Skip to main content

9789401462686

Page 1

Bruno Tindemans Vickie Dekocker

NAAR EEN NIEUW SOCIAAL CONTRACT VOOR DE 21 STE EEUW 10 IDEEËN VOOR DE TOEKOMST


D/2019/45/361 – ISBN 978 94 014 6268 6 – NUR 805, 807 Vormgeving cover: Gert Degrande | De Witlofcompagnie Vormgeving binnenwerk: Studio Lannoo © Bruno Tindemans, Vickie Dekocker & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2019. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Vaartkom 41 3000 Leuven België www.lannoocampus.be

Postbus 23202 1100 DS Amsterdam Nederland www.lannoocampus.nl


INHOUD Over de nood aan ideeën voor de toekomst 7 Leeswijzer 10 Deel I: Signalen uit een veranderende omgeving 11 I Gebrek aan rendement 12 II Representatie als sturing 17 III Uniformisering als norm 23 IV Werk als driver voor sociaal contract 25 Deel II: Naar een nieuw paradigma 29 Deel III: Tien nieuwe principes 35 I Iedereen lerende 36 II Iedereen ongelijk 38 III Universeel recht op individueel leren 42 IV Stop met leren voor een job 44 V Stop aan arbeidstijd als eenheid 46 VI Leerbaar leren is een must 48 VII Weg met bemiddeling 50 VIII Stop aan de sector als eenheid 53 IX Tijd voor ‘fit for purpose’ 58 X Innovatie als driver voor democratie 64


Call to action! 67 Over de auteurs 71 Eindnoten 72


OVER DE NOOD AAN IDEEËN VOOR DE TOEKOMST Dit manifest is een kritische oefening over hoe we het in de toekomst beter kunnen doen. Dit manifest is een voorstel van ideeën die ons daarbij kunnen helpen. België en Vlaanderen kenden decennialang een ­sociaal contract1 tussen werkgevers, werknemers en overheden om de verdeling van kennis, inkomen en macht gelijk te verdelen en structurele ongelijkheden weg te werken. De instellingen die op dit sociaal contract gebaseerd zijn, zorgden voor stabiliteit, inclusiviteit en zekerheid bij burgers. De versnelling van de veranderingen in de omgeving zet dit sociaal contract onder druk. Daarmee daalt ook de legitimiteit en het vertrouwen in de instellingen die erop gebaseerd zijn. Is er nood aan een nieuw sociaal contract? Er is zeker nood aan nieuwe ideeën voor de toekomst. In een wereld die gekenmerkt wordt door versnellende verandering, toenemende complexiteit en onzekerheid is het moeilijk om de nieuwe principes al helder te krijgen: waar tekenen die nieuwe breuklijnen zich af om een nieuw contract op te stellen? Het stof is nog niet gaan liggen. De mist is nog niet opgetrokken.

7


In dit manifest proberen we toch al samen te brengen wat de veranderende omgeving verlangt en welke nieuwe ideeën voor verbeteringen kunnen zorgen. Het is belangrijk dat we niet wachten tot alles duidelijk is en de horizon glashelder: als we te laat in actie schieten, lopen we een groot risico op sociale ontwrichting omdat vele mensen niet meer mee kunnen. Wij kijken zonder vooroordelen en ongebonden naar de evoluties. Dat we geboren zijn in een vrij land met het recht om na te denken en te gaan stemmen, geeft ons ook de plicht om ons te informeren over maatschappelijke ontwikkelingen en er invloed op uit te oefenen – hoe klein ook. Maar veel van de actuele oplossingen lijken remedies voor de problemen van gisteren. Zelden of nooit zien we ideeën die ons gidsen voor de toekomst. Zonder nieuwe ideeën blijven we te laat komen. Welke nieuwe ideeën kunnen ons gidsen om hier uit te raken? Onze focus ligt op het inbeelden van wat onze structuren en overlegprocessen zouden kunnen zijn, en van hoe het sociaal contract er zou kunnen uitzien. We vinden alvast dat in een kennismaatschappij leren voor iedereen leerbaar moet zijn, net zoals werk voor iedereen werkbaar moet zijn. Dat er een universeel recht moet komen om individueel te leren, nu dit stilaan mogelijk wordt. We poneren de idee dat de arbeidstijd als eenheid afgedaan heeft, dat ook arbeidsbemiddeling een

8


concept uit de vorige eeuw is, en dat sectoren niet­langer de beste eenheid zijn om sociale afspraken te maken. Verder dient de overheid zich te moderniseren om deze doelstellingen te halen (fit for purpose) en kan sociale grassrootsinnovatie het democratische draagvlak versterken. Het doel van dit manifest is dan ook een impliciete call to action om te durven vernieuwen. Want wanneer wij reflecteren op onze structuren en maatschappelijke overlegprocessen overvalt ons steeds meer de vrees dat we met koffers en rugzakken vol verleden op reis gaan naar een toekomst waarin we hadden kunnen lopen en dansen indien we niet hadden moeten sjouwen met die zware bagage. Durven we die koffers achter te laten? Durven we ­verder zonder? Dr. Bruno Tindemans Dr. Vickie Dekocker

Antwerpen Gent

9


LEESWIJZER In dit manifest beschrijven we signalen uit de toekomst die de principes van het verleden uitdagen. Die signalen worden in een eerste deel weergegeven. De verschuiving naar een nieuw paradigma beschrijven we in een tweede deel. Daarbij tonen de signalen dat we opschuiven naar een nieuw paradigma waarin de factor werk als een van de primaire drivers voor een sociaal contract afneemt. Het derde deel beschrijft de nieuwe principes die ons kunnen leiden in het nieuwe paradigma. Dit manifest wil mobiliseren, aanzetten tot nadenken en tot in beweging komen: het sluit dan ook af met een call to action.

10


DEEL I SIGNALEN UIT EEN VERANDERENDE OMGEVING


I GEBREK AAN RENDEMENT Enkele signalen van een veranderende omgeving zijn al merkbaar. Er zijn immers verschillende pistes die aan­geven wat de veranderende omgeving verlangt en dat bestaande principes niet meer zullen volstaan. Het ­gebrek aan leerrendement is er een van. Massaal veel geld wordt jaarlijks geïnvesteerd in opleiding en vorming. België behoort tot de ko­plopers op het gebied van uitgaven, hoog boven het OESOgemiddelde voor het percentage van het bbp dat aan onderwijs wordt besteed. Toch is dit niet merkbaar in de resultaten. Zo is het aantal jongeren tussen 2024 jaar dat een diploma secundair onderwijs behaalt niet evenredig gestegen met de toename in investering. Dit beeld wordt nog versterkt vanuit een langetermijn­ perspectief. Wanneer de groei van de investering per leerling/­ student uitgezet wordt tegenover de output, zien we een sterke stijging in de kostprijs van ons onderwijs zonder een evenredige stijging in de output ervan.2 De PISA-resultaten3 voor scholieren dalen evenzeer en de Belgische jongeren scoren slechter voor lezen, wiskunde en wetenschappelijke vaardigheden dan enkele jaren geleden.

12


Bovendien voelen onze jongeren zich volgens de laatste cijfers van de onderwijsinspectie4 ook steeds minder goed op school. Vanaf het basisonderwijs is er een dalende trend op verschillende dimensies van welbevinden. Deze discrepantie tussen de groei in investeringen en de verslechtering van output wordt nog versterkt wanneer we de inclusiviteitsgedachte integreren, een doelstelling van ons initiële onderwijs. Vanuit lange­ termijnperspectief, een periode van veertig jaar, komen we tot de vaststelling dat er geen verandering is wat ­betreft de sociaal-economische gradiënt in het hoger onderwijs. Tot 2004 geven data aan dat binnen een periode van veertig jaar weinig vooruitgang is geboekt inzake het effect van sociaal-economische status op de instroom en doorstroom binnen het onderwijs.5 Blijven we onze inhaalrace voortzetten en steeds meer geld investeren in een richting waarvan blijkt dat ze niet rendeert? Weten we nog wel welke richting we uit willen? Of zijn we in staat te erkennen dat de methodes, de koffers van het verleden, niet langer de antwoorden bevatten voor de omgeving van morgen? Het aantal diploma’s en bijkomende certificaten stond jarenlang gelijk aan succes. Vanuit het idee van inclusiviteit en sociale mobiliteit werd gestreefd naar een voor

13


iedereen zo hoog mogelijke initiële vorming. Toch is het leerrendement laag en de participatie aan levenslang leren veel te beperkt. Op basis hiervan zouden we verkeerdelijk kunnen besluiten dat niemand iets wil­l­eren. Maar dat doen we niet. We zien immers al signalen uit de toekomst die dit tegenspreken. De stormloop en wachtlijsten voor initiatieven zoals CoderDojo is niet gemotiveerd vanuit het verhogen van het leerrendement. Het aantal ondernemingen dat een eigen academie of opleidingscentrum opricht binnen het bedrijf kent een hoge vlucht. De doorgedreven focus op initiële vorming in ons onderwijssysteem mist dus haar doel. Wanneer een algemeen geldend principe zijn doel niet meer bereikt, kan de vraag gesteld worden of het principe wel legitiem is en wat de algemene geldigheid ervan is. Het gebrek aan leerrendement roept vragen op bij de manier waarop er geleerd wordt, wat er geleerd wordt, wanneer er geleerd wordt en waar geleerd wordt. In het stof waarin we nu nog zitten, lijkt alvast één zaak duidelijk: de wijze waarop wij vandaag leren voldoet niet langer. Een zoektocht moet starten naar handvatten om hieraan te sleutelen.

14


Coderdojo CoderDojo organiseert workshops waar vrijwilligers kennis rond IT, technologie en nieuwe applicaties overdragen naar jongeren. De workshops vinden plaats op woensdagnamiddagen en zater­ dagen. In iedere provinciehoofdstad en in veel gemeentes rijzen die workshops als padden­stoelen uit de grond. En toch blijven de wachtlijsten bestaan en kan geen antwoord geboden worden op de toenemende vraag. Initiatieven zoals CoderDojo creëren leer­ omgevingen waarin experimenteren, falen en opnieuw proberen centraal staat. De vrijwilligers die de workshop begeleiden, brengen hun opgebouwde ervaring mee en fungeren als coach. Is het leerrendement niet anders na een sessie CoderDojo?

15


Google Academy Steeds meer bedrijven ontwikkelen hun eigen opleidingsinstituut vanuit de snelveranderende omgeving waarin ze zich begeven. Een dergelijke academy maakt het mogelijk om op een gegeven moment een bepaalde set van competenties aan te leren. Het gebrek aan wil om te leren is alvast niet merkbaar. Google Academy richt zich bovendien niet enkel op de werknemers, maar zet samen­ werking op met hogescholen.

16


II REPRESENTATIE ALS STURING Een tweede signaal dat wijst op een veranderende omgeving is de grens van representatie als sturing voor de arbeidsmarkt. Huidige herstructureringen, sociale onderhandelingen en nieuwe economische activiteiten botsen hierop. Die botsing illustreert dat de koffer van representatie als zware bagage meegesleurd wordt. Die zware bagage maakt dansen in de toekomst onmogelijk omdat 1) ze de realiteit van de economische diversiteit minimaliseert door bedrijven en werknemers binnen bedrijven te clusteren in sectoren; 2) groeikansen voor werknemers ontziet die de transformatie willen maken naar economische activiteiten met toekomst door opleidingen sectoraal te organiseren. De representatie vertaalt zich in volgende structuren en processen: 1) het interprofessioneel akkoord en 2) de sectorale opleidingsfondsen. Het interprofes­ sioneel akkoord wordt tweejaarlijks opgemaakt op ­nationaal niveau tussen de werkgevers- (o.a. VBO, Unizo, Boerenbond) en de werknemersorganisaties (o.a. ACV, ABVV, ACLVB) binnen de Nationale Arbeidsraad. Het ­ akkoord legt de randvoorwaarden van onze

17


arbeidsmarkt vast, zoals bijvoorbeeld de maximale koopkrachtverhoging en opleidingsinspanningen. Op sector- en bedrijfsniveau kunnen vervolgens collectieve arbeidsovereenkomsten worden gesloten, die betrekking hebben op een desbetreffende sector of bedrijf. Tussen nationaal, sectoraal en bedrijfsniveau bestaat een complementariteit. Het nationale niveau omschrijft namelijk het minimale kader waarbinnen sector- en ­bedrijfsovereenkomsten worden opgemaakt. Een gelijk­ aardige relatie bestaat tussen het sectorniveau en het ­bedrijfsniveau. Op basis hiervan bestaat een sectorgedreven financiering en aansturing om de arbeidsmarkt vorm te geven door de sectorale opleidingsfondsen. Via het interprofessioneel overleg wordt het percentage van de loonmassa bepaald dat geïnvesteerd wordt in het opleidingsfonds waar werknemers van de betrokken sector gebruik van kunnen maken. Daarnaast zijn er sectorconvenanten die tweejaarlijks het aantal fte’s bepalen dat ter beschikking wordt gesteld van de sectorale opleidingsfondsen om vorming en opleiding mee te ondersteunen. Blijft die sectorale vertegenwoordiging­ sfunctie van zowel werknemers- als werkgeversorganisaties overeind? Neen. Signalen hiervan krijgen we bij multinationale ondernemingen. Denk maar aan de

18


herstructureringen waarbij dochterondernemingen van multinationale ondernemingen behoren tot verschillende sectoren. Hierdoor kunnen vertegenwoordigers andere standpunten innemen afhankelijk van de sector waarvoor ze staan. Werknemers van eenzelfde onderneming hebben andere arbeidsvoorwaarden, omdat ze voor een overgenomen dochteronderneming werken die historisch tot een andere sector behoorde dan andere dochterondernemingen. Ook de financiering botst op zijn grenzen. Nieuwe economische activiteiten ontstaan en zijn niet altijd geclusterd, laat staan dat er al een opleidingsfonds is om opleidingen te organiseren voor werknemers. Zijn er geen andere principes waar we mee kunnen werken om mensen te doen groeien?

Carrefour, Lidl of Delhaize binnen vijf jaar? Begin 2018 werd een grote ontslagronde aangekondigd bij Carrefour. Meer dan duizend werknemers zouden hun baan verliezen. De overheid reageerde hoopvol. De economie trekt aan en de regering was ervan overtuigd dat men voor deze mensen wel een nieuwe job zou vinden. Er waren immers vierduizend vacatures binnen de retail op de VDABwebsite. Maar was deze hoop wel terecht en heeft

19


het primaat van de sectorale sturing niet vele kansen voor werknemers ontnomen? Werknemers van Carrefour hebben gedurende hun hele loopbaan diverse opleidingsmogelijkheden gekregen via sectorale opleidingsfondsen en tal van kortlopende opleidingen kunnen volgen. Maar toch zijn deze werknemers niet voorbereid op een nieuwe job? De hertewerkstelling binnen de retailsector is een oplossing met een té korte tijdshorizon. De retailsector staat onder druk en binnen enkele­jaren spoelt de digitaliseringsgolf ook over Delhaize, Lidl en andere supermarkten. Wat iedereen blijkt te vergeten, is dat de kans reëel is dat nieuwe werkgevers in de retailsector binnen korte termijn ook onderhevig zijn aan economische ontwrichting. Het opdrijven van het aantal selfscankassa’s kan bij succes ervan ook door andere retailers geïntroduceerd worden en alternatieven voor winkelen zullen met exponentiële snelheid ingang vinden. Een klein lichtpunt en signaal om het anders aan te pakken was de mogelijkheid om opleidingen te volgen voor knelpuntberoepen, dus beroepen uit andere sectoren. Jammer dat dit aanbod er pas kwam na het ontslag en niet tijdens de loopbaan van de kassiers(ters), want de druk op de

20


retailsector is niet nieuw – vandaag niet, gisteren niet en dat zal hij morgen ook niet zijn. Een groter lichtpunt was het feit dat andere retailers proactief initiatieven nemen om de rollen binnen een job te verruimen, zodat een proactieve opleiding mogelijk is voordat een rol gedigitaliseerd wordt. Bij Colruyt bijvoorbeeld bestaat de exclusieve job van kassier(ster) niet meer. Jobs bij Colruyt omvatten een set van rollen waartoe de werknemers opgeleid worden.

BNP Paribas Wie ging onlangs nog naar het bankkantoor? Nagenoeg iedereen bezit een kaartlezer waarmee elektronisch bankieren gemeengoed wordt. Vandaag staan dan ook duizenden jobs op de helling. Dit is geen verrassing. Wat wel een verrassing is, is dat de koffer opengemaakt wordt met allerlei recepten uit het verleden. Er worden collectieve arbeidsovereenkomsten afgesloten om natuurlijke afvloeiingen te maximaliseren en te kijken naar vervroegd pensioen.

21


Voor andere werknemers wordt gekeken of ­tewerkstelling buiten de sector mogelijk is. Dan rijst spontaan de vraag: wat als BNP-medewerkers zich tijdens hun loopbaan hadden mogen/kunnen of moeten omscholen voor een rol buiten de sector? Is de verkokering door sectorale sturing niet heel nadelig voor werknemers?

22


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401462686 by Uitgeverij Lannoo - Issuu