Skip to main content

9789401462327

Page 1

Taalontwikkelingsstoornissen in het voortgezet onderwijs en mbo


Taalontwikkelingsstoornis Woorden verdwalen in mijn hoofd Ze gaan van hier naar daar Een onzichtbaar defect Dat is hoe ik het ervaar Ik begrijp het niet Ik ben niet dom Er is iets mis met de taalverwerking Daar gaat het om Geef me de tijd Het gaat me soms te snel Maar stapje voor stapje kom ik er wel!

Veerle Stevens Gedicht geschreven door Veerle Stevens Veerle is ervaringswerker TOS voor de TOSfabriek en schrijfster van blogs


Taalontwikkelings­ stoornissen in het voortgezet onderwijs en mbo Praktische handelingsadviezen voor school, praktijk en stage

Bernadette Sanders


Downloads Bij dit boek horen materialen die te downloaden zijn. De uitgever geeft toestemming aan individuele kopers van Taalontwikkelingsstoornissen in het voortgezet onderwijs en mbo, Praktische handelingsadviezen voor school, praktijk en stage om deze materialen te downloaden en te gebruiken. Deze materialen zijn slechts bedoeld voor eigen gebruik en mogen niet worden doorgestuurd of verder worden verspreid. Ga naar www.lannoocampus.nl en typ ‘taalontwikkelingsstoornissen in de klas’ in bij ‘zoeken’. U vindt de hand-outs links op de pagina, direct onder de technische gegevens. Het wachtwoord om te downloaden is TAAL3ONT4WIKKELING-VO-MBO.

D/2019/45/321 – ISBN 9789401462327 – NUR 840 Vormgeving omslag: Studio Lannoo, Tielt Vormgeving binnenwerk: Mag gezien design, Utrecht © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2019 Dit boek is een uitgave van Uitgeverij LannooCampus (Amsterdam en Leuven). LannooCampus maakt deel uit van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij de wet bepaalde uitzonderingen mag niets van deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus: Postbus 23202 1100 DS Amsterdam (Nederland) www.lannoocampus.nl

Erasme Ruelensvest 179 bus 101 3001 Leuven (België) www.lannoocampus.be


Inhoud Woord vooraf van Jet Isarin

9

Inleiding

11

Deel 1 Achtergrond en theorie

20

1.

Wat is TOS? 1.1 Inleiding 1.2 Een beknopte definitie 1.3 Een hardnekkige en onzichtbare handicap 1.4 De invloed van TOS op de wereld van de leerling

22 22 24 27 29

2.

Het spraak-taalsysteem 2.1 Inleiding 2.2 De taaldomeinen 2.3 De communicatieve redzaamheid

32 32 37 48

3.

Een taalontwikkelingsstoornis op het vo, praktijkonderwijs en het mbo 3.1 Inleiding 3.2 Een kwetsbare start 3.3 De overstap van het voortgezet onderwijs naar het mbo 3.4 ‘Taal’ en woordenschat 3.5 Taalbegrip en woordenschat 3.6 Meertalige leerlingen met TOS in het vo en mbo

53 53 53 60 62 64 69

Deel 2 Observeren en interpreteren van gedrag 4.

TOS in relatie tot gedrag 4.1 Inleiding 4.2 De sociaal-emotionele ontwikkeling 4.3 Motivatie, zelfvertrouwen en autonomie 4.4 Sociaal onhandig 4.5 Herken de hulpvraag van de leerling

74 76 76 82 94 104 111

Inhoud

5


5.

Signaleren en observeren 5.1 Inleiding 5.2 Onderwijs afstemmen op de behoefte van de leerling 5.3 Observeren van gedrag 5.4 Signaleren van een specifieke onderwijsbehoefte

114 114 114 122 126

6.

De gevolgen van TOS 6.1 Inleiding 6.2 Het belang van een tijdige signalering 6.3 De toekomst van de jongere met TOS

136 136 137 141

Deel 3 TOS op school en in de maatschappij

145

7.

Voorspellers voor succes op school en in de maatschappij 7.1 Inleiding 7.2 Intelligentie en de andere voorspellers 7.3 Innerlijke taal 7.4 De executieve functies en het talige denken 7.5 Goede executieve functies als voorspeller van succes 7.6 Zwakke executieve functies 7.7 Samenhang tussen taal, taalbegrip en de executieve functies

146 146 146 147 151 153 154 156

8.

Begeleiden van leerlingen met TOS in het vo en mbo 8.1 Inleiding 8.2 Zeven voorwaarden voor leren 8.3 Ondersteuning bieden bij een zwakke leesvaardigheid 8.4 Zaakvakken en begrijpend lezen 8.5 Verslagen, werkstukken, presentaties, spreekbeurten 8.6 TOS en vreemde talen leren 8.7 Samenwerken met andere leerlingen 8.8 Examens en toetsen

172 172 172 176 181 195 199 207 209

6Â

Taal o n t w ik ke lin g s­s to o r nisse n in h e t vo o r t g e ze t o n d e r w ijs e n mb o


Deel 4 Voorbereiding óp- en de toekomst van de leerling met TOS

219

9.

220 220 221 222 227 231

Overvraging en depressies bij jongeren met TOS 9.1 Inleiding 9.2 Gevolgen van overvraging 9.3 Volle hoofden 9.4 Versterk het zelfbeeld 9.5 In gesprek met de leerling

10. Gevolgen TOS, onderwijs- en toekomstperspectief 10.1 Inleiding 10.2 Bespreek studieresultaten, schoolkeuze en loopbaanoriëntatie 10.3 TOS tijdens de stage en in de praktijk 10.4 De invloed van TOS op het werk

240 240 240 244 247

11. Aanvullende tips en strategieën 11. 1 Inleiding 11.2 Algemene praktische adviezen en tips 11.3 Aanvullende tips en strategieën 11.4 Een cluster 2-arrangement 11.5 Werk nauw samen met de logopedist en de ouders

250 250 251 252 261 263

12. Ervaringsdeskundigen aan het woord 12.1 Leerlingen aan het woord 12.2 Hoe het is om TOS te hebben- in gesprek met Michel Pellen 12.3 Ik heb TOS en ik ben er trots op - in gesprek met Mariëlle Vermeulen

268 268 271 275

Literatuur 279 Bijlagen Bijlage 1 Handige websites Bijlage 2 Tips voor materialen

285 285 290

Dankwoord 291

Inhoud

7


Woord vooraf van Jet Isarin Als je een taalontwikkelingsstoornis (TOS) hebt, dan ‘gaat taal moeilijk in je op’, legde een jongen met TOS me ooit uit. Taal komt incompleet of verkeerd binnen, wordt moeizaam verwerkt en komt er vaak ook incompleet of met fouten weer uit. Een TOS belemmert de communicatie en het leren en dat is bijna nergens voelbaarder dan in het onderwijs, zowel tijdens de les als in de pauzes, zowel voor docenten, als voor leerlingen – met en zónder TOS. Taal gebruiken we om te communiceren, niet alleen met anderen, maar ook met onszelf. Wat sociale taal is in ons contact met de buitenwereld, is innerlijke taal in het contact met onze binnenwereld. Sociale taal gebruiken we om contact te maken met anderen en in die interactie leren we over onszelf, over anderen, over de wereld en over de geschreven en ongeschreven regels van communicatie en interactie. We sturen het gedrag van anderen door onze gevoelens, behoeften, gedachten en intenties in taal kenbaar te maken. Sociale taal helpt ons bij het ordenen van de informatie, het stellen van vragen, het onderscheiden van oorzaak en gevolg, het ontdekken van samenhang en het anticiperen op gedrag en gebeurtenissen. Innerlijke taal is verinnerlijkte sociale taal die we gebruiken om cognitieve processen te ondersteunen. Met behulp van innerlijke taal plannen we onze communicatie en ons handelen, reguleren we onze emoties en ons gedrag, maken we mentale voorstellingen, ontwikkelen we een zelfbeeld en reflecteren we op gedrag, emoties, gebeurtenissen en samenhangen. Tegenover de wereld staat de taal; en zoals de wereld niet bestaat uit voorwerpen, maar uit relaties tussen voorwerpen, zo bestaat de taal niet uit woorden maar uit relaties tussen woorden. Taal gaat moeilijk op in leerlingen met TOS. Toch moeten zij net als andere leerlingen in dit netwerk van relaties hun weg zien te vinden; in de klas, tijdens een proefwerk, op het plein, in de kantine, op stage. Stel je eens voor wat dat betekent! Dit boek van Bernadette Sanders helpt docenten en begeleiders in het vo en mbo om zich een voorstelling te maken van wat het betekent om TOS te hebben. Dat is belangrijk omdat TOS nog te weinig wordt onderkend en omdat het lastig blijkt te zijn om tot je door te laten dringen wat de impact is van een TOS op de communicatie en op het leren. De afgelopen tien jaar heb ik veel jongeren met TOS leren kennen. Sommigen van hen heb ik de weg zien gaan van het voortgezet onderwijs naar het mbo of van het

Woord vooraf van Jet Isarin

9


mbo naar werk. Die weg was voor de één moeilijker begaanbaar dan voor de ander, maar vrijwel allemaal kwamen ze veel onbegrip tegen en weinig geduld, bijna allemaal hadden ze zich eenzaam en buitengesloten gevoeld. Maar ondanks de obstakels die ze tegenkomen, blijven ze openstaan als iemand ze een helpende hand reikt en blijven ze knokken voor een toekomst waarin ze zelfstandig kunnen participeren in de samenleving. Nog steeds word ik soms pijnlijk verrast door een implicatie van TOS die ik me niet gerealiseerd had. Nog veel vaker word ik verrast door de moed, het doorzettingsvermogen en de persoonlijke kracht van jongeren voor wie taal niet vanzelf spreekt. ‘De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld’, schreef de filosoof Wittgenstein in 1918. Het zijn deze grenzen waar leerlingen met TOS voortdurend tegenaan lopen. Het zijn deze grenzen die docenten met behulp van dit boek kunnen verleggen. Dr. Jet Isarin Amsterdam, augustus 2019

10

Taal o n t w ik ke lin g s­s to o r nisse n in h e t vo o r t g e ze t o n d e r w ijs e n mb o


Inleiding Het gezegde ‘spreken is zilver en zwijgen is goud’ is niet van toepassing op kinderen met een stoornis in de taalontwikkeling. (F.B. Diepeveen, 2019)

Je hebt dit boek opgepakt en je bent zodoende op weg om je te verdiepen in de problematiek van TOS (taalontwikkelingsstoornissen) in het voortgezet onderwijs en het mbo. Juist deze groep leerlingen, de jongeren van 12 tot en met 25 jaar, zijn vaak een vergeten groep als het een TOS betreft. Wanneer je de problematiek van leerlingen met TOS echt leert kennen, wanneer je weet waar ze bij jou in de klas of in de praktijk tegenaan lopen, kun je ze helpen en ondersteunen. Dit betekent kennis hebben van TOS en de mogelijke uitingsvormen; en kennis hebben van de grote gevolgen voor de leerling wanneer er sprake is van ernstige communicatieproblemen. In dit boek schrijf ik over het algemeen over ‘hij’ en ‘ouders’ waar je ook ‘zij’ en ‘verzorgers’ kunt lezen. Voor deze schrijfwijze is bewust gekozen om omslachtigheid tegen te gaan. Datzelfde geldt voor het feit dat ik eerder schrijf over ‘leerlingen’ dan over ‘pubers’ of ‘studenten’. Wanneer ik de nadruk wil leggen op de ontwikkeling van de leerling in de puberteit, schrijf ik ‘tiener’ of ‘adolescent’. De studenten in het mbo, zitten niet meer in de puberteit maar in de fase van de adolescentie. In het boek schrijf ik dan ook over ‘leerlingen’, ‘jongeren’ en ‘adolescenten’. De naam ‘puber’ gebruik ik niet, wel zal ik de ‘puberteit’ noemen als fase in de ontwikkeling van de leerling. In zijn boek Het tienerbrein geeft Jelle Jolles (2017) aan dat de naam ‘puber’ ten onrechte gebruikt wordt. De puberteit valt samen met de periode van de vroege adolescentie. De puberteit heeft volgens Jolles alleen betrekking op de lichamelijke en geslachtelijke ontwikkeling. Gedrag, beleving en de ontwikkeling van de tiener hebben niets te maken met geslachtsorganen en de puberteit, maar met veranderingen in de hersenen, aldus Jolles. Het woord ‘adolescent’ wordt in de wetenschappelijke literatuur gebruikt en niet het woord ‘puber’. De adolescentie begint rond het zestiende jaar, hiervoor is het meer neutrale ‘tiener’ volgens Jolles een beter synoniem voor het woord ‘puber’. In dit boek heb ik rekening gehouden met deze uitleg van Jelle Jolles en zodoende het woord ‘puber’ niet of nauwelijks toegepast. De voorbeelden in dit boek zijn gebruikt om de problematiek te visualiseren en concreet te maken voor de lezer. Misschien denk je bij het lezen ervan aan een leerling in de groep die mogelijk met deze problematiek worstelt. Het boek biedt dan handvatten

Inleiding

11


voor de begeleiding van deze leerling. De namen bij de voorbeelden zijn gefingeerd. Enkele voorbeelden zijn omschreven vanuit de praktijk met goedkeuring van de leerling, andere zijn fictief om de problematiek te verhelderen. Met dit boek richt ik mij op de TOS-problematiek in het voortgezet onderwijs (vo) en het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en een enkele keer benoem ik specifiek een bepaalde onderwijsrichting, zoals leerlingen die het praktijkonderwijs (pro) volgen, wat een onderdeel is van het voortgezet onderwijs. Ook binnen het middelbaar beroepsonderwijs zijn er verschillende onderwijstrajecten en niveaus die de studenten kunnen volgen. De Wet passend onderwijs legt de zorgplicht bij scholen, dit betekent dat er zorg en een passend onderwijsaanbod moet zijn voor elke leerling die extra ondersteuning nodig heeft. Deze leerlingen hebben recht op een goede onderwijsplek. Met passend onderwijs wordt geïnvesteerd in opbrengstgericht werken voor alle leerlingen, zoals staat aangegeven op de website van passendonderwijs.nl. ‘Speciaal waar het moet en gewoon waar het kan’ is een bekende slogan die veel scholen hanteren. Dit betekent niet dat er geen aandacht is voor de werkdruk en de vele hulpvragen in de praktijk. De realiteit met volle groepen waaraan men les moet geven, en de vele hulpvragen laten vaak zien dat niet alleen de leerling overvraagd wordt, maar ook de onderwijsgevende die voor de groep staat. Profiteer van de informatie in dit boek, leer TOS kennen en kijk wat voor jou in jouw situatie of bij jou op school mogelijk is laten. Dit boek is vooral gericht op de onderwijsprofessional die voor de groep staat in het voortgezet onderwijs en het mbo. Wat heeft de leerling met TOS tijdens de les nodig of tijdens de stage? Wat kan ik als onderwijsprofessional deze leerling bieden, zodat ook deze leerling succeservaringen ondervindt en optimaal van het onderwijsaanbod kan profiteren? Maar ook zijn er tips en adviezen voor buiten de lessituatie, aangezien de leerlingen met TOS vanuit hun belemmeringen tegen veel hulpvragen aanlopen tijdens de praktische opdrachten en tijdens de stageopdrachten. Daarnaast hoop ik met dit boek behalve de docent als onderwijsprofessional ook de begeleiders, remedial teachers, zorgcoördinatoren en andere onderwijsprofessionals op de scholen en in de praktijk en stage handvatten te geven in de begeleiding en ondersteuning aan de docent en aan de leerling met TOS.

Achtergrond en theorie Wat is TOS? Dit bespreek ik uitgebreid in het eerste hoofdstuk van dit boek. Veel mensen weten niet wat TOS is en het wordt nog altijd vaak verward met dyslexie, stotteren, een algemene taalontwikkelingsachterstand, een lage intelligentie of autisme (Flyer, TOS in het VO, Kentalis). Daarnaast wordt TOS nog altijd onvoldoende vroegtijdig gesignaleerd. Allereerst werkt de ‘nieuwe’ naam, TOS, voor de in het algemeen al veel langer bekende ‘Taalontwikkelingsstoornis’ niet mee met betrekking tot een 12

Taal o n t w ik ke lin g s­s to o r nisse n in h e t vo o r t g e ze t o n d e r w ijs e n mb o


tijdige diagnostisering. Eerst heette het Specific Language Impairment (SLI), daarna werd het Ernstige Spraak- en Taalmoeilijkheden of Ernstige Stoornis in de Moedertaal (ESM) en tegenwoordig spreken we dus van een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Daarmee lijkt het een relatief nieuw verschijnsel, terwijl de problematiek er in feite altijd al was. En daar komt bij: een TOS is een onzichtbare handicap. Vraag is of veel leerlingen in het verleden niet een onjuiste diagnose hebben gekregen zoals dyslexie, Autisme of ADHD. Problemen in de communicatieve redzaamheid herkennen wij ook in deze diagnoses. Het uit zich in (ongewenst) gedrag vanuit frustratie en onvermogen, maar ook in problemen met het lezen. Wat is het primaire probleem of is er sprake van comorbiditeit? Waar loopt een leerling met TOS in de dagelijkse praktijk op school, maar ook buiten de school tegenaan? Als je voldoende kennis hebt van de belemmerende factoren, kun je de leerling beter ondersteunen bij het bieden van handvatten en ondersteunende strategieën. Daarom zijn er in dit boek niet alleen tips opgenomen, maar ook achtergrondinformatie en kenmerken van de TOS-problematiek. Een literatuurlijst mag dan ook niet ontbreken. Neem vooral de tijd om de theorie achter TOS te ontdekken. De hulpvraag van het kind herken je wanneer je genoeg kennis opgedaan hebt over de problematiek en de achtergrond van het kind. Naast de kennis van de problematiek is kennis van alle omgevingsfactoren van groot belang. Niet elke leerling met een taalontwikkelingsstoornis heeft en ervaart dezelfde TOSproblematiek. Hiermee wil ik aangeven dat niet elke leerling dezelfde ‘kenmerken’ heeft van de problematiek die de naam TOS heeft. Hoofdstuk 1 geeft een beknopte uitleg over wat TOS nu eigenlijk is. Wanneer wij de problematiek van een bepaalde belemmering herkennen, en de context ervan begrijpen, zijn wij ook beter in staat tot het bieden van de juiste hulp. Een juiste diagnostiek leidt dan ook vaak tot begrip en acceptatie van het gedrag dat wordt gesignaleerd, zodat de leerling met de juiste hulp zich optimaal kan ontwikkelen op school en in de praktijk. Wanneer de leerling geen begeleiding meer krijgt vanuit cluster 2 betekent dit niet dat de leerling geen behoefte meer heeft aan ondersteuning. Ook dit zal aan de orde komen in het boek. De leerling met een taalontwikkelingsstoornis kan op verschillende taaldomeinen problemen ondervinden. Er wordt gesproken van TOS als de spraakvaardigheid en / of de taalvaardigheid zich niet voldoende ontwikkelt en er geen aantoonbare verklaring voor is. Deze kennis is van belang voor de juiste interventie, in hoofdstuk 2 zal ik Het spraak-taalsysteem verklaren en uitleggen.

Observeren en interpreteren van gedrag Dit boek concentreert zich op de gevolgen van een taalontwikkelingsstoornis en de problemen met de communicatieve redzaamheid. Bij leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis verloopt het contact met anderen erg moeizaam. Leerlingen in het  Inleiding

13


voortgezet onderwijs en op het mbo voelen zich hierdoor onbegrepen en missen aansluiting met andere leerlingen. In de puberteit gaat de leerling zichzelf en de wereld om zich heen anders bekijken. Dit heeft van jongs af aan grote invloed op de sociaalemotionele ontwikkeling van de leerling, waardoor het kind makkelijk geïsoleerd kan raken. In de puberteit loopt de leerling de kans om opnieuw geïsoleerd te raken. Het is van belang voor de ontwikkeling van het zelfbeeld en de sociaal-emotionele ontwikkeling dat de leerling zich als gelijke ziet in de groep van zijn eigen leeftijd en geslacht. Zeker in de puberteit willen leerlingen niet ‘speciaal’ zijn en vooral niet ‘anders’. De sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen met TOS loopt achter ten opzichte van leeftijdsgenoten en de nieuwe context kan dit proces versterken, maar op fysiek gebied zijn er geen verschillen en groeit de leerling met TOS net zo hard als andere leerlingen. Het gevolg van zich buitengesloten voelen kan ongewenst gedrag zijn, het is aan ons om dit te vertalen naar een hulpvraag. Wat zijn de hulpvragen achter het gedrag van leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis dat wij als ‘ongewenst’ bestempelen? Hierover vertel ik meer in de hoofdstukken 4 en 5. Het niet goed op gang komen van de taalontwikkeling is al van jongs af aan van invloed op de algehele ontwikkeling van een kind. Wanneer kinderen al heel jong onvoldoende kunnen duidelijk maken wat zij willen of bedoelen, en als zij hun omgeving niet goed begrijpen, is dit van grote invloed op het leren en op het gedrag en zien wij dit zeker terug bij de oudere leerling. Veel leerlingen met een TOS gaan zonder extra ondersteuning door naar het voortgezet onderwijs of het mbo. De school waar zij afscheid van nemen heeft de problemen of niet gesignaleerd of er was geen hulpvraag (meer) op de school, omdat zij zelf voldoende in staat waren om de leerling bij de hulpvraag te ondersteunen. De overstap naar een volgend onderwijsniveau kan de TOS-problematiek van de leerling opnieuw aan de oppervlakte brengen. De leerling die zich tot dan toe met de juiste hulp en ondersteuning wist te redden binnen het reguliere basisonderwijs wordt op het volgende onderwijsniveau overvraagd en kan mede door alle talige aspecten in het voortgezet onderwijs of het mbo niet aan de verwachtingen en eisen voldoen. Het belang van signaleren van hulpvragen tijdens de les of daarbuiten komt dan ook uitgebreid aan bod in hoofdstuk 5. Veel van de problemen, zoals de gedrag- en leerproblemen die wij op school signaleren bij een taalontwikkelingsstoornis kunnen mede door een ‘tijdige’ signalering en met de juiste aandacht voorkomen worden. Hoe en wat te signaleren lees je in dit hoofdstuk. De gevolgen van TOS bespreek ik in hoofdstuk 6. Wat ervaren leerlingen met een TOS-indicatie op het regulier voortgezet onderwijs en het mbo? Wat is het belang van een tijdige signalering?

14

Taal o n t w ik ke lin g s­s to o r nisse n in h e t vo o r t g e ze t o n d e r w ijs e n mb o


Lees vanuit je eigen onderwijskader In elk hoofdstuk komen de praktische tips aan bod voor in de klas. Elke onderwijsprofessional kan met kleine interventies veel betekenen voor deze leerlingen. Deze tips kun je niet veralgemeniseren aangezien niet elke kind met TOS dezelfde hulpvragen heeft. Zo heeft de leerling in het praktijkonderwijs hele andere hulpvragen dan de leerling in het vo en het mbo. Het zou ook te omslachtig zijn wanneer bij elk onderwijsniveau de praktische tips en adviezen aangeboden worden. Daarom is het van belang dat je erachter komt wat de hulpvragen zijn van de leerling in jouw groep. Bewust schrijf ik ‘hulpvragen’, want de leerling heeft hulpvragen waarbij jij als onderwijsprofessional in de klas direct en indirect kan helpen of op in kan spelen. Het gedrag van de leerling is dan ook over het algemeen de hulpvraag. In het boek zal dan ook het (ongewenste) internaliserende en externaliserende gedrag van de leerling besproken worden. Ook besteed ik aandacht aan hoe je de hulpvraag helder krijgt van de leerling. Het vraagt van jou als docent of als mentor een vaardigheid waar je tijd in zal moeten steken en waarbij er vooral goed geobserveerd zal moeten worden, tijdens de les, maar ook in de aula, tijdens de stage, bij praktijkopdrachten en in de gymzaal. Wanneer er een interventie wordt ingezet die niet bij de leerling past, zal het ook niet werken en zal er zowel voor de leerling als voor de betrokken docent geen succeservaring zijn, en een succeservaring is nodig voor groei. Groei op communicatief gebied, sociaal-emotioneel gebied en met betrekking tot het leren. Lees de tips daarom vanuit je eigen onderwijskader en pas ze toe zoals dat in jouw situatie past. Het is belangrijk dat je op de hoogte bent van de hulpvragen die een leerling met een taalontwikkelingsstoornis kan hebben en dat je weet wat de mogelijkheden zijn om de leerling bij zijn hulpvraag te ondersteunen. Zo kunnen de leerlingen met TOS optimaal van het onderwijs dat geboden wordt profiteren. Waarschijnlijk pas je al veel van de tips uit dit boek toe. Het is niet de bedoeling dat met het toepassen van deze tips er nog meer werk bijkomt voor degene die voor de klas staat en zijn handen al vol heeft. Het tempo in het onderwijs is hoog, leerlingen met TOS en ook de andere leerlingen met behoefte aan extra aandacht en tijd, kunnen dit hoge tempo vaak niet aan. Veel van de tips die ik in dit hoofdstuk aanbied zullen niet alleen voor de leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis ondersteunend zijn, maar ook voor de overige leerlingen in de klas met leer- en ontwikkelingsproblemen. Het is beslist niet de bedoeling dat er veel extra werk, zoals nieuwe ‘OPP-‘s’ (ontwikkelingsperspectiefplannen) of begeleidingsplannen, bijkomt. Het is fijn wanneer alle plannen en doelen op papier staan, maar wat op papier staat wordt niet altijd ‘automatisch’ of bewust toege-

Inleiding

15


past. De hectiek van alledag is vaak leidend en alle individuele begeleidingsplannen kunnen dan onmogelijk uitgevoerd worden. Gevolg is dat er ook bij de docent of mentor een gevoel ontstaat van falen. Als er aandacht is voor wat TOS inhoudt en er vanuit deze kennis en met behulp van de tips, naar het onderwijs aan deze leerlingen wordt gekeken, dan zijn wij een grote stap verder. Streep voor jezelf bij de handelingsadviezen en tips in dit boek aan wat je al toepast en dat zal vast al veel zijn. Ontdek daarnaast wat er misschien nog meer mogelijk is om de leerling met een taalontwikkelingsstoornis te ondersteunen.

Invloed van TOS op school en de toekomst ‘Een kind of mens met een beperking, is zeker nog geen beperkte mens’, Michel Pellen, veertig jaar TOS

Dit boek is gebaseerd op de theoretische achtergronden over TOS en de ervaringen die zijn opgedaan in de praktijk als ambulant dienstverlener voor cluster 2 in het voortgezet onderwijs en het mbo. Een belangrijke aanvulling in het boek zijn de ervaringen van de leerlingen en de jongeren met TOS die zij op hun eigen manier verwoorden, maar ook enkele uitspraken en ervaringen van ouders en ambulant begeleiders. Zij weten als geen ander wat deze problematiek betekent in het dagelijks leven en welke invloed dit heeft op de dromen van de jongere met TOS, hun wensen en hun toekomst. Om de problematiek voor de lezer inzichtelijk te maken is het belangrijk om deze leerlingen aan het woord te laten, zij zijn de ervaringsdeskundigen. Zo geven op verschillende plaatsen in het boek enkele jongeren met TOS een kijkje in hun leven. Deze jongeren beschrijven hoe zij hun schoolperiode hebben ervaren en welke wensen zij hebben voor de toekomst. Daarnaast geven zij vanuit hun ervaring tips en aandachtspunten voor leerlingen en docenten. Dit is een zeer waardevolle aanvulling die zeker niet mocht ontbreken. Het maakt de noodzaak van kennis, acceptatie en begrip van deze problematiek helder. Met het schrijven van dit boek hoop ik dat de leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis in het voortgezet onderwijs en het mbo ‘gezien’ worden. Het is vaak een vergeten groep. We spreken over één op de twintig leerlingen, maar ik kom nog altijd op grote scholen waar maar één of twee leerlingen, of zelfs niet één de diagnose TOS hebben. Op veel vo- en mbo -scholen, kent en herkent men deze diagnose (nog) niet. Er is duidelijk een behoefte aan meer kennis. Wat ik zeker niet wil met dit boek is het volgende ‘labeltje’ introduceren. Labeltjes horen in kleding en aan koffers. Persoonlijk vind ik het erg moeilijk dat bepaalde diagnoses als label worden gebruikt, bijvoorbeeld als er wordt gesproken over de

16

Taal o n t w ik ke lin g s­s to o r nisse n in h e t vo o r t g e ze t o n d e r w ijs e n mb o


ADHD-er, de Dyslect, de Autist, de TOSser, et cetera. Een leerling in de klas is niet zijn stoornis, maar een leerling of een jongere met een leer- of gedragsstoornis. Maar tijdens mijn gesprekken met de jongeren met TOS bleek dat zij zelf vaak spreken over ‘de TOSser’, en dat zij dit een mooie naam vinden. Hieruit blijkt maar weer dat wij misschien te beschermend zijn naar leerlingen met een belemmering. Misschien moeten we ons eerst afvragen hoe leerlingen dit zelf ervaren. In dit boek zal ik niet over de ‘TOSser’ schrijven, maar over de leerling met een taalontwikkelingsstoornis. Aan de andere kant is benoemen van een diagnose ook belangrijk. Wanneer we de problematiek van een bepaalde belemmering herkennen, en de context ervan begrijpen, zijn we beter in staat tot het bieden van de juiste hulp en kan de leerling zich optimaal ontwikkelen op school.

Wat je later wil worden Veerle Stevens, zij is ervaringswerker voor de TOSfabriek en schrijft blogs over TOS. Als kind denk je na over wat je wilt worden. Zo ik ook en dat bleef niet bij een ding. Juffrouw, iets met dieren, schrijfster, architect... En wat heb ik uiteindelijk gestudeerd? Laboratoriummedewerker. Laboratoriummedewerker is iets wat bij me past. Leergierig en nieuwsgierig dat ik ben, meten is weten. Een opleiding die voor mij betekent waar ik veel mee kan. Maar merkte in mijn opleiding/werk dat ik het lastig vond om met mijn TOS om te gaan. Werken in groepen. Verschillende taken waarbij ik rekening moest houden met tijd en planningen. Goed overleggen wat de resultaten zijn. Voor mij helpt het dan dat ik dingen 1 voor 1 kan uitvoeren en een vast persoon heb om vragen te stellen. Een MBO-diploma op zak en toch kon ik het niet accepteren. Ik wilde meer! Naar het HBO! Universiteit! Ik ben wel slim! Ik weet het zeker! Ik kan het wel! Doorzetten! Een doorzetter ben ik zeker, maar toch was er iets in me dat ik niet goed kon verwoorden en accepteren. De taalontwikkelingsstoornis. Hoe moet ik dat nou aan mensen gaan uitleggen? Er was weinig over bekend. En het vertellen ervan deed ik niet zomaar. Maar dat veranderde toen het project OPSTAP werd opgericht. Gebruik maken van je kwetsbaarheid om andere mensen te helpen. Natuurlijk heb ik in mijn leven veel met de vraag gezeten. 'Waarom ik nou zo stil ben?' en 'Waar dat nou vandaan komt?' Ik kan het nu beter uitleggen dan eerst. Wat ervoor zorgt dat ik het beter accepteer. En na de opleiding van OPSTAP ben ik gaan werken. Om mee te helpen assisteren in de klas. Vroeger zag ik juffen als voorbeeld het voelde als een soort vriendin. Vandaar dat ik toen graag juf wilde zijn. Ik vond het dan bijzonder dat de kinderen juf tegen je zeggen. Maar als je in zo klas staat merk je wel de hoeveelheid prikkels.

Inleiding

17


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401462327 by Uitgeverij Lannoo - Issuu