok voor me toen Emerald op het einde van dag 5 plots op de deur van mijn stacaravan klopte, ergens op een camping in the middle of nowhere in het noorden van Frankrijk. Thuis had ik het regelmatig met Em over mijn reisplannen gehad, aangezien hij mijn passie voor de fiets deelde. Hij had vaak uitgeroepen hoezeer hij me benijdde en hoe het hem frustreerde dat zijn leven, met een vrouw en drie kinderen, hem die vrijheid niet bood. Toen hij me om de gps-route had gevraagd, had ik er dan ook niets achter gezocht. ‘Kan altijd van pas komen als ik in Frankrijk op vakantie ben’, had hij gezegd. Maar toen, out of the blue, stond hij daar plots voor mij, met de fiets in de hand en een ietwat verlegen glimlach op de lippen. Nadat het eerste moment van ongeloof was weggeëbd, had een oprechte vreugde zich meester gemaakt van mij, zelfs al veranderde Ems aanwezigheid het volledige concept van mijn reis. Een fatalistische stem in mij zei dat het zo moest zijn, en dat stelde me gerust. We hadden elkaar kort aangekeken, waren gelijktijdig gaan glimlachen en hadden de handen in elkaar geslagen, krachtig en goedgemikt. ‘Oké als ik meerijd?’ had hij gevraagd.

12


‘Graag. Kom binnen… mi casa, su casa’, had ik geantwoord en daarmee was de kous af. Ik had plots een reisgezel. In de drie dagen die ondertussen verstreken waren, had ik nog geen moment spijt gehad van zijn aanwezigheid. De timing van onze herstelmaaltijd was perfect. Het album kwam juist ten einde terwijl ik de laatste winegum verorberde en Em de zak chips boven zijn hoofd hield en de laatste kruimels welgemikt zijn mond in schudde. De zon was haar geel al aan de lucht aan het kwijtraken op zijn gestage gang naar de horizon en baadde de hele omgeving in een warme, rode gloed. Ik hoorde Roger Waters toepasselijk zingen: ‘Everything under the sun is in tune… but the sun is eclipsed by the moon.’ ‘Heb jij de zonsverduistering van ’99 gezien?’ vroeg ik aan Em. Ik schrok een beetje van mijn eigen stem en besefte plots dat we al een halfuur geen woord meer hadden gezegd. ‘Nee, ik denk het niet. Was die te zien vanuit België?’ ‘Ik geloof dat de maan in België ongeveer 96 procent van de zon bedekte. Voor een volledige eclips moest je een beetje zuidelijker zijn.’ ‘Maakt die 4 procent zo’n verschil?’ Hij leek slechts interesse te veinzen. ‘Een wereld van verschil. 96 procent voelt aan als een schemering in het midden van de dag, maar een totale eclips meemaken is een kosmische ervaring als geen ander.’ ‘Waar heb jij hem dan gezien?’ vroeg Em. ‘Ik was op vakantie in Hongarije, midden in een of ander natuurreservaat. Ik zorgde ervoor dat ik alleen was die dag en ik vond een perfect plekje op de top van een heuvel, waar ik een weids uitzicht over de omgeving had. Terwijl de maan langzaam voor de zon schoof, begon het te schemeren, maar

13


dat boeide me niet zo. Ik had mijn ogen gericht op de westelijke horizon, geduldig wachtend tot het plots gebeurde.’ Ik pauzeerde een ogenblik en nam een slok bier. ‘Wat dan?’ zei Em ongeduldig. Ik vond het geweldig dat hij oprecht geïnteresseerd was ondertussen. ‘Een pikzwarte schaduw, die plots verscheen in de verte aan de horizon, een kosmische schaduw die de maan zelf op de aarde wierp en die met een waanzinnige snelheid over het landschap raasde en alles op haar pad opslokte. Voor ik het besefte werd ook ik opgeslokt en stond de tijd plots stil. Om mij heen was duisternis, maar een duisternis zoals ik er nooit een had gezien. De lucht was niet zwart, maar gekleurd met een onwereldse, dieppurperen gloed en hoog in de lucht ­boven mij zweefde een volmaakt zwarte cirkel met een helder gloeiende aura rond, vol structuur en detail. De hele natuur hield de adem in. Vogels stopten met zingen, de stilte was plechtig en absoluut. Het is moeilijk uit te leggen hoe transcendent die ervaring was. Het vreemde aan kennis is dat je er zo gewoon aan raakt. Elke twaalfjarige weet dat we rondlopen op een grote bol die rondjes draait rond een nog grotere, gloeiende bol. Als je die kennis voor een tijdje hebt, verliest die haar magie, zelfs haar betekenis. Maar toen ik op die heuvel stond, opkijkend naar een pikzwarte diamant in de lucht en net getroffen door een schaduw van een andere wereld, kon ik die kennis voelen met mijn hele zijn. Ik voelde hoe de aarde zich vanonder mijn voeten uitstrekte in alle richtingen en heel geleidelijk afboog om een immense bol te vormen, en zodra ik dat voelde, leek ik omhoog te schieten en voelde ik die bol krimpen en krimpen en zag ik de aarde zoals ze werkelijk is: een kleine, blauwe knikker in een onmetelijke, kosmische arena. Die kennis draag ik al mijn hele leven mee, Em, maar daar op dat ­moment vóélde ik haar!’

14


‘Hola Pola’, verzuchtte Em. Niet het meest filosofische antwoord, maar ik apprecieerde wel de authenticiteit ervan. ‘Later dacht ik nog vaak na over hoe onze verre voorouders zo’n eclips beleefd moeten hebben. Ik denk eigenlijk niet dat zij veel magie gevoeld hebben, maar eerder dezelfde angst en verwarring die ik voelde bij al het leven dat mij omringde daar boven op die heuvel. Waarschijnlijk probeerden zij het in hun wereldbeeld te passen door een of ander verhaal te verzinnen over ruziënde goden of zo. De hele ervaring heeft mijn respect en liefde voor de wetenschap alleen maar versterkt. Niet alleen omdat ik het enige wezen was daar op die heuvel dat op voorhand wist dat zo’n onwereldse gebeurtenis zou plaatsvinden, maar ook omdat de inzichten in het hoe en waarom de ervaring alleen maar des te magischer maakten. Mensen verwijten de wetenschap vaak dat ze de magie wegneemt, maar het tegendeel is waar. De realiteit is vaak vreemder dan onze wildste fantasie.’ ‘Wow, door de manier waarop je het vertelt, krijg ik er spijt van dat ik die eclips gemist heb.’ ‘Nog kansen genoeg, Em, alleen niet in België. Je kan in augustus 2026 bijvoorbeeld naar Spanje gaan om er eentje te zien.’ ‘Graag. Misschien moeten we hier en nu afspreken om samen te gaan. Jij kan daar mijn wetenschapsgoeroe zijn. Wat denk je? A magical mystery tour across the universe?’ zei Em glimlachend, wetend dat ik de woordspeling wel zou appreciëren. Hij hield zijn rechterhand omhoog alsof hij een plechtig pact wilde bezegelen. ‘Ik kan op dit moment niet zo ver in de toekomst kijken, maar ik sluit niets uit’, is het enige wat ik antwoordde.

15


‘Hoe dan ook, tijd voor avondeten, niet?’ zei Em terwijl hij opveerde uit zijn stoel en al kreunend zijn quadriceps even rekte. ‘Yep, we moeten genoeg brandstof tanken voor morgen. Meer dan vierduizend hoogtemeters op het menu tenslotte.’ We kuierden rustig door het dorp op zoek naar een gezellig plekje om te eten. Zo wandelend, zij aan zij, leken we voor veel mensen op twee broers, veronderstelde ik. Twee lange, slank gebouwde mannen met een zuiderse look, kortgetrimde baard en ruwweg hetzelfde kapsel. Alleen met dat verschil dat ik stilaan last had van een groeiend voorhoofd, en terwijl Emeralds baard nog volledig donkerbruin was, vertoonde de mijne de eerste sporen van grijs, met zelfs een duidelijk wit gedeelte rond de kin. Ik zal door iedereen toch als de oudere broer geschat worden, dacht ik bij mezelf, hoewel we exact even oud waren. Emerald had ook een zelfverzekerder tred, met een rechte rug en een brede schouderpartij. Al met al was hij zeker de knapste van ons twee, wat ook elke keer duidelijk werd als we naast elkaar liepen en ik de meerderheid van de vrouwen die we kruisten, erop betrapte oogcontact te zoeken met hem in plaats van mij. Het stoorde mij maar af en toe. We vonden algauw een gezellig Italiaans restaurantje dat uitkeek over een autovrij marktpleintje, waar de lokale jeugd was samengekomen om hun spel te spelen. Enkele oogopslagen volstonden om op te maken wie interesse had in wie, daar was geen kennis van Frans voor nodig. Eén meisje in het bijzonder slaagde erin om de helft van de jongens om haar vinger te winden, en dat besefte ze maar al te goed. ‘Hier eten?’ vroeg Em.

16


‘Oké. Met gratis tickets voor een National Geographicdocumentaire’, grapte ik. Ik verzweeg de pijn diep vanbinnen. ‘Always on the outside of whatever side there was’ was de flard Bob Dylan die uit het niets verscheen en een tijdje door mijn hoofd speelde. Ik zei niet veel tijdens het eten. Die jongeren bezig zien had me in een bui van melancholie gestort waar ik maar moeilijk uit kwam. De verstikkende eenzaamheid die ik als kind en opgroeiende jongere had gevoeld, was altijd aanwezig, sluw wachtend in een donker hoekje van mijn ziel om mij op een onbewaakt moment te besluipen en bij de strot te grijpen. Verdoofd roerde ik in mijn soep, starend naar de turbulentie en de vortices die ik daarbij maakte. Hun chaotische gedrag werd beschreven door eenvoudige wiskundige vergelijkingen, althans eenvoudig om op te stellen, maar onmogelijk om op te lossen. Dat pad van orde naar chaos was alom aanwezig in de natuur en bleef een eeuwig raadsel voor me. ‘Kop op, Nick. Hier en nu, kerel! Vandaag was toch een perfecte dag, of niet?’ zei Em met een zachte, troostende stem. Ik keek hem recht in de ogen. Niet zijn woorden maar de manier waarop hij ze had gezegd, trok mijn geest in een ruk weg uit de duisternis. Ik glimlachte naar hem en slikte mijn verdriet weg. ‘Absoluut, Em!’ We stootten zachtjes onze glazen tegen elkaar aan. ‘Op schoonheid en verwondering!’ ‘Schoonheid en verwondering!’ bevestigde Em. Hij pauzeerde enkele seconden en verlichtte vervolgens de stemming met een perfecte timing. ‘Voelt een beetje belachelijk om te klinken met glazen water, niet?’ Ik slaakte een zucht van opluchting.

17


‘Absoluut.’ Het was niet dat we geen alcohol wilden drinken. In­te­ gendeel, we waren het er roerend over eens dat onze pasta veel beter zou smaken met een paar glazen goede rode wijn. Maar gezien onze dagelijkse lichaamsinspanning beperkten we ons alcoholgebruik plichtsbewust tot twee pintjes vlak na de rit. Daarnaast dronken we enkel water en chocomelk. Morgenavond zouden we daarop echter een uitzondering maken. Ik had al acht dagen op rij gefietst, dus een rustdag was stilaan meer dan welkom. Na de rit van morgen zouden we twee nachten doorbrengen op een camping in Ronchamp en onze benen een dag rust gunnen. ‘Morgen klinken we zoals het hoort’, lachte ik. We sloten de avond af met een hemels Italiaans ijsje om de laatste gaatjes te vullen en wandelden rustig terug naar de camping. Het was ongeveer elf uur en onze benen maakten ons pijnlijk duidelijk dat het voor hen al ver na bedtijd was. En wat voor wielrenners zouden we zijn als we niet naar onze benen zouden luisteren? Zonder veel te zeggen kropen we in ons stapelbed. Emerald lag boven. Hij leek binnen een minuut in slaap gevallen te zijn. Ik had er zoals gewoonlijk wat meer tijd voor nodig om mijn geest tot rust te brengen, maar uiteindelijk werd ook ik overmand door een diepe slaap. Midden in de nacht werd ik gewekt door een luid gerommel op de vloer. ‘Huh?’ bracht ik slaapdronken uit terwijl ik Em nog net de deur zag openen. ‘Ik moet pissen! En dat ga ik recht in die vervloekte beek doen!’

18


‘Pas op voor everzwijnen’, hoorde ik mezelf nog zeggen, terwijl ik van zij wisselde en rustig wegdreef in de perfecte warmte van mijn deken.

19


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401466370 by Uitgeverij Lannoo - Issuu