14
8
2
9
4
10 6
11
5 13
1
7
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14.
Psychornis leucopsis Harpyopsis cornuperforans Garrulus clipeatus Rhipidurana caerulea Peripatus mellirostratus Octopossum leucostolum Giraffa cochleanata Erminogecko mollidactylus Hirundo zygopteryx Cygnophidianus spirocorpus Apicula canaria Ischnura pycnophylla Ranunculum sugopedium Nigropullus hyalatus
11
12
3
Vlindermees Gehoornde harpij Dekschildgaai Blauwe waaierstaartkikker Honingbekstiefelaar Blonde octopossum Foedraalgiraffe Herminogekko Vliesvleugelzwaluw Slingerzwaanslang Kanariebij Veelbladige juffer Zuigvoetdikkop Bromkiek
INHOUD Inleiding
11
de eerste Expeditie
18
de tweede Expeditie
36
de derde Expeditie
54
Kaart
70
Nawoord
72
REGISTER
74
– Toekantweelingkrab 22 – Poseidon’s gorillrus 25 – Koraalpanter 26 – Flamingohert 30 – Grootoogmuiskarper 33 – Zeepadkwal 34
– Foedraalgiraffe 41 – Blonde octopossum 42 44 – Zespotig lieveheersbeertje – Konijguïn 48 – Gelaagde bloemkraaggaai 50 – Dekschildgaai 51 – Goudgerande kikkever 52
– Hazige juffer 58 – Honingbekstiefelaar 60 – Olifeniks 63 – Vlindermees 66 – Blauwe waaierstaartkikker 67
– Windwalser 72
INLEIDING OP TERRA ULTIMA Door Dr. Noah J. Stern, bioloog Erelid van het Koninklijk Genootschap der Wetenschappen, lid van de expeditie naar Terra Australis
D
it boek had misschien beter niet kunnen bestaan. Begrijp me niet verkeerd, er is niks mis mee. Absoluut niet. Het is een lust voor het oog. Belangwekkend bovendien. Nee, er speelt iets anders. Wat me dwarszit, is het staartje dat dit boek zou kunnen krijgen. Laat me dat even uitleggen. Mensen staan in de rij voor een reisje naar de maan. Miljoenen hebben ze ervoor over. Terwijl het daar slechts een kale, saaie bedoening is. Er valt niks bijzonders te zien, je kunt er niet eens normaal lopen of ademen. En dan schijnt er ook nog eens een zware kaaslucht te hangen. Als mensen dus al warmlopen voor zoiets armzaligs als de maan, dan moet Terra Ultima helemaal onweerstaanbaar zijn. Wat als lezers van dit boek het in hun hoofd zouden halen om massaal af te reizen? Wat als ‘compleet verzorgde’ trips naar dit ongerepte continent ineens zouden opduiken in reisgidsen? Terra Ultima zou platgetreden worden, uitgerekend door dit boek. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben.
Toch ligt dit boek er. Waarom? Nu, eerst en vooral omdat ik een man van mijn woord ben. Mij is gevraagd om dit boek samen te stellen, en ik heb ja geantwoord. Het is m’n eer te na om vervolgens te zeggen: ‘Ik heb me bedacht. Ik stop ermee.’ Alleen omdat het boek wat toeristen zou kunnen opleveren. Dit boek heeft me bovendien bloed, zweet en tranen gekost. Het leek nochtans zo simpel: ik zou het archief ontvangen van de man die Terra Ultima heeft ontdekt en in kaart gebracht, de heer Deleo. Mocht het nodig zijn, dan zou ik zijn materiaal een beetje ordenen. Wellicht zou ik hier en daar wat uitleg moeten geven, voor mensen die niet, zoals Deleo en ik, gepokt en gemazeld zijn in avonturen en ontdekkingstochten. De werkelijkheid was anders. Aanmerkelijk anders. Wat voor een archief ik aantrof, beschrijf ik een paar bladzijden verderop. Voor nu is het voldoende om te weten dat ik me uit de naad heb moeten werken om orde te scheppen en een boek te maken van al dat materiaal. Had ik, na al die moeite, dit boek moeten laten schieten? Om Terra Ultima te beschermen?
11
De ligging van Terra Ultima Ik zou bijna vergeten dat de kans op hordes toeristen nu ook weer niet zó groot is. Niemand weet immers waar Terra Ultima ligt. Geen mens weet hoe je er komt. Op één geluksvogel na dan: Deleo. En die zwijgt als het graf. Natuurlijk heb ik hem gevraagd waar Terra Ultima te vinden is. Ik hengelde naar breedte- en lengtegraden, naar de richting waarin de kompasnaald wijst. Daar begint tenslotte alles mee. Zeker een boek als dit. Deleo gaf me volledig gelijk: met de ligging begint inderdaad alles. Vervolgens begon hij doodleuk over iets anders. Ik liet me niet kennen. ‘Laten we de eerstvolgende keer samen op expeditie gaan’, stelde ik voor. ‘Neem me mee, al is het voor een paar dagen. Ik vind de weg terug wel. Het zou een grote hulp zijn bij het maken van het boek.’
Deleo floot een deuntje. ‘Ik beloof geen mens iets over de reis te vertellen’, vervolgde ik. ‘Geen jota. Hand erop. Ik ben zelfs bereid dat op papier te zetten. Met drie stempels erop en mijn handtekening eronder.’ Hij plukte een pluisje van mijn mouw. ‘Beter nog, blinddoek me tijdens de tocht. Stop watten in mijn oren. Bind me vast aan de mast.’ Het werd inmiddels een beetje gênant. Wat ik ook probeerde, mijn moeite was vergeefs. Deleo bleek onvermurwbaar. Het mag duidelijk zijn: ik heb mijn hulp en steun aangeboden, dus aan mij ligt het niet. Het lot van Terra Ultima rust nu geheel in handen van Deleo. Aan hem om ervoor te zorgen dat hij zich niet verspreekt of op reis wordt geschaduwd, zodat de locatie van Terra Ultima geheim blijft.
12
Inleiding op Terra Ultima
Samenwerking Het wereldje van ontdekkingsreizigers is klein. Toch hadden onze paden zich voorheen slechts eenmaal gekruist. In Chicago, bij een lezing die Deleo hield in het Field Museum. Als ik het me goed herinner, was dat kort na zijn eerste expeditie. We wisselden enkele beleefdheden uit en dat was het. Kwam ik nadien artikelen van zijn hand tegen, dan las ik ze. Ik volgde hem belangstellend, maar van een afstand. Zijn verzoek om aan dit boek mee te werken, kwam dan ook als een verrassing. Waarom liet hij zijn uitgever juist mij benaderen? Was mijn ontdekking van de fantoompoot bij de Anguis fragilis hem opgevallen? Was het omdat ik had deelgenomen aan de befaamde expeditie naar
Terra Australis? Of was het de vraag die ik bij zijn lezing vanuit de zaal had gesteld die de doorslag gaf? Bij het doornemen van zijn dagboeken kwam ik erachter dat mijn vraag meer indruk had gemaakt dan ik besefte.1 Maar wat deed het waarom ertoe? Deleo was bij mij aan het juiste adres. Per omgaande liet ik hem weten dat hij op me kon rekenen. Zijn archief zag ik belangstellend tegemoet. Een week verstreek, en nog een. Toen ontving ik een elegant visitekaartje waarop, duidelijk gehaast, was gepend: ‘Verwacht het archief morgen. Gr.’ In de rechterbovenhoek stonden de initialen RD.
Het ‘archief’ De volgende ochtend werden voor mijn huis vijf kloeke hutkoffers uit een krakkemikkige verhuiswagen geladen. Ze waren voorzien van stevig ijzerbeslag en zaten onder de stempels, zegels en etiketten. Met grote inspanning sleepten de bezorgers ze mijn woning binnen. Ik had het geduld en de kracht niet om ze naar mijn studeerkamer te brengen. Nog in de hal opende ik een koffer. Een betere start had ik niet kunnen wensen. Het eerste wat ik zag was een stapel tekeningen. Originele tekeningen van wat groeit en bloeit op Terra Ultima. Met licht trillende handen pakte ik een willekeurige prent uit de koffer. Ik had het werk van Deleo weleens op foto’s gezien in een vakblad, maar nooit eerder in kleur en van zo dichtbij. De potloodstreepjes van
de schets waren nog te zien. Ik blies een restje gum weg. Vanaf het papier keek een beestje me aan. Volgens het bijschrift was het een Octopossum leucostolum. Het had inderdaad wat weg van een octopus, maar ook iets van een miereneter. Met m’n rechterwijsvinger volgde ik de contouren van het dier. Vanaf de kop, over de rug, enzovoort. De vacht voelde stugger aan dan verwacht. Hij kriebelde zelfs een beetje. Waar hield de miereneter op en begon de octopus? Ik kon er de vinger niet op leggen.
1 — Noot van de uitgever: zie ook bladzijde 64.
13
Ik ging zo op in mijn onderzoek dat ik aanvankelijk niet opmerkte dat er iets aan m’n hand plakte. Een fractie van een seconde. Was het een restje lijm? Snel keek ik naar het kopje van de Octopossum. Dat zag er nog precies hetzelfde uit, het tongetje onbewogen op het papier. Ik nam een volgende prent in handen: de Penguilagus pseudopticus. Weer verloor ik me in de tekening. Op mijn reizen had ik veel ongewoons gezien, maar dit soort wezens was nieuw voor me. Pas door het knorren van mijn maag kwam ik terug in het hier en nu. Er waren uren verstreken, ik had amper twee tekeningen bekeken.
Na het eten kon ik niet wachten om de rest te onderzoeken. Enthousiast stortte ik me op Deleo’s materiaal. Al snel bekroop me echter twijfel. Wat deed die laars (een linker, maat 43½) in de koffer? Of dat boodschappenbriefje? Ik opende een volgende koffer, en nog een. Het werd er niet beter op. Toen ik nummer vier en vijf had geopend, was de moed me helemaal in de schoenen gezonken. Onthutst bekeek ik het 2 geheel en prevelde: ‘O Carlyle, sta me bij.’ Het zag ernaar uit dat Deleo in het wilde weg materiaal uit zijn archief had geplukt en in de koffers had gepropt. Ze leken gevuld met alles waar hij toevallig de hand op had kunnen leggen: tekeningen, half gedroogde planten, land- en zeekaarten, driekwart van een reep chocolade (85% cacao), logboeken, dagboeken, naslagwerken, twee klamboes, allerhande meetinstrumenten, een theebuiltje… Bruikbare stukken en volstrekt nutteloze rommel lagen schots en scheef over, onder en door elkaar. Het materiaal dat hij had verzameld, moet hem zachtjesaan boven het hoofd zijn gegroeid. Ik kon het Deleo wel vergeven. Moest hij naast avontuurlijk en schrander ook nog eens ordelijk zijn? Nee, juist in dit soort chaotische omstandigheden kan de ene vakbroeder er voor de andere zijn. Wat niet wegnam dat ik met de warboel zat. Ik nam een hap van de reep chocolade en beurde mezelf op: ‘Je komt er wel uit. Zeker als je Deleo om tekst en uitleg vraagt.’
2 — Noot van de uitgever: verwijzing naar Thomas Carlyle (1795-1881), Schots schrijver. Wist de paperassen van de grote (maar slordige) professor Diogenes Teufelsdröckh enigszins te ordenen.
Inleiding op Terra Ultima
Het atelier Herhaaldelijk probeerde ik met Deleo af te spreken. Steeds bleef het stil. Tot er warempel, na vijf maanden, twee weken en vier dagen een teken van leven kwam, in de vorm van het mij inmiddels bekende visitekaartje. Deleo liet weten dat het hem ‘een waar genoegen’ was me te ontvangen, om ‘eventuele onduidelijkheden weg te nemen’. De volgende ochtend stond ik in zijn atelier. Aanvankelijk dacht ik dat ik me had vergist. Was dit het atelier van de man die me een archief had laten bezorgen dat zacht gezegd een beestenbende was? Hier was het verbluffend netjes. De opgezette dieren stonden strak in het gelid en er was een waterpas gebruikt bij het ophangen van de prenten. Het middelpunt van de ruimte was een schildersezel, met aan weerszijden tubes verf en potten met kwasten. Boven de ladekasten, links in het atelier, hing een bordje waarop in een zwierig handschrift ‘Dode materie’ was geschreven. Ik opende een lade en stuitte op een verzameling botten, veren, klauwen en snavels, variërend van lang tot kort, groot tot klein, van scherp tot stomp. Uit het materiaal waren minstens zeven vogels te construeren. In een volgende lade vond ik stenen en steentjes, stukjes bast en versteend hout, zakjes zand (grof en fijn), mossen in elke denkbare bruin-, blauw- en groentint en buisjes met onbestemde vloeistoffen, waarvan er enkele licht leken te geven. Genoeg voor een miniatuurlandschap. Rechts in het atelier stond een donkere, houten houder met mappen van groen, gemarmerd karton, formaat elephant folio. Erboven hing een bordje met ‘Schetsen’. Ik was juist begonnen het lint van een van de mappen los te peuteren toen Deleo me tegenhield. ‘Bespaar u de moeite’, zei hij. ‘U beschikt reeds over alles wat voor het boek belangrijk is.’
Deleo ging koffie zetten. Daar is hij erg precies in – de helft van het bezoek ging eraan op. Toen we eenmaal zaten en ik begonnen was aan mijn eerste vragen, ging er al snel een kookwekkertje af ten teken dat mijn tijd op was. Glimlachend reikte Deleo mij m’n jas aan. Hij hielp me zelfs bij het aantrekken. Voor ik het wist stond ik weer buiten. Het is bij dat ene bezoek gebleven, op verdere uitleg en hulp hoefde ik niet te rekenen. Wat ik weet over Terra Ultima, Deleo en zijn expedities, heb ik geheel uit zijn archief moeten halen. Eenvoudig was anders, zelfs voor een opgeruimd man als ik. Na onze ontmoeting gingen er nog een paar weken op aan puinruimen, schiften, gladstrijken, ontcijferen en sorteren. Toen had ik de wanorde bedwongen en de kostbaarheden boven water gehaald. Uit het materiaal was een beeld gerezen van niets minder dan Terra Ultima. En van de wijze waarop Deleo het continent op het spoor was gekomen en had gevonden.
Inleiding op terra ultima
Terra Ultima: vondst, route en omvang Een onbekend continent, wie had daar nog rekening mee gehouden? De aardbol was reeds in alle windrichtingen doorkruist en minutieus in kaart gebracht. Hoogstens zou er nog eens een drooggevallen stukje zee in de atlassen moeten worden opgenomen of wat afgekalfde kust worden uitgegumd. Maar plots bleek dat men iets over het hoofd had gezien, iets wat aan alle atlassen was ontsnapt. Een heel continent nog wel: Terra Ultima. Vertaald betekent die naam zoveel als: het einde van de wereld. Hoezeer ik het hem ook had gegund, Deleo heeft Terra Ultima niet zelf ontdekt. Gilles Jansz, kapitein bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie, was hem voor. Geen enkel geschiedenisboek vermeldt dat trouwens. Van Jansz was slechts bekend dat zijn schip, de Postiljon, in 1599 spoorloos was verdwenen op de Stille Oceaan. Zijn kennis van Terra Ultima kwam pas aan het licht toen de Postiljon eeuwen later weer opdook, verlaten dobberend op de Indische Oceaan. In het ruim vond men kaarten en tekeningen van een onbekend continent en van het leven dat zich daar, buiten het zicht van de mensheid, had ontwikkeld.
De vondst veroorzaakte opwinding in wetenschappelijke kringen, ik herinner het me nog goed. Ook aan Deleo ging deze gebeurtenis niet onopgemerkt voorbij. In zijn archief trof ik een stukgelezen krantenartikel aan over de schat die in de Postiljon was gevonden. Het zou negen jaar duren voordat Deleo de weg naar Terra Ultima vond. In een voordracht voor het Botanisch Genootschap Trompenveste vertelde hij daar meer over. Toen ik het verslag van die bijeenkomst las (gevonden in koffer twee), ging er een pijnscheut door me heen. Hoe kon hij zo open zijn tegenover een onbekend, anoniem publiek, en mij in het duister laten tasten? Was hij dusdanig opgetogen over zijn vondst dat hij vergat na te denken? ‘Terra Ultima moet gezocht worden tussen Alaska en Azië’, hield Deleo zijn luisteraars voor. ‘Zet vanaf de Tsjoektsjenzee koers naar de Beaufortzee en stuur vervolgens aan op de Deltagolf.’ Als klap op de vuurpijl nam Deleo elk mogelijk restje onduidelijkheid weg: ‘Vandaar wijst het zich vanzelf.’
Laat ik het tot slot nog even hebben over de omvang van Terra U ltima. Daar valt op grond van het archief niets met zekerheid over te zeggen, behalve dat het continent gigantisch is. In zijn aantekeningen heeft Deleo het over ‘onafzienbare horizonten’ en bergketens ‘die zich uitstrekken zover het oog reikt’. Een poging om een kuststrook op te meten heeft hij na zes weken en 842 kilometer gestaakt. ‘Onbegonnen werk’, krabbelde hij in zijn dagboek (met minder vaste hand dan gewoonlijk). Het is tijd om Terra Ultima en Deleo zelf aan het woord te laten. De prenten en dagboekaantekeningen die volgen, hebben beslist een interessant verhaal te vertellen. Als er iets ontbreekt of onduidelijk blijft, dan ligt dat aan Deleo, niet aan mij. Ik kan niet meer uit zijn archief halen dan erin zit. Maar oordeel niet te hard. Het gaat hier tenslotte niet om de ontdekking van een stuk weiland, maar van een heel continent. Doe dat maar eens na. Vergeet bovendien niet dat de biologie een wetenschap is. En voor de wetenschap geldt: als ze geen vragen oproept, is ze geen klap waard.
Inleiding op terra ultima
18
De eerste expeditie
DE EERSTE EXPEDITIE 102 dagen – Kustgebied – 842 km
19
De eerste expeditie
E
De schittering was verblindend. Wat vloog, klom en dook daar aan de hemel? Het leek me te groot voor een zilvermeeuw en te klein voor een albatros. Voor een fregatvogel was het weer te licht van kleur. Door de afstand en beweeglijkheid kon ik onmogelijk vaststellen wat het wel was. Vanaf het moment dat ik de verschijning opmerkte, sloeg mijn stemming om. Vreugde maakte zich van me meester. Ik had mijn poolster gevonden.
en schip op drift, lading die uit de spanbanden breekt, bedorven drinkwater… Wie zelf weleens onderweg is of weet hoe het reizigers als Tasman, Roggeveen of Gulliver verging op zee, zal veel herkennen in de aantekeningen van Deleo. Ook zijn humeur volgt het bekende patroon. Bij vertrek is de stemming opperbest. Het leven aan boord lijkt zoveel beter dan dat aan land. Maar na een paar dagen treedt de moeheid in, als Deleo zeilen moet bijzetten of water uit het ruim moet lozen. Alles om het schip op snelheid en koers te houden, of soms simpelweg boven water. Zijn aantekeningen worden schaarser, de toon vlakker: ‘Uren gezelschap van hamerhaaien. Paartje?’
Deleo trekt op met zijn metgezel aan de hemel en bespeurt al snel een nauwelijks te onderscheiden donkere reep aan de horizon. Zijn eerste reactie is ongeloof.
Haastig greep ik naar kaart en kompas, om zeker te stellen dat het om Terra Ultima ging en niets anders. Ik berekende mijn positie, en daarna nog eens. Opgetogen stelde ik vast dat elke andere mogelijkheid uitgesloten was. Dit moest inderdaad Terra Ultima zijn. De volgende dag schuift er strand onder de boeg. Met een doffe zucht en een schok zet de boot zich erin vast. Op de grens tussen water en land valt Deleo stil, met de oude wereld in de rug en een nieuwe voor zich.
Op mijn hurken staarde ik vanaf de boeg in het water. Urenlang. Stram werd ik ervan. Schelpjes en wier rolden af en aan over de bodem. De zon brandde in mijn rug. Toen keek ik langzaam op. Mijn blik kroop over het strand tot aan de voet van een rotspartij en klom vandaar omhoog.
Tegen het einde van de reis, op dag drieënveertig, steekt, geheel voorspelbaar, de opwinding de kop weer op. Dat gebeurt opvallend genoeg niet, zoals we meestal zien, omdat er land in zicht komt. Nee, Deleo heeft iets anders opgemerkt: een schittering hoog in de lucht die met hem meebeweegt. Vanaf dat moment komt hij weer tot leven.
20
Ik nam het tafereel in me op. De rots had de vorm van een olifant, die onbewogen op me wachtte. Olifantstrand, schoot het door me heen. Welke naam paste beter bij deze plek van aankomst? De rotspartij laat Deleo niet meer los. Ze wordt het baken waarop hij zich oriënteert. Vanaf hier verkent hij Terra Ultima, hier keert hij naar terug, hier vindt hij troost. Deleo vindt zijn weg met de eenvoudige, maar beproefde methode van M. la Bonne Foi. Deze Franse maarschalk wist in 1853 al dat je het best je neus achterna kunt lopen (suivre son nez), waar je ook gaat. De eerste dagen brengt Deleo’s neus hem niet veel verder dan het Olifantstrand. ’s Morgens, als het nog koel is, beklimt hij de flanken van de rots. Hij schraapt er mossen van het steen. Om de zon te ontlopen bekijkt hij ’s middags de rots vanbinnen. In manshoge grotten, waaruit de zee zich voor even heeft teruggetrokken, stuit hij op zeeegels. ‘Ze liepen zijwaarts als krabbetjes. Als je niet oppaste, trapte je erop.’ Hij struint over het strand en door palmbosjes waar hij even snel in als uit is, alles op zijn dooie gemak. ‘Ik kwam op adem van de reis’, zo schrijft hij. ‘Hier vond ik rust.’
Daar, boven op die rots, wordt Deleo zich bewust van welk avontuur hij is aangegaan. Voor het eerst voelt hij twijfel, iets van angst zelfs. Uit het veld geslagen keert hij terug naar de enige vertrouwde plek die hij hier kent.
Wat stond me hier te wachten? Hoe moest ik in godsnaam een heel continent in kaart brengen? Door er gewoonweg in rond te lopen? Nooit had ik me dat afgevraagd, druk als ik was met de voorbereiding van de reis en met mijn ambitie om Terra Ultima te vinden. Het liefst was ik ter plekke in rook opgegaan. Over en uit. Terra Ultima zet Deleo weer met beide benen op de grond. Hij besluit het achterland voorlopig links te laten liggen en te bewaren voor een volgende expeditie – als die er nog komt. Nu richt hij zich op de kust. In zes weken legt hij 842 kilometer langs de vloedlijn af. Op de heenreis heeft hij de zee op links en het land rechts, op de terugweg is het precies andersom. Zijn keuze voor de kust stelt niet teleur: de gorillrus loopt hem er tegen het lijf. Nadat hij is teruggekeerd uit het oosten durft Deleo toch nog een uitstapje landinwaarts aan. Ten zuidwesten van het Olifantstrand stuit hij op een riviermonding. Vandaar loopt hij stroomopwaarts de vlakte in, één kilometer lang en geen stap verder. Het is ver genoeg om een foerageplek van het flamingohert te ontdekken.
De vijfde dag leidt zijn neus hem hoger de rots op, via ‘een geleidelijk stijgend, prettig begaanbaar pad’. (Dat is niet gelogen, hij schrijft het werkelijk: prettig. Zijn expeditie begint op een pleziertochtje te lijken.) Van boven op de rots ziet hij voor het eerst het binnenland. Een onmetelijk gebied strekt zich voor hem uit: vooraan grasvlakten in oker, bruin en groen, golvend in de wind. Op wat verspreide groepjes palmbomen na, ontbreekt elke andere vorm van vegetatie. Verder landinwaarts wordt de begroeiing dichter en gevarieerder. Deleo ziet wouden liggen, die ondoordringbaar ogen. Nog verder weg steken bergen de lucht in. Het landschap is niet te overzien.
21
De eerste expeditie
Tucanogemina carcinoforma Toekantweelingkrab De hersenen van de toekantweelingkrab zijn verdeeld over de koppen. Met de linkerkop neemt hij waar, met de rechter- stuurt hij zijn bewegingen aan. De koppen wisselen informatie uit, door hun snavels ritmisch tegen elkaar te tikken.
22
23
De eerste expeditie
Exp. 1, dag 4
Wie weet lag het niet aan mij. Het beest had immers nog nooit een mens gezien. Was zoiets Columbus ook niet overkomen? Toen zijn vloot voor de kust van Amerika opdoemde, werd die door de inheemse bewoners niet opgemerkt. Simpelweg omdat ze nooit eerder zulke grote schepen hadden aanschouwd. Wat je niet verwacht, neem je niet waar. Zou dat ook voor dieren gelden?
Achter me hoorde ik gesnuif en geplons. Ik keek om en bevroor. Zelfs al had ik weg kunnen rennen, ik had het niet gedurfd. In de branding schudde een uit de kluiten gewassen beest zich driftig het water van het lijf. Twee enorme slagtanden zwaaiden vervaarlijk heen en weer. Toen liet het gevaarte zich met een plof op z’n zitvlak vallen. Kalm begon het beest de haren van zijn onderarmen glad te strijken. Hij was zeker 2,5 meter lang, had kolossale poten en zeeblauwe ogen. Hij zat erbij als een vorst: statig, zelfverzekerd. Ik moest denken aan die andere koning van de zee: Poseidon. Alleen had die drie tanden. Het beest keek op, iets trok zijn aandacht. Hij boog zich voorover en plantte zijn voorpoten in het zand. Loom hief hij het achterlijf. Vanaf toen ging het snel. Hij trok zijn slagtanden tegen de borst, spande de spieren en schoot vooruit, regelrecht op me af. Vijf, zes sprongen en hij was bij me. In een reflex sprong ik opzij. Ik rook vis, kreeg een plets van zijn natte vacht en… weg was het beest. Hij had niet naar me op- of omgekeken. Na een kwartier was mijn hartslag gedaald en besefte ik wat er zonet was gebeurd. Of beter: wat er níét was gebeurd. Ik ben het gewend dat dieren op mij reageren, dat ze me ontvluchten, in de gaten houden, besnuffelen, uitdagen, om de tuin leiden of aanvallen. Maar me gewoon over het hoofd zien? Dat was nieuw voor me. Het beviel me niks. Had dit dier niet op z’n minst naar me kunnen grommen?
Ik kijk op uit het dagboek. Genegeerd worden door een dier, wat een boeiende ervaring. Ongemakkelijk ook, lijkt me. Ik heb toch liever dat dieren me wel zien staan. En ik niet alleen. Hoeveel moeite doen bezoekers van een dierentuin niet om de aandacht van een olifant of ijsbeer te trekken? Volgens mij had Deleo zich beter af kunnen vragen waarom mensen dat doen, in plaats van aan te komen zetten met Columbus. Want wees eerlijk, dat van die indianen is toch flauwekul? Ook al kenden die geen grote schepen, blind waren ze niet. Terug naar het dagboek. Mijn vinger glijdt over de bladzijde en zoekt de plek waar ik gebleven ben.
Dat verhaal over die indianen is natuurlijk een fabeltje. Alsof ze onnozel waren. Nu ik erover nadenk, lijkt een andere vraag me belangrijker: waarom wil ik eigenlijk dat dieren me opmerken? De eenzaamheid die ik hier ervaar, wijst me op het antwoord. Aandacht is een levensbehoefte. Het geeft je het gevoel dat je ergens bij hoort, dat je bestaat. Al is het in de ogen van een dier. Behoedzaam sluit ik het dagboek en schuif het van me af. Ik bedenk dat ik nog een brief moet posten.
24
Met dank aan Sonja ten Cate, Ernst Slappendel en Klaas Demeulemeester. Zonder hun geduld en toewijding had dit boek al in de eerste storm schipbreuk geleden.
www.lannoo.com
Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. © Uitgeverij Lannoo nv, 2021 ISBN 978 94 014 6594 6 D/2020/45/60 NUR 253 Teksten: © Noah J. Stern en archief Raoul Deleo Wetenschappelijke naamgeving: Drs. Anneke Korevaar Tekeningen en archiefbeelden: © Raoul Deleo Vormgeving: Studio Lannoo (Aurélie Matthys) i.s.m. Raoul Deleo Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.