Skip to main content

9789401463140

Page 1

Tanneke Wigersma

Het geheim van tante Fien Met illustraties van

Hanneke Siemensma


Alleen in de regen De koetsier opende de deur van de koets, schraapte zijn keel en zei: ‘Hier moet ik je afzetten, meisje.’ Ik stapte uit. De wind blies over mijn kale hoofd. Hij blies de regen in mijn oren en door alle gaten van mijn trui. Ik keek om me heen. Alles was grauw. Het enige wat ik zag was de koets, de koetsier en de paarden. De koetsier keek me aan. ‘Ben jij dat? Ik dacht, wat klinkt de wind raar!’ ‘O ja’, mompelde ik en ik stopte met fluiten. Ik floot per onge­ luk als ik bang was. Al was ik bijna nooit bang. ‘Wil je ze aaien?’ vroeg de koetsier, die zag dat ik naar zijn paarden keek. ‘Of ben je bang?’ Nee, ik was dus bijna nooit bang. Toen de Blob me in de koets had geduwd, had ik de paarden niet goed kunnen bekijken. Ik ging voorzichtig dichter bij ze staan. Ze waren bruin en erg groot. Voor hun ogen zaten kleppen en uit hun neuzen kwamen witte wolkjes. Het kleinste paard zei ‘Brr’. Dat snapte ik wel, want ik had het ook koud. Ik legde mijn hand op zijn hals. Zijn vacht was glad van de regen, maar ook warm. Ik snoof de geur diep op, wat rook hij lekker zoet! ‘Ik moet gaan, meisje. Daar moet een hek zijn’, zei de koetsier en hij wees. Ik keek naar links en naar rechts, maar ik zag alleen een gordijn van druppels.

9


‘Je moet vooruitkijken’, zei de koetsier. Ik moest mijn ogen bijna dichtknijpen om het goed te zien, maar even verderop stond iets hoogs. Het was inderdaad een hek, maar niet zo een met dikke spijlen als bij ons. Bij dit hek zaten de spijlen vol krullen met ijzeren bloemen. De koetsier haalde mijn koffer van het dak en gaf hem aan mij. ‘Alles beter dan het weeshuis, toch?’ Ik knikte. Mijn achterachtertante, A.B. van Bloedhond tot Vossenhol, kon onmogelijk gemener zijn dan de Blob. De koetsier klom weer op de bok. Hij keerde de koets om en reed weg. Al snel hoorde ik alleen nog het geklepper van de paardenhoeven. De koets was verdwenen in de regen. Nou, Pieke, zei ik tegen Pieke in mijn hoofd. Daar ga ik. Ik ging voor het hek staan en rammelde eraan. Het zat niet eens op slot zoals bij ons. Het piepte toen ik het openduwde. Achter het hek was alles grauw. Geen pad, geen huis, geen bomen. Niets. Ook niet als ik mijn ogen bijna dicht kneep. Gelukkig maar dat ik de grond onder mijn voeten voelde, anders zou ik niet weten wat onder en wat boven was. Wat nu? Ik besloot gewoon rechtdoor te lopen. Zo zou ik in ieder geval verder komen, al was het misschien de verkeerde kant op.

10


Een rood droomhuisje Na wel duizend miljoen regendruppels zag ik iets roods. Het was een huis, verstopt achter hoge, donkere bomen en struiken. Uit de schoorsteen kwam rook, met de geur van brandend hout en griesmeelpap. Ik had een keer stiekem een hapje griesmeelpap genomen. Uit het bord van de Blob, toen ik haar het ontbijt moest brengen. Ik had nog nooit zoiets lekkers geproefd. Het was zoet en romig en geel. Misschien kon ik hier wel een bordje pap krijgen. Ik liep tussen de struiken door. Ik was nog nooit tussen struiken door gelopen. Met takken die je aaiden. Takken die zwiepten. En de bomen! Zo groot als reuzen! Tenminste, ik dacht dat reuzen net zo groot moesten zijn. Maar ik had er nog nooit een in het echt gezien. Ik had ook nog nooit onder een boom gelopen. Ik had ze alleen gezien toen ik over de muur naar het park keek. Voor de ramen van het rode huisje hingen gries­meel­pap­gele luiken. Op het dak lagen oranje dakpannen. Wat een bofferd was ik dat mijn achterachtertante in zo’n mooi huis woonde! Voor het raam naast de deur zag ik een beestje met zijn poot­ jes tegen de ruit aan staan. Het had ronde oortjes en met zijn schattige oogjes keek het mij aan. Zijn vacht was glanzend oranjebruin, lang en glad.

11


Ik had nog nooit zo’n dier gezien. Ik kende de ratten, de kakkerlakken, de spinnen en de grote motten met de donkere vlekken die in het weeshuis leefden. En Pieke had elke dag dieren van buiten het weeshuis getekend. Op het beslagen zolderraam. Paarden met vleugels. Eekhoorns, draken, eenhoorns, konijnen met een strik, papegaaien, tijgers met ronde oren, grote honden, minipaardjes, koeien, poezen, hazen, wolven, giraffes, vlinders en uilen. Maar dit beestje kende ik nog niet. Het zag er lief uit. Wat een bofferd ben jij, zei Pieke in mijn hoofd, als jij hier mag wonen!

12


De boze man Ik ging onder het rode afdakje op de mat staan. Het was fijn om even beschut te zijn. Naast de gele deur hing een glimmende bel met een dik koord. Voor ik aanbelde, moest ik er netjes uitzien. Ik zette mijn koffer neer. Ik veegde het water van mijn haar en mijn gezicht. Ik keek naar mijn trui en schoenen. Aan de gaten kon ik niets doen. Ik moest maar extra lief lachen. Ik trok aan het koord, zodat de glimmende bel begon te klin­ gelen. Een man in een gebreide trui met een beestje op zijn schouder deed open. De man had blond haar aan de zijkant van zijn hoofd. Net als de kok bij ons in het weeshuis. Wat was ‘wees­ huis’ eigenlijk een rotwoord! Dit was vast de man van mijn tante. Hij zag er aardig uit. ‘Aangenaam kennis te maken, meneer’, zei ik. Ik stak mijn hand uit zoals ik geleerd had als het Bezoek kwam. De man schudde mijn hand. ‘Dag jongedame.’ ‘Ik heet Nicolette’, zei ik en ik lachte zo lief als ik kon. ‘Ik kom voor mevrouw A.B. van Bloedhond tot Vossenhol.’ Snel gluurde ik langs hem heen het halletje in. Er lag een dik tapijt op de vloer. Aan een kapstok aan de muur hingen dikke jassen. Achter de jassen kon ik een deur zien die half openstond, als ik wat meer om de man heen boog. Daar stond een stoel voor een brandende open haard. Op de leuning van de stoel stond een dampende kom. Daar zat vast griesmeel­pap in.

13


De man fronste zijn wenkbrauwen. ‘Moet je naar dat vreselijke mens toe?’ Ik knikte. ‘Met haar wil ik niets te maken hebben.’ De man wilde de deur dichtdoen. ‘Wacht, alstublieft.’ Ik hield de deur tegen met mijn verkleum­ de vingers. ‘Waar woont ze dan?’ ‘De heuvel op.’ De man peuterde mijn vingers los en gooide de deur dicht. ‘En doe haar niet de groeten!’ hoorde ik hem nog roepen.

14


Een zwart heksenkasteel Goed, ik moest dus niet zomaar rechtdoor lopen, maar omhoog, de heuvel op. Gelukkig voelde ik al snel de heuvel onder mijn voeten. Ik keek achterom. Het rode huisje was door de regen niet meer te zien. Was ik maar even onder het afdakje blijven zitten, op de mat! De wind blies de regen dwars door mijn lijf, tot in mijn botten. Dat kan toch allemaal niet, zei Pieke in mijn hoofd. Zo voelt het wel, Pieke, zei ik terug. Toen ik zo nat als een volle spons niet meer verder kon lopen, doemde er een groot, grijs iets op. Het kon best een slapende reus zijn. Of een slapende draak. Of een grote, grijze heksen­ grot. Misschien was mijn achterachtertante wel een heks. Daarom vond die man van het rode huisje haar niet leuk. De wind floot in mijn oren. ‘Zeg, wind,’ gromde ik, ‘kun je niet even stoppen?’ Het was alsof hij naar me luisterde. Hij stopte met blazen en het hield ook op met regenen. Nu kon ik zien wat dat grote, donkere ding op de heuvel was. Het was een kasteel. Met wel duizend kamers en duizend ramen, zo ongeveer. Het had een dubbele deur met een brede trap ervoor. De luiken waren dicht behalve voor één raam. Misschien was mijn achterachtertante wel een prinses. Een prinses in een zwart kasteel dat op een zwarte, kale heu­ vel stond? Nee. Hier woonde zeker geen prinses. Dan was A.B. van Bloedhond tot Vossenhol misschien wel een heks zoals Pieke ze tekende. Met overal wratten op haar

15


gezicht. Met dunne vingers om je te kunnen grijpen, zodat ze je kon roosteren. Het liefst at ze weeskinderen die niemand miste. Niemand roostert nog kinderen, zei Pieke. Dat was vroeger. Je weet maar nooit, hoor, fluisterde ik terug. Ik liep toch verder, de brede trap op. Als ik ook maar ĂŠĂŠn wrat zou zien, zou ik wegrennen. Ik pakte de koperen klopper in de vorm van een leeuw en klopte.

16


Mevrouw A. B. van Bloedhond tot Vossenhol? Langzaam ging de deur open op een kier, zonder dat ik voet­ stappen had gehoord. Heksen konden vliegen, toch? ‘Dag mevrouw’, zei ik en ik keek naar haar donkerbruine ogen en haar zwarte wimpers. Ik had precies dezelfde kleur ogen. ‘Ik ben op zoek naar A.B. van Bloedhond tot Vossenhol.’ ‘Eh… wie ben, eh… jij?’ stamelde de vrouw. ‘Mijn naam is Nicolette.’ Ik rilde. ‘Och, kind toch.’ De deur ging een stukje verder open. In de deuropening stond een kleine vrouw met donkerbruin haar, net zoals ik ooit had. Ze droeg een flodderige broek, een groot schort met een uitpuilende zak op de voorkant, en pluizige sloffen. Ze was dik in het midden, maar niet zo dik als de Blob. Ze zag er een beetje uit als een heks, maar ze keek mij bang aan. ‘Dag mevrouw’, herhaalde ik beleefd. ‘Ik hoop dat ik niet stoor, maar kunt u mij alstublieft helpen? Ik zoek mevrouw A.B. van Bloedhond tot Vossenhol.’ De vrouw bekeek me van top tot teen. ‘Waar kom je, eh… vandaan?’ fluisterde ze. ‘Ik kom uit het weeshuis. Ginds.’ Ik wuifde achter me. ‘De B… De directrice zei dat ik nog een achterachtertante heb. En dat is de mevrouw die ik zoek. Want als je familie hebt, dan moet je daar naartoe.’ ‘Familie?’ fluisterde de vrouw. ‘Ik heb een brief bij me waar alles in staat.’ Ik hield mijn koffer omhoog. Mijn vrije hand stak ik uit om me netjes voor te stellen.

17


‘Trouwens, aangenaam kennis te maken, mevrouw.’ De vrouw schudde mijn hand niet. ‘Ik, eh… heb niet opge­ ruimd, anders zou je…’ fluisterde ze. Ik gluurde langs haar de hal in. Het was er inderdaad een zoot­je. De grote hal stond vol met grote dingen, bedekt met witte lakens, onder een dikke laag stof. Ik liet mijn trillende hand weer zakken. ‘O, meisje. Eh… kom maar, eh… even binnen’, zei de vrouw. Ze keek naar de lucht. ‘Het is lente,’ mompelde ze tegen zich­ zelf, ‘maar dat zou je niet zeggen.’ Ze deed de deur verder

18


open. Ik ging op de drempel staan. Het water drupte uit mijn trui, mijn schoenen en mijn oren. Ik stond al snel in een plas. ‘Mijn hemel’, fluisterde de vrouw. ‘Je ziet blauw van de kou. Wie stuurt er nou een kind deze storm in zonder muts? Meis­ je, wat heb jij weinig haar!’ Klopt. Ik was kaal. ‘Ik ben wel wat gewend, hoor’, zei ik. ‘Nou… Nicolette was het, hè?’ Ik knikte. ‘Eh… deze, eh… kant op. Let niet op de rommel. Eh… Nicolette… Ik was bijna bezig met, eh… schoonmaken en zo.’ ‘Iedereen noemt mij Nico, mevrouw’, zei ik. ‘Dank u wel dat ik naar binnen mag.’

19


Niet praten en rennen, maar fluisteren en trippelen

‘Niet normaal!’ Ik liep de hal in en keek omhoog. Daardoor viel ik bijna over mijn koffer. Het plafond was heel ver weg en er waren wolken vol engelen op geschilderd. De vrouw pakte mijn koffer. ‘Eh… zou je, eh… willen fluisteren?’ ‘Natuurlijk!’ riep ik. Oeps. ‘Wat een mooi kasteel hebt u, mevrouw!’ fluisterde ik er snel achteraan. ‘Eh… nee,’ fluisterde de vrouw, ‘dit is een, eh… landhuis. Een kasteel is wat groter.’ Oké. Een landhuis… Dat klonk ook mooi. Ik liep achter de vrouw aan en keek ondertussen naar de vloer. Die was van witte steen met zwarte adertjes erdoor­ heen. Hij was glad onder de dikke laag stof die erop lag. Zip, zip, deden mijn schoenen.

20


‘Eh… zou je zachtjes kunnen lopen?’ De vrouw keek naar mijn versleten, te grote schoenen. ‘Wie stuurt er nu een kind met zulke schoenen door dit weer?’ mopperde ze. ‘Kun je, eh… trippelen misschien?’ De vrouw deed op haar rode slof­ fen voor wat ze bedoelde. Ik deed haar na en ging op mijn tenen lopen. Het ging best. ‘Ik vind uw landhuis erg mooi, mevrouw’, fluisterde ik trip­ pelend. ‘Ik ben geen mevrouw, hoor’, fluisterde de vrouw. ‘Ik heet Annephine Bernadette van Bloedhond tot Vossenhol. Maar…’ ‘Wauw!’ riep ik uit. Ik had mijn achterachtertante met de mooie, lange naam gevonden. Ik was als baby bij het weeshuis, Ginds, voor de deur gelegd. Zonder voornaam of achternaam. Niemand wist wie mijn ouders waren. Ook de politie niet. De Blob had mij een naam gegeven. ‘Sst’, fluisterde de vrouw en ze legde haar vinger op haar lippen. O ja. ‘Weet je, het is zo… Het is… ik, eh… word een beetje, eh… misselijk van lawaai’, fluisterde mijn achterachtertante. ‘Sorry, mevrouw’, piepte ik. ‘Je bent al minder blauw, gelukkig.’ Ik knikte. Dat maakte nog het minst lawaai. ‘En, eh… noem me maar Fien, hoor’, fluisterde mijn achter­ achtertante.

21


Een keuken van niets ‘Eh, ja. Nou… Hier moeten we zijn.’ Fien opende een deur aan het eind van de hal. ‘Ik heb de, eh… keuken ook nog niet, eh… opgeruimd.’ Ze propte zichzelf met de koffer door de deur, die niet helemaal open kon. Ik trippelde achter haar aan. De keuken was anders dan in het wees… In Ginds. Daar was ze leger. Daar hingen blinkende pannen boven een groot, blinkend fornuis. En er stond altijd een blinkende pan met gries­meelpap op voor de Blob. Er was een grote schouw met een groot vuur onder een blinkende ketel. Hier hing een doffe ketel boven een kaboutervuurtje. In Ginds lag het bestek in een la. De kopjes en borden stonden niet op het aanrecht, maar in een grote keukenkast met witte gordijntjes achter schone ruiten. Ook hier stond in het midden een keukentafel, maar die lag vol met stapels papier. En op de rand van de tafel stond een kandelaar. Er stonden twee stoelen, een ervan lag vol met boeken. Bah, boeken. Op de andere stoel lag alleen een kussen, maar er hingen wel duizend schorten over de leuning, ongeveer. Er stond een mooie groene sofa. Zo eentje had de Blob ook, maar dan een rode. Op deze kon je niet liggen, want hij lag vol met zakken, kleren, potten en andere dingen. Op de vloer lagen zo veel spullen, dat je het dikke kleed bijna niet meer zag. Tegen de muren stond van alles en de keukenkast zat boorde­ vol, het leek alsof ze elk moment zou kunnen ontploffen.

22


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook