TORPEDO
ANN VAN LOOCK
KAN HUN GEHEIME DUIKBOOTMISSIE WO II BESLISSEN?
Voor Jenn en Fons, twee reddingsboeien. Voor Marc Sluszny, die heel zeker graag op deze torpedoboot had gedoken. Voor altijd in mijn gedachten. Voor Yaele, die mijn hersenspinsels steeds in goede banen leidt.
5
Proloog LONG ISLAND - USA De brief die de hele wereld zou kunnen veranderen, lag te wachten op verzending. Eerst had Albert getwijfeld. Wie was hij om naar de Amerikaanse president een brief te schrijven? Maar dan had zijn morele verontwaardiging het van zijn bescheidenheid gewonnen. Wat dachten die mannen wel die hij vroeger zijn landgenoten had genoemd! Ze hadden hem al zes jaar geleden uit Duitsland verjaagd. En ook al was zijn verblijf in zijn nieuwe vaderland bijzonder aangenaam, hij zou nooit vergeten wat hij toen al gevoeld had: de nazi’s zouden nooit stoppen. De branding van de oceaan had hem tijdens het schrijven vergezeld. De blankhouten tafel op zijn terras had af en toe wat geaarzeld door de witzandondergrond. In de verte was als in een fata morgana de vuurtoren van het nabije badplaatsje te zien. Zijn vriend Hopper zou hier zo zijn schildersezel kunnen zetten en aan de slag kunnen gaan. Het licht was perfect. Hij sloot de ogen. Het ruisen van de zee kalmeerde hem altijd. Was het omdat hij als kind in Ulm altijd al gedroomd had om de zee te zien? Of deed het hem denken aan die ene zomer in BelgiÍ in Villa Savoyarde, toen hij net besloten had staatloos te worden? Zijn hand rustte op de brief die hij net geschreven had. Misschien moest hij de zaak even laten rusten, wat viool spelen en dan
7
nog eens teruglezen. Hij wist dat hij op deze manier de zaken nog helderder zou krijgen. Maar de zwaarte van de zomer drukte op zijn ogen en het duurde niet lang vooraleer de rollende golven steeds verder weg klonken. ‘Koffie?’ De stem vlakbij deed hem wakker schrikken. Hij keek in de lieve ogen van zijn echtgenote Elsa, die hem vriendelijk toelachte. ‘Ik weet dat het niet zo’n goede is als die die je ooit in De Haan hebt gedronken en dat dit gebakje absoluut niet aan de standaard van toen voldoet, maar ik hoop dat het toch zal smaken.’ Albert glimlachte. Elsa kende hem als geen ander en wist dat hij – zoals altijd - over De Haan zou beginnen bij het ruiken van dit gebakje. Noch Elsa en haar dochter, noch hij, zouden ooit die maanden in de Vlaamse badplaats vergeten. Hij miste nu nog zijn bijna dagelijkse afspraak in Hotel Belle Vue voor zijn koffie met gebak en een occasioneel verrassingsbezoek van koningin Elisabeth. Het was die zomer dat hij definitief de knoop had doorgehakt en Europa de rug had toegekeerd. Had hij daar juist gehandeld? Iedereen wist dat ze aan de vooravond van alweer een wereldoorlog stonden. Was het niet zijn plicht terug te keren en tegen de stroom in te varen? Ook al wist hij dat hij als Joods wetenschapper geen voet meer aan de grond zou krijgen in zijn vroegere vaderland en hij een gewisse dood tegemoet zou treden. ‘Een dubbeltje voor je gedachten?’ Haar zachte hand streelde de zijne. ‘Ik weet niet of ik hier goed aan doe. Misschien open ik zo wel helemaal de doos van Pandora.’ Elsa schudde het hoofd. ‘Die doos is allang open. Alles is beter dan die gevaarlijke kennis aan die monsters over te laten. Denk aan Margot, aan je zonen. Onze kinderen verdienen een betere toekomst.’ Hij knikte. Ze had gelijk, zoals zo dikwijls.
8
Gedecideerd vouwde hij de brief dicht, nadat zijn ogen nog een laatste keer over de tekst waren gevlogen. To: Mr F.D. Roosevelt --- my duty to bring to your attention the following --- the element uranium may be turned into a new source of energy in the immediate future --- set up a nuclear chain reaction --- extremely powerful bombs of this type --- to call for watchfulness and quick action on the part of the United States of America --- yours very truly, Albert Einstein. -Nu was het in de handen van de president.
9
VLAANDEREN - BELGIË ‘Ik durf niet, papa!’ De angstige ogen van het beestje leken mij te verlammen. Ik voelde de loop van het geweer naast mijn wang trillen. Loodzwaar drukte het op mijn tengere schouders. De geur van mijn vaders tabak vlakbij deed mijn maag tuimelen. Ik zag het afkeurende hoofd naast mij schudden. ‘Het is hij of jij, Nadine. Leven en overleven.’ Zijn fluisterende woorden vormden geen geruststelling. Integendeel. En nog voor ik kon reageren, had zijn vinger de mijne op de trekker geduwd en trof de kogel het konijntje. Het leven in het bos leek even gebroken door de luide knal en hield de adem in. Geen vogeltje floot nog, geen woelmuis ritselde nog in de struiken. Een duw van mijn vader in mijn rug. ‘Ga het halen. Snel!’ Hij wees naar boven. ‘Voor die slechtvalk ermee weg is.’ De braamstruiken schuurden langs mijn benen, ik voelde de eerste bloeddruppels naar mijn sokjes kruipen, maar stoppen was geen optie. Het diertje voelde nog lauwwarm aan in mijn handen, alsof het met een enkel zuchtje van mijn adem weer tot leven zou komen. Ik wist wel beter; de panisch geopende ogen vertelden mij de waarheid. Dit was mijn eerste slachtoffer. Ooit zou de training van mijn vader mij goed verder helpen, daarvan was ik overtuigd. Maar vanavond zou het konijn op mijn bord mij niet smaken. En toch had ik ergens wel genoten van de spanning van de jacht. Ik zou een perfecte jager zijn en nooit het slachtoffer. Dat was mij die koude lenteochtend duidelijk geworden. En die wijze les had ik mijn hele verdere leven met me meegedragen. In de schoolbanken, toen een van mijn klasgenootjes me voor de zoveelste keer pestte met mijn jongensachtige uiterlijk. Hoe
10
was haar naam ook weer? O ja. Gerda, met haar belachelijke vlechtjes van stro. ‘Nadineke, Nadineke, gij krijgt nooit een kinneke! Meiske van mijn voete, gij krijgt nooit een sjoeke!’ Het belachelijke lied had door de gangen van de school gegalmd en was overgenomen door Gerda’s volgelingen. En ze had er veel. Ik wachtte haar op bij de fietsenrekken. Want ons rijke Gerdaatje had natuurlijk een fiets. Ze had heel wat minder praat toen ze mij zag, met de inktpot van mijn bank in de aanslag. Haar strovlechtjes waren lang inktzwart geweest en die belachelijk blozende wangetjes ruw van het tevergeefs schrobben. En dat fietsje van haar kon ook naar de schroothoop. Niemand lachte om Nadineke of ze kregen een toek op hun bakkes. Een motto dat mij ook in de oorlog al veel had opgeleverd. ‘Heb je hem?’ Ik verwaardigde mij niet zijn vraag te beantwoorden. Dat hij zich maar zorgen maakte over hoe we hier zo snel mogelijk weg konden geraken. We beseften beiden dat we zouden sterven als we werden betrapt. Het groene uniform danste voor mijn ogen. Het zonlicht werd gefilterd door het bladerdek en schilderde figuren op de soldaat van wacht. ‘Nadine!’ Zijn fluisterende woorden werden dwingend. Ik knikte kort. Er was geen tijd te verliezen. De man in mijn vizier had nog altijd niks door. Maar hoelang dit nog ging duren? Waren den Tamme en de Klisse erin geslaagd om in het depot binnen te dringen en alles wat ze konden meepikken weg te dragen? Het verzet kon alles gebruiken. De soldaat bevond zich nu zo dicht bij mij dat ik de beginnende haartjes op zijn kin kon tellen. De adrenaline schoot door mijn lijf. En niet alleen omdat ik mee had mogen doen aan een missie. Vlak bij mij lag mijn sjoeke – ziet ge, Gerdake – in het struikgewas. Mijn blonde haren werden amper in bedwang gehouden door de pet die
11
ik stiekem uit de slaapkamer van mijn ouders had meegenomen. Een steek van angst overviel mij. Niet om de Duitser die nu zelfs staande leek te slapen. Wel om mijn vader, die absoluut niet te weten mocht komen dat ik mee op missie was gegaan met de mannen. Ik kon mij niet meer herinneren hoe vaak ik met hem al ruzie had gemaakt over het verzet waarvan hij groepsleider was. Waarom had hij mij zo goed leren schieten, als ik het nooit in de praktijk mocht brengen? Ik schudde even het hoofd. Bij de zaak blijven was de boodschap. Achter het depot zag ik Klisse en Tamme wegrennen terwijl ze een duim in de lucht staken. Tijd om mij uit de voeten te maken voor de soldaat bij zijn volgende ronde om het depot alarm zou slaan. Als in slow motion stapte ik achteruit, erop lettend geen enkel takje te doen kraken. Achter mij voelde ik hoe mijn lief van mij weg kroop. Ik liet mijn geweer zakken, balanceerde voorzichtig op mijn voeten. En net toen ik weer vaste grond voelde, gebeurde het. Een hand legde zich dwingend op mijn schouder, terwijl een andere hand mijn geweer in een vastberaden beweging uit mijn hand rukte. Ik verlamde, net als de vele konijnen waarop ik vroeger had gejaagd. Toen ik me uiteindelijk toch omdraaide, keek ik recht in de ogen van mijn vader.
12
Hoofdstuk 1 Waar was het Londen van weleer gebleven? Kapitein Maes keek door het venstertje van de legerjeep die hem in alle haast door de Londense straten voerde. Maar hij zag niets wat hij herkende, en wat hij zag, deed hem nog meer vrezen voor de toekomst. De algemene verduistering werd deels tenietgedaan door een stevige maan die echter niet de beoogde romantische sfeer gaf. Eerst had hij gedacht dat hij een dier had gezien op het puin van een ingestort huis. Maar toen ze plots stilstonden voor een tegenligger, zag hij dat het een jong meisje was dat daar in alle eenzaamheid zat te treuren met een hondje in de armen. Leefde het beestje nog? Hij haalde de schouders op. Welke gedachte flitste er nu weer door zijn hoofd: inzitten over die hond terwijl zij waarschijnlijk treurde om haar familie onder het puin?! Op zijn oude dag werd hij week en moest hij alles in zich bedwingen om de chauffeur van dienst niet te doen stoppen en het meisje met haar hond mee te nemen. Hij wist zeker dat zijn vrouw niet zou morren om een mondje meer in huis, ook al hadden de oorlogstekorten ook in hun keuken toegeslagen. Hij sloot even de ogen. Het kostte hem weinig moeite om zichzelf en zijn vrouw terug in de tijd te flitsen naar wanneer ze voor het laatst in Londen waren. Was het niet toen ze hun zoon in Oxford hadden bezocht? Een steek van verdriet sneed door zijn hart. Gelukkige tijden die nooit meer zouden terugkeren, ook al
13
zou hij in het komende overleg er mee voor kunnen zorgen dat er een einde kwam aan deze vervloekte oorlog die nooit had mogen beginnen. De trots die hij toen in Magdalen College had gevoeld bij de diploma-uitreiking, zou hem nooit meer kunnen worden afgepakt. Een Belg die op zo’n prestigieuze universiteit als Oxford een diploma haalde. Maes had grootse plannen voor zijn zoon gehad. Dat bleef een geluksdag. Zelfs na alles wat er daarna gebeurd was… Zijn chauffeur van dienst reed nu eens veel te snel en dan weer tergend traag. Hoelang ging het nog duren vooraleer hij in de veilige war rooms zou zijn? Hij zag boven in de lucht de schaduwen van de luchtafweerballonnen die over de hele stad hingen. Of verbeeldde hij zich dat en kon hij niets zien omdat het nacht was? Hij wist ook niet of zulke ballonnen ook maar iets konden helpen bij de aanvallen van de nazi’s. Hadden ze die al gehad tijdens de Blitz in ’40? Hij kon zich nog perfect de journaalbeelden van toen herinneren. Het leek wel alsof heel Londen was platgebombardeerd. ‘Zo.’ Kapitein Maes botste tegen het dashboard van de jeep bij deze plotse manoeuvres. Maar hij besloot er niets van te zeggen, hij was al lang blij dat de reis eindelijk ten einde was. Toen hij uitstapte, voelde hij pas echt hoe stram zijn spieren waren. De hobbelige rit van de legerkazerne in België naar het kleine vliegveldje, de vlucht in een sportvliegtuigje dat op goed geluk de Duitse vijand leek te ontwijken. Het had veel van zijn krachten gevraagd en ook al zou hij het nooit toegeven, hij voelde zijn jaren. Een soldaat stond hem aan de ingang op te wachten. ‘Kapitein Maes? Volgt u mij.’ Hij had nog net even de tijd om een blik te werpen op de betonnen afrasteringen die tussen de gebouwen gespannen waren en zo van de war rooms een echte veilige burcht maakten. Eenmaal binnen in het gebouw viel Maes op hoe smal alles was toen een aantal vrouwelijke soldaten hen in alle haast passeerden met pakken dossiers in de armen. Een geur van sandelhoutparfum
14
bleef even hangen en verving het toch wel muffe luchtje dat hem onmiddellijk bij het binnenkomen was opgevallen. Sandelhout, het parfum van zijn vrouw. Ze had die ochtend echt slecht gereageerd op zijn mededeling dat hij naar Londen moest. Eerst had ze stommetje gespeeld, het ontbijt was in een dreigende stilte verlopen. Maar toen de chauffeur van dienst was aangekomen, had zij zijn afscheidskus met een onverwachte heftigheid in ontvangst genomen. Hij voelde nog altijd de gefluisterde woorden in zijn oor. ‘Jij toch ook niet, hè.’ De soldaat die hem begeleidde, stopte plots voor een deur waarop cabinet room stond en ineens bevond kapitein Maes zich in het crisiscentrum van de oorlogsplannen van de Britten. Een vage zweem van sigarenrook hing nog in de lucht, ook al wist hij dat de grote baas niet aanwezig zou zijn. Aan de hoek van de zware tafel in het centrum zag Maes de vertegenwoordiger van de Britse regering zitten, minister Jaspar. Vlak bij de projector die net werd uitgeschakeld, stond minister Pirard recht. Maes herkende hem als de Belgische minister van Defensie, die hem had gecontacteerd. ‘Mijne heren, dit is dus het plan.’ Maes zag hoe Pirard behoedzaam naar de heren rond de tafel keek, stuk voor stuk mannen in uniform die hun staat van dienst bewezen door de rits medailles. ‘Ik weet het. Wanhopige maatregelen.’ Maes kende het plan, wist dat dit heftige reacties kon en zou oproepen. Maar tot nu toe was er slechts één man die bewoog en dat was de hoogste in rang, die voorzichtig van zijn thee nipte. Maes schudde even inwendig het hoofd. Die luitenant-generaal bevestigde echt alle clichés. Keep calm and drink tea… Het was een variatie op de borden die Maes in de Londense straten had gezien. Een van de strategieën van Churchill om de moed er bij de bevolking in te houden. Keep calm and carry on. Een motto dat ook Maes probeerde hoog te houden.
15
Nog voor er een eerste reactie kwam, schrok het gezelschap op van een dreunen als van een onweer in de verte en stof dat van het plafond dwarrelde. Maes besefte dat hij geluk had gehad met zijn rit van de militaire luchthaven naar centraal Londen. De bombardementen waren weer begonnen. Dit verhinderde minister Jaspar echter niet om verder te gaan, alsof er letterlijk geen vuiltje aan de lucht was. ‘Dit is inderdaad het plan. Bedankt, collega Pirard.’ Hij richtte zich tot de man met het theekopje in de hand. ‘U weet, luitenant-generaal Godfrey, dat onze Britse regering voor dit plan volledige logistieke steun heeft toegezegd.’ Jaspars toon was plots bijzonder voorzichtig. Alsof hij twijfelde aan zijn eigen woorden. Met erg veel nadruk op de titel van de man. Of verbeeldde Maes zich dat? Hij kon zich vergissen, maar het was hem wel duidelijk wie de grootste haan van dit kot was. Ook al was de omschrijving van ‘kot’ nu niet bepaald passend bij deze ruimte waar wereldbeslissingen werden en zouden worden genomen. Het duurde een aantal tellen vooraleer de man zich verwaardigde te reageren. Zonder ook maar een keer met de ogen te knipperen, terwijl alweer een volgend bombardement het plafond deed daveren en de kopjes op de tafel deed rinkelen. ‘Ja, dat heb ik gehoord.’ Maes keek naar het groepje prominenten voor hem. Hoelang ging het duren voor iemand hem zou betrekken in het gesprek? Hij voelde zich als een butler, onzichtbaar. ‘Maar ik denk dat het voor deze missie niet de logistieke steun is die de uitvoerders van dit waanzinnige plan nodig zullen hebben.’ Eindelijk zette Jaspar zijn kopje neer en keek de ministers aan. Zou hij dan toch die stiff upper lip-houding laten varen? Wie zou de volgende zet doen in het schaakspel dat zich hier, voor Maes’ ogen, afspeelde? ‘Hoe bedoelt u?’
16
Het was minister Pirard die zich duidelijk niet meer kon bedwingen en vreesde dat zijn hele plan nog voor de start zou worden afgeschoten. ‘Dat men geen logistieke maar psychologische steun moet aanbieden.’ Godfrey borstelde met zijn rechterhand even over de medailles op zijn borst om het stof weg te vegen. ‘Dit is gewoon gekkenwerk.’ Minister Jaspar schudde wanhopig het hoofd. ‘Ik weet dat het allemaal niet evident is. Maar zoals mijn Belgische collega al zei, wanhopige situaties vragen om…’ Hij hield zijn handen in de hoogte, als een man die zich overgeeft aan de elementen. Maes schudde even het hoofd. Nee, niet de elementen, wel het noodlot, of beter nog, generaal Godfrey. De generaal stond op en begon te ijsberen. ‘Dus u hebt hun een boot én een belangrijke gevangene beloofd?’ Jaspar knikte. Bijna botste Godfrey op Maes. ‘En u bent?’ Kapitein Maes sprong in de houding. Maar nog voor hij zichzelf kon voorstellen, had Pirard het al voor hem gedaan. ‘Kapitein Maes, de verantwoordelijke van de Belgische zijde.’ De generaal monsterde hem even van kop tot teen om vervolgens zijn saluut te beantwoorden. ‘En u ziet dit plan wel slagen?’ ‘Ik denk dat we alles moeten doen om dat monster in Duitsland te stoppen. Er zijn alweer te veel onschuldige slachtoffers gevallen, en dat in minder dan dertig jaar tijd. We hebben niet eens de kans gekregen om een nieuwe generatie op te bouwen.’ De man begreep duidelijk zijn verwijzing naar de Groote Oorlog. ‘U hebt gelijk.’ Hij nodigde Maes uit om plaats te nemen aan de tafel en ging zelf ook weer zitten.
17
‘King George heeft het gezegd in zijn laatste kersttoespraak. We mogen geen enkel middel schuwen om het fascisme uit te roeien.’ Kapitein Maes knikte. ‘Ik weet niet of we hier ooit in gaan slagen. Maar het is onze plicht om ons best te doen. Voor onze zonen, voor hen die er niet meer zijn.’ De man keek hem even met een zachtere blik aan, om dan weer tot de orde van de dag te komen. Het begon Maes op de zenuwen te werken. Wanneer ging hier eindelijk de aap uit de mouw komen? Hij had geen tijd te verliezen. ‘Dus de duikboot en de specialist ter zake hebben we al. Nu moeten we nog op zoek naar een bemanning die deskundig én zot genoeg is om aan deze tocht te beginnen.’ Eindelijk. Maes knikte. Minister Jaspar klapte opgelucht in zijn handen. Godfrey ging mee in het verhaal. Gelukkig. ‘Inderdaad. Maar daar heeft mijn collega al stappen onder nomen. Alleen de besten van het Belgische leger en een topnavigator die met de apparatuur van de onderzeeër overweg kan.’ Pirard knikte. ‘Ik ben ervan overtuigd dat met onze selectie…’ ‘Nee.’ De stem van Maes klonk zelfverzekerd. ‘Hoe bedoelt u?’ Pirard was duidelijk geërgerd door de brutale tussenkomst van deze ondergeschikte. Maar dat zou hem worst wezen. Maes had al te veel watertjes doorzwommen om nog geïntimideerd te geraken door deze mannen aan de tafel. ‘Als u wilt dat ik deze missie tot een goed einde breng, dan wil ik de bad eggs.’ Pirard staarde hem eerst verbouwereerd aan om dan heftig te reageren. ‘Nee nee nee en nog eens nee!’ Godfrey en de anderen aan de tafel keken Maes en Pirard vragend aan. Wat speelde hier? ‘We gaan deze gevaarlijke missie niet door outlaws laten verprutsen!’ Jaspar haalde vragend zijn schouders op naar zijn collega.
18
‘Hoe bedoelt u?’ ‘Kapitein Maes verwijst hier naar een verzetsgroep die zich zo heeft misdragen dat zelfs de Belgische staat hen als gezochte voortvluchtigen heeft bestempeld. Ook bij het verzet zijn er grenzen en die hebben zij aan de lopende band met de voeten getreden.’ Godfrey knikte. ‘Het doel heiligt inderdaad niet altijd de middelen. Hoewel…’ Maes klonk nog beheerst, ook al zag hij bij iedereen in het vertrek de verontwaardiging en woede over zijn brutale inmenging. Maar hij ging verder. ‘U denkt toch echt niet dat u gewone soldaten gaat vinden voor deze zelfmoordmissie. We hebben mensen nodig die zonder enig probleem hun boekje te buiten gaan, die hun leven niet belangrijker achten dan het doel.’ ‘Daar hebt u gelijk in’, leek Jaspar de kant van Maes te kiezen. ‘U hebt Maes geselecteerd als chief operative, Pirard, hij zal wel weten wat hij doet.’ De Belgische minister zuchtte diep. Hij leek het onderspit te delven in deze woordenwisseling. Tot hij triomfantelijk zijn blik oprichtte en Maes aankeek. ‘Ik denk dat kapitein Maes één heel belangrijk element uit het oog verloren is.’ Maes weerstond de blik van Pirard. Had de man in de onderhandelingen niet beloofd dat hij volledige zeggingskracht kreeg over deze operatie? Het was overduidelijk, Pirard stond te popelen om zijn troefkaart op tafel te gooien. ‘Er is één heel groot probleem bij het rekruteren van die zogenaamde bad eggs…’ Maes wilde hem net van repliek dienen en zeggen dat het niet zijn eggs waren, dat hij Stan van vroeger kende. Maar Pirard sneed hem de pas af. ‘Niemand, maar echt niemand weet waar die kerels zich bevinden. De Belgische overheid zit hen al zo lang op de hielen. Tot nu toe zonder enig resultaat.’
19
Pirard grijnsde triomfantelijk. Het zouden de soldaten worden die hij had geselecteerd. Maar dat was buiten Maes gerekend, die hem met dezelfde beminnelijke glimlach antwoordde en zichzelf denkbeeldig op de borst klopte. ‘Bijna niemand.’
20