EN DE KRACHTÂ KRISTALLEN Andy Stanton Met illustraties van
Mattias De Leeuw Vertaald door
Edward van de Vendel
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/ of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2019 ISBN 978 94 014 6310 2 D/2019/45/399 NUR 282/283 Oorspronkelijke titel Mr Gum and the Power Crystals © Oorspronkelijke uitgever Egmont, 2008 © Tekst copyright Andy Stanton 2008 © Nederlandse editie Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2019 Illustraties Mattias De Leeuw Vertaling Edward van de Vendel
INHOUD INLEIDING: WAAROM GEBEUREN ER DINGEN?
9
1
DE VREEMDE STENEN
11
2
POLLY’S NACHTMERRIE
21
3
POLLY GAAT BIJ OUD OMAATJE OP BEZOEK
36
4
POLLY GAAT BIJ OUD OMAATJE OP BEZOEK
41
5
POLLY GAAT BIJ OUD OMAATJE OP BEZOEK
43
6
POLLY GAAT BIJ OUD OMAATJE OP BEZOEK
45
7
POLLY GAAT BIJ OUD OMAATJE OP BEZOEK
46
8
POLLY GAAT BIJ OUD OMAATJE OP BEZOEK
47
9
POLLY GAAT BIJ OUD OMAATJE OP BEZOEK
48
10 POLLY GAAT BIJ OUD OMAATJE OP BEZOEK
49
11
POLLY GAAT BIJ OUD OMAATJE OP BEZOEK
50
12
WAT ER GEBEURDE BIJ DE WINDMOLEN
51
13
TIJD VOOR EEN ACHTERVOLGING!
60
14 IN DE BOOM
70
15
OUD OMAATJE VERTELT HAAR VERHAAL
80
16
DE JIPPIEJOEKELS VALLEN AAN
91
17 INTUSSEN, IN SPANJE
98
18 POLLY GAAT NAAR DE WINDMOLEN TERUG
103
19
112
BINNEN IN DE WINDMOLEN
20 MIDZOMERAVOND
127
21
153
KAPITEIN UITMUNTEND
DE BALLADE VAN GERRIT PADDENSTOEL
162
Inleiding
WAAROM GEBEUREN ER DINGEN? ‘
W
aarom gebeuren er dingen?’ Dat is de vraag die tegenwoordig op ieders lippen ligt. ‘Waarom gebeuren er dingen, Wetenschap?’ vragen ieders lippen aan de Wetenschap. En gelukkig heeft de Wetenschap daar meestal een antwoord op. Als je bijvoorbeeld aan de Wetenschap vraagt waarom je kleine zusje huilt, dan is het antwoord heel eenvoudig: omdat je haar ‘STINKERDJE’ hebt genoemd en al haar poppen met een hamer hebt geplet. En als je aan de Wetenschap vraagt waarom er regen uit de lucht valt, dan is het antwoord simpelweg: dat is nu eenmaal zo, weet je wel.
9
Maar van tijd tot tijd gebeurt er iets dat zo wonderlijk is dat zelfs de Wetenschap het niet meer weet. Neem nu bijvoorbeeld de afgrijselijke gebeurtenissen die afgelopen zomer in het kleine stadje Lamme Griemel plaatsvonden. Misschien vraag je: ‘Waarom zijn die gebeurd, Wetenschap?’ Maar een antwoord krijg je niet. Want sommige dingen zijn zo vreemd dat ze niet door de Wetenschap verklaard kunnen worden. Of in de rekenles. Zelfs niet in de gymles. Maar zoals Oud Omaatje zei toen ze aan het schommelen was in haar schommelstoel bij de haard: ‘Het verleden heeft de neiging zichzelf te herhalen. Het verleden heeft de neiging zichzelf te herhalen. Het verleden heeft de neiging zichzelf te herhalen.’ En misschien is dat ook het enige wat erover te zeggen valt.
10
Hoofdstuk 1
DE VREEMDE STENEN
H
et begon allemaal op een warme middag bij de Lamme Rivier, daar waar de stroomversnellingen groeien. Een negenjarig meisje dat POLLY heette, huppelde langs de oever, o, wat was het toch een vrolijk, klein knabbelmeisje! Het was hoogzomer en voor haar was de wereld één grote speeltuin, met overal glitters en kleurtjes en
HIEP HIEP HOERA.
11
FLATS! Daar floepte een forel
met flitsende zilveren schubben boven het heldere water uit.
BZZZZ! Een hommel deed wat
hommels altijd doen: plotseling vlak bij je oor vliegen zodat je opspringt van schrik.
ZOEOEOEFFF – BONK – PRSTFL! Een ijsvogel zweefde gracieus tegen de stam van een esdoorn en tuimelde naar beneden, waar hij onder de poot van een otter belandde.
12
De grasmussen grasmusten en de libellen libelden en de kikkers stuurden berichtjes met ‘KWAAK’ naar elkaars mobiele telefoons. En de zon scheen recht op alles en iedereen, alsof ze wilde zeggen: ‘Hier – jullie krijgen voor de lol een heleboel hitte.’ Ja, het was inderdaad hoogzomer.
‘Altijd is Langkwaakje zoek, midden in de kreek maar soms ook niet!’ zong Polly, en ze huppelhappel-hippelde verder. ‘Soms dan eet ze van de kwark, met haar bek vol –’
13
BLAF! Plotseling klonk er een geluid vanaf het Oude Weiland ginder, en dat geluid was zo vreugdevol dat één verbazingwekkend moment lang alle soldaten ter wereld hun geweer neerlegden en een eindje gingen hinkelen.
BLAAAAF! Daar was het geluid opnieuw, en nu klonk het nog vreugdevoller dan eerst, met in het midden een gratis paar extra A’s.
14
‘STERRENSTOF!’ riep Polly blij. ‘Dat is
John, de Nummer Eén Woefhond in de Woefhondhitparade, en da’s heulemaal egt super-Polly-waar!’ Ze baande zich een weg door het kreupelhout, achter het geblaf vanaf het Oude Weiland ginder aan, en ja! Daar was de enige echte John, bezig met wat hij het beste kon – een enorm gat graven met zijn legendarische poten. Aarde vloog in ’t rond, vliegen zoemden in ’t rond, koeien loeiden in ’t rond, allerlei letters ‘h’ en ‘e’ ontbraken in ’t rond – complete chaos.
15
‘Hé, Johnnie, ik wil ook speule!’ lachte Polly, en ze rende naar hem toe. Maar intussen was John uit het gat geklommen met een klein, bruin voorwerp tussen zijn hondzettende tanden geklemd.
‘Wat hep je, wat hep je?’ zei Polly. Ze aaide het
energieke beest totdat hij het ding trots in het gras spuwde. Het was een klein soort tas, gemaakt van ruwe stof en dichtgebonden met een rood lint. Hier en daar was hij aangevreten door insecten en pompoenen, maar het materiaal was stevig en had zelfs de inhaligste aanvallen weerstaan. ‘Wat is dat?’ zei Polly. Ze kneep haar ogen toe omdat er iets op de tas geschreven stond. Met roestige, rode inkt stond in de stof gekrast: 1559.
‘Ooo’, verwonderde ze zich. ‘Die tas komp vast uit de Ouwe Ouwe Tijden waarover ze schrijve in de geschiedenisboeken. En hij zit vast heulemaal vol met begrave schatten die niemand de afgelope duizende jaren hep gezien!’ Polly knoopte met bibbervingers het lint los. Ze durfde nauwelijks adem te halen toen ze de inhoud van de tas in haar zweterige hand schudde.
‘SMOKIE PALOKI!’ zuchtte ze. ‘Zukke prachtige dingen!’
Want ze hield twee vreemd gevormde stenen in haar hand, een roze en een witte. Ze schitterden in het helle licht van de zon, ze schitterden feller dan Polly ooit had gezien. Ze waren inderdaad prachtig – en toch dacht Polly: ze zijn prachtig op een vreemde manier. Ze waren van een soort koude, kwaadaardige pracht, een schoonheid die je zou vernietigen als je te dichtbij kwam, net als een prachtige gans op een heuveltje. 17
Je loopt op de gans af, want je bent betoverd door haar schoonheid. Je wilt de gans aanraken! Je wilt de zachte veren op haar rug voelen en misschien even een aaitje over haar nek geven. Maar pas als je dichterbij gekomen bent, zie je dat het helemaal geen gans is, maar een wrede wolf met ogen vol honger en een plastic nepsnavel voor zijn bek. Polly probeerde het uit alle macht, maar ze kon haar ogen niet van de stenen afhouden. Ze waren prachtig. Ze wilde eeuwig naar ze blijven kijken, of nog wat langer als het kon. Ze zorgden ervoor dat ze zich sterk voelde, alsof ze alles wat ze wilde zou kunnen bereiken‌
Naast haar jankte John heel even, en Polly rukte zich los van haar dagdromen en keek op. ‘O’, lachte ze ongemakkelijk. ‘Kijk dan hoe donker tis geworre terwijl ik naar die stenen stond te stare! Kep effe de tijd niet bijgehouwe!’ En zo, met de stenen in haar zak, ging ze op huis aan. De zon ging onder en de schaduwen kwamen tevoorschijn om te gaan spelen en ze merkte dat ze iets sneller liep dan normaal.
‘Niet dattik bang ben of zo’, zei ze tegen John.
‘Gewoon omda’k wil zien hoe et is om snel te lope, eg waar.’ Maar toen ze daar zo liepen, had Polly het gevoel dat ze bekeken werd door onvriendelijke ogen. En ze was echt heel blij toen ze eindelijk de oever verlieten en terug naar het stadje liepen.
19
‘Deze stenen benne briljant’, zei ze later die avond tegen zichzelf. Maar ze stopte ze voor de zekerheid toch maar in haar sieradenkistje voor ze naar bed ging.
‘Niet dattik bang ben voor ze of zo’, zei ze tegen
zichzelf. ‘Gewoon omda’k wil zien hoe et is om dingen in me sieradenkistje te stoppe, eg waar.’
20
Hoofdstuk 2
POLLY’S NACHTMERRIE
D
iezelfde nacht kreeg Polly een vreemde droom. In haar dromen waren de stenen op de een of andere manier uit haar sieradenkistje ontsnapt. Daar lagen ze, in haar hand, en ze draaiden en bewogen alsof ze levend waren. Breng ons naar de windmolen, Polly. Dat was wat de stenen in haar hoofd leken te fluisteren. Breng ons naar de windmolen!
21
‘Maar er benne heulemaal geen windmolens in Lamme Griemel’, fronste Polly in haar slaap. ‘Er benne toch alleen windmolens in buitenlandse landen zoals Indoaustralië en de Vereeuwigde Staten?’ Breng ons naar de windmolen, leken de stenen weer te fluisteren. Het is ons Lot. ‘Nee’, zei Polly, dit keer veel duidelijker. ‘Dit benne alleen me fantasieën en daar gaat ik niet naar luistere!’
Ahhhh, toe dan, breng ons ernaartoe, zei de roze steen. Dat wordt lachen. Als JIJ naar de windmolen wilde, zouden we jou OOK brengen, zei de witte.
22