Skip to main content

9789401466189

Page 1

HET

JAAR VAN DE SLANG HUGO LUIJTEN


HET

JAAR VAN DE SLANG HUGO LUIJTEN


Voor Koos

www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagontwerp: Wil Immink Design Auteursportret: Koen Broos Stramien: Studio Lannoo Zetwerk: Banananas Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen berust op louter toeval. Als u opmerkingen of vragen hebt, dan kunt u contact opnemen met onze redactie: redactiefictie@lannoo.com Š Hugo Luijten, Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2020 D/2020/45/383 – NUR 330-332 ISBN: 978 94 014 6618 9 Deze uitgave kwam mede tot stand door bemiddeling van Het kantoortje van Remco, literair agent te Amsterdam. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Episode 1

Zondag 19 april, 8.00 uur, nabij militair vliegveld, Brasschaat In een vettig blauwe rookwolk hikte zijn auto nog drie keer nadat hij hem al had uitgezet. Hij stapte uit en keek snel om zich heen over de verlaten parking. Niemand. Zo vroeg op een zondagochtend lag het hele land nog in zijn nest. Nog ĂŠĂŠn keer controleerde hij zijn camera en liep de smalle weg af, in de richting van het baseballterrein, en volgde het hekwerk van het militaire vliegveld in de richting van het bos. Hij keek naar het hoge hek met gerold prikkeldraad erbovenop. De omheining scheidt de wereld der beroepsmoordenaars van die van de mensen die zij met moorden menen te moeten beschermen, dacht hij. Cynisch? Nee. Er waren tijden geweest dat hij zich daar vreselijk over kon opwinden, maar tegenwoordig kon het hem geen barst meer schelen. Net als het weer, ook zoiets. Het was nog maar half april, gisteren was het al een fucking 25 graden en vandaag zou het daar waarschijnlijk zelfs overheen gaan. Waar dat heen moest wist hij niet en eigenlijk wilde hij het ook niet weten. Hij keek over de weg. Het rasterwerk loste op in het bosschage. Hier moest dat gat toch ergens zitten? Daar was het al, afgeschermd door het frisgroen van een vlierstruik. Hij hield zijn ca-

5


mera stevig vast, kroop moeizaam door de smalle reep in het verroeste ijzerdraad en hees zich aan de andere kant licht hijgend weer rechtop. Dat ging vroeger een stuk rapper. Hij zuchtte, rekte zich uit en trok de rits van zijn zomerjack zo hoog mogelijk dicht tegen de ochtendkilte. Only the early bird catches the worm; het was dus een kwestie van even vroeg zijn als de vogels. Ook de vreemde. Behoedzaam liep hij door het bos en hij zorgde ervoor dat hij zo weinig mogelijk takken liet kraken. Een droge knak, gevolgd door wat gefladder. Hij stopte en hield zijn adem in om te luisteren. Behalve een eenzame kraai was er niets te horen. Het licht van een grote, open plek schemerde tussen de bomen door. Dat veld moest hij zien te vermijden, God weet wie hem daar kon zien. Zachtjes liep hij verder en hij boog naar rechts af, in de richting van het vliegveld. Met een schok bleef hij staan, licht verbijsterd. Daar, aan de rand van het bos bij de open plek, op een oude weidepaal vol mos, zat een Amerikaanse torenvalk. Sodeju, dat kon niet! Die kwamen in het wild niet voor in Europa. Voorzichtig pakte hij zijn camera en hoopte dat die niet te veel lawaai zou maken bij het inzoomen. Hij had de valk prachtig in beeld, het beestje had niks in de gaten. Een vrouwtje, aan het verenkleed te zien. Rustig wroette de vogel met de snavel onder de vleugels. Jammer, geen nieuwe wilde soort. Door zijn zoeker zag hij de rode ring om zijn rechterpoot. Vlug inzoomen‌ nummer 204 stond er in witte cijfers. Een dwaalgast dus, weggevlogen bij de idioot die dit prachtige dier onder een waarschijnlijk spuuglelijke veranda had zitten. Net goed dat hij ontsnapt was. Kalm drukte hij af. Klik. Falco sparverius hoorde hem nog altijd niet en keek bijna verveeld rond. Een plotselinge brul vol pijn deed zijn hart overslaan. Hij keek opzij in de richting van het geluid en hoorde achter zich de valk klapperend wegvliegen. Kut! In de vlucht maakte hij nog een foto, al gaf hij het hooguit een kans van vijf op tien dat die lukte. Met een foutenmarge van vijf. Weer een schreeuw, zo mogelijk nog harder. Wie waren ze daar aan het toetakelen? Of was het een militaire

6


initiatierite voor nieuwe rekruten? Iemand met zijn blote kont in een mierennest? Vreemde mensen naar de kloten schieten was kennelijk niet voldoende, het eigen volk moest ook getreiterd. Op zijn tenen hupte hij naar rechts, in de richting van een glooiing waarachter een bospad moest liggen. Misschien kon hij foto’s van de onnozele, maar voor de betrokkene hoogstwaarschijnlijk pijnlijke vertoning aan een krant verkopen. Dan zou een week volgen waarin nerveuze kolonels en ministers in het nieuws zouden stamelen dat het slechts om een incident ging en dat er onverwijld maatregelen zouden worden getroffen en dat de schuldigen zonder uitzondering… blablabla. Hij was er bijna. Weer een schreeuw, iets wat op ‘nee, nee’ leek. Ze zouden toch niet iemand… Zijn knieën knakten een beetje toen hij zich liet zakken en hij kroop op handen en voeten voorzichtig naar voren. Iets zei hem dat hij beter kon maken dat hij wegkwam, maar hij was te nieuwsgierig. Een zware mannenstem baste… Shit! Onmiddellijk liet hij zich voorovervallen en voelde iets hards onder zijn buik. O nee, de camera. Met zo weinig mogelijk geluid rolde hij een stukje opzij en viste het apparaat onder zijn lichaam uit. Sukkel! Terug op zijn buik tilde hij langzaam zijn hoofd op, net over de glooiing heen. Een stuk verder weg, op het bospad, stond een groepje mensen. Twee… drie? Eentje was wat tengerder. Een vrouw? Hij keek door zijn fototoestel. Drie in het zwart geklede figuren in vormeloze windjacks. Zelfs hun handschoenen waren zwart. Ze droegen een luguber aandoend wit masker. Het lijkt op een beest, een dinges… kom, hoe heet het? Weer dat gejammer. Hij bewoog zijn camera naar beneden. Op de grond tussen het trio in, zat een man op zijn knieën. Opzichtig gekleed: paars glitterhemd, witte broek, rode handschoenen. Ze hadden duidelijk iets met handschoenen. Wat moesten al die snuiters hier? Was het misschien een studentendoop? Hij wilde inzoomen, maar ondanks een nijdig geluidje kwam het beeld niet dichterbij. Christ, wat nu weer? Vuil in de zoom­ring, ook dat nog. Niet aan prutsen, zo meteen was de hele camera naar de vaantjes. Hij nam op goed geluk wat foto’s, in de

7


hoop dat hij ze thuis voldoende zou kunnen vergroten. De man in glitterhemd leek geboeid. Drie rijen ducttape klemden zijn bovenarmen tegen zijn lijf. Als dit een studentendoop is, vreet ik mijn klak op… Vinger op de ontspanner en afdrukken maar. Een van de staande figuren schudde met een grote, witte bidon. Klik. Glitterhemd schreeuwde weer en bleef iets onverstaanbaars jammeren. De man met de bidon keek naar de vrouw. Klik. Zij bezag kort de man op de grond en knikte. De andere man greep glitterhemd vast en kneep zijn neus dicht, waarop die weer begon te brullen. De bidongast goot iets in de mond van de gefolterde. Waterboarden? Nee, dat ging met een natte handdoek. Dacht hij. Klik. De man op de grond loeide toen het witte vocht zijn mond bereikte. Het ging over in geborrel en hij kokhalsde half krijsend. Bloed! Hij wist zeker dat de man bloed kotste. Klik. Ze lieten glitterhemd los en hij viel kronkelend op het bospad, in een mix van rochelen, hoesten, huilen, boeren en braken. Dit is absoluut niet in orde, wegwezen hier! Het radeloze gegil van de man in glitterhemd zou voor eeuwig in zijn oren nazinderen. Op zijn buik schoof hij achteruit, zonder zijn camera nog te ontzien. Hij moest van dit militaire domein af, en wel zo vlug mogelijk. Hij krabbelde overeind en zette het op een lopen. Achter zich hoorde hij nog één brul, die overging in een langgerekte jank. Het geluid nam af doordat de afstand groter werd of doordat… Fuck, wat als die sadisten mij te grazen nemen? Takken knapten onder zijn voeten, de camera bonsde tegen zijn buik en hij gleed één keer bijna uit over een omgevallen boomstam vol mos. Waar zat dat klotegat in die afrastering? Hebbes! Hij wurmde zich woest blazend door de smalle kier, voelde hoe het ijzerdraad zijn jas scheurde op zijn rug en hoorde hoe de camera kraste over de roestige uitsteeksels. Who cares?! Goddank, hij was erdoor. Met pijnlijke kuiten begon hij aan een sprintje naar de weg die richting het baseballterrein liep. ‘Halt!’

8


Alsof ze hem met een moker tegen zijn borstkas sloegen, hield hij stil en hij draaide zich langzaam om. Bewakers in het blauw van een beveiligingsfirma, met een zilveren V op hun revers. Een man en een vrouw, beiden net wel of net geen dertig. Kon het leger zichzelf niet eens meer bewaken? Terwijl tot de tanden gewapende soldaten doelloos door Antwerpen en Brussel sjokten? Wat een wereld… Ze stonden gelukkig aan de andere kant van het hek en dat kalmeerde hem een beetje. ‘Mijnheer heeft nogal haast?’ vroeg de kerel. ‘Och, ik wilde alleen even…’ ‘Uw naam alstublieft?’ onderbrak de beveiliger hem. ‘De Beenhouwer. Lode De Beenhouwer. Luister, het zit zo…’ ‘Mogen wij vragen wat u hier komt doen?’ vroeg de vrouw bars. Ze had stroblond piekhaar en de ontevreden trekken om haar mond verrieden nu al een leven vol frustratie. ‘Ik… eh… mijn auto, hij staat bij het baseballveld en…’ ‘Geef antwoord alstublieft, wat kwam u hier doen?’ ‘Vogels… het zit hier vol. Ik kom ze spotten en dan…’ ‘U bent hier ongewenst’, zei de vrouw. ‘Uw geheugenkaart moet u inleveren.’ ‘Wat? Maar dat is… ik sta toch buiten het hek?’ De man schudde zijn hoofd. ‘Niks mee te maken, het fotograferen van militaire domeinen is verboden.’ Ze hadden hem niet door het gat zien kruipen! ‘Maar hier mag toch iedereen komen? Ik ben niet eens achter het hek geweest!’ ‘U bent hier ongewenst’, zei de vrouw weer. Om de beveiligers nog wat verder van het gat te lokken, zette hij een paar stappen opzij. De bewakers volgden hem aan de andere kant van de afscheiding, hun blik op onweer. Hij nam zijn camera en drukte per ongeluk op de ontspanner. Dzzzzjt. ‘Waarom maakt u foto’s van ons?’ vroeg de man bars. ‘Nu moeten we uw kaart zeker in beslag nemen.’

9


‘Ik… eh… het was een vergissing, mijn excuses.’ Hij tuurde met half dichtgeknepen ogen naar de camera, tipte op een knopje, veegde snel door naar de vogelfoto’s, en toonde het scherm vervolgens aan de twee achter het hek. ‘Een Amerikaanse torenvalk’, wees hij op de foto. ‘Die zijn zeer zeldzaam.’ De vrouw rolde met haar ogen. ‘En daarom rende u weg?’ ‘Ik rende niet weg, het moet gewoon zo snel mogelijk op Facebook. Dit is een grote ontdekking!’ De man keek de vrouw aan, maar zij bleef nors naar de camera staren. ‘Allemaal zeer interessant, maar die geheugenkaart moet u inleveren, mijnheer’, zei ze op een ingestudeerde politieagententoon, waarvan zijn nekharen rechtovereind gingen staan. ‘Ik sta op de openbare weg, búiten uw verzameling legerbarakken’, sputterde hij tegen. ‘U bent hier ongewenst’, herhaalde de vrouw nog maar eens. ‘En u hebt een beperkt repertoire! Mijn woning ligt ook aan de openbare weg buiten een oefenterrein. Mag ik daar wel nog naartoe?’ De man snoof. ‘Zo is het wel genoeg. Hier met dat ding en opkrassen!’ Hij moest tijd zien te winnen. Even deed hij of hij verongelijkt aan zijn camera morrelde. ‘Sorry, er klemt iets, een ogenblikje.’ ‘Geef het hele ding dan maar hier’, baste de man. ‘Zodra de technische dienst de geheugenkaart heeft verwijderd, kunt u een aanvraag tot retournering indienen.’ Hij keek op. ‘Dit toestel kost een fortuin, dat ga ik niet over zo’n roestig draadwerk tillen. Wie betaalt het als hij valt en beschadigd raakt, de Belgische staat? Laat me niet lachen!’ ‘Mijn collega blijft hier bij u’, wees de man naar de blonde heks naast zich. ‘Ik loop ondertussen om en sta binnen twee minuten naast u’, zei hij en hij beende weg. Dit was het moment. Een ogenblik keek hij de vrouw nog bedremmeld aan en sprintte in een fractie van een seconde de weg

10


op. Hij hoorde de vrouw vloeken, maar de schrik gaf hem vleugels. Na de flauwe bocht voor hem lag de parking. Niet omkijken, vooral niet… Hij deed het toch en verloor daardoor vaart. Nog niets. Doorrennen! Hijgend als een postpaard draafde hij verder en hij voelde het zweet over zijn rug parelen. Daar was de parkeerplaats! Al rennend peuterde hij de sleutels uit zijn zak. Niet laten vallen! Een meter of tien van de auto drukte hij op de afstandsbediening en de oranje lichten flikkerden. Gelukkig, de vergrendeling weigerde voor één keer niet. Hij trok het portier met geweld open en liet zich op de stoel vallen. De camera kwam onhandig klem te zitten onder het stuur. Hij keek in paniek de weg af. Daar! In de verte kwamen de klootzakken al aangehold. Onhandig wikkelde hij de camera van zijn nek en smeet het ding op de bijrijdersstoel. Sleutel in het contact… de auto hoestte. Godverrrdomme! Nu niet, schatteke, nu in godsnaam niet. Hij draaide de sleutel een paar keer fel om, maar de startmotor haperde steeds met venijnige stoten. Hij sloeg met de vlakke hand op het dashboard. Hoerenprul! Schichtig keek hij opzij. Tweehonderd meter waren ze nog weg, maximaal. Hij greep naast zich naar de camera, klikte hem open en trok de geheugenkaart eruit. Een seconde bezag hij het ding, stak het in zijn mond en slikte het door. Sleutel omdraaien… een welluidende vroem en een donkerblauwe rookwolk. Grind spoot hoog op, en in de spiegel zag hij de beveiligers gebukt en met de handen op hun knieën uitblazen.

11


Maandag 20 april, 12.30 uur, Grand Bazar Shopping Center, Groenplaats, Antwerpen Het was commissaris Stef Cools’ eerste werkdag, na maanden van afwezigheid wegens ziekte. De bizarre verwikkelingen in Brussel, vlak voor kerst, hadden hun tol geëist, al dachten de collega’s er na vier maanden ondertussen wel het hunne van. Nadat hij te laat was binnengekomen, had hij links en rechts een praatje gemaakt en was vervolgens bijna twee uur onvindbaar. Hun chef in Brussel, Hortense Durbecq, was nu ook in Antwerpen gestationeerd en had de hele tijd onder het uitroepen van alle denkbare verwensingen naar hem gezocht. Ze was een pittige tante. Klein van stuk, vlijmscherpe tong, kort-maar-pittig kapsel, een doorgroefd gezicht en priemende ogen, die als kooltjes antraciet dodelijk leken te glanzen in een zonnebankbruin gezicht. Maar zelfs een pitbull als zij had de zoektocht ten slotte opgegeven en Ilse Lemmens de baan op gestuurd naar een vreemd opstootje in de binnenstad. Uit het niets was Cools in de parkeergarage opgedoken en had zich met zijn in zwartleren jack gehulde, slungelige lijf doodgemoedereerd naast Ilse in de auto laten vallen. Met zijn arm uit het geopende raampje had hij het eerste gedeelte door het drukke stadsverkeer in stilte rokend doorgebracht. ‘Zeg, als je verder toch niets te melden hebt, zie je niets aan mijn haar?’ zei Ilse ten slotte ter hoogte van het stadspark. Cools mikte zijn peuk weg, blies uit, liet het raampje omhoog zoemen en keek opzij. ‘Je kapper… is hij blind?’ vroeg hij met zijn blik strak op het haar van Ilse gericht. ‘Die van mij leeft tenminste nog’, zei Ilse en ze trok bruusk op voor een stoplicht, waardoor Cools met een schok naar achteren vloog. De linkerkant van haar kapsel was kort opgeschoren en de rechterkant mondde uit in een scherpe lok, die bijna over haar ogen viel. Het geheel had een dieprode kleur.

12


‘Apart, dat is het zeker’, vond Cools. ‘En denkt het prinsesje op deze manier de prins op het witte paard in haar paleisje te kunnen lokken?’ Ilse petste hem tegen zijn bovenarm. ‘Het is eens wat anders dan dat eeuwige blonde staartje.’ ‘Het valt misschien wel te veel op als we ergens post moeten vatten.’ Ilse grinnikte. ‘Nee, zoals jij als een zak patatten in de gordel hangt… Jij kunt net zo goed meteen het zwaailicht aanzetten als je moet observeren.’ Hij zakte demonstratief onderuit in de bijrijdersstoel en zweeg. ‘Hier, Komedieplaats’, zei hij na enige tijd. ‘Een komedie is het alleszins, waar ze ons nu weer naartoe sturen.’ Ilse stuurde behendig om een wachtende bus heen. ‘Schei nu toch eens uit met zeveren, Stef. Je bent meer dan vier maanden vrij geweest, en op je eerste dag ben je al niet meer te genieten!’ ‘Vrij? Ik was ziek, dat is iets anders’, antwoordde Cools met een schijnheilige grimas om zijn lippen. ‘Ik geloof meteen dat je de afgelopen tijd een paar keer flink ziek geweest bent’, zei Ilse en ze knikte met haar hoofd naar achteren, waar Cools’ stamcafé Het Zolderkot ergens lag. ‘Zeg, ik was half geradbraakt na dat avontuur in Brussel. Daar zien ze me niet rap meer terug.’ Hij stak zijn vinger betweterig op. ‘Bovendien was het op aanraden van de arbeidsgeneesheer, dus ik wens niet op zo’n toon…’ ‘Jaja…’ wapperde Ilse met haar vrije hand en sorteerde rechts voor, wachtend tot het stoplicht op groen zou springen. ‘Wat doe je nu?’ vroeg Cools. ‘Je zet de auto uit!’ ‘Hier staan we nog wel even, ze zullen in de Huidevettersstraat wel weer aan het laden en lossen zijn zodat er niemand langs kan.’ ‘Ook dat nog’, bromde Cools en hij knikte naar het dashboard. ‘Moet je daar de auto al voor uitzetten?’ ‘Onze oude wrakken mogen officieel niet eens de stad in, met die lage-emissiezone. Ik zet hem dus af, dat spaart diesel en we stoten niet onnodig veel zwavel en roet uit.’

13


‘Altijd maar weer dat milieu… het milieu op kantoor is anders niet te harden. Dat ze daar maar eens een lage-emissiezone verordonneren.’ Ilse rekte zich een beetje uit om langs de auto voor hen te kunnen kijken, maar kennelijk stond het potdicht. ‘Allez, Stef, is alles nu zo zwart? Vond je het niet leuk om ons weer allemaal te zien?’ ‘Wel, ik rook in de gang de penetrante geur van zelfgenoegzaamheid en ik dacht nog: waar komt dat vandaan? Maar toen zag ik collega Michrowski van drugszaken en viel alles op zijn plek.’ Ilse bonkte zachtjes met haar vuist tegen zijn schouder en startte de auto weer. ‘Blij dat je terug bent, Stef?’ ‘Beschouw het maar als de psychologische weerstand van heel mijn wezen tegen het onvermijdelijke. Van het karakter, dat zich met handen en voeten tegen de deurstijlen afzet, om te voorkomen dat het naar binnen moet. Vruchteloos, natuurlijk.’ ‘Zo ken ik je weer’, glimlachte Ilse en ze trok op. ‘Zeg, dit klusje, is dat niet iets voor die pipo’s van de lokale?’ Cools wees achter zich naar de grijze betonkolos van de lokale politie aan de Oudaan. ‘Het is een vorm van activisme, misschien landelijk, in elk geval bovenregionaal. Wij moeten er dus even zelf langs, Stef, het zal wel meevallen.’ Ilse keek hem aan. ‘Zo kom je er weer gemakkelijk een beetje in, wat wil je nog meer?’ ‘Een grote kom Leffe’, zuchtte Cools en hij keek zielloos naar buiten. Bij het zien van het kruispunt in de verte schoot hij overeind. ‘Nee hè, daar gaan we niet meer op wachten.’ Hij wees op de rij vrachtwagens. ‘Zet in godsnaam de blauwe aan, of ik verhang mezelf hier ter plekke.’ Zonder een antwoord af te wachten klikte hij de middenconsole open om het zwaailicht te pakken, liet het raam zakken en plaatste het ding op het dak. ‘Over de trambaan en dan meteen links’, commandeerde Cools. ‘Alleen omdat je net terug bent uit ziekteverlof’, zei Ilse streng. Ze denderden over de trambaan en aan het eind smeet Ilse het stuur om, zodat de banden een beetje piepten.

14


‘Kijk, zo moet dat!’ riep Cools met kinderlijk enthousiasme en hij klampte zich aan het handvat boven het portier vast. ‘Mogen we dan ook op de stoep parkeren? Net zoals vroeger?’ ‘Uw wens is mijn bevel’, antwoordde Ilse dociel en ze laveerde behendig de stoep voor het Shopping Center op. Cools keek naar Ilse. ‘Vanwaar ineens die gehoorzaamheid?’ vroeg hij achterdochtig. Ilse grinnikte. ‘We moeten naar de kelderverdieping en bij alarm zetten ze de roltrappen stil. Hoe is je conditie?’ ‘Miljaardedju…’ ‘Bij de parking is een lift, maar jij wilde met alle geweld op de stoep parkeren…’ ‘Ah nee, Ilse’, jammerde Cools. ‘Ik bedoelde…’ Maar Ilse was al uitgestapt en liep gehaast naar de ingang. Cools hees zich uit de auto, smeet de deur achter zich dicht en knikte nors naar de politieagent die het lint voor hen omhooghield. ‘Ik miste je daarstraks op de briefing’, zei Ilse toen Cools haar licht hijgend had ingehaald. ‘Ik heb de vroegmis inderdaad niet gered vanmorgen, wat is er eigenlijk gebeurd?’ ‘Durbecq heeft overal naar je gezocht, in de meest poëtische bewoordingen natuurlijk. Waar zat je?’ ‘Sst…’ zei Cools met een vinger voor zijn mond. Ilse hield de deur voor Cools open. ‘Toch geen stommiteiten, hè Stef?’ ‘Natuurlijk niet. Vertel nu maar wat er loos is. Activisme, zei je?’ ‘Een soort overval in de supermarkt beneden.’ ‘Soort? Hoeveel soorten overvallen bestaan er dan? Zijn er slachtoffers gevallen?’ ‘Het was geen klassieke overval, meer een soort vandalisme…’ Het Shopping Center was leeg en Ilse roffelde de stilstaande roltrap af. ‘Wacht nu eens even. Vandalisme? En daar laten ze ons voor opdraven? Het is toch godgeklaagd wat wij hier allemaal te verduren…’

15


‘Zwijgen, Stef’, riep Ilse. ‘Je hoort het zo meteen wel.’ Onder aan de roltrap boog ze naar rechts, waar een grote supermarkt gevestigd was. Ilse wees naar de toog met sigaretten, sterkedrank en duurdere wijnen. Daar leek niets aan de hand. Maar binnen leek het of er een zware veldslag had gewoed. De gangen lagen vol met een dikke smurrie van rijst, pastasaus, koffie, vloeibaar wasmiddel en vertrapte koeken. Alle vrieskasten stonden open en kroketten, doperwtjes, tuinbonen, kaassoufflés en diepvriesmaaltijden waren naar buiten geveegd. De hele vloer lag bezaaid met verpakkingen en vleeswaren plakten van de stellingen tot aan het plafond. Cools krabde op zijn achterhoofd. ‘Godnonde, dat is nog eens een binnenkomer…’ ‘Getuigen?’ vroeg Ilse aan een agent. Die wees naar een plek bij de winkelkarretjes, waar de vloer nog enigszins maagdelijk was. Een groep klanten en personeel stond er opgewonden met elkaar te praten. Voorzichtig schuifelden Ilse en Cools langs een kassa, die besmeurd was met grote klonten boter, verse room en plakken gerookte zalm. Cools stootte tegen een paar lege blikken die op de grond lagen, gleed bijna uit in een brij van bruine bonen en rodekool en kon zich nog net aan de toog vastgrijpen. Weliswaar in een plas pindasaus, die traag van de pinautomaat drupte. ‘Wel godverdegod… Dat begint hier al goed’, raasde Cools en hij stond hulpeloos met zijn hand omhoog. Een vrouw in een blauw overhemd met firmalogo kwam toegeschoten en greep achter de kassa naar een pak tissues. ‘Hier meneer, zo zal het beter gaan.’ Ze gaf hem trillend een paar tissues, liet toen de doos uit haar handen vallen en wilde zich bukken om ze op te rapen. ‘Het gaat wel, mevrouw’, zei Cools en hij veegde met een vies gezicht de prut tussen zijn vingers uit. ‘Bent u hier de chef?’ vroeg hij.

16


De vrouw knikte. ‘Floormanager, de baas is onderweg. Vivianne Callens is de naam.’ Ze was een stevige dame, met hoogblond haar dat nonchalant was opgestoken. Cools veegde met een punt van een tissue de laatste resten pindasaus tussen zijn vingers uit en wenkte een agent dichterbij. ‘Nemen jullie hun verklaringen op?’ zei hij en hij wees met de tissue naar de groep achter de kassa’s. ‘Die mensen hebben nog andere dingen te doen vandaag.’ De agent keek naar de ravage in de winkel en schoof zijn pet wat naar achteren. ‘Dat denk ik inderdaad ook…’ Ilse nam de floormanager bij haar arm. ‘Kunnen we buiten dit gewoel ergens praten?’ ‘Jazeker, op kantoor. Volgt u mij maar, alstublieft.’ De vrouw dribbelde zenuwachtig naar een deur bij de winkelwagentjes, op de voet gevolgd door Ilse. Cools keek twijfelend naar zijn bruin-witte tissue en gooide die ten slotte op een stukgesmeten pot augurken. ‘Mag het iets meer zijn?’ mompelde hij en hij liep achter de twee aan. In het kantoortje plofte Cools in een stoel en keek naar een leeg bekertje dat op het bureau stond. ‘Ik… eh… ben bang dat er op dit moment geen koffie is’, stamelde de floormanager. ‘Geeft niet’, zei Ilse en ze ging naast Cools zitten. ‘We kregen al genoeg koffie op onze briefing, nietwaar, commissaris Cools?’ ‘Bon, mevrouw Callens’, negeerde Cools de opmerking van Ilse. ‘Vertelt u eens wat er gebeurd is. Het is nog lang geen Kerstmis en voor de solden duurt het ook nog even. Maar wat anders dan een horde op hol geslagen consumenten kan zo’n puinhoop veroorzaken?’ De floormanager leunde op het bureau en masseerde haar slapen. ‘Wel, ziet u... Ze kwamen ongeveer een uur geleden binnengestormd en toen…’ ‘Ze? Wie zijn ze?’ onderbrak Cools haar.

17


‘Ik weet het niet. Een man of tien, donker gekleed, met witte maskers voor hun gezicht. ‘Toch niet van die Dalí-maskers, uit La Casa de Papel?’ kreunde Cools. ‘Nee, het deed Egyptisch aan. Een beetje faraoachtig, het liep opzij van het hoofd wat breder uit. Een collegaatje vond dat ze op een slang leken, maar dat kon ik er niet uit halen. Het was in elk geval erg akelig.’ Ilse maakte een notitie. ‘Bewakingscamera’s?’ vroeg ze. ‘Zeker, ik zal meteen zorgen dat u de beelden van…’ Cools stak zijn hand op. ‘Ho wacht, daarjuist zei u dat er geen gezichten te zien waren?’ ‘Nee, inderdaad niet. In centrum Antwerpen krijgen we wel vaker vreemd volk over de vloer, maar deze waren echt onherkenbaar.’ Cools zakte achterover. ‘Doe dan geen moeite en laat die camerabeelden maar zitten. Als ze toch niet te herkennen zijn…’ De floormanager keek verward naar Ilse. ‘Ik stuur straks iemand langs om ze op te pikken’, zei Ilse. ‘Als u wat meer tot uzelf gekomen bent.’ ‘Soit, witte maskers… en toen?’ Cools nam een pakje roltabak uit zijn binnenzak en begon een sigaret te rollen. Callens staarde naar de papieren op haar bureau, alsof daar de film van wat er gebeurd was nog eens werd vertoond. ‘Als wildemannen trokken ze dozen kapot en smeten de inhoud rond. Kartonnen met fruitsap, voorverpakt vlees…’ ‘Jajaja… we zagen de winkel, het is een knoeiboel’, zei Cools en hij likte zijn sigaret dicht. ‘Zeiden ze er nog bij waarom ze dat allemaal deden?’ ‘Nu ja, ze brulden allerlei kreten’, zei Callens zonder op te houden in haar paperassen te turen. ‘Allahoe Akbar?’ Ilse stootte Cools aan en de floormanager keek op. ‘Nee, dat niet. Het ging over het milieu, geloof ik.’

18


Nu was het de beurt aan Ilse en Cools om op te kijken. ‘Het ­ ilieu? Hoe bedoelt u?’ vroeg Cools. ‘Ik dacht dat die klimaatactim visten alleen maar wat spijbelden en met scheuren in hun broek en een spandoek vol vuile praat door Brussel liepen?’ Ilse bleef de floormanager vriendelijk aankijken. ‘Riepen ze misschien nog meer?’ wilde ze weten. ‘Alles kan belangrijk zijn.’ ‘Pfoeh… er was een soort kreet, een yell. Even denken…’ Weer masseerde ze haar slapen. ‘Barstende koppijn krijg ik ervan…’ ‘Doe maar kalm aan’, moedigde Ilse haar aan. ‘Geen verpakking produceren is beter dan recycleren… zoiets.’ ‘Het ging dus over de verpakkingen’, concludeerde Ilse en ze noteerde dat. ‘Inderdaad. Dat verpakkingen overbodig zijn, alleen maar bedoeld om nog meer te consumeren en dat ze na gebruik meteen bij het vuil belanden.’ Callens rechtte met een pijnlijk gezicht haar rug. ‘Van die dingen.’ ‘Maar waarom smeten ze dan alles op de grond?’ vroeg Cools zich hardop af. ‘Dan is het toch ook meteen rijp voor de vuilbak? Als ik me ergens dood aan erger, dan is het wel aan voedselverspilling.’ De floormanager schudde haar hoofd. ‘Ze hadden potten en zakken bij zich, een aantal wilde zelfs datgene afrekenen wat ze gepakt hadden.’ Ilse fronste haar wenkbrauwen. ‘Hoe gaat dat zonder verpakking? Daar staat de barcode toch op.’ ‘Die namen ze mee naar de kassa’, verduidelijkte Callens. ‘Al werd het daar dan ook al vlug een smeerboel.’ ‘Dat heb ik in de gaten’, meende Cools. Hij veegde een achtergebleven drup pindasaus van zijn mouw en smakte op zijn vinger. De floormanager zuchtte. ‘Toen begon het uit de hand te lopen. Een deel van de groep rukte de andere klanten hun aankopen uit de handen en begon ermee te gooien. De meer weerbare klanten vochten terug, en van het een kwam het ander.’

19


Cools stak zijn sigaret achter zijn oor en floot. ‘Djeez, wat een bende halvegaren…’ ‘Tja… met de verkiezingen in aantocht. De Groenen blazen hoog van de toren en die klimaatspijbelaars jutten de zaak nog meer op. Geen wonder dat vroeg of laat wat radicaler volk denkt dat…’ Ilse stond op. ‘Laat die conclusie maar aan ons, mevrouw Callens.’ De vrouw stond ook op. ‘Eh… natuurlijk. Jullie weten genoeg?’ Cools hees zich als laatste overeind. ‘Voorlopig wel. Die camerabeelden leveren misschien nog wat op, wie zal het zeggen.’ Hij keek de floormanager aan. ‘U kunt beginnen met opruimen, wat ons betreft. Sporenonderzoek is in deze vuilnisbelt tamelijk zinloos.’ ‘Dank u, mijnheer de commissaris’, antwoordde Callens beleefd. ‘O ja’, zei Cools toen hij bij de deur van het kantoortje stond. ‘Kunnen we ook de winkel uit zonder dat we naderhand samen moeten douchen?’ Hij keek Callens even aan en gaf haar een schalkse knipoog. De floormanager kreeg een rood hoofd en lachte nerveus. ‘Hier rechts, voorbij het personeelstoilet, aan het einde de nooddeur openen. Dan komt u in de gang naar de parking onder de Groenplaats. Maar de roltrap staat nog uit, dus u zult…’ ‘Yeahyeahyeah…’ knorde Cools. ‘Dat kan er ook nog wel bij.’ ‘Zeg, wat was dat’, vroeg Ilse terwijl ze door de gang liepen. ‘Was jij nu aan het flirten met die Callens?’ ‘Kijken of ik het nog kan’, grijnsde Cools. ‘En ik kan het nog. Haar koppijn is over, wedden?’ ‘Dat doe je niet, Stef, erg onprofessioneel…’ ‘Ik ben toch niet van plan om dit onderzoek lang bij mij te houden…’ ‘Daar gaat het toch niet over? Er is sprake van een ongelijke machtsverhouding, dus netjes is het sowieso niet.’ ‘Ja moeke…’ antwoordde Cools op deugdzame toon. ‘In godsnaam: het was maar een knipoog. Ik zie dat mens nooit meer.’ ‘Maar Lieve dan? Hoe zit het met jullie?’

20


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook