Het geheim van de malamander
Thomas Taylor
Het geheim van de malamander
Thomas Taylor Vertaald door Aleid van Eekelen-Benders
Robert beatty Vertaald door Mireille Vroege
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2020 ISBN 978 94 014 6274 7 D/2020/45/8 NUR 282/283 Oorspronkelijke titel: Malamander Oorspronkelijk gepubliceerd door Walker Books Limited, London SE11 5HJ www.walker.co.uk © Tekst en illustraties: Thomas Taylor, 2019 © Omslag illustratie: George Ermos, 2019 © Nederlandse editie Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2020 Vertaling: Aleid van Eekelen-Benders Vormgeving binnenwerk: Mieke Smalle Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor Celia – T.T.
s
De
ru
&
ijn Do
n
Ca
ei
fé
De
Wu
lk
e
ba
a
Bo
Bal
sti
ls
tb
ocht
tje ge
la van
a
un
ik r o n d e
Ca
bl e
Ze
f
es
ch
g ijtingwe
BO
UL
m
st
ee
gje
RD
lw
er
k
n
m eu us ee M Ow
t
A
Bo
N
D
Ka
st
e
VA
el
Viss
e
hu rssc
K
ur
z ie
tje
s
st
r
el
d an
je
S
er
N O WEE
He
i’s va ass hal T ter tijk Dok prak
EV
ui
m
T
al
GR A NA HOTEND UT L IL US
rr
y
d
pg ee an
ba
Aa
Se
w F oss iels oeldewa renhuis
rou Mev
Ve
Aangesp
rk
telooske os
dree
n
ein
ge
tj
o
W
je
G
Dobber
al
pl ni
an
n
in
a nl
aa
V
Tr
rm s t e e g
W
lf
en nn
Bi
Sint
to
eese Leesapotheek
-
lan
d
S
Ow
R
A
Kr
ak
en
r uu
m n
AAN
E
E
M
I
é
T
S r
Pie
s
de
ng
er a an Ein het d va n
wi
eat
M
u ee
PI
MUILR O
Het W r
DE
ak
va
ER
TS
E
LE
AT
n
de
HAN
Th
Z
OWEE ZEE af
VAN
PLATTEGROND
tc
ve
Ee
Ha
V
I
N
Owee aan Zee Je bent vast weleens in Owee aan Zee geweest, zonder het zelf in de gaten te hebben. Op dat moment was het natuurlijk zomer. Er waren ijsjes en ligstoelen en een meeuw die er met je friet vandoor ging. Je hebt vast samen met je moeder in de getijdenpoeltjes rondgesnuffeld terwijl je vader die grappige schelp vond. Weet je nog? En ik wed dat je, toen jullie in de auto stapten om weer naar huis te gaan, nog even hebt opgekeken naar de woorden Owee aan Zee – in grote, verlichte letters boven de pier, de O met een lachend gezichtje en zonnestraaltjes eromheen – om je dagje aan het strand daarna algauw te vergeten. Zo’n soort plaats is het. ’s Zomers. Maar je zou hier eens moeten komen tijdens de eerste winterstormen, wanneer dat gezichtje en die zonnestralen 9
van de pier af waaien, zoals altijd in november. Wanneer zeemist als lange, spookachtige tentakels door de straten drijft en zoutwaterdruppeltjes tegen de ruiten van het Grand Hotel Nautilus spetteren. Dan komen er maar weinig mensen naar Owee aan Zee. Zelfs de inwoners wagen zich niet op het strand als het donker wordt en de wind om de Muilrotsen en om het wrak van het slagschip Leviathan giert, het schip waarvan zelfs nu nog mensen zweren dat ze er de glibberige malamander hebben zien rondkruipen. Maar jij gelooft vast niet in de malamander. Je denkt misschien dat een vismens nooit echt kan bestaan. En dat is prima. Hou jij het maar bij je ijsje en je ligstoelen. Dit verhaal is waarschijnlijk toch niets voor jou. Weet je wat, doe jezelf een plezier en hou meteen op met lezen. Sla dit boek dicht en sluit het op in een oude ijzeren kist. Wikkel daar een zware ketting omheen en gooi hem van de pier. Vergeet maar dat je ooit van Owee aan Zee hebt gehoord. Ga terug naar je normale leven – word volwassen, ga trouwen, sticht een gezin. En als je kinderen kunnen lopen ga je ook een dagje met ze naar zee. ’s Zomers natuurlijk. Je drentelt over het strand en vindt nu zelf een grappige schelp. Je bukt je om hem op te rapen. Alleen zit hij ergens aan vast... Aan een oude ijzeren kist. Het slot is eraf gerukt en de ketting is verdwenen. Kan de zee dat doen? Je maakt de kist open en ziet... ... dat hij leeg is.
10
Alleen maar zeepokken en wier, en nog iets. Iets wat lijkt op... slijm? Je hoort iets achter je – iets wat klinkt als voetstappen die dichterbij komen. Als slijmerige, glibberige voetstappen die dichterbij komen. Je kijkt om. Wat zie je? Echt? OkÊ, misschien is dit verhaal toch wel iets voor jou.
11
Het Grand Hotel Nautilus Ik heet trouwens Herbert Citroen. Maar de meeste mensen noemen me Herbie. Ik ben de gevonden-voorwerper van het Grand Hotel Nautilus, zoals je aan mijn pet kunt zien. Ik heb eens van iemand gehoord dat de meeste hotels geen gevonden-voorwerper hebben, maar dat kan niet kloppen. Wat doen ze daar dan met alle gevonden spullen? En hoe krijgen de mensen die ze hebben verloren ze dan terug? Ik ben eigenlijk wel een beetje jong voor zo’n belangrijke baan, maar lady Kraken – de eigenares van het hotel – heeft me hoogstpersoonlijk aangesteld. Zelfs meneer Mollusk, de hotelmanager, heeft daar niets tegen in te brengen. Dat zou hij natuurlijk wel willen – hij heeft de pest aan alles in het hotel wat geen geld opbrengt. Als hij zijn zin had
12
g ekregen, was de gevonden-voorwerperij op het moment dat hij manager werd meteen gesloten, en was mijn loket in de lobby van het hotel voorgoed dichtgetimmerd. En als dat was gebeurd, had ik het meisje nooit leren kennen. Het meisje dat ik door mijn raam zag klauteren. Het meisje dat zei: ‘Verstop me!’
‘Verstop me!’ Ik bekijk haar van top tot teen. Nou ja, meer top dan teen, want ze heeft het voor elkaar gekregen aan de raamknop te blijven haken, en de kelderraampjes zitten tegen het plafond. Als ze een inbreker is, is ze geen erg goede. ‘Alsjeblieft!’ Ik krijg haar los, al word ik zowat fijn geperst als ze naar binnen tuimelt. En omdat het sneeuwt, komt er ook een heleboel winter mee door het raam. We krabbelen overeind en nu sta ik oog in oog met haar: een meisje in een rafelige trui en met een wollen ijsmuts op een dikke bos krullen. Ze ziet eruit of ze iets wil zeggen, maar houdt haar mond als ze boven ons luide stemmen hoort. Luide stemmen die dichterbij komen. Ze spert haar ogen open van paniek. ‘Hierin!’ fluister ik, en ik trek haar naar een grote hut koffer die al tientallen jaren in de gevonden-voorwerperij
13
staat en nooit is opgehaald. Voor ze iets kan zeggen duw ik haar erin en laat het deksel zakken. De stemmen zijn nu vlak bij mijn loket – het dreinerige, vleierige geluid van meneer Mollusk die een moeilijke gast te woord staat. Ik grijp een paar gevonden tassen, paraplu’s en zo, leg ze op de koffer en hoop dat het eruitziet of ze daar al jaren liggen. Dan begint de bel op mijn balie, de bel die de mensen gebruiken als ze mij moeten hebben, als een gek te tingelingelingen. Ik zet mijn pet recht, ren het trapje naar mijn loket op en trek mijn waarmee-kan-ik-u-van-dienst-zijn?- gezicht, alsof er daarnet helemaal niets vreemds is gebeurd. De eerste die ik zie, is meneer Mollusk, die zijn haar over zijn kale plek probeert te strijken. ‘Ik weet zeker dat het een misverstand is’, sputtert hij tegen iemand. ‘Als u me alleen even toestaat navraag te doen...’ De iemand tegen wie hij het heeft, lijkt op niemand die ik ooit heb gezien. Het is een man in een lange, zwarte zeemansjas die compleet doorweekt is. Als een kromme pilaar hangt hij dreigend over de balie, met een gezicht als een sombere rotsmassa en ogen die schuilgaan onder de klep van een haveloze kapiteinspet. Met één stijve vinger mept hij op de knop van mijn bel alsof hij er een mes in steekt. Als ik tevoorschijn kom, houdt hij daarmee op en leunt nog verder naar voren, zodat zijn schaduw over me heen valt. ‘Waar...?’ zegt hij, met een stem die klinkt alsof er twee platen nat graniet langs elkaar schuren. ‘Meisje. Waar?’
14
‘Ahum.’ Ik schraap mijn keel en zet de deftige stem op die ik van meneer Mollusk tegen gasten moet gebruiken. ‘Mag ik vragen wie u daarmee bedoelt, meneer?’ Zijn mond, niet meer dan een grote, omgekeerde v in zijn druipende beendergele baard, gaat sissend open. Ik zie zeewier in die baard hangen, en er zit ook wier om zijn d offe koperen knopen verstrikt. Hij ruikt alsof er iets akeligs dreigt. ‘Waar?’ Ik hap naar lucht. Ja zeg, daar kan ik toch niks aan doen? Ik ben alleen maar voor gevonden voorwerpen. Hier heb ik niet voor geleerd. ‘Mijn beste heer,’ zegt meneer Mollusk zoetsappig, ‘ik weet zeker dat we er wel uit komen. Wat hebt u precies verloren?’ De man trekt zijn bovenlijf weer uit mijn loket en torent nu boven meneer Mollusk uit. Hij haalt zijn rechterhand, die tot nu verstopt zat, uit zijn jas. Meneer Mollusk deinst achteruit als hij ziet dat de man in plaats van die hand een grote ijzeren bootshaak heeft, die uitloopt in een lange, glimmende punt. ‘Meisje’, zegt de man. Nu moet ik die ouwe Mollusk één ding nageven, en dat is dat hij weet wanneer hij partij moet kiezen. En omdat hij tegen deze kolossale reus van een indringer geen schijn van kans maakt, besluit hij zich bij hem aan te sluiten. Hij keert zich tegen mij.
15
‘Herbert Citroen! Heb jij daar beneden een meisje?’ Nu leunen ze allebei dreigend mijn kant op. Ik schud mijn hoofd. Mijn waarmee-kan-ik-u-vandienst-zijn?-gezicht vervaagt, zodat ik het nu maar met een onschuldige grijns probeer. ‘Nee’, weet ik met een piepstemmetje uit te brengen. Ik kan het niet uitstaan als mijn stem zo doet. ‘Hier beneden zitten geen meisjes verstopt. Niet één.’ En precies op dat moment komt er achter me uit de kelder een zachte bons. Het klinkt precies alsof iemand die zich in een hutkoffer verstopt een prettigere houding probeert te vinden. Oeps. De baardige zeeman opent zijn mond voor een triomfantelijke kreun en zijn donkere ogen flitsen onder zijn pet. Hij tilt de klep van de balie omhoog en schuift mij tegen de muur om erlangs te kunnen. Hij wringt zich het keldertrapje af, vult de hele doorgang en buigt zijn rug omdat hij zich moet bukken onder het lage plafond. Ik haast me achter hem aan. Niet omdat ik zo moedig ben trouwens, maar gewoon omdat ik niet weet wat ik anders moet doen. De zeeman staat midden in het vertrek, het lijkt er opeens vol. Ik zie hem naar het plasje gesmolten sneeuw onder het open kelderraam kijken. Ik zie hem zijn hoofd draaien om de natte voetafdrukken te volgen die regelrecht naar
16
de hutkoffer leiden. De tassen en paraplu’s die ik erop had gegooid, zijn eraf gevallen. Er had nu evengoed een grote knipperende pijl boven de koffer kunnen hangen met het opschrift: Joehoe! Ze zit hierin! Meneer Mollusk, die komt aanrennen om vooral niets te missen, ziet dat allemaal ook en wordt knalrood van woede. ‘Herbert Citroen! Allemachtig, ik moest eigenlijk...’ Maar wat hij eigenlijk moest kom ik niet te weten, door wat de zeeman-met-een-haak-als-hand nu doet. Hij steekt de haak omhoog en laat hem met een misselijkmakende bonk neerkomen, diep in het deksel van de koffer. Hij wrikt hem los en haalt nog eens uit, en nog een keer. Bij elke klap splijt en barst het deksel van de koffer verder, en de houtsplinters vliegen in het rond. De koffer zelf valt ook al bijna uit elkaar. De man scheurt hem met behulp van zijn goede hand verder open en we zien... ... niets! Nou ja, niet helemaal niets. Tussen de brokstukken zit een spinnetje, dat heel verbaasd kijkt. En er ligt een wollen ijsmuts. Ik zie hoe het spinnetje maakt dat het wegkomt, en wou dat ik mee kon. Nu is die muts nog het enige om naar te kijken. Het is heel beslist de bontgekleurde muts die het meisje ophad. Maar van het meisje zelf geen spoor. Met een langzame, doelbewuste beweging rijgt Bootshaakman de muts aan de punt van zijn haak. Met een gezicht als een onweerswolk draait hij zich om en houdt hem
17
mij voor. Vraag me niet hoe, maar ik vind de moed om niet te piepen als ik mijn hand uitsteek en de muts voorzichtig van hem aanneem. ‘Gewoon een gevonden voorwerp’, zeg ik. ‘Die is, eh, vanochtend afgegeven. Ik-ik heb nog geen kans gehad om er een kaartje aan te hangen, dat is alles.’ Het blijft even stil. Dan brult Bootshaakman – een keiharde, woordeloze brul van razernij. Hij begint mijn k elder overhoop te halen en maait met zijn forse armen in het rond. Ik deins achteruit op het trapje, terwijl tassen, jassen, hoeden, allerlei gevonden ditjes en datjes – waaronder een paar dingen die al zo’n beetje eeuwig ongestoord hier beneden moeten liggen – in het rond vliegen omdat die man door het lint gaat om het meisje te vinden. Maar hij vindt niemand. Ze is weg.
18