CAROLINE STRUBBE POLAROID
D/2019/45/452 – ISBN 978 94 014 6388 1 – NUR 300 Vormgeving cover: Studio Lannoo Vormgeving binnenwerk: Studio Lannoo Zetwerk binnenwerk: Studio Lannoo © De auteurs en Uitgeverij Lannoo nv Tielt, 2019. Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Academia Press Coupure Rechts 88 9000 Gent – België www.academiapress.com
KARAKTERS Filosofie en literatuur in zakformaat
CAROLINE STRUBBE POLAROID
Deel 1
OUVERTURE TOT VERWONDERING (OVER DE LINTBEBOUWING IN STELLA’S HOOFD)
IN TRANSIT Gate 54 – 10 pm Kopenhagen
Stella sluit de ogen en beeldt zich in dat ze tussen twee vluchten met een nieuw kapsel en een fris gelaat met perfect gestroomlijnde wenkbrauwen nog even een film kan meepikken om dan tijdens de vlucht dat ene boek, waarvan ze eigenlijk nooit doorheen de eerste pagina was geraakt, nu in één ruk uit te lezen. Niet alleen heeft ze net te horen gekregen dat haar vlucht twee uur vertraging heeft, ze kan ook niet echt zeggen waar ze zich bevindt. Stella’s gedachten werden om onverklaarbare redenen en tot haar eigen verbazing overspoeld door allerhande ideeën voor kleine of middelgrote ondernemingen, terwijl ze hier helemaal geen opleiding of ambitie voor had. Toch liet ze die gedachten hierover toe, want het amuseerde haar. Voor haar was het onbegrijpelijk dat een luchthaven geen kapperszaak, geen schoonheidssalon, geen bibliotheek en vooral geen filmzaal had. Passagiers die uren nodeloos vastzitten onverwachts trakteren op tijdwinst leek haar een uiterst aantrekkelijk plan. Zo hoopte Stella zelf vaak op afbellers en laatkomers en vond ze het zalig als mensen plots hun
7
afspraak last minute afzegden en er een zee van tijd ontstond. ‘Cadeautijd’ die ervoor zorgde dat er plots gekke dingen konden gebeuren. Dat idee verrukte haar. Ze bedacht daarbij dat voor haar persoonlijk denkbeeldige gesprekken met andere mensen, vooral familieleden en dichte vrienden, hier zeker ook deel van uitmaakten. Het feit dat ze zich in de transitzone bevindt en dat niemand weet waar ze is, maakt dat bevrijdend gevoel helemaal compleet. Net zoals het woord ‘gate’ haar erg verblijdt. In afzienbare tijd zal ze door een poort wandelen naar een andere wereld, een poort die zal leiden naar een nieuw begin. Ze ervaart hierbij een gevoel van opwinding dat ze niet echt kan duiden. Wat ze wel weet, is dat wat ze nu ervaart deel uitmaakt van een reeks kleine extases die haar leven op onverwachte momenten plots waardevol kunnen maken. Die gaan meestal gepaard met een onweerstaanbare drang om met haar handen te flapperen, zoals kinderen dat doen als de koekjesdoos niet volgens hun gewenste tempo opengaat en het kind dat proces denkt te kunnen bevorderen door snel heen en weer te bewegen met de handen. Ook zij heeft nu de neiging om dat te doen, maar gezien haar leeftijd zou dit ongehoord zijn. Vandaar dat ze haar handen in één beweging onder haar oksels klemt wanneer de ontredderde blik van de gedupeerde reiziger – die net tegenover
8
haar zit – als een soort houvast de hare fixeert. Of zou dit meer te maken hebben met de aankondiging dat vlucht Z-345 naar Vilnius, met twee uur vertraagd zou worden? ‘Het heeft vaak te maken met vrijheid’, had ze verschillende keren uitgelegd aan Roos als ze die kleine momenten van geluk probeerde te vatten. ‘Vooral vrij zijn en tegelijkertijd verliefd zijn, dat is een zeldzaam en grandioos gevoel. Het komt niet vaak voor in die combinatie.’ ‘Vrij zijn en houden van, dat is wat jij bedoelt’ had Roos haar snel gecorrigeerd. ‘Dat kleine verschil laat ik aan jou over, moeder.’ ‘Verliefdheid maakt onzeker en angstig. Verliefdheid houdt ons gevangen!’ riep Roos nu. ‘Toch maakt die gevangenschap me nu blij’, had Stella er wat cynisch aan toegevoegd. Het bleef even stil aan de andere kant van de telefoon, maar Roos had haar pleidooi verdergezet. ‘Ik heb het trouwens niet over je keuze, mijn kind, om je man te verlaten op jouw leeftijd. 52 jaar is tenslotte jong. Ik heb het over je andere verliefdheden, je fascinaties en verwonderingen waar je achterna zit. Hoe je telkens een situatie creëert die maakt dat je weer helemaal opnieuw moet beginnen, van nul af aan, en dat je dat zo’n fijn gevoel vindt. Vergelijkbaar met vlinders in je buik. Je bouwt uiteindelijk niets op. Ik denk dat het een soort verslaving is,
9
dat je er afhankelijk van bent en dat als puntje bij paaltje komt, het je vrijheid eerder beperkt’, zei ze triomfantelijk. ‘Het is jouw manier om altijd kind te blijven.’ Stella kletste de telefoon neer. Zo was dat vroeger althans. Ze moet nu lachen. Telkens als ze haar smartphone afdrukt om haar moeder de mond te snoeren, haalt ze zich een beeld voor ogen van een oude zwarte bakelieten retro telefoon met draaischijf. In een closeupshot wordt de hoorn dan krachtig op de telefoon gesmeten. Hierbij denkt ze aan een televisie-serie met Hercule Poirot, waarin hij erg boos werd omdat hij niet de juiste informatie kreeg van de recherche . Natuurlijk! Het snoer van een oude telefoon, denkt ze. Zou daar de uitdrukking ‘iemand de mond snoeren’ van komen? *** ‘Dag kind.’ ‘Dag moeder.’ ‘Zijt ge al geland?’ ‘Ja hoor.’ ‘En goed aangekomen?’ ‘Ja, alles is prima!’ ‘Ik was ongerust.’ ‘Ge maakt u te veel zorgen! Geen zorgen maken.’
10
‘Laat iets weten als ge terug zijt? Zijt ge echt nu pas geland?’ ‘Ja en ik bel als ik terug ben, beloofd.’ Met haar geboortedorp mocht niet gelachen worden. Roos hield van haar streek en ook van haar dorp. ‘Ge gaat toch niet weer beginnen lachen zeker? Ik vind dat mooi, iemand die van zijn streek houdt. Gij moet het altijd ergens anders gaan zoeken, kind!’ ‘Inderdaad, morgen ben ik weg!’ ‘Ik moet weg, moeder!’ *** De zuchtende man die nu tegenover haar zit, kijkt lichtjes geïrriteerd naar haar terwijl ze nog steeds met de handen onder de oksels zit te grinniken om het beeld van de afgesmeten telefoonhoorn. Mensen die haar ongemakkelijk maakten of achterlieten met een gevoel van onbehaaglijkheid, daar had ze vroeger de pest aan. Het gebeurde vaak. Dat maakte dan weer deel uit van de reeks kleine teleurstellingen die haar leven soms ondraaglijk maakten.
11
Boze mensen, hallucinant amusant vond ze hen vaak. Stella moet haar lippen stevig op elkaar houden om het niet uit te proesten. Ze maakt voorzichtig haar pols los die onder haar oksel gekneld zit en simuleert een plots opgekomen geeuw om haar grijnzende mond te verbergen. De man kijkt haar aan. ‘It’s unbelievable!’ zegt de man. Hij schudt met zijn hoofd. De man is groot. Hij draagt een beige linnen kostuum. (Roos zei altijd dat je linnen moest dragen als je klassevol wilde zijn maar te lui om elke dag te strijken, het zou een win-win-situatie zijn, want linnen is duur in de aankoop.) ‘It’s fucking unbelievable!’ herhaalt hij. Hij staat recht en draait even van links naar rechts om de ruimte en haar voorbijgangers te observeren. Hij kijkt Stella plots aan alsof zij geïnteresseerd zou zijn in zijn gevoelswereld. Ze voelt dat dit het begin is van een show. Een show die hij gaat opvoeren enkel en alleen omdat zij hier zit en waarbij hij haar gekozen heeft als zijn publiek. ‘Je hebt waarschijnlijk je ontvankelijke blik weer getoond, kind! Je kijkt en zit erbij alsof je tijd en energie te over hebt en veinst een zogenaamde oprechte interesse waardoor de mensen je gaan aanspreken en je hun zielenroerselen gaan vertellen, terwijl je eigenlijk maar wat zit te dromen en geen zier om ze geeft!’ ‘Dat is gemeen!’ snauwde Stella haar toe. ‘Het gaat hier natuurlijk om oprechte interesse, moeder! Alleen
12
is het niet zo, omdat ik hen mijn volledige aandacht schenk, dat ze dan oeverloos moeten doorgaan met het ventileren van hun levensbeschouwingen en hun angsten om uiteindelijk te verwachten tot mijn nauwe vriendenkring te gaan behoren. Daar ligt het probleem. Ze kunnen geen maat houden en laven zich aan mijn empathische hondenogen en gespitste vleermuisoortjes om me vervolgens te willen volgen. Ik wil geen volgelingen! Zeker niet. Ik vind het vreselijk. Ik zou mijn schoen willen uitdoen en hem naar hun kop kieperen, zoals die man in de Monthy Pyton-film.’ ‘Hoe heet die ook alweer?’ vraagt Roos. ‘Jezus’, mama! ‘Neen, ik bedoel die acteur, kind!’ Stilte. ‘Gaan we naar de film?’ vroeg Stella haar. ‘Naar de film, wie doet dat nu om 12.35 uur? Voel jij je dan niet schuldig? Iedereen is dan aan het werk of neemt zijn lunchpauze’, probeerde ze voorzichtig, want ze weet dat het onderwerp heel gevoelig ligt. ‘Neen, totaal niet. Ik voel me dan op mijn best. Er is op dat moment niemand die me schuldig laat voelen en ik ben dan net uiterst vatbaar voor een verhaal van een ander. De dag heeft me nog niet meegenomen door
13
sombere gedachten of idiote praktische besognes. Ik voel me zo zorgeloos om 12.35 uur! En dan het licht dat uitdooft als de reclamespots voorbij zijn. Magisch vind ik het. Het blijft even donker in de zaal en dan start de film. Ik kan dat gevoel moeilijk beschrijven, maar telkens ervaar ik een intens gevoel van opwinding, alsof ik een reis ga maken en de trein het perron ingereden komt.’ Roos had er niets op gezegd en had haar gewoon aangekeken. ‘Het is niet de film maar de séance!’ ‘Séance?!’ vraagt Roos ietwat misprijzend. ‘Alsof het dan plots wel verantwoord is om midden op de dag naar een film te gaan, als je het maar “de séance” noemt! Zo geraak je met alles weg, kind.’ Stella had in de vooravond een artikel in de krant gelezen waarin vermeld stond dat het bioscoopbezoek met dertig procent was gedaald sinds 2012 en dat verschillende kleine zalen de komende vijf jaar zouden sluiten. Ook de multiplexbioscopen kenden geen succes meer. Het zou geen goed businessmodel zijn. Dat laatste maakte haar een beetje gelukkig, maar de gedachte dat de kleine stadsbioscoop zou verdwijnen vervulde haar met een zekere wanhoop dien van die aard was, dat ze
14
er zelfs haar moeder voor opbelde en haar smeekte om de volgende middag samen met haar naar de film te gaan, in de hoop dat dit kleine initiatief het aantal cinemabezoekers weer zou doen stijgen. Stiekem overtuigde ze zichzelf ervan dat Roos na deze ervaring (die ze nu al als uiterst positief klasseerde) de volgende dag haar vriendinnen van het Zilveren Truweel – ongeveer zeventien senioren in totaal – zou motiveren om het als wekelijkse activiteit op te nemen in hun programma. Het rekensommetje was snel gemaakt. Zeventien maal vier is achtenzestig. Achtenzestig maal twaalf is achthonderdzestien. Achthonderdzestien! Dus, beste mensen, lieve senioren, met één kort telefoontje kan men het jaarlijkse bezoekersaantal van een kleine bioscoop doen stijgen met achthonderdzestien bezoekers. Stella laat het hier niet bij, wanneer ze plots door een kleine gedachtesprong beseft dat er nog veel meer mogelijkheden zijn om dit getal de hoogte in te krijgen. Ze zou, met een kleine inspanning, ook haar eigen vriendinnen kunnen overtuigen om hetzelfde te doen met hun moeders. En nadien nog haar vriendinnen met hun dochters. Stella tast in haar handtas en haalt er een klein notitieboekje uit. Voor deze optelsom heeft ze pen en papier nodig! Ze opent het boekje en kijkt even rond. De man in linnen kostuum geniet nu van een wrap met zalm. Eerst durft ze hem niet te storen, maar gedreven
15
door het optelsommetje in haar hoofd vraagt ze hem om een pen. ‘Do you have a pen, Sir?’ vraagt ze hem lief. De man kijkt haar verveeld aan en Stella begrijpt zijn ergernis volkomen. Niets is zo vervelend als iemand die om een pen vraagt net tijdens je eerste beet in een wrap. De eerste beet smaakt namelijk het beste. Bewust eten zonder dat iemand je daarbij stoort, langzaam kauwen en pas wanneer je mond volledig leeg is, je arm omhoogtillen in vijf tellen om dan een tweede beet te nemen. Dat zou het beste zijn voor het spijsverteringstelsel, had ze ergens gelezen. Stella weegt nu snel af wat het belangrijkst is voor de wereld: de spijsvertering van de man of het bezoekersaantal van de stadsbioscoop. De keuze is snel gemaakt. Stella beslist iets dwingender te zijn, voor het welzijn van de kunsten. ‘A pen, please Sir!’ zegt ze kort en krachtig. ‘I beg your pardon?’ zegt de heer. Een kleine frons verschijnt op Stella’s voorhoofd. ‘A pen, Sir, or something to write!’ beveelt ze nu iets kordater. ‘Hold on babe, there is no fire as far I can see’. De man in linnen kostuum reikt haar de wrap aan en buigt dan voorover in zijn computertas. Stella zet zich naast de man. Met de wrap in de hand observeert ze het
16