Skip to main content

9789401461856

Page 1

mijn oorlog


voor Sigried en Isolde kom wonen in het schaduwspel van een waarachtige ontroering, waar onze geschiedenis een warmvolle bekentenis is dat het leven, in hoeveel tinten dan ook, de dampkring openscheurt en ons ademen koestert, tactiel en zacht, op de onvolkomenheid van een teder herinneren. Daar waar de schietwilg hemelhoge armen breed laat uitwaaieren, het hart zich laat koesteren bij een universele verstrooiing, meanderend loop ik blind de tuin in, een werveling van klinkers en medeklinkers bevolken er saamhorig onze zinsbouw, in tedere tastbaarheid, waar het luisteren en het praten onze grenzeloze tussentijd verwelkomen.

Ik zie het stratenplan van Utopia. De zeegolven kussen er het zalige gevoel van een verloren tijd. Zonde dat het zand haar naam nooit mocht uitspreken.


Luc Filliaert

Mijn oorlog Juul Filliaert 1914-1918 journalist – uitgever – verzamelaar


Uitgeverij Academia Press Ampla House Coupure Rechts 88 9000 Gent België www.academiapress.be Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. ISBN 978 94 014 6185 6 D/2020/45/5 NUR 681 Luc Filliaert Mijn oorlog. Juul Filliaert 1914-1918 Gent, Academia Press, 2020, 152 p. Eerste druk, 2020 Vormgeving cover: Peer De Maeyer Vormgeving binnenwerk: Intertext Fotograaf: Dominique Provost © Luc Filliaert & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Inhoud Voorwoord van de burgemeester Voorwoord van de auteur

7 9

Hoofdstuk 1 Van Stille Gedachten

11

Hoofdstuk 2 De Dood van Nieupoort

29

Hoofdstuk 3 De Belgische Standaard

45

Hoofdstuk 4 Kunst aan het IJzerfront

65

Hoofdstuk 5 Altijd Leven

91

Hoofdstuk 6 Tijl’s oog op den puinhoop

115

Epiloog

139

Beknopte bibliografie

149


7

Voorwoord van de burgemeester

H

et oorlogsverleden laat Nieuwpoort, voormalige frontstad, niet los, integendeel. Het interactieve bezoekerscentrum Westfront Nieuwpoort pakte de voorbije jaren uit met exposities over de oorlogsgebeurtenissen van weleer. Een van deze tijdelijke exposities was De Groote Oorlog op doek waarin curator Luc Filliaert aandacht had voor het unieke artistieke geweld van de frontschilders in Nieuwpoort. In 2020 pakt onze stadsgenoot uit met een expositie over de oorlogsjaren van zijn grootvader Juul Filliaert. Juul Filliaert (1890-1948) was net zoals veel streekgenoten op de vlucht voor het aanstormende oorlogsgeweld. Als geboren observator en waarnemer van alles wat rond hem gebeurde in die onzalige oktober- en novemberdagen 1914 strandt hij uiteindelijk in De Panne. Tijdens de donkere oorlogsjaren speelde hij daar als journalist, uitgever, boekhandelaar en verzamelaar een belangrijke en vooral vergeten rol in het culturele frontleven.

familiearchief wordt een vergeten figuur zo opnieuw tot leven gebracht. Dit boek neemt dan ook een verdienstelijke plaats in naast de talrijke werken die recentelijk werden geschreven naar aanleiding van de herdenking rond honderd jaar Groote Oorlog. De uitgebreide verzameling documenten uit het Archief Juul Filliaert en de uniek opgebouwde kunstverzameling vormen de basis voor deze uitgave. Auteur Luc Filliaert is er alvast met verve in geslaagd om een gedocumenteerd boek met een originele inkijk in het rijke, maar vooral onbekende culturele leven van een vooraanstaande getuige aan het IJzerfront samen te stellen. Deze nieuwe uitgave over een stukje oorlogsverleden van onze streek zal ongetwijfeld door heel wat kustbewoners en mensen uit onze regio gretig worden gelezen. Burgemeester Geert Vanden Broucke

Het nieuwe boek van zijn kleinzoon Luc plaatst het verhaal van Filliaert centraal en laat aan de hand van citaten Juul Filliaert zelf aan het woord. Samen met ongekende stukken uit het


9

Voorwoord van de auteur

I

k hoef mijn ogen niet te sluiten om de overbevolkte jaren van een afwezige, nietsvermoedende grootvader te kunnen lezen. Stilzwijgend wandel ik door dat niemandsland van vergeten persoonlijkheden, verdwenen en godverlaten landschappen en eenzame Nieuwpoortse straten. In dat unieke stilleven van een kamer vol zintuiglijk gevoel mag de schrijver van toen komen wonen. Hij zal me er rondleiden in dat grote huis in de Kokstraat, waar de muren van beneden tot boven in kleurvolle golven dat unieke verhaal vertelden van een rusteloze verzamelwoede. In dat eenzame gevoel van het nooit ontmoeten werd ik later verwelkomd in je papieren handschrift, in dat zwarte inktspoor van een begeesterde gewaarwording. Het herkennen van toen mag vandaag aanspoelen in het ritmische getijdenspel van onze zilte wateren. Het verleden, zo nauwgezet bij elkaar gespaard, kijkt ons trots en verrassend in de ogen. Tegen de grens van het onmogelijke samenzijn mag de bespiegelende blik zich spaarzaam laven aan geschriften en documenten, aan beelden en plaatsen. In zijn typische brutale West-Vlaamse oorspronkelijkheid voel ik vandaag nog steeds de haastige adem van een onverzettelijke persoonlijkheid. Neerge-

poot in een uitermate zacht golvende traditie bepaalden vertwijfeling en hoop het dagelijkse ritme van een kristalhelder denken, een koppig zoeken om zijn te kleine wereld om te ploegen tot een landschap waar zijn immer woelende hoofd mocht komen wonen. Het isolement en de vereenzaming van de oorlog liet de persoonlijkheid van Juul Filliaert vervellen tot een verinnerlijkte wereld, een plaats waar engagement en beleving een heilig verbond sloten. Zijn karaktervolle kop en zijn ongebreideld organisatievermogen brachten kleur en verstilling in een danteske dolgedraaide wereld. Hier mag zijn verbeelding opnieuw aanmeren in zijn Nieuwpoortse thuishaven. In wijdvertakte bewegingen lezen we zijn verhaal, nemen we plaats om te luisteren naar de klinkers en medeklinkers van een breekbaar evenwicht, een berustend thuiskomen in zijn wondere wereld. In woord en beeld verdwijnen we geruisloos in een zorgvuldig bewaard geheim, een tijdloos verlangen om het begrensde verleden te herkennen, te omarmen en het met mondjesmaat te begrijpen. Luc Filliaert


11

HOOFDSTUK 1

Van Stille Gedachten

H

oe men het ook moge meenen, het verleden ruimt men niet op, likwideert men nooit geheel. Men kan verbranden wat men eens aanbad, maar uit de asch zal steeds, op gepaste stonden, de schim van wat was, door de latere dagen zweven. Was het verleden goed en schoon, dan wordt het als een kleinood in een schrijn geborgen, waar men het, volgens begeerte en aandrang, bewonderen en genieten kan. Juul Filliaert – De Geest der Kust 1913

In memoriam pastoor Augustin Busschaert Donderdag 25 april 1907. Een schuchtere lentezon begroette het stratenplan van de stad. De wisselende schaduwen in de nauwe straatjes kregen opnieuw vrij spel om het ochtendlicht schroomvol te verspreiden tussen de dicht op elkaar gebouwde huizen. Het ontwaken volgde het ritme van een schijnbaar vastgeroest ri­ tueel. De aloude geschiedenis van het IJzerstadje bepaalde reeds eeuwenlang het doen en laten van jong en oud, ademend op het ritme van de seizoenen, zorgvuldig bewaard als een eenzaam geheim dat ooit aanspoelde op de

Jules Fonteyne, Het afscheid, Oost-Indische inkt en aquarel op papier, 1918 (AJF)

links

vloedlijn van de tijd. Toevallige bezoekers, veel­al op doorreis naar het immer groeiende mondaine strandgebeuren enkele kilometers verderop, hadden het gevoel dat de stad en zijn bewoners moeite hadden om de negentiende eeuw achter zich te laten. Er hing een diepe stilte over de stad, de huizen leken wel onbewoond en achter de fraaie gevels bleven inwoners de bezoekers nieuwsgierig nastaren. De ruwe straatstenen verwelkomden na het ontwaken de klakkende geluiden van haastige voetstappen. Kinderen liepen spelend en joelend naar de scholen, mannen slenterden door de schijnbaar verlaten stad en hadden nog tijd om een babbeltje te slaan. De arbeiders troepten samen in de onmiddellijke omgeving van de kaai. Daar, en in de aanliggende straten, had de grootste bedrijvigheid zich geconcentreerd. Grote schepen brachten uit Noorwegen tonnen


12

hout aan. Houten stoomboten leverden dagelijks grote vrachten ijs aan die wat verderop verwerkt werden voor de visserij. Uit Engeland werden kolen, graan en bonen aangevoerd. Uiteraard bleef de visserij een ware goudader voor de stad. Tegen het decor van de geel gekalkte huisjes was er aan de kaai altijd wel iets te beleven. Alles werd er in gereedheid gebracht om straks opnieuw honderden panne­schuiten te verwelkomen. Tijdens het laden, lossen en verwerken van de aangevoerde vis verdreven de zware stemmen van de bonkige vissers de stilte uit de stad. Mannen en vrouwen ademden trots zij aan zij de zilte levenslucht van een veerkrachtige gemeenschap. Rond de middag kwam een droeve mare de lentezon verbleken. Pastoor Busschaert was ern­­stig ziek. Het zenuwachtige heen en weer ge­­loop bij de pastorie deed het ergste vermoeden. Onderpastoors, een stoet leraren van het College, notabelen van de stad en vooraanstaande leden van de katholieke zuil werden door Silvie, de dienstmeid van de pastoor, stil­ zwijgend de pastorie binnengeloodst. Hetnieuws verspreidde zich nu snel. ’s Avonds kwam het drukke katholieke verenigingsleven tot stilstand. De toneelrepetities van de St.-Bernardsgilde en de Matigheidsbond van St.-Jan werden opgeschort, de muzikanten van de fanfare lieten de instrumenten onaangeroerd en een geplande bestuursvergadering van het ­Davidsfonds werd tot nader order afgeblazen. In de Schipstraat kwam een zichtbaar aangeslagen Amand Filliaert zijn vrouw en kinderen op de hoogte brengen van het laatste nieuws. Zijn zeventienjarige zoon Juul luisterde stilzwijgend. Droefheid en een onwerkelijke onrust maakten zich meester van zijn

mijn oorlog – juul filliaert 1914-1918

jeugdige, temperamentvolle hart. Als kleine knaap had hij zijn vader bijna dagelijks vergezeld naar de pastorie en naar de vele kerkelijke diensten waar Amand Filliaert een vertrouwde helper was tijdens de erediensten. Hij was vane­drager van ’t Heilig Sacrament in de processies; vanedrager-chef in begravingen; vervangde aleens een “begravingdrager” die ziek of belet was. Hij was knape van bijna al de geestelijke broederschappen en ging met de schale rond, de weke­ dagen, in de vroegmisse van zes uur bijzonderlijk ’s winters, als ’t erg koud was. Hij verving hierin de schale-titularissen van de broederschappen, die vader Filliaert aanstelden in hun plaats ofwel omdat ze te oud waren en tegen ’t al te vroeg opstaan niet meer konden, zooals Norbert Deman, zaliger nagedachtenisse, voor ’t Heilig Kruis, ofwel omdat ze door commercie belet waren, ofwel ook omdat het te … koud was. Voor iederen schale-rondgang kreeg hij van den koster een extra-loon van vijf centen om… een druppel te koopen. De koster gaf dat geerne omdat vader Filliaert zoo schoone met de schale kon gaan en steeds een goeien oogst binnenbracht. ’t Volk immers gaf gaarne een schalecent aan hem. Als misdienaar-koorknaap proefde een piep­­jonge Juul van alle kerkelijke rituelen die zijn persoonlijke observeringsdrang prikkelden. In de omgeving van het kerkgebouw kon hij spelen, verstoppertje spelen en de knikkers laten knallen tegen de muren van het imposante kerkgebouw. Hij zag er de kerkgangers binnen en buiten gaan, zag hoe ze gekleed waren, luisterde naar de flink gezouten stadsverhalen, zag hoe de mannen de uitspringende muur van de noorderbeuk gebruikten als ‘pishoek’, kreeg schouderklopjes of werd met een klap rond de oren naar huis gestuurd. Zo kon hij heel nauw-


van stille gedachten

gezet het doen en laten van een diepgelovige gemeenschap volgen en het vermogen ontwikkelen om alles heel minutieus op te slaan. Binnen het rumoerig koorknapenvolkje had Juul een voetje voor omdat zijn vader een van de vertrouwelingen was bij pastoor Busschaert. Na schooltijd en tijdens de verlofdagen was de pastorie zijn tweede thuis. Men warreerde daarin als in een halle. De vroegere schikking was door allerhande veranderingen uit haar haak gerukt en men verdoolde in de gangen en plaatsen, ach-

13

terkoten enz. De hof van de pastorij was een der prachtigste van stad en menigmaal heb ik, daar ook, midden het grasplein, de schoonheid zien malen door kunstenaarspenseelen en de vroomheid bewonderd van den grijzen pastoor die, ginder ’t einden in ’t prieeltje, te brevieren zat onder ’t loover, terwijl in de hooge platanen en fruitboomen, in de struiken en ’t gewas de vogels kwetterden en hun levenslust uitzongen en uitfloten. De maarte Silvie was de vorstin van het gedoente. Ze wilde den hof steeds zuiver en schoon in zijn perk-

Adolphe Crespin, de pastorie van Nieuwpoort, aquarel op papier (ASN)


14

jes; ze kon geen onkruid zien groeien en ’t groote grasvlak moest immer effen geschoren zijn als een biljart. ’k Heb dat grasvlak wel duizend keeren op en af geloopen met dat, voor dien tijd, nieuwsoortig machientje en na ’t werk, kon Silvie me, op een tafeltje midden het grasperk, bedienen als een prins. ’k Zat in een rieten zeteltje voor een wit tafellaken, waarop fijne boterhammetjes stonden met een kannetje bier, een handvol beste vijgen en fruit van alle slag en goesting. De oude pastoor kwam toen ook aanzitten en at in gezelschap van dien kleuter zijn vierurenboterhammen. ’k Herinner me thans zoowel dit glanzend witte hoofd, die donkere zwarte soutane op dit versch-groene grasvlak, met dit wit tafellaken daartusschen en rondom en boven ons de glorierijke zonne die een trillend licht speelde in den hoogen boom tegen ’t waschkot, waar de merelaar, zonder staan, zijn tjake-tjake-wiet liet klinken. Op zaterdag 27 april was de toestand van pastoor Busschaert kritiek. In de namiddag had de deken van Veurne het Heilig Sacrament uit de kerk gehaald en begeleid door een vijftigtal fakkeldragers werd een stoet gevormd tot aan de pastorie. Samen met zijn vriend Gustaaf Buffel was Juul een van die fakkeldragers. Beiden waren ze lid van de Katholieke Jonge Wacht. Onder de geestelijke leiding van onderpastoor Cyriel Delaere werden de bakens uitgezet voor een heel actieve en geestdriftige werking. Het was duidelijk de bedoeling om van de jongelingen wel ingelichte en onverschrokken christen strijders te maken. Tijdens de vergaderingen kwamen politieke en sociale kwesties op het spreekgestoelte. Men werkt onophoudelijk opdat de leden door hunne wandel, toonbeelden zouden worden van deftige en verstandige katholieken. De leden moesten

mijn oorlog – juul filliaert 1914-1918

daarenboven hand- en spandiensten leveren voor alle katholieke maatschappijen van de stad. Daarbij zijn zij op de loer en op speur achter nuttige inlichtingen over kiezers en kiezingen, ’t zij om het kwade te belemmeren in zijn helsche werking, ’t zij om het goede woord vooruit te helpen en meer macht te geven. En hoe meer zij van de geuzen wierden afgespioend, gelasterd en vervolgd, hoe meer zij strijdveerdig stonden om mede te helpen in de gewichtigen al beslissende strijd der gemeente­kiezing! Pastoor Busschaert stierf enkele uren later. De begrafenis op donderdag 2 mei groeide uit tot een indrukwekkend eerbetoon aan de geliefde parochieherder. Na de dienst trok men in stoet naar het kerkhof, traagzaam ging de stoet voort, traagzaam, door de straten van de rouwende stad, akelig blikkerde de fletsche klaarte der gaslampen, treurig buigen de vouwen der vaandels, treurig stapten de bedrukte familie en ontelbare vrienden achter de lijkwagen, rouwmoedig en verslagen bekeek het volk den rouwstoet. Bij het graf declameerde rederijker Roeland Van de Casteele nog op zijn eigen onnavolgbare wijze zo’n 168 verzen ter ere van de overleden pastoor. Thuisgekomen voelde Juul de eenzaamheid en de weemoed opwellen. Vechtend tussen dromen en herinneringen schreef hij in het zachte kaarslicht enkele verzen en broedde hij op een artikel voor het Nieuwsblad van Nieuwpoort en Kanton. De drukte van de afgelopen week duwde hem opnieuw de straat op. Het wandelen bracht hem rust. De tijd leek nu echt aangebroken om de volwassenheid te verwelkomen.


van stille gedachten

De wegbereiders René Dupont en Cyriel Delaere Als zeventienjarige had Juul Filliaert reeds een vaste en gewaardeerde plaats veroverd in de drukke wandelgangen van het katholieke verenigingsleven. Hij speelde toneel in de St.-Bernardsgilde en de Matigheidsbond van St.-Jan, was lid van het Davidsfonds, musiceerde bij de Katholieke Fanfare en was bijzonder actief bij de werking van de Katholieke Jonge Wacht. Sinds kort was hij ook in Oostende enkele dagen in de week als bediende werkzaam bij de vice-consul van Denemarken. ’s Avonds laat, na de talrijke vergaderingen en repetities, wachtten dan nog de Franse leerboeken op hem om zich te verdiepen in de taal van Molière. Het centrum van het strak georganiseerde katholieke verenigingsleven had zich reeds jaren­ lang gecentraliseerd in de vele lokalen van het St.-Bernarduscollege. De vele priesterleraars en de enthousiaste leden van de oudleerlingenbond leverden een dagelijkse strijd om het edele doel van de volksverheffing naar alle hoeken van de stad uit te dragen. De jonge Juul Filliaert voelde zich ontzettend thuis in die bijenkorf van opvattingen en uitdagingen. Hij werd er intellectueel uitgedaagd en liet geregeld van zich horen. In hoog­ oplopende discussies nam hij vrij en vrank het woord en onderbouwde zijn stellingen met rechtlijnige argumenten. Zijn groeiende Vlaamse overtuiging, en zijn talent om ook met de pen strijdbaar te zijn, gingen in dit strak georganiseerde milieu niet onopgemerkt voorbij. Principaal René Dupont wakkerde bij Juul het vuur aan om zijn overtuiging stevig te laten onderbouwen door grondig historisch

15

onderzoek. Dupont was zelf een vorser, een scherpe schrandere geest die graag jonge mensen rondom zich verzamelde om samen de geschiedenis van Nieuwpoort te doorwroeten. Er brandde ’s avonds laat steeds licht op zijn collegekamer. In het archief van de stad Nieuwpoort, op de hoek van de Lange- en Oostende­ straat, op de stoffige zolders van het stadhuis, pluisde hij, schiftte hij, rangschikte hij de vele bundels perkamenten waar de oudste geschiedenis van de stad in verborgen lagen. Zijn artikels werden gepubliceerd in het tijdschrift Biekorf en in de Annales de la Société de l’Emulation. De geheimen van de stad werden met mondjesmaat ingelepeld bij Juul Filliaert. Weldra zaten twee, drie, vier, vijf zijner beste studenten op zijn kamer, om gedurende de vrije wandeluren, daar hem behulpzaam te zijn in ’t opstellen van steekkaarten en ’t uitschrijven van belangrijke bescheiden, in ’t opsporen van data en ’t waarmerken van eigennamen, in ’t schiften van daadzaken. Jongens! Was dat een werk, maar ook was dat een vreugde en een genot. Jarenlang mocht Juul de priester-leraar volgen op zijn rooftochten naar het archief. Dikke bundels papier werden versast van het stadhuis naar zijn collegekamer. De liefde om door studie en ontwikkeling het historische DNA van een stad te doorploegen zou Juul voor de rest van zijn leven met zich meedragen. Waar René Dupont de vlam van het historische onderzoek deed aanwakkeren was onderpastoor Cyriel Delaere de man op de juiste plaats om het Vlaamse temperament van een immer onrustige Juul Filliaert in goede banen te leiden. Delaere had in 1903, na een onverwachte en pijnlijke nederlaag bij tussentijdse gemeenteraadsverkiezingen, in Nieuw-


van stille gedachten

17

de katholieke macht over de stad Nieuwpoort te vrijwaren.

Cyriel Delaere (1861-1917). Onderpastoor te Nieuwpoort van 1898 tot 1912 (AJF)

poort een plaatselijk weekblad opgericht. Het Nieuwsblad van Nieuwpoort en Kanton moest het spreekwoordelijke wapen worden om de strijd aan te gaan met het anti-klerikale liberale gedachtegoed. Het weekblad – met de kop God voor bake, Recht voor stake, Vlaamsch voor sprake – werd vanaf nu de spreekbuis van de katholieke zuil. Een bonte stoet van maatschappijen, kringen, gildes en verenigingen bundelden met deze papieren drager de krachten om

Delaere, die zijn sporen had verdiend in het radicale studententijdschrift De Vlaamsche Vlagge, bleef ook in Nieuwpoort heel actief. Zijn huis werd een drukbezochte ontmoetingsplaats, een bedevaartplaats haast, waar priesters, schrijvers, politici en opiniemakers tot diep in de nacht debat voerden. De grote tenoren van de Vlaamse Beweging van toen vonden nog steeds de weg naar die karaktervolle kop die in zijn geschriften en raadgevingen diepe sporen had getrokken in het landschap van de Vlaamse bewustwording. Al vlug filterden Dupont en Delaere enkele jongelingen uit de studiekring van de oudleerlingenbond van het College om ze eerst als observators en wat later als participanten deel te laten nemen aan de diepgaande discussies over het heilige doel van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Juul Filliaert werd vanaf nu een vertrouwd gezicht binnen de kring van onderpastoor Cyriel Delaere. Filliaert kreeg nu ook de mogelijkheid om de pen te slijpen. In de kolommen van het Nieuwsblad mocht hij recensies schrijven, beschouwingen tot bloei laten komen, verslagen maken van de gemeenteraad en opinies formuleren. Hij mocht er zijn eerste literaire pennenvrucht Afgeleefd publiceren. Het gedachtegoed en de vlijmscherpe analyses van Delaere bleven steeds de schrijfsels van Juul Filliaert dicteren. Binnen de redactie van het weekblad had Juul nu echt zijn roeping gevonden. Delaere zette de bakens uit, liet Filliaert alleen achter in zijn studeerkamer en liet hem snuisteren in zijn omvangrijke bibliotheek,


18

mijn oorlog – juul filliaert 1914-1918

waar de boeken de muren langs rekten, ontelbaar. Delaere brak de beperkende grenzen van het Nieuwpoortse landschap nu definitief open en deinsde er niet voor terug om Filliaert nog meer verantwoordelijkheid te geven. De ge­ sprek­ken onder gelijkgezinden plaatsten het persoonlijke engagement tegen het decor van een snel veranderende tijd. Politieke, culturele en economische vraagstukken kregen onder invloed van Cyriel Delaere ook een sociale basis. De puzzelstukjes van een waarlijk democratisch proces waarbij jongeren inspraak kregen en verantwoordelijkheid mochten dragen bleken volwaardig in elkaar te passen. Vanuit het cenakel van de katholieke zuil werd met een goedkeurende blik het doen en laten van die bevoorrechte jongeren gadegeslagen. 1910 Het katholieke verenigingsleven was in 1910 nog steeds heel strak en hiërarchisch georganiseerd. De pastoor, de onderpastoors, de collegepriesters, de katholieke schepenen en gemeenteraadsleden bevolkten als van ouds de bestuurlijke organen van alle verenigingen en maatschappijen. Het lokale netwerk liet slechts met mondjesmaat de vernieuwing en de verjonging binnentreden in de versterkte burchten waar traditie en gezag nog steeds hand in hand gingen. Na het overlijden van pastoor Busschaert werd Jules Vermeulen op dinsdag 11 juni 1907 aangesteld als de nieuwe parochieherder van Nieuwpoort. De plechtige installatie, met een tot de verbeelding sprekende stoet en een calorierijk feestmaal in de zaal van het

St.-Bernarduscollege, toverde rouw en verdriet om in trots, vreugde en blijdschap. De nieuwe parochieherder liet onmiddellijk een nieuwe wind door de pastorie waaien. De voormalige pastoor was al zenuw, de nieuwe was de gezapigheid in persoon. Aan loopen en vliegen, door regen en wind, had hij een broertje dood. Hij geleek veeleer op den kalmen, bezadigden Engelschman. Taai en met doordrijvingskracht bezield, wrocht hij zonder iemand te kwetsen of zeer te doen. Was pastoor Busschaert’s werkkring de stad zelf, de nieuwe hield veel meer van zijn thuis. Hij richtte de pastorij in tot een klein museum, waar oude schilderijen, oud porcelein, oud koper en tin ten toon en te pronk werden gesteld. Hij deed in zijn sermoenen den predikstoel niet daveren of bulderde het kerkeschip niet vol. Hij was daarenboven liefhebber van kunst in den meest uitgebreiden zin en moedigde alle kunstuitingen aan. Een twintigjarige Juul Filliaert was in 1910 een gewaardeerd lid binnen de muren van het katholieke machtscentrum. In vergaderingen van de Katholieke Jonge Wacht mocht hij het woord nemen en een anonieme verslaggever kon zijn enthousiasme niet onder stoelen of banken steken – Deze redevoering werd met vele gloed in een beeldrijke tale, in eenen vloed van verheven gedachten uitgesproken bij zooverre dat al de aanhoorders verwonderd stonden over het gemak van den jongen spreker en hem met hert en ziele toejuichten! De kracht van het woord mocht zich vanaf nu ontbolsteren tot een volwaardig middel om de overtuiging alle kracht bij te zetten. Zijn stem werd gehoord. Zijn beschermheren keken goeddunkend toe. En nog hadden ze plannen. Onder invloed van de autoriteit van Cyriel Delaere werden heel wat vooraanstaande spre-


van stille gedachten

kers uitgenodigd om het spreekgestoelte te beklimmen op vergaderingen van het Davidsfonds of de studieavonden van de oud-leerlingenbond van het College. Frans Van Cauwelaert, Leo Van Puyvelde, Renaat Devos en Pater Callewaert lieten in geestdriftige golven de nieuwste inzichten in het politieke, sociale of culturele Vlaamse landschap neerdalen op de talrijke toehoorders. ’s Avonds laat, de spreker kon toch niet meer naar huis reizen, werd het gezelschap uitgenodigd bij pastoor Vermeulen. Ook Juul was er steeds bij: ’k Herinner me nog zulk avondmaal, na een ontwikkelingsavond gegeven door de oud-studenten van het college. Pater Renaat Devos, de eerste martelaar door Rodenbach bezongen, was komen spreken over de rechten en de plichten van den mensch. En ’s avonds was er ter pastorij een vriendenonderonsje uit het bovenste schof. Daar zagen we aanzitten: pastoors broer: Warden Oom; Dr. H. Allaeys, den schrijver van het na den oorlog verschenen werk “Bij ons in het Westland”; Dr. Van Puyvelde, Pater Devos en dien leuken pastoor van te lande Juul Leroy van Wulpen. Deze was er om den tafel te vergeestigen. Er werden lekkere gerechten en fijne wijnen opgediend. De pastoor immers bezat een der meest geprezen kelders van heel West-Vlaanderen. Wanneer het elf uur in den avond was, kwamen de tongen los en bloosden de gezichten van voldaanheid. En terwijl men een kopke koffie dronk met een druppelke oude klare, sprankelde de speelsche Vlaamsche geest over tafel. De aanwezigen verenigden zich op deze avonden niet enkel rond het haardvuur van de gezelligheid. De wijn was voortreffelijk en het avondmaal zo rijkelijk verzorgd door de zus van pastoor Vermeulen. Tussen de dikke rookslierten van de fijn gerolde sigaren werden de

19

jonge aanwezigen onder het alziend oog van de Vlaamse voormannen van toen uitgedaagd de meest persoonlijke dromen te verwoorden. In de discussies plantte men de zaadjes die straks in dat ruime korenveld van de katholieke actie geoogst mochten worden. Een talent­ volle Gustaaf Buffel werd aangespoord zijn tekentalent nog te verfijnen en de wat jongere Juul Filliaert mocht op deze avonden zijn eerste verzen declameren. De ouderen keken blij monkelend toe. De oogst zou rijk zijn. Van Stille Gedachten Toen op 2 oktober 1909 in Nieuwpoort het eerste nummer van het Weekblad van Nieuport en Kanton verscheen, ging er een schokgolf doorheen de voorheen rustig kabbelende katholieke wateren. Het liberale initiatief zette de katholieke zuil op scherp. De pennen werden geslepen, de standpunten verhard en verduidelijkt en de inktzwarte letters op het krantenpapier verraadden samen met de talloze pam­fletten een rotsvast geloof dat de strijd om het eigen gelijk heilig en verantwoord was. Men deinsde er niet voor terug om concerten, meetings en vergaderingen van het Willemsfonds te verstoren en aan te vallen. De liberale pers had het over die katholieke snotneuzen, de gemeente-stokslagers! Rond deze periode was Juul aangesteld als boekhouder en proeflezer bij drukkerij Verhelst in Oostende. Hij bleef wekelijks toneel spelen, gaf voordrachten en mocht zijn pen en zijn aangewakkerd organisatorische talent nu ook laten aanmeren in de bestuurlijke organen van verschillende plaatselijke verenigingen.


20

mijn oorlog – juul filliaert 1914-1918

Juul Filliaert, Van Stille Gedachten, Roeselare, 1912. Heel wat gedichten verschenen eerder in Biekorf onder het pseudoniem Noorderwacht. (AJF)

Nieuwe Wegen, letterkundig tijdschrift met werk van jonge letterkundigen. Oostende 19101914. Na enkele nummers werd Juul Filliaert hoofdredacteur van het tijdschrift. (AJF)

Als secretaris was hij heel strategisch geplaatst om het interne reilen en zeilen van de katholieke actie te bevolken met eigen inzichten en dromen. In de luwte van de avonduren vond je de onrustige schaduw van Juul Filliaert nu eens op de kamer van principaal René Dupont waar hij snuisterde in eeuwenoude perkamenten waarin de geschiedenis van het oude Nieuwpoort opnieuw tot leven kwam. Een andere avond trof je hem dan weer aan in de studiekamer van onderpastoor Cyriel Delaere die zijn redac-

tieraad van het Nieuwsblad van Nieuwpoort en Kanton met strakke pen dirigeerde. Ook thuis in de Schipstraat, genesteld in de huiselijke drukte tussen zijn broers en zijn kleine zus, trachtte hij zich in alle eenzaamheid terug te trekken om tussen de zelfstudie door wat artikels te schrijven en schroomvol een poging te doen om zijn eerste verzen aan het papier toe te vertrouwen. Zijn pen danste zenuwachtig heen en weer tussen proza en poëzie, tussen traditie en vernieuwing. In zijn bibliotheek ver­zamelde hij het werk van Stijn Streuvels, las


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401461856 by Uitgeverij Lannoo - Issuu