Skip to main content

9789401461757

Page 1

DAVID BAMPS

Puzzelstukken voor een nieuwe moraal OVER SOCIALE ORDENING IN DE TOEKOMST


eCampusLearn

Beschikbaar vanaf academiejaar 2019-2020 Surf naar www.ecampuslearn.com.

Geef de volgende unieke code in: Veel succes! Voor meer uitleg over de verrijkte digitale versie van dit boek: stuur een bericht naar info@lannoocampus.be

D/2019/45/278 – ISBN 978 94 014 6175 7 – NUR 737 Vormgeving omslag: Keppie & Keppie Vormgeving binnenwerk: Crius Group © David Bamps & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2019. Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Vaartkom 41 bus 01.02 Postbus 23202 3000 Leuven 1100 DS Amsterdam België Nederland www.lannoocampus.be www.lannoocampus.nl


Opgedragen aan: Rosalie Madeleine Catalina Francesca


Inhoud

Woord vooraf Voorkennis en literaire schatplichtigheid Opbouw van het boek

Hoofdstuk 1 Puzzelstukken Gedachte-experiment van het ‘eindbeeld’

Hoofdstuk 2 Over de gespleten inrichting van de morele ruimte Inleiding De wetgever kan geen mores leren Dubbele onderbouw Conclusie en leerpunten

Hoofdstuk 3 Sociale complexiteit zonder richting Inleiding ‘De improvisatiemaatschappij’: studie van sociale ordening Paradox van de normativiteit Georganiseerde vrijheid: geen probleemloos concept (inventarisatie) Conclusie en leerpunten

Hoofdstuk 4 Sociale complexiteit met een H+-richting Inleiding Van ‘improvisatie’ naar ‘providere’ Transhumaan collectief bewustzijn Moral Mindsphere Conclusie en leerpunten

9 13 28

33 35

49 49 56 59 62

65 65 68 72 80 90

95 95 100 105 112 117


8

Puzzelstukken voor een nieuwe moraal

Hoofdstuk 5 Aan de vooravond van een nieuwe moraal (‘eindbeeld van de puzzel’) Inleiding Moraal Type 6 (hypothetisch) Conclusie en leerpunten

121 121 123 136

Samenvatting en eindbeschouwing

139

Dankwoord

147

Epiloog en verantwoording

151

Bibliografie

155

Noten

165


‘I wonder if I’ve been changed in the night. Let me think. Was I the same when I got up this morning? I almost think I can remember feeling a little different. But if I’m not the same, the next question is ‘Who in the world am I?’ Ah, that’s the great puzzle!’ – Lewis Carroll, Alice in Wonderland –

Woord vooraf

Puzzelstukken gaat over de hypothetische komst van een nieuwe moraal en de mogelijkheden van sociale ordening in de toekomst: een ‘quasi-experimentele metafysische denkoefening’ à la Bruno Latour – met dezelfde overtuiging dat het noodzakelijk is om (empirisch) onderzoek te verbinden met metafysische vraagstukken,1 namelijk: wat is de plaats van de (menselijke) moraal in een transhumane of suprahumane samenleving? Puzzelstukken werd schetsmatig en met een essayistische pen getrokken. Het leest anders dan een klassiek, academisch traktaat: het is bij momenten eerder een probatio pennae dan een volwaardige uiteenzetting – soms te veel, soms te weinig explicatie. Dat is misschien ook eigen aan het oeuvre. Te beginnen met Michel de Montaigne (de uitvinder van het genre). Hij trok zich terug in zijn kasteel en begon aan het schrijven van zijn Essais (1580). Hij schreef eigenlijk over alles: de vriendschap, het leven, de dood, de politiek, de opvoeding, de deugden en ook zichzelf. Toen Michel de Montaigne in de zestiende eeuw in de inmiddels befaamde kasteeltoren zijn hoofd brak, pende hij af en toe wat Griekse en Latijnse uitspraken op de balken van het plafond. Zo pathologisch ben ik gelukkig niet geworden. Puzzelstukken kenmerkt zich wel door eenzelfde open en reflecterende houding. Ik probeer (essayeren betekent immers ‘proberen’) de puzzelstukjes te leggen van mijn eigen geest. Que sais-je? Ik schrijf ook niet over alles – het gaat over moraliteit. Wat ik daarover schrijf, moet een bijdrage leveren. Het betreft een zoektocht naar ‘onverwachte antwoorden’.2 Neem een voorbeeld aan de grote Poolse kunstenaar Stanisław Szukalski.3 Bij zijn toelatingsexamen aan de Academie voor Schone Kunsten in Krakow bestond de opdracht erin een elegante, naakte dame te beeldhouwen. Eigenzinnig en koppig week hij enigszins af van de examenvraag. Hij maakte een sculptuur enkel en alleen van haar knie. Desondanks, of misschien zelfs ‘dankzij’ zijn gedurfde afwijking werd hij prompt toegelaten tot de academie.


10

Puzzelstukken voor een nieuwe moraal

Af en toe had ik tijdens het schrijven ook het gevoel dat ik de vraag kreeg om een volledige sculptuur te maken maar dat ik het me kon permitteren mijn werkzaamheden te beperken tot de knie – hoewel zelfs dat in mijn geval een onbescheiden uitspraak zou zijn. Het was zeker niet de bedoeling de vraagstelling naar een nieuwe moraal allesomvattend te behandelen: het zou leiden tot een mala affectatio (een slechte gekunsteldheid). Voor de opbouw van het betoog achtte ik het belangrijker selectief te werk te gaan. We kunnen daarbij ‘als dwergen op de schouders van reuzen gaan staan’ maar niet zonder gevaar. Wie op de schouders van anderen staat, heeft het voordeel dat hij boven de anderen uitsteekt maar moet zich er tegelijk bewust van zijn dat hij hun gevangene is.4 Bovendien, elke hedendaagse denker moet om serieus genomen te worden, laten zien dat hij op een of andere manier iets anders zegt dan zijn onmiddellijke voorgangers, en ook als hij dat niet doet, moet hij dat ten minste veinzen.5 Om die reden heb ik er bewust voor gekozen de selectie af te bakenen tot enkele puzzelstukken die ik nodig acht om mijn puzzel te leggen, en niet die van een ander. Tot slot, enkele excuses. Ten eerste wegens het gebodene. Het boek heeft wat mij betreft een ‘onaf’ karakter, maar dat kan – op straffe van zelf weer aan de geschiedenis te willen ontsnappen – moeilijk anders.6 Ten tweede wegens het puzzelen zelf. De puzzelstukjes vallen niet zonder meer op hun plaats. Hier en daar maak ik omzwervingen in mijn denken, waarvan bepaalde academici terecht opmerken: deze anekdote of uitweiding heb je op deze plaats in de tekst toch niet nodig ter adstructie van je stellingname. Op andere plaatsen in de tekst kan worden opgeworpen: dit zou toch wel wat meer toelichting verdienen om minder verwarring en onduidelijkheid te zaaien. Ze hebben gelijk – ik volg daarin (jammer genoeg) mijn naamgenoot. Van David Hume zei Patricia De Martelaere dat zijn argumentatie in A Treatise of Human Nature vaak breedvoerig en verwarrend is.7 Of dat te wijten was aan een te jonge leeftijd (27) zoals ze zelf zegt, weet ik niet, vermoedelijk – maar in mijn geval (40), zou ik dit dan niet mogen aanhalen; hoewel dit ook mijn eerste ‘traktaat’ is. Het jeugdwerk werd door de auteur, Hume zelf, later ook betreurd – ik had eerlijk gezegd al spijt nog voor ik de eerste letter aan het papier schonk. Ik houd het als verantwoording liever bij een passage verderop waar Patricia De Martelaere aansluiting zoekt bij Bertrand Russell die Humes veroordeling zelf wil veroordelen door te stellen ‘dat het precies de complexiteit is die de Treatise haar diepgang verleent’.8 Hopelijk kan dat van Puzzelstukken later ook worden gezegd.


Voorkennis en literaire schatplichtigheid

Puzzelstukken is geen gemakkelijk boek; het leest niet zomaar weg. Om het te begrijpen, dienen we de onderliggende tekstuele architectuur te verstaan. Het denkproces heeft de opbouw van een Grieks bouwwerk. Het laat zich als een fronton plaatsen op drie sterke zuilen. 1. Human Potentialities, uitgegeven door George Allen & Unwin Ltd., Londen, geschreven door Gardner Murphy in 1953 (met een Nederlandse vertaling door M. Mok, onder de titel Geestelijke evolutie van de mens, uitgegeven door Het Spectrum in 1961). 2. Het morele instinct: over de natuurlijke oorsprong van onze moraal, geschreven door Jan Verplaetse, Uitgeverij Nieuwezijds, 2008 (heruitgave 2017). 3. De Improvisatiemaatschappij, geschreven door Hans Boutellier, tweede druk in 2011, uitgegeven bij Boom Lemma Uitgevers. Om de inhoud en meer bepaald het aangrijpingspunt beter te begrijpen, moeten we in principe enige voorkennis hebben van deze geschriften. Het is de bedoeling in de volgende sectie de lezer bij de hand te nemen en kort samen te vatten waar deze auteurs voor staan. Telkens zal ik ook aanduiden welke punten belangrijk waren en aanleiding gaven tot het schrijven van Puzzelstukken.

GARDNER MURPHY De fascinatie voor het thema is begonnen met Gardner Murphy. Gardner Murphy werd geboren in 1895 in Ohio in de Verenigde Staten als de zoon van E.G. Murphy (een welbekende activist). Hij behaalde een BA aan de Yale Universiteit in 1916, en vervolgde zijn opleiding aan de Harvard Universiteit met het behalen van een master in 1917. Na de oorlog vervolledigde hij in 1919 zijn studies aan de Columbia Universiteit waar hij in 1929 een PhD behaalde. Zijn specialiteit is sociale psychologie en persoonlijkheidspsychologie. Zijn belangrijkste bijdrage is de leer over de biosociale


14

Puzzelstukken voor een nieuwe moraal

persoonlijkheidstheorie en de beschouwingen rond ‘kanalisatie’. Zie hiervoor zijn publicatie Personality, uitgebracht in 1947. Opmerkelijk is ook zijn geloof in de verandering van de mens, de maakbaarheid van de samenleving tot op zekere hoogte en de verwerping van de predeterminatieleer. De mogelijkheden van de mens zijn ongebreideld en haast grenzeloos. Zie daarvoor zijn Human Potentialities, uitgebracht in 1958. Om de mogelijkheden van de mens te benutten moeten bepaalde welbekende problemen worden overwonnen. De wetenschap maar zeker ook de ontwikkeling van technologie kan de wereld helpen verbeteren en daarvoor zijn ook goede argumenten te vinden. Dat is goed neergeschreven in Science and order uit 1962. Er zijn gelijkenissen tussen Puzzelstukken en het werk van Murphy. De bedoeling van Murphy was om te beschrijven ‘welke soort dingen we moeten weten, indien wij onze mogelijkheden als menselijke wezens willen verwerkelijken’. De bedoeling van Puzzelstukken komt op hetzelfde neer maar beperkt zich tot de moraal: welke dingen moeten we weten, om het eindbeeld van onze moraal te kunnen schetsen? De manier waarop is van belang: het is misschien wel een experimentele metafysische oefening maar zeker geen sciencefictionverhaal of utopie. Opnieuw een gelijkenis. Het was niet de intentie van Murphy om een sciencefictionwerk of een zoveelste utopie op papier te zetten. De toekomstige omgeving van de mens wordt slechts in ogenschouw genomen, voor zover die ‘voorzienbaar’ is, zegt hij daarover.9 Het uitgangspunt van de schrijver is niet dat deze mogelijkheden in de mens ‘opgerold liggen’: ‘de menselijke natuur berust op een wisselwerking van wat onder de huid ligt, het vlees als je het zo wilt noemen, en wat erbuiten is’.10 Dat noemt hij, in navolging van Lewin, de veldtheorie. Met deze theorie wijst hij op de dynamische structuur van de menselijke ontwikkeling. Het centrale begrip bij deze theorie is ‘levensruimte’: een complex van veroorzakende en met elkaar samenhangende factoren.11 Belangwekkend hierbij vond ik het idee dat deze levensruimte in zijn definitie niet moet worden beperkt tot de tegenwoordige situatie; ook het verleden en de toekomstige tijd verdienen hun plaats. Voor een verkenning van de menselijke naturen van de toekomst12 is dit laatste zeker van belang. Murphy bedient zich in dat kader van wat hij noemt een ‘uitrekkingsmethode’: ‘een soort aftasten van grenzen om te zien hoever wij kunnen gaan in een richting van het in kaart brengen van het niet te karteren domein der mogelijkheden die in de mensenmaatschappij en in de individuele persoonlijkheid sluimeren’.13 Binnen de ‘uitrekkingsmethode’ zijn een aantal principes van belang, waaronder de techniek van de extrapolatie14 op basis van veronderstellingen. Hoe betrouwbaarder de veronderstelling, hoe


Voorkennis en literaire schatplichtigheid 15

groter de kans op een goede voorspelling. Zo poogt hij een prognose van de toekomst te maken door gebruik te maken van inschattingen door experts. In Man of the modern World had J. Huxley (1948) een poging gewaagd om te onderzoeken welke verschillende milieus voor de biologische veranderende mensheid geschikt zullen zijn en wat voor biologische reacties deze opeenvolgende milieus zullen uitlokken. Dat deed bij mezelf de kritische vraag rijzen, of het ooit mogelijk zou zijn dat er een milieu ontstaat waarbij de mens, als biologisch wezen, afscheid moet nemen van zichzelf? Het zou dan geen overgang betreffen van leven naar niet leven, maar eerder van een humaan leven naar een transhumaan (H+) en later naar een suprahumaan leven (wat ook mogelijk biologische consequenties heeft, en feitelijk een andere levensvorm betreft).15 Stel dat neurale technologie als implantaat een plaats krijgt, dan is er al sprake van een bijzondere verandering: de integratie van technologie in de menselijke natuur met mogelijke inmenging in de neurale beslissingsprocessen. Deze ontwikkelingen zijn belangrijk genoeg om stil te staan bij de al dan niet te verwachten gevolgen voor mens en maatschappij.

Daarover hebben Roelfsema, Denys en Klink geschreven in een artikel dat op 2 mei 2018 is gepubliceerd in het vakblad Trends in Cognitive Sciences.16 Elektroden op elektronische chips in de hersenen kunnen nu al de activiteit in specifieke hersengebieden oppikken. Hiermee kan iemand met een verlamming via zijn ‘gedachten’ een robotarm of een computercursor aansturen. Andersom is het ook mogelijk om via elektronische chips informatie door te geven aan zenuwbanen of het brein. Voorbeelden zijn volgens de auteurs het cochlea-implantaat, om mensen met een gehoorbeperking weer te laten horen, of diepe hersenstimulatie om verlichting te brengen bij bijvoorbeeld patiënten met de ziekte van Parkinson. Maar onderzoekers zullen, afgezien van de vraag of dat wenselijk is, ook nadenken over nieuwe mogelijkheden om de informatieverwerking in de hersenen te verbeteren. Zo zouden gebruikers van een hersenprothese die leest en schrijft, rechtstreeks toegang kunnen hebben tot informatie op het internet en zouden zij op nieuwe manieren met elkaar kunnen communiceren. De onderzoekers bespreken de voordelen van deze nieuwe technologie voor patiënten, maar waarschuwen ervoor dat de ontwikkeling gepaard moet gaan met waarborgen voor mentale privacy en mentale identiteit.17


16

Puzzelstukken voor een nieuwe moraal

We zouden vanaf dat moment feitelijk kunnen zeggen dat de realiteit van de mens ‘ingewikkelder’ is geworden. Het is deze graad van ‘ingewikkeldheid der realiteiten’ die volgens de systemische wetten bepalend is voor de ‘omslag’ naar een nieuw paradigma. In Puzzelstukken wordt actief gezocht naar dit punt – daar komen we verderop op terug. Ik leerde van Murphy ook dat zo’n voortgang een zekere noodzakelijkheid moet hebben met bijpassende gevolgen. Op ieder niveau van de integratie worden nieuwe verstandelijke instrumenten vereist; de gegevens vergen op grond van hun eigen geaardheid nieuwe methoden van begripsvorming. Daarzonder zouden we geen nieuwe wetenschappelijke inzichten op het spoor kunnen komen: begripsvorming en nieuwe methoden gaan hand in hand. De verhouding tussen ‘lichaam’ en ‘geest’ is geen gemakkelijke materie – dat geldt, in het verlengde hiervan, evenzeer voor de verhouding tussen het mentale niveau en het sociale niveau (wat tevens blijkt uit de casus van de ‘kwebbeldoos’).

Casus ‘kwebbeldoos’ Zo waren er in de jaren zeventig de onderzoeken naar het bestaan van de vrije wil. In het experiment dat Libet hiervoor ontwierp werd proefpersonen gevraagd op een knop te drukken op een zelfgekozen moment, at will. Voor de proefpersonen was een soort klok geplaatst met een ronddraaiend rood stipje. Door te onthouden waar het stipje was op het moment dat de proefpersoon besloot om op het knopje te drukken, kon het tijdstip van deze beslissing nauwkeurig bepaald worden. Wat bleek nu: de actie, de druk op de knop, vond plaats 0,2 sec. (200 ms) nadat de proefpersonen te kennen gaven dat zij de beslissing hadden genomen. Dat lijkt geen probleem, ware het niet dat de hersenscan ook de opbouw van het bereidheidspoten­ tiaal had gemeten. Net als bij Kornhuber en Deecke duurde dat zo’n 0,55 sec. (550 ms). Dit betekende dat met de opbouw hiervan was begonnen vóórdat de beslissing viel! Sinds de jaren zestig zijn hersenscans veel nauwkeuriger geworden. Nu kan zichtbaar worden gemaakt welke hersengebieden betrokken zijn bij bepaalde ervaringen of verrichtingen, doordat we over scanners beschikken waarin gebieden die actief zijn, oplichten. Hierdoor kunnen we zien dat bij het maken van keuzen, ook hersengebieden actief zijn die wijzen op associaties, zonder dat we daar weet van hebben. Volgens hersenonderzoeker Victor Lamme hebben we er geen idee van hoe groot de rol is van deze onbewuste associaties (die niet zelden neerkomen op vooroordelen). Omdat onze keuzen worden beïnvloed zonder dat wij dat weten, moeten we voort-


Voorkennis en literaire schatplichtigheid 17

durend redenen bedenken om ze uit te leggen. Er is een bekend filmpje waarin een vrouw haar tas opeens stevig tegen zich aandrukt op het moment dat een persoon met een donkere huidskleur naast haar komt staan in de lift. Gevraagd naar de reden zou zij kunnen zeggen dat ze even wilde voelen of ze niet vergeten was haar tablet in de tas te doen, na afloop van de vergadering waar zij zojuist vandaan komt. Een rationalisatie, als gevolg van een verborgen associatie, tevens vooroordeel. Lamme concludeert dat wij voortdurend van rationalisaties gebruikmaken en dat we geen idee hebben van waar onze keuzen in werkelijkheid door worden beïnvloed. Hij noemt ons bewustzijn daarom een ‘kwebbeldoos’. (Arthur Olof (2011). Idee, 32 (1), 43-44.18

We lijken wel sensu latiore bepaalde wetmatigheden te kunnen onderscheiden. Bij ieder niveau van ontstaan reageren de hogere niveaus op de lagere. Ieder individu van onze maatschappij drukt in een bepaalde zin het karakter van die maatschappij uit, zeg Murphy hierover. Maar op een nog lager niveau interfereert het dan ook weer met de neurale wetmatigheden van een hebbiaans leren, voeg ik op mijn beurt toe. Het sluit (zonder al te inadequaat te willen interpreteren)19 aan bij de leer van Broad (1925): op verschillende niveaus van organisatie heersen er specifieke causale wetten: bijvoorbeeld tussen geest en lichaam.20 Broad bouwt daarmee verder op de onderscheidingen van J.S. Mill tussen ‘homeopathische’ en ‘heteropathische’ wetten,21 waarvan de eerste betrekking hebben op processen die zich op een bepaald vlak voltrekken, terwijl de laatste de relaties tussen de niveaus regelen en daarom ook als bruggen slaande wetten (bridging laws) aangeduid worden.22 Hij maakt daarbij een onderscheid tussen twee vormen van vitalisme: ofwel vraagt de complexere realiteit naar een nieuwe substantie, ofwel vraagt de complexere realiteit naar een nieuwe organisatievorm.23 Zo ontstaan nieuwe mogelijkheden binnen de menselijke levensruimte. Van deze tweevork maak ik dankbaar gebruik wanneer ik de wetmatigheden van de moraliteit probeer te schetsen op basis van de onderliggende ingewikkeldheid. – Het eerste niveau is binnen het individu gelegen, met de opsplitsing naar verstand en gevoel. Ieder mens beschikt over een rationeel vermogen en een vermogen dat betrekking heeft op het pathos. We zouden het grofweg kunnen toewijzen aan de cognitieve psychologie. – Vervolgens onderscheid ik een tweede niveau waarbij we in de samenleving dezelfde krachten werkzaam zien. Ze sturen de sociale ordening aan maar overstijgen het spanningsveld tussen gevoel en verstand niet. Dat zien we


18

Puzzelstukken voor een nieuwe moraal

terug bij het maken van wetgeving en de rechtssociologische beschouwingen daaromtrent – daarover later meer. – En tot slot onderscheid ik een derde niveau wat door toedoen van een technologische evolutie zou kunnen ontstaan – een transhumaan of suprahumaan niveau waar opnieuw deze krachten werkzaam zijn met de mogelijkheid om zich harmonieuzer te organiseren (= hypothetisch uitgangspunt). Dus minder gespletenheid en meer bewustzijn – een collectief transhumaan bewustzijn genaamd. De opbouw van de hoofdstukken laat ons de beschreven niveaus systematisch doorlopen. Dat verklaart waarom elk hoofdstuk een infogram bevat waarop duidelijk staat aangegeven waar we ons bevinden. De bespreking van de niveaus is dus letterlijk in stijgende lijn. In overeenstemming met het vitalisme kunnen we in elk niveau een eigensoortige organisatie ontwarren met specifieke wetmatigheden – met als bouquet de hypothese van een transhumaan collectief bewustzijn met een nieuwe moraal. We zouden hiervoor de term emergentie kunnen gebruiken. Naar verluidt werd de term ‘emergentie’ in het wetenschappelijke spraakgebruik geïntroduceerd door George Henry Lewes24 in 1875 maar voor een moderne lezing sluit ik liever aan bij Nobelprijswinnaar Phil Anderson (1972). In zijn beroemde artikel ‘More is different’25 illustreert hij wat emergentie is met de volgende vraag: ‘Waarom zijn rijke mensen anders dan arme mensen?’ Antwoord: zij verdienen meer. Dat klinkt als een vanzelfsprekendheid maar Anderson wil hiermee zeggen dat grote hoeveelheden van iets (in dit geval: geld) vaak eigenschappen hebben die kleine hoeveelheden niet hebben. Deze nieuwe eigenschappen worden ook wel emergent genoemd. In het voorbeeld: we noemen iemand pas ‘rijk’ als hij heel veel geld verdient – iemand die een klein beetje geld verdient, is niet een klein beetje rijk. Rijkdom is dus een emergente eigenschap. Simpel gezegd kunnen we ‘emergentie’ samenvatten met de slogan: ‘meer is anders’. Beter geformuleerd is emergentie het proces waarbij nieuwe eigenschappen ontstaan door de interactie tussen simpele, kleine entiteiten die deze eigenschappen niet bezitten. Dat is een moeilijke zin, dus laten we het uitleggen aan de hand van een bekend voorbeeld: de zelforganisatie van mieren. Heel veel mieren samen vertonen een collectieve intelligentie die individuele mieren niet bezitten. Zet honderd mieren bij elkaar, en ze zullen doelloos in het rond lopen. Maar een half miljoen mieren samen kunnen bijvoorbeeld een groot nest bouwen, en snel voedsel opsporen. Eigenlijk is het verbluffend dat


Voorkennis en literaire schatplichtigheid 19

een mierenkolonie complex gedrag vertoont, terwijl individuele mieren niet zulke slimme dieren zijn.26 We zouden Puzzelstukken kunnen lezen vanuit het idee van een emergentieproces waarbij de mogelijkheid ontstaat dat er uit de onderliggende niveaus van de individuele mens als deel van de grotere samenleving (som der delen) een nieuw soort (collectief ) bewustzijn opborrelt. Deze hypothese zou verregaande consequenties kunnen hebben voor de menselijke mogelijkheden. Bij Murphy worden de menselijke mogelijkheden vanuit het oogpunt van velden opgehangen aan vier wezenlijke veranderingen. 1. Kwantitatieve veranderingen: in verstand, in kracht, in geestelijke vermogens (dus ook op het vlak van moraal, sic). Murphy dacht bijvoorbeeld aan een toename van feitenmateriaal. We zouden dat nu kunnen zien als de aanwezigheid van gigantische databanken waarin allerlei gegevens zijn opgeslagen over mens en samenleving. 2. Kwalitatieve veranderingen: in concepten, de verbeelding en de symbolisering van de werkelijkheid. Murphy geeft het voorbeeld van kunst. We zouden dat nu kunnen zien in het feit dat computers en robots ook in dit domein hun opwachting maken. David Cope is componist, auteur en professor emeritus aan de universiteit van California en hij denkt over enkele jaren in staat te zijn om computergegenereerde novellen of klassieke muziek te schrijven.27 (Dat sluit aan bij het gedachtegoed van Murphy die in zijn uiteenzetting uitdrukkelijk verwijst naar de rol van technologie.) 3. De ontdekking van nieuwe ervaringselementen. Murphy verwijst naar voorbeelden uit de industriële chemie met de creatie van nieuwe kleuren. In zijn tijd zou dat een verwijzing kunnen zijn geweest naar ‘kobaltblauw’ ontstaan uit een mix van kobalt en aluminiumoxide. Maar een tiental jaren geleden was er een nieuwe doorbraak. In 2009 ontdekte een student, Andrew Smith, per ongeluk een nieuwe blauwe kleur. Het pigment kon gemaakt worden uit YInMn blue: vernoemd naar de chemische samenstelling yttrium, indium en mangaanoxide.28 4. Verandering in configuratie; de reorganisatie van het vertrouwde tot nieuwe vormen. Murphy verwijst naar antropologische studies die aantonen dat er bij bepaalde culturen emoties bestaan die wij niet kennen, bijvoorbeeld angst-woede. Een moderne variant op deze zienswijze maar wel illustrerend voor wat de moderne tijd in de toekomst kan betekenen, is het ontstaan van nieuwe pathologische verschijnselen en leerproblemen. In de tijd van Murphy was de televisie nog maar net uitgevonden. Het was nog geen


20

Puzzelstukken voor een nieuwe moraal

plaag in gezinnen. Tegenwoordig zijn er verschillende schermen in het huishouden aanwezig: van de computer tot de smartphone. Volgens onderzoekers (2019) gaat meer schermtijd ten koste van de ontwikkeling van sociale vaardigheden, taal, spraak, beweging en andere basisvaardigheden. Dat concludeert een studie onder 2441 kinderen tussen 24 en 60 maanden oud.29

Het betoog van Puzzelstukken sluit aan bij deze vierdelige kijk op veranderingen maar past het toe op het domein van de moraliteit binnen de krijtlijnen van een transhumane of suprahumane samenleving. In het laatste hoofdstuk neem ik de zojuist besproken vier wezenlijke veranderingen opnieuw onder de loep en verduidelijk aan de hand van eigen voorbeelden, blauwdrukken, scenario’s hoe die kunnen passen in de hypothese van een nieuwe moraal.

Het is niet ondenkbaar dat er op het hoogste niveau van de menselijke ontwikkeling bijzondere principes werkzaam zullen zijn. Voor Puzzelstukken kunnen we dit inzicht een ‘motorisch moment’ noemen. Het gaf aanleiding tot de volgende vraagstelling: welke principes zouden er werkzaam zijn, mocht de moraal verder ontwikkelen naar het hoogst mogelijke niveau in de geschiedenis van de mensheid – dat is het punt waarop we als mens overgaan in een nieuwe entiteit: half mens, half machine?

JAN VERPLAETSE Om deze principes op het spoor te komen, was het een logische stap eerst een blik op het verleden van de moraal te werpen. Het morele instinct van Verplaetse (2008) was geestverruimend op dat vlak. Aanvankelijk onderzocht Verplaetse wat breinwetenschappen ons vertellen over de moraal – een vermogen dat vaak als uniek menselijk wordt beschouwd. Kun je moraal aanwijzen in het brein? Kunnen we het uitschakelen, aanpassen en verbeteren? Zijn andere boek Het morele brein (2006) gaf een overzicht en een antwoord aan de hand van historische pogingen. Verplaetse liet zien dat ook gerespecteerde wetenschappers in het verleden die ambitie hadden.


Voorkennis en literaire schatplichtigheid 21

Vanaf 2002 kwam er een kleine revolutie op gang met een golf van nieuw onderzoek. Met scanners en breinmodulatie lieten neurowetenschappers zien hoe nauw het moreel gedrag en het morele oordelen samenhangen met breinactiviteiten. Het morele instinct (2008) bespreekt die ontdekkingen. Hierin verdedigt Verplaetse ook zijn visie dat moraal geen eenduidig vermogen is, maar bestaat uit verschillende systemen.30 Puzzelstukken bouwt verder op dit idee door twee belangrijke (hypo)thesen toe te voegen. 1. Moraal is niet alleen geen eenduidig vermogen, maar kan ook het product zijn van een nieuwe ontologische structuur, bijvoorbeeld wanneer het voortkomt uit de processen van artificiële intelligentie. 2. Deze veranderingen kunnen zo wezenlijk zijn dat er sprake is van een nieuw type moraal. Deze hypothese van een nieuwe moraal met eigensoortige kenmerken voegt zich als een zesde type moraal toe aan de opsomming van Verplaetse. Het is een type moraal dat het beste past bij een toekomstige samenleving. Verplaetse beschreef het ontstaan van de moraal met behulp van hedendaags wetenschappelijk onderzoek. Men stelt zich al sinds het begin van de filosofie de vraag waarom de ene mens goed is en de andere slecht. Het antwoord ligt eerder bij de instincten dan bij de rede. Onze instincten zijn geen culturele creatie maar sluiten aan bij evolutionaire ontwikkeling – de sporen liggen besloten in onze menselijke natuur en zijn te bestuderen via biologie, antropologie en neuropsychologie. Zo ontdekken we hoe langer hoe meer dat onze moraal eigenlijk een cerebrale gereedschapskist is om een bepaald soort gedrag af te dwingen.

Verplaetse geeft het voorbeeld van een onderzoek naar besmettingsweerzin. Vanaf ons zevende levensjaar ontwikkelen we een weerzin tegenover voorwerpen die in aanraking zijn geweest met walgelijke stoffen. Hoe kortstondig ook. Proefpersonen weigeren een drankje waarin een gesteriliseerde kakkerlak zat. De wetenschap dat de kakkerlak steriel is en daarom ongevaarlijk, heeft geen effect op de weerzin (Rozin, Millman & Nemeroff, 1986). De besmettingsweerzin vergt rijpere cognitieve ontwikkeling, waarover kinderen jonger dan zeven jaar niet beschikken.31 Dat levert de basis voor een denken dat we ook terugvinden in het magische denken bij oude culturen en religieuze riten. In de bekroonde documentaire The horse boy volgt een cameraploeg de avontuurlijke reis van een autistische jongen. Samen met zijn ouders vertrekt hij naar Mongolië om te


22

Puzzelstukken voor een nieuwe moraal

paard enkele beroemde lokale sjamanen te bezoeken. Zij zien in zijn ‘ziekte’ de restanten van een oude duistere geest die bij de geboorte aanwezig was – tijdens het genezingsritueel wordt zijn moeder naar de rivier gestuurd om zichzelf ‘daar beneden’ te wassen. Zo verwijzen goed en kwaad vaak naar hygiënische termen of begrippen die in verband gebracht kunnen worden naar reinheid en zuiverheid: bijvoorbeeld smerige verkrachters of vuile pedofielen. Mensen zijn ook geneigd schoonheid (reinheid) met deugd te associëren. In het Griekse opvoedingsideaal werd dit kalokagathia (Oudgrieks: καλοκἀγαθία)32 genaamd. Het is een term die teruggaat tot Herodotos (vijfde eeuw v.C.) en die vooral in de vierde eeuw v.C. courant werd als een aanduiding voor het Griekse cultuurideaal, dat lichamelijke en morele voortreffelijkheid met elkaar verbindt.

Op basis van soortgelijke wetenschappelijke experimenten en antropologische rapportages kwam hij tot de conclusie dat we een aantal onderliggende uitdrukkingsvormen van moraal kunnen onderscheiden. Voor een beschrijving van deze moraaltypen, verwijs ik de lezer naar Verplaetse. Ik beperk me hier enkel tot een benoeming in bullet style. 1. 2. 3. 4. 5.

een samenwerkingsmoraal; een reinigingsmoraal; een geweldsmoraal; een hechtingsmoraal; een beginselenmoraal.

De eerste vier typen moraal (1-4) hebben zoals blijkt uit de beschrijving uitgesproken wortels in het domein van het intuïtieve, het instinctieve en zijn doorspekt met gevoelselementen. Slechts het laatste type moraal (5), de beginselenmoraal, heeft wortels in de rationaliteit. Puzzelstukken voegt daar op basis van een hypothese een zesde moraal aan toe. 6. Een transhumane of suprahumane moraal voegt zich hypothetisch toe als zesde vorm in de toekomst. De wortels van deze moraal zijn niet gelijk te stellen met het intuïtieve of rationale zoals wij die nu kennen. De zesde moraal ontstaat ook niet zonder redenen: zowel in de onderbouw als in de bovenbouw van de moraal zijn er grote tegenstellingen. Het resultaat is dat we vaak een gespletenheid ervaren die resulteert in tegengestelde verlangens. Om het te verduidelijken met een voorbeeld, citeren we Alain de Botton (2017).


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook