Skip to main content

9789401463874

Page 1

CAROLINE PAUWELS ODE AAN DE VERWONDERING


D/2019/45/451 – ISBN 978 94 014 6387 4 – NUR 740 Vormgeving cover: Studio Lannoo Vormgeving binnenwerk: Studio Lannoo Zetwerk binnenwerk: Studio Lannoo Illustraties: Gerda Dendooven © De auteurs en Uitgeverij Lannoo nv Tielt, 2019. Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Academia Press Coupure Rechts 88 9000 Gent – België www.academiapress.com


KARAKTERS  Filosofie en literatuur in zakformaat

CAROLINE PAUWELS ODE AAN DE VERWONDERING


Het Ontelbare

We zaten te drinken en te kijken over het water tot waar de wereld in de hemel verdween en terug naar de tafel, de flessen, de glazen, een avond voor een echt gesprek, over het grotere ineens verscheen in de hemel een zwerm spreeuwen een enorme, dansende wolk vogels, zo begon het was die zwerm niet het levend bewijs zei iemand dat getallen ontelbaar groot kunnen zijn, ja die hemel vol vogels had hem aan het denken gezet toen begonnen we met zijn allen verder te denken


zouden er meer getallen zijn dan we al kennen nog grotere misschien – hoeveel zouden dat er dan zijn en hoe groot waren ze dan, zouden wij hen ooit kunnen denken, ooit kunnen opschrijven en bovendien, wat wilden we met hen en zij met ons er waren veel meer vragen, de meeste zo moeilijk dat ik ze niet kon onthouden, maar ik weet nog wel dat we diep in de nacht weer uitkwamen bij die vogels inmiddels was de lucht geheel bezaaid geraakt met de gebruikelijke hemellichamen

Rutger Kopland (1934-2012) Uit ‘Verzamelde gedichten’, 2008


‘BEKIJK DE GANZENVOET’

Niemand maakte mooiere lijstjes dan Leonardo da Vinci. Lijstjes van boeken die hij had gelezen, van boeken die hij wou lezen en van waar hij die mogelijk kon vinden. Lijstjes van dingen die hij wou te weten komen of wou doen. ‘Vraag de meester van de rekenkunde te laten zien hoe je een driehoek moet kwadrateren… Vraag Giannino de Kanonnier hoe de toren van Ferrara ommuurd is… Vraag Benedetto Protinari met welke middelen ze in Vlaanderen op ijs lopen… Vraag een meester in waterbouw je te vertellen hoe je een sluis, kanaal en molen op Lombardische wijze repareert… Haal de metingen van de zon die me beloofd zijn door Maestro Giovanni Francese, de Fransman.’1 Sommige lijstjes, aldus zijn biograaf Walter Isaacson, zijn aansporingen tot zichzelf om dingen waarvoor de meesten van ons geen aandacht hebben, zo nauwkeurig mogelijk te observeren. ‘Bekijk de ganzenvoet: als die altijd open zou zijn of altijd gesloten, dan zou het schepsel zich nooit kunnen bewegen… Waarom is de vis in het water sneller dan de vogel in de lucht, als het juist tegenovergesteld moet zijn aangezien het water zwaarder en dikker is dan de lucht… Blaas de longen van een

7


varken op en bestudeer of ze in de breedte en de lengte uitzetten of alleen in de breedte… Beschrijf de tong van de specht…’ Da Vinci liet ruim 7200 bladzijden aantekeningen en kladjes na. Omdat papier kostbaar was, is elke centimeter daarvan volgeschreven of getekend. Ideeën, waarnemingen, schetsen van nog uit te vinden toestellen, fabels en raadsels, Latijnse woorden en verbuigingen, aantekeningen over het gebruik van kleuren, over hoe licht wordt weerspiegeld en schaduwen kunnen variëren, tekeningen van dissecties, ontledingen van de vleugelslag van vogels, wiskundeproblemen, tekeningen van markante koppen, van de spieren in het aangezicht, van engelen, van monsters, van werktuigen en machines, van wapens, van nog niet bestaande muziekinstrumenten, van bewegingen in het water, van jonge mannen. Het verslag van, zoals Isaacson het noemt, ‘een geest die danst met de natuur’. En daartussen, zoals gezegd, lijstjes en nog eens lijstjes. Da Vinci had een uitzonderlijk talent voor verwondering. Da Vinci was eigenlijk in alles geïnteresseerd. Dat is een eigenschap die hij met wel meer grote geesten deelt. Zo schreef Albert Einstein in een brief aan een vriend over zichzelf: ‘Ik heb geen bijzondere talenten, ik ben alleen enorm nieuwsgierig’.

8


Maar verwondering en nieuwsgierigheid zijn niet voorbehouden aan wetenschappers en kunstenaars. Van nature zijn we allemaal nieuwsgierig. Als je drie bent, is alles een wonder. Alles wil je weten, alles is even interessant. Waarom is de zee blauw? Waarom wordt het donker? Waarom is die meneer kaal? Waarom, waarom, waarom. En op je verbeelding staat al evenmin een rem. Met drie stukken hout bouw je een boot en trotseer je de oceaan. Een hoed en een borstelsteel en, voorwaar, daar staat Hare Majesteit: ‘Leve de Koningin!’ Ergens op weg naar de volwassenheid verliezen de meesten van ons die onbevangenheid. Gaandeweg wordt het vuur van de nieuwsgierigheid gedoofd. In het dagelijks leven is dan nog maar weinig plaats voor verbeelding of verwondering: de dingen zijn wat ze zijn, zo is het nu eenmaal, helaas … Dat is jammer, want verwondering is net wat het leven kleur geeft en de moeite waard maakt. Verwondering is wat ons voortstuwt, wat maakt dat we onze talenten ontplooien, dat we onze grenzen verleggen, dat we boven onszelf uitstijgen en, uiteindelijk, geluk vinden in wat we doen. Als er geen verwondering meer is, wordt alles grijs en liggen ontgoocheling, gelatenheid en wanhoop op de loer. Maar niets is verloren. Net zoals je jezelf het vermogen om verwonderd te zijn kan afleren, kan je het jezelf

9


ook weer aanleren. Je verliest de verwondering door onachtzaam te zijn; je verwerft ze opnieuw door volop aandacht te geven aan wat je omringt. ‘Er zijn slechts twee manieren om je leven te leven: doen alsof niets een wonder is, en doen alsof alles een wonder is’, zou Albert Einstein ooit gezegd hebben. Aan ieder van ons de keuze. De genialiteit van Leonardo was, volgens Isaacson, ‘van een soort die we kunnen begrijpen en waar we zelfs van kunnen leren’. Ze was gebaseerd op ‘bekwaamheden die we zelf ook kunnen nastreven om onszelf te verheffen, zoals nieuwsgierigheid en aandachtig observeren. Zijn inbeeldingsvermogen was zo licht ontvlambaar dat het aan fantasie grensde, en dat is ook wat we kunnen proberen in onszelf te bewaren en mee te geven aan onze kinderen’. Plus est en nous. Laten we de verwondering opnieuw in ons leven toelaten. Laten we leren van Leonardo: ‘Bekijk de ganzenvoet’!

10


IN DEN BEGINNE IS ER DE VERWONDERING

‘Een gemoedstoestand die ontstaat wanneer men iets gewaarwordt dat men niet of anders had verwacht’. Zo omschrijft Van Dale ‘verwondering’. Merk op, het gaat om twee verschillende dingen: een gewaarwording en een gemoedstoestand. De aard van die gewaarwording blijkt uit de betekenis van verwante woorden. Zo levert het werkwoord ‘verwonderen’ omschrijvingen op als ‘vreemd toelijken’, ‘verbaasd zijn’, terwijl ‘verwonderlijk’ aanleunt bij vreemd’ en ‘zonderling’. ‘Wonder’, dat in elk van deze woorden aanwezig is, wordt gedefinieerd als ‘iets buitengewoons’, ‘iets dat men niet verklaren kan’, ‘de manifestatie van een bijzondere kracht’, ‘verbazingwekkend’. De gemoedstoestand wordt beschreven in het betekeniswoordenboek.2 Verwondering behoort tot de woordengroep ‘verrast zijn’, die staat tegenover de woordengroep ‘verwachten’. Verwondering en aanverwante termen roepen vooral fysieke connotaties op: ‘perplex staan’, ‘grote ogen trekken’, ‘ergens van opkijken’, ‘voor gek staan’, ‘staan te gapen’, ‘zijn oren (of ogen) niet kunnen geloven’, ‘uit de lucht vallen’, ‘omvallen van verba-

11


zing’, ‘verstommen’, ‘met open mond staan’, ‘van de hand Gods geslagen zijn’, ‘stomverwonderd’, ‘stomverbaasd’… Eerst is er de gewaarwording, dan is er de verrassing, vervolgens is er de manier waarop we omgaan met de vaststelling dat iets anders is dan we hadden verwacht. We kunnen besluiten niets te doen: de schouders ophalen en overgaan tot de orde van de dag. We kunnen het niet-verwachte afdoen als zijnde een uitzondering of toeval, een gril van de natuur. We kunnen onze verwachtingen bijstellen, zodat wat vreemd was, gewoon wordt. In alle gevallen: weg verwondering. Dat lukt vaak, maar soms ook niet. Soms blijft het knagen. Soms blijf je worstelen met de vaststelling dat er iets is dat tegen het vertrouwde aan schuurt, dat een obstakel vormt op de vertrouwde weg die je dacht te nemen. Zo begint het eigenlijke verwonderen. Dat verwonderen kan op talloos veel manieren gebeuren en alles kan voorwerp van verwondering zijn. Verwondering kan het resultaat zijn van rationeel inzicht, maar net zo goed van een plotse inval; van geduldig verworven nieuwe kennis en inzicht, maar ook van een onverwachte schok of gebeurtenis. Soms zijn we verwonderd omdat we iets opmerken dat pertinent niet lijkt te kunnen, soms omdat we voor het eerst stilstaan bij dingen die we al heel vaak hebben gezien, zonder te hebben opgemerkt hoe bijzonder ze eigenlijk wel zijn.

12


Het resultaat is altijd hetzelfde: de vaststelling dat de dingen anders in elkaar zitten dan we tot dan toe dachten. Wat altijd zo was, blijkt ook anders te kunnen zijn. Dan wordt de gewone gang van het alledaagse leven opgeschort en kijken we met andere ogen naar wat vertrouwd was. Wat doet verwondering? Ze doorbreekt de voorspelbaarheid van wat we verwacht hadden. Met de verwondering begint de bevraging, het zoeken, het vallen en opstaan, het vinden van wat je niet eens wist dat je zocht. De beroemde en vaak geciteerde woorden die Plato Socrates laat zeggen – ‘verwondering is het begin van de filosofie’ – moeten we wellicht in deze zin begrijpen. Verwondering laat de opening ontstaan die het mogelijk maakt fundamentele vragen te stellen bij de tot dan toe vanzelfsprekende werkelijkheid. De Nederlandse filosoof Cornelis Verhoeven trekt die interpretatie consequent door. Hij stelt dat verwondering niet alleen als het begin van de filosofie geldt, ‘maar ook als beginsel en fundament, waarop alles rust’. En dat wil zeggen: als er geen verwondering meer is, geen vragen meer worden gesteld bij de voor vanzelfsprekend genomen werkelijkheid, dan houdt ook de filosofie op. Sterker nog: dan houdt ook het denken op.

14


‘BEEN THERE, DONE THAT, BOUGHT THE T-SHIRT’

Wat staat tegenover verwondering? We hebben geen woord dat het tegengestelde vormt, behalve dan het nogal weinig zeggende ‘niet verwonderd’. Tegenover de woordengroep ‘verrast zijn’, waartoe ook verwondering behoort, staat, leerde het betekeniswoordenboek, de groep ‘verwachten’. Het tegenovergestelde van verwonderd zijn is dan verwachten: wie alles verwacht, op alles is voorbereid, is nooit verwonderd. Dat kan natuurlijk niet, op alles voorbereid zijn, althans niet letterlijk. Figuurlijk wel. Je kunt je een houding aanmeten die je moet toelaten nooit verwonderd te zijn: wat er ook gebeurt, je zal niet laten merken dat je dat niet of misschien anders had verwacht. Dat is de houding die bijvoorbeeld de stoïcijnen zich eigen probeerden te maken. Heroïsch, maar weinigen gegeven. Wat je wel vaak tegenkomt, zijn mensen die blasé zijn, die zich een houding van bestudeerde, verveelde onverschilligheid geven om zich te wapenen tegen het onverwachte. Voor een van de klassieke sociologen, Georg Simmel (1858-1918), was dat blasé zijn overigens een wezenskenmerk van de moderne stadsmens.

15


Simmel beschreef in 1903 in Die Grosstädte und das Geistesleben de ervaring van de moderne stedeling. Buitenmensen, op bezoek in de stad, lopen de hele tijd met de mond open: er is zoveel te zien, alles is even verbazend en even wonderlijk. Stadsmensen niet, die weten beter: die bewaren, wat er ook gebeurt, hun cool; niets lijkt hen uit hun evenwicht te kunnen brengen, hen maken ze niets meer wijs. Stadsmensen gedragen zich blasé, niet noodzakelijk om zich van de buitenmensen te onderscheiden, maar uit zelfbehoud. Er is immers de voortdurende overprikkeling: er is zoveel dat op ons afkomt dat onze zintuigen de hele tijd overuren maken. Daar proberen we ons tegen te beschermen door een masker van onverstoorbaarheid op te houden. En dan is er nog het constante contact met mensen die je niet kent en dat ook nooit helemaal zonder risico is. Daarom, schreef een andere socioloog, Erving Goffman, ontwikkelen stadsmensen een houding van bestudeerde onverschilligheid. Stadsmensen – of bij uitbreiding: wij modernen – houden er in het dagelijkse intermenselijke verkeer een ongeschreven en onuitgesproken code op na. In tram of bus: niet staren, afstand houden van je medereizigers. Als iemand luidruchtig of emotioneel wordt: negeren en uit het raam kijken, vooral niet laten merken dat je iets merkt. In de lift: allemaal samen de cijfertjes volgen die

16


oplichten op het paneel boven de deur en geen gesprekken aanknopen met de onbekenden met wie je de tijdelijke geforceerde intimiteit deelt. De gulden regel voor het moderne stadsverkeer: vriendelijk blijven, maar altijd afstand houden. ‘Civil inattention’, of hoffelijke achteloosheid, noemt Goffman die attitude. Zo’n houding laat weinig ruimte voor verwondering. In de plaats daarvan komt een gespeelde wereldwijsheid: ‘Been there, done that, bought the T-shirt’. Als er geen verwondering is, worden de dingen snel nogal eentonig en daardoor vervelend: variaties op altijd weer hetzelfde, niets nieuws onder de zon. Onverschilligheid en verveling kunnen zelfs doorslaan tot ressentiment, tot irritatie tegenover mensen die wel verwonderd zijn. Die heten dan ‘dromers’ te zijn of ‘naïef’. Wie zichzelf bekocht voelt door het leven, vindt er blijkbaar een pervers genoegen in om het plezier van anderen te bederven. Verwondering maakt openingen in de tot dan toe vanzelfsprekende werkelijkheid, zodat nieuwe dingen mogelijk worden. Waar geen verwondering wordt toegelaten geldt het omgekeerde: daar sluiten de geesten zich en worden er muurtjes opgetrokken om het nieuwe buiten te houden. Is er ook een bovengrens aan de verwondering? Kan je je te veel of te vaak verwonderen? Blijkbaar wel. Dat

17


merk je alleen al aan de woorden die als verwant aan verwondering gelden: ‘verbazing’, ‘verbijstering’. Verbazing is verwant met ‘bazelen’, dat ‘raaskallen’, ‘ijlen’ en ‘gek doen’ als synoniemen heeft. In verbijstering herkennen we ‘bijster’: ‘iets kwijtgeraakt’. Een mens kan blijkbaar maar zoveel verwondering aan zonder het hoofd te verliezen. We moeten verwondering dan ook niet romantiseren. Zich verwonderen kan best pijnlijk zijn; weliswaar niet de fase van de eigenlijke verwondering zelf, maar de eventuele consequenties daarvan. Verwondering is een crisis, schrijft de filosoof Cornelis Verhoeven. En een crisis is een moment van de waarheid, een moment dat tot een beslissing dwingt, zo ook hier. Wat gewoon werd geacht, blijkt ongewoon en dat heeft gevolgen: dingen waarvan je altijd heel zeker was, blijken dat niet te zijn; wat vaststond wankelt. En dan liggen er soms moeilijke keuzes en onprettige beslissingen in het vooruitzicht. In de meeste gevallen loopt het echter ook wel weer goed af. Het perspectief wordt bijgesteld en wat eerst ongewoon was wordt daardoor gewoon; wat wonderlijk was, wordt op den duur vertrouwd. Maar door dat bijstellen van het perspectief weet je voortaan dat er potentieel altijd meer dan één gezichtspunt is: hoe je eerst dacht dat het was en hoe je nu denkt dat het is.

18


Het is misschien een boude bewering, maar wie verwondering een plaats geeft in zijn of haar leven, wie zichzelf toelaat verwonderd te zijn, gaat wellicht meer ontspannen om met zekerheden. De ervaring dat dingen anders kunnen zijn dan je dacht, laat toe te aanvaarden dat we niet alles in handen hebben, dat de werkelijkheid ons kan verrassen. En dat laat toe minder verkrampt om te gaan met de mensen en met de wereld. Wat is, kan immers altijd ook nog anders zijn.

19


KUNNEN DIEREN OOK VERWONDERD ZIJN?

‘De capaciteit tot verwondering, dat is het wat de mens tot mens maakt’, schrijft filosoof Herman De Dijn. Is verwondering inderdaad typisch menselijk? Kunnen dieren dan niet verwonderd zijn? Het is altijd opletten met het poneren van harde scheidingslijnen tussen mens en dier. Verwondering is alleszins universeel menselijk. We verwonderen ons mogelijk over andere dingen, maar over de gave van de verwondering beschikken we allemaal. Maar is het ook een exclusief menselijke eigenschap? Vormen van gedrag die universeel zijn, vervulden wellicht een functie in de evolutie van de soort. En als bepaald gedrag een functie heeft, dan is de kans groot dat je het ook onder een of andere vorm bij dieren aantreft. Als mensen over de capaciteit tot verwondering beschikken, bijvoorbeeld omdat ze dat toelaat veranderingen in hun omgeving op te merken en daardoor in functie van het overleven bijtijds hun beeld van de realiteit bij te stellen, dan zou het wel gek zijn dat dieren die capaciteit ontberen. Als je rondhangt op het internet, kom je al gauw aandoenlijke filmpjes tegen van baasjes die hun honden voor de gek houden. Het lijkt wel een format te zijn:

20


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401463874 by Uitgeverij Lannoo - Issuu