FERRE LAEVERS KRISTIEN SILKENS  BART DECLERCQ
Ervaringsgericht werken IN DE VOORSCHOOLSE KINDEROPVANG
D/2020/45/182 – ISBN 978 94 014 6192 4 – NUR 840, 847 Vormgeving omslag: Studio Lannoo Vormgeving binnenwerk: Crius Group Omslagfoto: Julia Moons – met dank aan Kinderdagverblijf De Girafant (Heverlee) © De auteurs, CEGO & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2020. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus CEGO Vaartkom 41 bus 01.02 Postbus 23202 Schapenstraat 34 bus 3776 3000 Leuven 1100 DS Amsterdam 3000 Leuven België Nederland België www.lannoocampus.be www.lannoocampus.nl www.cego.be
Inhoud
Inleiding Ervaringsgericht werken in de kinderopvang: wat betekent het?
11
Hoofdstuk 1 Het AANPAK-PROCES-EFFECT-model
15
1.1 Het AANPAK-PROCES-EFFECT-model 1.1.1 De aanpak 1.1.2 Het effect 1.1.3 Het proces 1.2 Leeswijzer
15 15 16 17 21
Hoofdstuk 2 Procesgericht kijken naar kwaliteit
25
2.1 Welbevinden 2.1.1 Definitie 2.1.2 Factoren in het kind die welbevinden bevorderen 2.1.3 Welbevinden kun je meten 2.1.4 Welbevinden en de basisbehoeften 2.1.5 Waar welbevinden goed voor is 2.2 Betrokkenheid 2.2.1 Definitie 2.2.2 Signalen 2.2.3 Betrokkenheid kun je meten 2.2.4 Factoren in het kind die betrokkenheid bevorderen 2.2.5 Waar betrokkenheid goed voor is 2.3 Slot
26 26 29 30 33 35 36 36 38 42 44 46 47
Hoofdstuk 3 Een rijke speelomgeving 3.1 Een rijk basismilieu: inrichting van de ruimte 3.1.1 Kijken vanuit kinderhoogte 3.1.2 De globale aanblik: een knusse, sfeervolle en uitnodigende ruimte 3.1.3 De ruimte in hoeken verdelen 3.1.4 Welke hoeken combineren? 3.1.5 Hoeken laten meegroeien
49 50 50 51 51 55 56
6
Ervaringsgericht werken
3.1.6 Voordelen van een inrichting met hoeken 3.1.7 Inrichting van de buitenruimte 3.2 Een rijk basismilieu: de uitrusting van de hoeken 3.2.1 Variatie boven een veelheid aan materiaal 3.2.2 Het juiste niveau van uitdaging 3.2.3 Echte materialen 3.2.4 Oog voor alle ervaringsgebieden 3.3 Extra activiteiten en materialen aanbieden 3.3.1 Een (rijk) basisaanbod volstaat niet 3.3.2 Benutten van alle kansen 3.3.3 Activiteiten laten uitgroeien tot open projecten 3.4 Slot
Hoofdstuk 4 Ruimte voor initiatief
56 57 60 60 62 63 65 67 67 68 69 70
73
4.1 Het open frameworkmodel 4.1.1 Het initiatief van kinderen 4.1.2 Het initiatief van de begeleider 4.2 Ondersteuning van het kindinitiatief 4.2.1 Een overzichtelijke inrichting en uitrusting van de ruimte 4.2.2 Duidelijke grenzen en afspraken 4.2.3 Begeleiden van het keuzeproces 4.2.4 Ook een kwestie van stijl 4.3 Van weinig naar meer initiatief: de moeite waard 4.4 Slot
74 75 76 77 77 78 81 81 83 85
Hoofdstuk 5 Een organisatie afgestemd op de kinderen
87
5.1 Basisprincipe: meer kwaliteitsvolle speeltijd en minder wachtmomenten 5.2 Wat speelt er mee als je aan de organisatie wilt sleutelen? 5.2.1 Inzet van de begeleiders 5.2.2 Samenstelling van groepen 5.2.3 Flexibel gebruik van de ruimte 5.2.4 Een herkenbaar dagschema 5.2.5 Beleid rond wennen 5.3 Slot
Hoofdstuk 6 Een positief groepsklimaat 6.1 Twee dimensies van het groepsklimaat: sfeer en relaties 6.1.1 Een positieve sfeer: zich thuis voelen en verbondenheid 6.1.2 De kwaliteit van relaties
88 89 89 93 94 95 96 98
101 103 103 107
Inhoud 7
6.2 Een positief groepsklimaat bevorderen 6.2.1 Momenten van verbondenheid scheppen 6.2.2 Werken aan de sociale competentie 6.3 Slot
Hoofdstuk 7 Met stijl omgaan 7.1 De ervaringsgerichte basishouding 7.1.1 Aanvaarding 7.1.2 Empathie 7.1.3 Echtheid 7.2 Empathie kun je meten 7.3 Drie dimensies in stijl 7.3.1 Gevoeligheid voor beleving 7.3.2 Stimulerend tussenkomen 7.3.3 Autonomie verlenen 7.4 Slot
Hoofdstuk 8 Wat de kinderopvang bij kinderen moet opleveren 8.1 Ontwikkeling in de breedte 8.1.1 De ontwikkelingsdomeinen 8.1.2 Observatiegids voor de ontwikkelingsdomeinen 8.2 Ontwikkeling in de diepte 8.2.1 De kern van cognitieve ontwikkeling 8.2.2 Oppervlakkig versus deep-level-learning 8.3 Implicaties voor de praktijk 8.3.1 Wat is er nodig voor ontwikkeling? 8.3.2 Implicaties voor de pedagogische omgeving 8.3.3 Respect voor de dynamiek van ontwikkeling 8.4 Slot
Hoofdstuk 9 Elke dag werk maken van kwaliteit
110 111 114 116
119 120 121 122 123 125 127 128 131 135 138
141 142 142 143 168 168 170 177 177 179 182 185
187
9.1 Teamwerk en ervaringsgericht kijken als randvoorwaarden 188 9.1.1 Werken aan kwaliteit is teamwerk 189 9.1.2 Samen de ervaringsgerichte bril opzetten 190 9.2 Opvolgen van kwaliteit via screening 192 9.2.1 Een zorgbrede aanpak 192 9.2.2 Samen met ouders een kindportret maken: ZiKo-Vo 198 9.2.3 Het portret van Roos [22 maanden] 203
8
Ervaringsgericht werken
9.3 Opvolgen van kwaliteit via scanning 9.3.1 Beschrijving van de scanningprocedure 9.3.2 Waarvoor de scanningprocedure gebruiken? 9.4 Resultaten gebaseerd op scanning 9.4.1 Wat de scanning in een kinderdagverblijf opleverde 9.4.2 Het ZiKo-onderzoek 9.4.3 Het MeMoQ-onderzoek 9.4.4 Impact van training en coaching op het welbevinden en de betrokkenheid van kinderen 9.5 Slot
207 207 209 211 211 214 217 223 226
Bibliografie 229 Eindnoten
235
INLEIDING ERVARINGSGERICHT WERKEN IN DE KINDEROPVANG: WAT BETEKENT HET?
HOOFDSTUK 1 HET AANPAK-PROCES-EFFECTMODEL
HOOFDSTUK 2 PROCESGERICHT KIJKEN NAAR KWALITEIT
HOOFDSTUK 3 EEN RIJKE SPEELOMGEVING
HOOFDSTUK 4 RUIMTE VOOR INITIATIEF
HOOFDSTUK 5 EEN ORGANISATIE AFGESTEMD OP DE KINDEREN
HOOFDSTUK 6 EEN POSITIEF GROEPSKLIMAAT
HOOFDSTUK 7 MET STIJL OMGAAN
HOOFDSTUK 8 WAT DE KINDEROPVANG BIJ KINDEREN MOET OPLEVEREN
HOOFDSTUK 9 ELKE DAG WERK MAKEN VAN KWALITEIT
Inleiding
Ervaringsgericht werken in de kinderopvang: wat betekent het?
Het begint bij een bepaalde manier van kijken Een ervaringsgerichte aanpak krijgt vorm door de ervaringsgerichte basishouding: een bepaalde manier van kijken, één waarin je de eigen ervaringsstroom gebruikt als middel om je in de ervaring van anderen – in dit geval van jonge kinderen – te verplaatsen. Of beter: je maakt een deel van je stroom vrij, om daarin de ander te laten ‘zijn’. In een proces van rolneming neem je zijn of haar perspectief, je voelt wat die voelt, beleeft zijn/haar verlangens en noden, ziet, hoort, proeft, wat die proeft, je neemt de wereld waar zoals hij of zij, je komt in zijn/haar gedachte en kijk op dingen… Welbevinden en betrokkenheid als richtsnoer Zo’n manier van kijken levert onschatbare informatie op, meer dan je door een puur afstandelijke niet-empathische blik kunt verkrijgen. Zo’n ervaringsgerichte instelling, leidt je onvermijdelijk tot bepaalde ingrepen: tussenkomsten die kinderen dichter bij zichzelf brengen, met welbevinden als richtsnoer en tussenkomsten die de pedagogische omgeving krachtiger maken, uitdagend, stimulerend, met betrokkenheid als richtsnoer. Met gevolgen voor de inrichting en uitrusting van de omgeving Men merkt het aan de ruimte waar je binnenstapt, de aantrekkelijke inrichting, de warmte en gezelligheid die deze uitstraalt, de verscheidenheid aan hoeken, de invulling van die hoeken met rijk en gevarieerd materiaal dat kinderen met uiteenlopende achtergronden, ontwikkelingsniveaus en interesses aan kan spreken. Een basismilieu dat dagelijks aangevuld wordt met een aanbod van activiteiten en materialen. Ruimte voor initiatief voor kinderen Alles speelt zich af in een ‘open framework’: een organisatievorm waarin kinderen volop de ruimte krijgen om initiatief te nemen. Binnen een structuur die veiligheid en duidelijkheid biedt, ondersteun je hun exploratie, de ideeën die ze aanbrengen en ontstaan verrassende activiteiten waarbij je niet weet wie
12
Ervaringsgericht werken
wie programmeert, maar waarin beiden het beste van zichzelf geven, begeleiders en kinderen. Zichtbaar in de begeleidersstijl Het valt op hoe nabij begeleiders zijn, hoe ze het aanbod aan activiteiten doorlopend verrijken, hoe ze daarbij inspelen op wat kinderen hen tonen in hun acties en enthousiasme. En dan die stijlvolle omgang: de sensitieve en empathische tussenkomsten die kinderen het gevoel geven dat ze aanvaard worden en geliefd zijn; de vele manieren waarop ze in een ‘gewoon’ moment toch iets boeiends laten ontstaan door stimulerende tussenkomsten, door dialoog uit te lokken, suggesties, een expressief verteld verhaal, een aanzet tot samenspel; en de positieve reacties op initiatieven die kinderen nemen. Met brede ontwikkeling voor ogen Hier gebeurt zoveel, op alle ervaringsgebieden die er toe doen: de fijne en grote motoriek, taalvaardigheid, beeldende en muzikale expressie, het begrijpen van de fysische en sociale wereld, de sociale competentie, zelfsturing en ondernemingszin, zelfvertrouwen en verbondenheid – een rij die aansluit bij de meest volledige pedagogische kaders in de wereld. Labels kunnen verschillen, rubrieken kunnen anders geclusterd worden of gesplitst, maar in essentie zijn we het eens over die brede waaier. Maar de manier waarop we deze ontwikkeling observeren, kenmerkt zich door een aparte benadering: het is holistisch van aard (competentiegericht i.p.v. gericht op aparte leerdoelen) en het is positief (het staat ver van het deficitmodel omdat het op zoek gaat naar de sterktes en de talenten). Ouders zijn partners Ouders horen bij het plaatje. Zich welkom voelen begint al bij het betreden van de locatie, door wat er al in de inkomhal te zien is, de foto’s en boodschappen die laten vermoeden hoeveel leven er hier in de brouwerij is en hoe er naar kinderen gekeken wordt. Je komt er graag je kind afzetten. Er is altijd tijd en een luisterend oor om te melden wat je als begeleider moet weten voor de dag die komt. In die dagelijkse ontmoetingen voel je het als ouder: ‘jullie kennen mijn kind, jullie voelen hem/haar heel goed aan.’ Je merkt de positieve instelling en de zorg voor je kind, als begeleiders je bij het afhalen vertellen hoe de dag is geweest. Maar die uitwisseling krijgt helemaal de ruimte als je uitgenodigd wordt om samen met de begeleider(s) het portret van je kind te maken. Om samen te bespreken hoe je kind het maakt (thuis en in de setting) en met elkaar af te stemmen: wat kunnen we samen nog meer doen voor zijn/haar welbevinden, betrokkenheid en ontwikkeling?
Ervaringsgericht werken in de kinderopvang: wat betekent het? 13
Een competente organisatie Er is meer achter een ervaringsgerichte kinderopvang en achter de interacties tussen begeleiders en kinderen en tussen begeleiders en ouders. De kwaliteiten die in de aanpak zichtbaar zijn, vragen om een sterk team. Om te beginnen al: een sfeer waarin begeleiders het goed met elkaar kunnen vinden, er zich thuis voelen, er zichzelf kunnen zijn – die sfeer merk je als buitenstaander. Maar ook: een organisatie waarin reflectie op de praktijk niet aan het toeval wordt overgelaten. Regelmatig peilen naar de niveaus van welbevinden en betrokkenheid bij kinderen hoort bij een professionele aanpak. Die peiling is er niet voor niets, maar is een aanzet om verbeteracties te bedenken en uit te rollen. Bij die handelingskant valt nog iets op: de waardering voor de diversiteit in het team en de benutting van de individuele talenten. Elk teamlid wordt in zijn kracht gezet.
SAMEN GROEIEN
Er komt veel bij kijken, bij de uitbouw van een ervaringsgerichte aanpak in de kinderopvang. Maar de ultieme kern van ‘ervaringsgericht werken’ is de nabijheid die ontstaat doordat iemand (als volwassene) de energie opbrengt om zich voor jou (als kind) ter beschikking te stellen, om op jouw golflengte te komen, zich in jou te verplaatsen. De lakmoesproef is het plezier dat je bij de begeleiders ziet, hun intens genieten van kinderen die in hun element zijn. Dat maakt het verschil tussen een setting waar je veel ervaringen kunt opdoen en een... waar je in de diepte mens mag zijn en worden – niet alleen als kind, maar ook als begeleider.
INLEIDING ERVARINGSGERICHT WERKEN IN DE KINDEROPVANG: WAT BETEKENT HET?
HOOFDSTUK 1 HET AANPAK-PROCES-EFFECTMODEL
HOOFDSTUK 2 PROCESGERICHT KIJKEN NAAR KWALITEIT
HOOFDSTUK 3 EEN RIJKE SPEELOMGEVING
HOOFDSTUK 4 RUIMTE VOOR INITIATIEF
HOOFDSTUK 5 EEN ORGANISATIE AFGESTEMD OP DE KINDEREN
HOOFDSTUK 6 EEN POSITIEF GROEPSKLIMAAT
HOOFDSTUK 7 MET STIJL OMGAAN
HOOFDSTUK 8 WAT DE KINDEROPVANG BIJ KINDEREN MOET OPLEVEREN
HOOFDSTUK 9 ELKE DAG WERK MAKEN VAN KWALITEIT
1.1. Het AANPAK-PROCES-EFFECT-model 1.2. Leeswijzer
Hoofdstuk 1
Het AANPAK-PROCES-EFFECT-model
Figuur 1.1 Het AANPAK-PROCES-EFFECT-model
AANPAK Praktijkprincipes
PROCES
EFFECT Doelen Resultaat
Voorschoolse voorzieningen kunnen belangrijke positieve effecten hebben op de emotionele, sociale en cognitieve ontwikkeling van kinderen.1 Die effecten laten hun sporen na tot ver in hun schoolloopbaan, en dus ook bij volwassenen. Maar die positieve impact is alleen vast te stellen bij kinderopvang van hoge kwaliteit. Meer zelfs: kinderopvang van lage kwaliteit kan schadelijk zijn voor kinderen, omdat die langdurig verhoogde stressniveaus kan teweegbrengen. Maar wat is dan een kwaliteitsvolle kinderopvang? Om die vraag te beantwoorden, hebben we een kader nodig waarin de belangrijkste indicatoren voor kwaliteit een plaats krijgen. Het AANPAK-PROCES-EFFECT-schema biedt ons dat.
1.1 HET AANPAK-PROCES-EFFECT-MODEL 1.1.1 De aanpak De kern Een vraag die zich onmiddellijk opdringt als we over kwaliteit spreken, is hoe de leer- en leefomgeving van kinderen er moet uitzien om ontwikkeling bij kinderen te garanderen. We stellen ons met andere woorden de vraag of de aanpak in een bepaalde leefgroep op dit moment voldoet. Zo kunnen we onder andere denken aan: • de beschikbare ruimte, en hoe die is ingericht; • welke materialen en activiteiten aangeboden worden; • hoe de volwassenen met kinderen omgaan;
16
Ervaringsgericht werken
• de manier waarop de dag georganiseerd wordt; • de sfeer in de groep; • … Deze invalshoek geeft ons natuurlijk heel wat interessante informatie. Het lijkt op het eerste gezicht dan ook een uitstekende manier om een beeld te krijgen van de kwaliteit van de opvang. Beperkingen Toch is deze eenzijdige focus op de aanpak niet zonder problemen. Je kunt bijvoorbeeld je ruimte met mooie, nieuwe spullen inrichten, maar dat garandeert nog niet dat de kinderen er tot rijk spel zullen komen. Een eerste indruk kan misleidend zijn. Het is dus niet eenvoudig om te bepalen wat een rijke omgeving is, welke regels en afspraken er absoluut moeten zijn, en of een al dan niet strikte structuur beter of slechter is voor de kinderen. Bovendien kan de ene aanpak goed werken voor het ene kind, maar helemaal niet aansluiten bij wat een ander kind nodig heeft. Zo weten we dat het voor veel kinderen erg motiverend en uitdagend kan zijn als ze veel mogen kiezen. Maar sommige kinderen kunnen die vrijheid niet aan en komen zo niet tot echt spel. We moeten dus ook vanuit andere invalshoeken naar kwaliteit kijken.
1.1.2 Het effect De kern We kunnen de kwaliteit van de aanpak ook beoordelen vanuit het effect ervan op de kinderen. Zowel de ouders als de samenleving die in kinderopvang investeren, hebben terecht heel wat verwachtingen. Beide willen dat kinderen zich op alle vlakken goed ontwikkelen. De OESO sluit daar met een van haar vijf aanbevelingen voor het beleid perfect op aan wanneer ze pleit voor een ‘pedagogisch kader’ of curriculum voor opvang en onderwijs aan kinderen tussen nul en zes jaar. De doelen die ze daarbij vooropstelt, zijn heel omvattend. Zo heeft de OESO het over het zelfbeeld van kinderen en hun vermogen om zelfstandig te handelen; over een begripvolle omgang met andere kinderen en volwassenen; over een drang om te leren, over taalvaardigheid; over rekenbegrippen; over een toenemende greep op de werkelijkheid (biologisch, fysisch, technologie, milieu); over muzikale en andere vormen van expressie; over beheersing van beweging; over een gezondheidsbevorderende instelling (hygiëne, voeding…); over een bewustzijn van hun buurt en samenleving (OECD, 2006).
Het AANPAK-PROCES-EFFECT-model 17
De maat voor kwaliteit aan de ‘effectzijde’ leggen is helemaal niet zo gek. In principe is de output immers uiteindelijk wat telt. De aanpak is slechts een middel om onze doelen te realiseren. Als we met andere woorden kunnen aantonen dat een voorziening in hoge mate bijdraagt tot de brede ontwikkeling die we voorstaan, dan is die zonder twijfel kwaliteitsvol. Beperkingen Het probleem is dat het geen gemakkelijke opdracht is om het effect van de opvang op kinderen in kaart te brengen. Je wilt dan beoordelen of kinderen zich motorisch goed ontwikkelen, of ze vlot met anderen kunnen omgaan, of ze zich zelfstandig uit de slag kunnen trekken, of ze zich goed verbaal kunnen uitdrukken, of ze begrip hebben van de sociale en fysische wereld om zich heen enzovoort. Helaas zijn er op vele vlakken (nog) geen gebruiksvriendelijke, betrouwbare en valide instrumenten beschikbaar. Bovendien is het extra moeilijk om jonge kinderen te testen. Daar komt nog bij dat we er niet komen met één enkele meting, bijvoorbeeld aan het einde van de opvangperiode. Wat ons immers interesseert is de ‘toegevoegde waarde’: welke bijdrage heeft de aanpak gehad in de ontwikkeling van het kind, wat is de behaalde ‘leerwinst’? Daarvoor moet er ook een meting van het aanvangsniveau zijn: waar stond het kind toen het (maanden eerder) in de opvang kwam? Dat er vele factoren buiten de opvang een invloed hebben op die ontwikkeling, maakt het allemaal nog moeilijker. Het is bijvoorbeeld niet gemakkelijk om het aandeel van de opvoeding thuis eruit te filteren. Dat kan alleen met grootschalig onderzoek, maar daarmee heb je geen uitspraak over de kwaliteit van een welbepaalde voorziening. Net als bij de eenzijdige focus op de aanpak, is het duidelijk dat kwaliteit beoordelen vanuit de effecten op de ontwikkeling van de kinderen niet zonder obstakels is. Kan een derde invalshoek de beperkingen van de vorige twee – aanpak en effect – helpen te overstijgen?
1.1.3 Het proces Daarmee belanden we bij indicaties voor kwaliteit die met het ‘proces’ te maken hebben. Hierbij spitsen we ons toe op het hier-en-nu, op datgene wat zich in elk van de kinderen afspeelt terwijl ze in de voorziening aanwezig zijn,
18
Ervaringsgericht werken
terwijl ze bijvoorbeeld met aangeboden materialen aan de slag gaan, aan een aangeboden activiteit deelnemen, zich in de kring tussen andere kinderen bevinden, in gesprek zijn met de begeleider of… met geen enkele activiteit bezig zijn. Focussen op het proces wil zeggen: je helemaal in het kind verplaatsen en tot je laten doordringen ‘wat voor een ervaring het is’ om in deze omgeving, in deze ruimte, bij deze materialen en mensen te vertoeven.
De inhoud van het proces Je verdiepen in die ‘stroom van ervaringen’ kan in twee richtingen. We kunnen ons om te beginnen op de inhoud van de ervaring toespitsen. We spreken dan ons vermogen aan om ons een voorstelling te maken van wat het kind gewaarwordt, welke waarnemingen hij met zijn zintuigen maakt, wat hij van een situatie begrijpt en welke fantasieën hem vervullen. Een empathie die zich richt op het cognitieve, op wat kinderen gewaarworden. We verplaatsen ons dan in wat het betekent om bijvoorbeeld met verf te kliederen (de ervaring van het glibberige), hoe een kind zich inleeft in de hoofdpersoon van het verhaal, hoe een kind het ritme van de muziek weet op te pikken en in wiegende bewegingen om te zetten, dat het anderen zit te observeren en begrijpt dat de ene boos is omdat de ander speelgoed heeft afgepakt, dat een kind ‘handig’ zijn motoriek aanspreekt om zo veel mogelijk plaatjes onder zijn kin geklemd te houden en zo de handen vrij te hebben… Het is niet eenvoudig om precies vast te stellen wat er zich in het hoofd van een kind afspeelt, maar we kunnen ons daarin wel bekwamen. Hoe beter we ons immers een voorstelling kunnen maken van wat kinderen mentaal van de wereld maken, hoe beter we als begeleiders kunnen bieden wat ze voor hun ontwikkeling nodig hebben. Beperkingen De inhoud van de ervaring van kinderen reconstrueren, is in de omgang met mensen, en met kinderen in het bijzonder, onmisbaar. Dat tonen we verderop als we het over begeleidersstijl hebben. Hier zijn we echter op zoek naar de sleutels om een globale uitspraak over de kwaliteit van de opvang te doen vanuit observatie van het ‘proces’. Dan is de focus op de inhoud van de ervaring een dood spoor, omdat wat zich in kinderen afspeelt heel divers en wisselend is.
Het AANPAK-PROCES-EFFECT-model 19
Zelfs wanneer kinderen samen naar een verhaal zitten te luisteren, is wat elk van hen ervan maakt uniek. Het ervaringsspoor van twee kinderen die bijvoorbeeld een constructie bouwen met LEGO, of aan de watertafel bezig zijn of in de kring aan het woord komen, of met elkaar praten… is uniek. Erg nuttig als je dat doet in het licht van individuele ondersteuning of het bijstellen van je aanpak, maar niet de meest praktische ingang om in een oogopslag naar de kwaliteit in een leefgroep te kijken. De ervaringsreconstructie met focus op de inhoud van de ervaring (wat zich motorisch, sensorisch en cognitief afspeelt) heeft zeker zin, maar vergt te veel tijd en energie om een globale uitspraak over kwaliteit te doen. Om de kwaliteit van de opvang vanuit het proces te bepalen, moeten we dus op zoek naar een andere ingang. En die is er. Naast wat zich mentaal in kinderen afspeelt, kunnen we ons verdiepen in de beleving of… de kwaliteit van hun ervaring. De kwaliteit van het proces De vraag is: wanneer kun je als begeleider het gevoel hebben dat het in de groep ‘goed draait’, dat je de kinderen geeft wat ze nodig hebben om zich goed te ontwikkelen? Waaraan kun je zien dat je inzet en zorg om er het beste van te maken vruchten zullen afwerpen? Waaraan herkennen we de ‘kwaliteitsvolle ervaring’ in de vele momenten en situaties waarin we kinderen kunnen gadeslaan? Bij het binnenkomen ’s ochtends, tijdens het spel in de hoeken, als ze samen in de kring zitten, tijdens het verhaal, bij het zingen, tijdens bewegingsmomenten of eetmomenten, als ze in de buitenruimte spelen…? Kortom, wanneer kun je er gerust in zijn? Welbevinden en betrokkenheid zijn het antwoord. Het zijn de kenmerken van kwaliteitsvolle ervaringen van kinderen. Ze vertellen ons dat kinderen het in de setting helemaal naar hun zin hebben.
20
Ervaringsgericht werken
Figuur 1.2 Welbevinden en Betrokkenheid als procesvariabelen
AANPAK Hoe?
PROCES
WELBEVINDEN
EFFECT Resultaat?
BETROKKENHEID
Met WELBEVINDEN hebben we zich thuis voelen, zichzelf kunnen zijn, zich emotioneel veilig voelen op het oog, wat zich uit in spontaneïteit, vitaliteit en genieten. Welbevinden is daarmee de aanwijzing bij uitstek dat de emotionele ontwikkeling gaaf verloopt. BETROKKENHEID verwijst naar de intensiteit van de activiteit, naar concentratie, opgeslorpt zijn, voluit gaan, gedreven zijn, plezier beleven aan exploreren, waarbij het kind zich aan de grens van het eigen kunnen beweegt. Al deze eigenschappen maken betrokkenheid tot dé indicator bij uitstek voor het zich voltrekken van ontwikkelingsprocessen.
Met ‘welbevinden’ en ‘betrokkenheid’ belichten we iets wat zich in kinderen afspeelt, waar ze zich ook bevinden. Het zijn passe-partouts die je in een bijna eindeloze variatie van situaties kunt gebruiken. Beide gaan over kwaliteiten op het niveau van de (emotionele en cognitieve) beleving van de kinderen. Van wat de situatie ‘met hen doet’. Al snel ontdekten we dat de gevonden criteria niet alleen toepasbaar zijn in opvang en onderwijs voor jonge kinderen, maar voor elke situatie waarin je ‘tot de ontwikkeling van mensen wilt bijdragen’. Dus niet alleen voor het basis- en het voortgezet onderwijs en alle soorten opleidingen die men zich kan voorstellen, maar ook voor alle kinderen, ongeacht hun fysieke of mentale beperkingen.
Het AANPAK-PROCES-EFFECT-model 21
1.2 LEESWIJZER Met het voorafgaande is alles in stelling gebracht om het E.G.O.-huis kamer na kamer te doorlopen en de expertise die er opgeslagen ligt toegankelijk te maken. Deze verdiepte introductie hangen we op aan het Aanpak-Proces- Effect-model.
AANPAK Praktijkprincipes
PROCES
Hoofdstuk 3 Een rijke leeromgeving Hoofdstuk 4 Ruimte voor initiatief Hoofdstuk 5 Organisatie Hoofdstuk 6 Een positief klimaat Hoofdstuk 7 Met stijl omgaan
Hoofdstuk 2 Procesgericht kijken naar kwaliteit
EFFECT Doelen Resultaat
Hoofdstuk 8 Wat de opvang moet opleveren
Hoofdstuk 9 Elke dag werk maken van kwaliteit
Hoofdstuk 2 Eerst gaan we dieper in op welbevinden en betrokkenheid. We leggen de definitie voor, geven aan waarom ze beide onmisbaar zijn en gaan zelfs in op de schalen waarmee je in de praktijk met observatie het niveau van welbevinden en betrokkenheid kunt inschatten. Hoofdstuk 3, 4, 5, 6 en 7 In de daaropvolgende hoofdstukken focussen we op de aanpak. De centrale vraag is hier: als we een hoog niveau van welbevinden en betrokkenheid willen, hoe moeten we dan in de praktijk te werk gaan? De knowhow die we daarrond – in nauwe samenwerking met voorzieningen en begeleiders – hebben opgebouwd brengt ons bij de rijkdom van het aanbod, de ruimte voor
22
Ervaringsgericht werken
initiatief die we aan kinderen geven, de organisatie, het groepsklimaat en de begeleidersstijl. Hoofdstuk 8 In dit hoofdstuk buigen we ons over de output: wat willen we op het vlak van ontwikkeling bij kinderen teweegbrengen? Welke domeinen van ontwikkeling moeten we bij de uitbouw van de leef- en leeromgeving op het oog hebben? Hoe zorgen we voor duurzame effecten (dus niet alleen oppervlakkig leren, maar ontwikkeling die tot echte competentie leidt)? Hoofdstuk 9 We nemen al het voorgaande mee bij het beantwoorden van een laatste, overstijgende vraag: hoe kun je op een haalbare manier en met de grootst mogelijke impact de kwaliteit in de aanpak opvolgen? Dat brengt ons bij het procesgerichte kind-volg-systeem en een procesgericht zelf-evaluatie-instrument. Hoe kan het anders – in beide is de meting van welbevinden en betrokkenheid de eerste stap. Met de resultaten van onderzoek – waar meer dan achtduizend kinderen bij betrokken zijn – tonen we wat de procesgerichte manier van kijken en werken oplevert.