Skip to main content

9789401463126

Page 1

DE NATUUR IN


2


DE NATUUR IN Joeri Cortens


4


? Mag ik je even voorstellen

Mijn gezin

Ik ben Joeri, geboren 1976 en getekend voor het leven door ervaringen in mijn kindertijd, die ik ieder kind wil toewensen. De kans om onbezorgd te kunnen spelen in een bos, te vissen in een beek, in slaap te vallen bij een kampvuur… Ik heb het geluk dat ik van die passie ook mijn beroep heb kunnen maken. Ik ben educatief medewerker bij Natuurpunt en mag mijn natuurkennis en -fascinatie delen via lezingen, cursussen, uitstappen… Met je gat in de boter vallen, noemen wij dat. Mijn vrouw Tine is na jaren laboratoriumwerk haar hart en roeping gevolgd. Ze is opnieuw gaan studeren en is nu die creatieve en gepassioneerde kleuterjuf die haar kindjes door en door kent en ieder vrij moment benut om voor hen weer een dag vol fijne ervaringen voor te bereiden. Tine en ik ontmoetten elkaar in de natuur. We waren samen op kamp. Gemengde kampen waren maar één van de voordelen van de geweldige jeugdbeweging JNM (Jeugdbond voor Natuur en Milieu). Samen zwommen we al in heel wat watertjes, van Lapland tot Ushuaia. Met of zonder kleren, afhankelijk van het gezelschap en de toevalligheid van hoe we in het water belandden. We trotseerden de woeste baren, van Nieuw-Zeelandse fjorden tot de winterse Semois. Af en toe maakten we water, soms raakten we een rotsblok, maar grote averij hebben we nog niet opgelopen. We dobberen dus rustig voort, naar waar de stroming ons voert. Onze oudste dochter Linde (°2010) liet jaren op zich wachten. Het was een zonnige dag toen ze geboren werd en in onze tuin ontloken de eerste frisgroene blaadjes aan de winterlinde. Ze kwam met haar gezicht naar boven, wat haar in het verloskundig jargon het etiket ‘sterrenkijker’ opleverde. Maar volgens mij was ze vooral nieuwsgierig. Dat is ze van kleins af aan altijd geweest. Gezellig wandelen in een wieg was er niet bij. Dan kon ze niks zien. En dus belandde ze al snel in de draagdoek, met haar blauwe kijkers naar buiten gericht. Ze was amper drie weken jong toen ze voor de eerste keer mee ging kamperen. Dat was rond de periode van de ijsheiligen, die de temperaturen die nacht nog een laatste keer tot onder het vriespunt brachten. Als ongeruste jonge ouders hebben we toen niet veel geslapen, maar zij was zo lekker ingeduffeld dat ze bijna vergat om wakker te worden voor haar nachtelijke portie moedermelk. Linde is nog altijd nieuwsgierig. Ze voert graag af en toe een wetenschappelijk experiment uit. Dat vinden we prima zo.

De geboorte van Stern (°2012) kondigde een heel nieuw tijdperk aan. Geen vlugge douche voor mama, geen uitgebreid ontbijt voor papa, maar een race naar de verloskamer, die eindigde in de snelste bevalling van de 21ste eeuw met een fontein van vruchtwater waar een gemiddelde IJslandse geiser van zou gaan blozen. En zo staat hij ook in het leven. Geen schrik, hoofd vooruit en beuken maar. Dat heeft al wel wat letsels opgeleverd, maar zijn handigheid met zijn zakmes is ongeëvenaard. Stern heeft ook een olifantengeheugen. Dat is uitermate dankbaar voor een papa, die af en toe een natuurfenomeen probeert uit te leggen. Zijn kleine hersenspons absorbeert ieder woord en zet dit om in parate kennis, waarmee hij maanden later vriend en vijand verrast. Onze kleinste, Nils (°2014), is op een minder conventionele manier bij ons gekomen. We hebben hem gevonden in het bos, achtergelaten door zijn apenfamilie. Wij hebben hem maar meegenomen, zijn haar afgeschoren en zijn staart geknipt, zodat hij niet zou worden uitgelachen door de andere kinderen… Althans, dat hebben we hem zo wijsgemaakt. Zijn broer en zus nemen het voor hem op en manen ons om te stoppen met plagen. Maar zijn guitige ogen gaan dan nog feller fonkelen dan anders. Nils heeft gevoel voor humor, bakken zelfvertrouwen en altijd een uitleg klaar. ‘Die hond gaat mij toch niet bijten, want ik ben veel te sjattig…’ is een van zijn recente oneliners. Als hij maar geen advocaat of politicus wordt, of erger nog: twitteraar. Als ik het zo opschrijf, lijkt dit wel het ideale gezin, maar de realiteit is minder idyllisch. We nemen allebei ons werk mee naar huis. Het huis is een puinhoop en davert soms op haar grondvesten als we voor de zoveelste keer onze stem verheffen. Met oudjaar maakten we dus het goede voornemen om tijd te maken voor elkaar en leuke dingen te gaan doen. Minstens één keer per maand samen de natuur intrekken, om de hoek en een beetje verder weg. Om te ontdekken, experimenteren, genieten, proeven, (over)leven, kamperen… Die avonturen stellen we graag aan jou voor: de ups en downs, de bijzondere ontdekkingen en ervaringen, de plantjes en de beestjes. Elke maand een nieuwe biotoop, ergens in België of Nederland.

5


6


INHOUD Mag ik je even voorstellen? Mijn gezin — 5

WINTER Januari – Vogels kijken in het polderlandschap — 9 Februari – De kempische dennenbossen — 29 Maart – Natuur in de tuin — 51

LENTE April – De bossen — 69 Mei – Beken, rivieren & kanalen — 91 Juni – Graslanden — 113

ZOMER Juli – Vennen en venen — 133 Augustus – De purp’ren heide — 151 September – Het randjeskantjeslandschap — 173

HERFST Oktober – De Ardense bossen — 191 November – De wilde kust — 209 December – Natuur in de stad — 229 7


‘Een flamingo op één poot is als een bloem in de wind. Zo zien de visjes hem niet staan.’ — linde


JANUARI

Vogels kijken in het polderlandschap checklist  Ga wandelen en leer een polderlandschap lezen.  Leg een verenverzameling aan.  Pluk eens een oester.  Leer door een verrekijker kijken.  Beklim een uitkijktoren en bekijk het landschap van bovenaf.  Zoek een zeehond of dolfijnachtige.  Ga ganzen tellen (en zoek een kleurring of halsband).  Observeer een roofvogel.

Het is een jaarlijkse traditie: vogelen in de Zeeuwse delta. Het open landschap tussen water en land is een ware trekpleister voor gevogelte van divers pluimage. In het voor- en najaar passeren er miljoenen trekvogels, en tijdens de wintermaanden pleisteren er honderdduizenden ganzen en andere bezoekers uit het Hoge Noorden.

9


Spreeuw

Hoe een vogelaar leert vogelen — spreeuw en torenvalk —

Ze komen voor in de beste families: vogelaars. Bij ons waren het er zelfs twee. Mijn grootvader en ik waren twee handen op een buik. Als oudste kleinkind mocht ik mee op zijn avonturen. Vissen in de Kleine Nete, ijssleeën op bevroren vijvers en ooit hebben we zelfs vogels gevangen. Een lichte houten lijst, met een net overspannen, steunde met één zijde op de grond en aan de andere kant op een stokje. Aan dat stokje was een touw gebonden dat door het sleutelgat van de keukendeur kon worden aangetrokken. Daar heb ik spannende uren beleefd, spiedend naar de vogels die we met vogelzaad en broodkruimels probeerden te lokken. Urenlang beproefden ze mijn geduld, want behoedzaam als ze zijn, waagden ze zich nooit ver genoeg onder onze val. Maar toen eindelijk alle voedsel aan de randen was weggepikt, was er toch die ene dappere spreeuw die verder ging dan elke andere vogel voor hem en… Tsjakkaa! Uit alle macht trok ik aan het touw en mijn eerste en enige illegaal gevangen vogel was een feit. In pyjama snelde ik naar buiten. Maar het was niet de ijskoude winterlucht die me deed rillen. Het was de adrenaline die door mijn lijf gierde. Dat moet de spreeuw ook gevoeld hebben toen ik hem onhandig uit zijn situatie bevrijdde. Wat een prachtig beest! Zijn verenkleed was niet saai zwart, maar schitterde in duizend-en-een metaalkleuren, die zelfs een regenboog niet in de aanbieding heeft. Koper, goud, weerschijnvlinderpaars en smaragdgroen.

10

Het was een mannetje. Dat merk je pas als je de vogel nauwkeurig bekijkt, want bij holenbroeders (vogels die in holen broeden) zoals de spreeuw hebben ook de vrouwtjes een opvallend verenkleed. Ze hebben immers geen camouflagekleuren nodig in hun veilige nestholte. De verschillen tussen de geslachten zijn dan ook erg subtiel. Aan het einde van de winter krijgt het mannetje een lichtblauwe basis aan de ondersnavel; bij het vrouwtje kleurt deze plek lichtroze. Na een grondige inspectie lieten we de vogel weer vrij. Ik bleef met een dubbel gevoel achter. Het was een unieke ervaring, maar ergens besefte ik dat vogels vrij horen te zijn en dat voor de spreeuw deze ervaring allesbehalve geweldig was. Vanaf nu zou ik het houden bij observeren. Mijn grootvader had een verrekijker, een impulsaankoop tijdens een familietrip naar de Ardennen. Het was een onding: groot, zwaar, een veel te sterke vergroting en te klein gezichtsveld. Maar met een beetje oefening kreeg ik toch mijn eerste vogels in beeld. De grote bonte specht, de boomklever en het goudhaantje bezorgden me mijn eerste kriebels in de buik. Ik determineerde ze met mijn trouwe vogelboek, dat de goede oude Sint ooit in mijn schoen had achtergelaten.


Mijn ornithologische carrière kwam in een stroomversnelling toen ik een keertje mee mocht met een echte birdwatcher, aangetrouwde familie uit het zevenendertigste knoopsgat. Hij droeg een groene camouflage-outfit, kende de beste locaties om zeldzame vogels te spotten en was de trotse bezitter van een telescoop. Niet zo één om naar de sterren te kijken, maar een oerdegelijke veldkijker. Het werd een onvergetelijke uitstap naar het Verdronken Land van Saeftinghe en de polders eromheen. Er vlogen duizenden ganzen in V-formaties en boven het riet wiekelden de blauwe kiekendieven. Het was nog een goeie tijd voor de torenvalk. Meestal zagen we haar vanuit de auto, biddend boven de wegberm, op zoek naar een lekkere veld- of aardmuis. Het zogenaamde ‘bidden’ is een eigenaardige jachttechniek. De torenvalk hangt stil in de lucht. Zijn vleugels flapperen wild op en neer om de zwaartekracht te verslaan, maar zijn kop blijft er onbewogen bij, de ogen gefixeerd op de muizenpaadjes in het gras. Het lijkt een onmogelijke opdracht voor een jonge torenvalk om die techniek onder de knie te krijgen, maar kijken door een verrekijker lijkt dat in het begin ook. De eerste keren word je zeeziek van het gewiebel, maar oefening baart kunst. De ogen van de torenvalk zien niet alleen veel scherper dan de onze, ze weten perfect waarop ze moeten letten. Het gras is een wirwar van muizenpaadjes en bij de kruispunten zit meestal een hol. Daar vestigt de torenvalk haar aandacht op en als ze beweging ziet, stort ze zich in volle vaart op haar slachtoffer. Niks of niemand kan de muis nu nog redden, zelfs geen schietgebedje. Het ‘bidden’ van de torenvalk is trouwens een foute vertaling uit het Engels. Het gaat niet om to pray (bidden), maar to prey (een prooi bejagen).

Torenvalk

11


Het ontstaan van een uniek polderlandschap Het weidse landschap met zijn massa vogels heeft een diepe indruk achtergelaten. Ik ben er altijd terug blijven komen. En ik ben niet de enige. Bij vele afdelingen van Natuurpunt is het een vaste afspraak op hun winterse agenda. Vogels kijken in het Verdronken Land, Zeeland, het Zwin, de Uitkerkse Polder of de weiden rond Damme. Het zijn allemaal heel laag gelegen gebieden, op de grens tussen rivier, zee en land, zout en zoet, waar de mens al eeuwen de strijd tegen het water voert, met wisselend succes. Het Verdronken Land van Saeftinghe werd al vanaf de dertiende eeuw ingedijkt, maar driehonderd jaar later namen de Westerschelde en de Noordzee het terug. Je kunt er dan ook perfect zien hoe het landschap er moet hebben uitgezien voor de mens zijn stempel drukte. Twee keer om de 25 uur spoelt het brakke water het gebied binnen en weer buiten. Er ontstond een prachtig patroon van kronkelende getijdengeulen met talloze vertakkingen. Je kunt deze patronen ook in miniatuurversie zien op het strand, wanneer de zee zich terugtrekt. De begroeiing is bijzonder. Niet veel planten zijn opgewassen tegen het wassende water, de dagelijkse overstroming en het zoutgehalte. Bomen en struiken vind je er al helemaal niet. Dit is een van de weinige overgebleven dynamische landschappen in ons land, waar de natuur haar eigen gang gaat. Het Zwin is er ook zo eentje.

12

Dat wil niet zeggen dat er in de menselijke polders niks te beleven valt. Integendeel. Ook hier zijn toch nog sporen van een stukje oernatuur te bespeuren, aangevuld met menselijke elementen. De oplettende wandelaar kan ze ‘lezen’ in het landschap. De getijdengeulen in het ingedijkte gebied bleven vaak bestaan. Het water staat nu wel stil, maar de kronkelende vorm is nog te zien. We noemen ze kreken. Er zijn ook heel veel rechte poldersloten gegraven die overtollig water moesten afvoeren. Inlagen zijn een Zeeuwse specialiteit. Op strategische plaatsen legden de Zeeuwen achter de zeedijk een nieuwe dijk aan. Het materiaal dat men daarvoor nodig had, haalde men uit de strook land tussen de twee dijken. Daar ontstond dan een grote waterplas of een reepjesland: stroken water afgewisseld met lage dijkjes, om de uitgegraven klei af te voeren. Dit noemt men een karrenveld. Wielen of welen zijn ontstaan door dijkdoorbraken. Op de plekken waar het water naar binnen kolkte, zijn diepe plassen achtergebleven. Aan water dus geen gebrek in het polderland, soms zoet, dan weer brak en soms zelfs zout. En waar water is, daar vind je vogels.


NAar Buiten! Ieder seizoen heeft wel iets, maar de korte dagen en een warme wintermaand vol regen zijn niet erg bevorderlijk voor een goed humeur. We zijn dus enorm blij wanneer eind januari het weer eindelijk omslaat naar koud en droog. De dagen zijn voelbaar aan het lengen. We moeten naar buiten! Uitwaaien! De mot uit de kleren en de muizenissen uit het hoofd. Geen excuus meer. Die afwas staat er morgen ook nog. De winkels zijn op zaterdag toch veel te druk. Die deadline voor het werk zal wel rekbaar zijn. Het is tijd voor iets wat we al lang niet meer gedaan hebben: vogelen! Voor de gelegenheid rijden we naar Zeeland. In de winter wemelt het er van de vogels. De deltamonding van Schelde, Maas en Rijn is een belangrijke overwinteringsplaats voor gasten uit het Hoge Noorden. Eenden, ganzen, steltlopers, maar ook roofvogels. Tijdens de grote voorjaars- en najaarstrek is het gebied zo mogelijk nog belangrijker. Dan pleisteren er miljoenen migranten en eten ze hun buikje vol om vervolgens verder te kunnen vliegen naar hun eindbestemming. Wij zijn ook bijna op onze bestemming. En dat is goed ook, want de kinderen worden ongeduldig. Hun favoriete luisterverhaal is al even uitverteld en ze beginnen elkaar te jennen. Dat houdt plots op als links van ons de zee verschijnt. We rijden over de Zeeuwse stormvloedkering, een magistraal bouwwerk van pijlers en schuiven, dat het getij toelaat in de Oosterschelde rechts van ons, maar ook gesloten kan worden bij springtij en stormweer. Niet alleen zeewater kan door de sluizen passeren. Zeehonden zijn dagelijkse passanten en ook bruinvissen zwemmen er weleens door. In 2017 verbleef er zelfs enkele dagen een bultrugwalvis in de Oosterschelde! Onze eerste stopplaats ligt midden op de stormvloedkering, bij het haventje van Neeltje Jans.

13


Hoe kijk je door

een verrekijker? Om een duidelijk beeld te hebben, moeten we een verrekijker afstellen op onze ogen.

Stap 1 — Met of zonder bril?

Een verrekijker houd je niet vóór je ogen, maar ertegen. Rubberen oogringen of uitschuifbare oogdoppen zorgen er dan voor dat jouw oog op de juiste afstand van het oculair of de lens zit. Zorg er wel voor dat de oogdoppen helemaal uitgedraaid zijn.

De verrijkende verrekijker Zonder verrekijker gaat vogels kijken gauw vervelen. De mijne gaat nu al 25 jaar mee. Het was ooit de beste (en duurste) van zijn generatie, maar de technologie heeft enorme sprongen gemaakt en de moderne kijkers zijn nóg helderder, nóg scherper, nóg lichter en nóg gebruiksvriendelijker. Bovendien heeft mijn compagnon al wat meegemaakt en ben ik niet altijd even voorzichtig geweest met het schoonmaken van de lenzen. Daar zitten nu minuscule krasjes op en de coating is aangetast. Neem dus van mij aan: gebruik enkel een zacht borsteltje om voorzichtig zand en stof te verwijderen en zeker geen zakdoek! Ik heb al weleens overwogen om over te stappen, maar een verrekijker uit deze topklasse kost al gauw een maandloon. Voor mijn vrouw is dat alvast een goed argument om het toch maar bij mijn eerste liefde te houden. Ook Tine en de kinderen hebben hun wapens. Voor Linde hebben we vorig jaar een instapmodel gekocht. Ze is groot genoeg om er zorg voor te dragen. De jongens hebben allebei een kinderverrekijker. Het zijn handzame, stevige dingetjes met een rubberen coating en een beperkte vergroting van 6x. Voor vogels kijken is dat eigenlijk net iets te weinig, maar... kleine kijker, kleine vergroting.

14

Wie een bril draagt, laat de oogdoppen ingedraaid of slaat de rubberen ringen om. Zo kun je de verrekijker tegen je brillenglazen houden.

Stap 2 — Stel de afstand tussen je ogen in

De twee delen van een verrekijker scharnieren ten opzichte van elkaar. Zo kun je de juiste afstand instellen tussen je ogen. Er ontstaat één rond beeld, zonder zwarte randen. Dat is dus niet zoals in de film waar je een soort van liggende ‘8’ te zien krijgt.

Stap 3 — Oogcorrectie

Meestal zien we niet even scherp door onze twee ogen. Een verrekijker kan dat gemakkelijk corrigeren. — Richt je verrekijker op een object dat een vijftigtal meter van jou verwijderd is. — Kijk alleen door je linkeroog en stel het beeld scherp via de normale scherpstelring. — Als dat gelukt is, kijk je alleen door je rechteroog. Je stelt nu scherp voor je rechteroog door te draaien aan de dioptriering. Die zit meestal in of vlakbij het rechteroculair met de aanduidingen ‘-’, ‘0’ en ‘+’. Deze laat je zo staan. — Vanaf nu stel je enkel nog bij met de centrale scherpstelring.


Waarop moet je letten bij aankooper? van een verrekijk Vergroting?

Voor birdwatching zijn 8x en 10x de meest gangbare vergrotingen. 10x brengt het beeld iets dichterbij, maar 8x is gemakkelijker om stil te houden.

Objectief?

Dat is de diameter van het objectief (de voorste lens), die bepaalt hoeveel licht er binnenkomt. Hoe groter die is, hoe meer licht er binnenvalt, maar ook hoe groter het formaat van de verrekijker.

Tip — Deel de objectiefmaat door de

vergroting. De uitkomst moet 4 of hoger zijn.

Grootte en gewicht?

Minimale scherpte-afstand?

Hoewel het een verrekijker heet, gebruiken veel natuurliefhebbers hem ook om dichtbij naar insecten te kijken. Schichtige libellen en prachtige vlinders haal je zo wat dichterbij. Met sommige kijkers kun je je tenen scherpstellen, anderen vinden de focus pas vanaf vijf meter.

Handige/snelle scherpstelling?

Bij waarnemingen in de natuur is het belangrijk om snel de focus te hebben. De meeste dieren gaan niet zitten wachten tot jij er helemaal klaar voor bent. Test daarom zeker ook hoe snel de kijker scherpstelt. Aan sommige wieltjes kun je blijven draaien tot de vogel is gevlogen.

Ergonomie?

Ligt de verrekijker goed in je hand? Of is het maar een onhandig ding? De meeste vogelkijkers kiezen voor een dakkantmodel, dat vooraan even breed is als achteraan.

Bij incidenteel gebruik of wanneer je hem wilt meenemen op een trek- of fietstocht, is een klein modelletje zeker te overwegen. Maar er zitten ook nadelen aan. Ze laten minder licht binnen en bestrijken een kleiner gezichtsveld.

Waterdicht?

Verrekijkers die te groot zijn, zijn dan weer moeilijk stil te houden en worden op den duur steeds zwaarder. Zoals altijd is er een gulden middenweg, weliswaar met meerdere rijstroken.

Prijs?

Geen vervorming aan de randen?

Bij het keuren van een verrekijker is het zeker ook belangrijk om de randen van het beeld te bekijken. Zijn die wel even scherp als in het midden? Doen er zich geen vervormingen voor aan de rand? Dat kun je testen door scherp te stellen op een rechte lijn. Neem bijvoorbeeld een dakgoot in je vizier. Beweeg nu zo dat de dakgoot aan de rand van je beeld zit. Is die nog altijd even recht?

Een verrekijker dient niet om in een vitrinekast te zetten. Je neemt hem mee naar buiten, in alle weersomstandigheden. Vraag dus na of je verrekijker waterdicht is. De helderheid van de lenzen en de nauwkeurigheid van het ontwerp bepalen grotendeels de kwaliteit en dus ook de prijs. Vanaf 200 euro vind je al vrij goede kijkers waar de meeste mensen heel tevreden mee zullen zijn. De duurste modellen gaan tot 2.500 euro.

Conclusie?

Een verrekijker koop je niet op afstand. Ga naar de speciaalzaak. Kijk, voel en vergelijk.

15


Boeiende vogels — aalscholver —

De eenden die geen eenden zijn — fuut —

Eendachtigen zijn dankbare vogels om met kinderen te bekijken. Ze zijn redelijk groot, hebben een opvallend verenkleed en dobberen rustig op het water, zodat je voldoende tijd hebt om ze te vinden met je verrekijker. De eerste die opduikt in ons beeld is meteen een vreemde eend in de bijt. Hij heeft geen platte snatersnavel, maar een vrij lang en puntig exemplaar. De poten staan erg ver naar achteren en hij duikt regelmatig onder. De kop heeft iets van een hippe mannetjesleeuw, met brede oranje manen die strak opzij gekamd zijn. De kruin is zwart en eindigt in een guitig kuifje. Het is een fuut. Hij is al in broedkleed. Of misschien is het wel een zij, want het verschil kun je bij futen niet zien. Futen zijn fantastische zwemmers. Ze stuwen zich voort met hun poten, die geen volledige zwemvliezen hebben zoals eenden, maar brede lobben rond de tenen. De vleugels gebruiken ze niet tijdens het duiken. Die zitten dan netjes opgeborgen in het waterafstotend dons op de flanken. Als je futen van dichtbij kunt bekijken, let dan zeker op hun ogen. Die zijn namelijk helderrood. De juiste functie daarvan is nog niet bekend. Het is mogelijk dat het hun een beter zicht geeft onder water, waar rood licht het eerst wordt uitgefilterd. Blauw en groen dringen het diepst door. Maar het kan evengoed te maken hebben met aantrekking of communicatie.

16

Het voormalige haventje ligt vol met boeien, netjes op een rij. Daaraan hangen dikke, verticale touwen waarop mosselen worden gekweekt. De hangcultuur is omslachtiger dan de traditionele kweekmethode op de bodem, maar de mosselen groeien sneller en zijn vaak fijner van smaak. Ook heel wat andere organismen profiteren van deze kunstmatige riffen. Wieren, sponzen, pokken en krabben vinden er allemaal een geschikte woonplaats. Boven op de boeien zien we een aalscholver zitten, met zijn vleugels opengespreid in de wind. Hij zit te drogen. De aalscholver is een grote, zwarte, duikende watervogel. Zijn verenkleed is niet waterdicht, wat het duiken vergemakkelijkt. Maar hij krijgt het dan wel sneller koud en moet zich regelmatig laten opdrogen. De snavel is niet puntig zoals bij de fuut, maar eindigt in een vlijmscherp haakje. Plots valt mij iets op... De aalscholver heeft heldere blauwgroene ogen. Zo gaat dat weleens bij het vogels kijken. Je hebt ze al honderden keren gezien, maar je let niet altijd op de details. Vraag aan een fanatieke vogelkijker of hij het verschil kent tussen een mannetjes- en een vrouwtjesspreeuw en hij zal je hoogstwaarschijnlijk het antwoord schuldig moeten blijven. Wij weten dat ondertussen wel, hè? Of ben je het al vergeten?


17


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401463126 by Uitgeverij Lannoo - Issuu