KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN
KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN OMGAAN MET DIVERSITEIT IN DE KLAS
Martin Valcke met medewerking van
Bram De Wever Tammy Schellens Ruben Vanderlinde
KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN
4
INHOUD
PRAKTIJKVRAGEN 18 LEERDOELEN 18 STRUCTUUR VAN DEZE MODULE 19 EFFECT SIZES 20 ADVANCE ORGANIZER 24 VISIES OP LEREN EN INSTRUCTIE: DE BASIS VOOR DE VERSCHILLENDE DIMENSIES IN HET REFERENTIEKADER 27 HET REFERENTIEKADER 30 MICRONIVEAU 32
Bespreking van variabelen, processen en actoren 33 Kritische opmerkingen bij modellen voor het didactisch handelen 58 Op zoek naar een alternatief model voor het didactisch handelen en de plaats van toetsing 59 MESONIVEAU 61 MACRONIVEAU 69
MODULE II VISIES OP LEREN 83 VISIES OP INSTRUCTIE 83 ADVANCE ORGANIZER 86 PRAKTIJKVERKENNINGEN: THEORIEËN EN VISIES IN ‘ACTIE’ 88
Behaviorisme Integratieactiviteit Cognitivisme Constructivisme Integratieactiviteit Visies op leren Behaviorisme Cognitivisme Constructivisme
88 92 93 96 98 99 99 103 115
5 INHOUD
MODULE I NAAR EEN REFERENTIEKADER VOOR KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN 17
VISIES OP INSTRUCTIE 119 Behaviorisme 119 Cognitivisme 134 Constructivisme 152 EN HET ONDERWIJSKUNDIG REFERENTIEKADER 164
KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN
6
MODULE III CURRICULUM 169 ADVANCE ORGANIZER 172 VAN HET BEGRIP ‘CURRICULUM’ 173 VAN HET CURRICULUM 176 ONDERWIJSDOELEN: EEN EERSTE ORDENING 181
Onderwijsdoelen Competenties
181 183
CURRICULUMONTWIKKELING OP DE VERSCHILLENDE AGGREGATIENIVEAUS: MACRONIVEAU 185
Het nieuwe beleid van de Vlaamse overheid: sleutelcompetenties Van oude naar nieuwe eindtermen bij de sleutelcompetenties Tot 2023 belangrijk: eindtermen versus ontwikkelingsdoelen Tot 2023 vakoverschrijdende en vakgebonden eindtermen Ideologische discussies over de eindtermen
185 187 189 190 192
CURRICULUMONTWIKKELING OP DE VERSCHILLENDE AGGREGATIENIVEAUS: MESONIVEAU 194 CURRICULUMONTWIKKELING OP DE VERSCHILLENDE AGGREGATIENIVEAUS: MICRONIVEAU 197
Het gebrek aan curriculumontwikkeling op het microniveau 197 SPANNING TUSSEN MICRO-, MESO- EN MACRONIVEAU 198 HET ‘HIDDEN CURRICULUM’ 200 FORMULEREN VAN ONDERWIJSDOELEN: TAXONOMIEËN 204 Het fenomeen ‘taxonomieën van leerdoelen’ 204 De taxonomie van Bloom 205 COMPETENTIES EN ONDERWIJSDOELEN 208 Een poging tot begripsomschrijving 208 Een nieuwe oriëntatie voor het onderwijs: competentiegericht opleiden 209 Leerdoelen voor de lerarenopleiding: basiscompetenties 211 KRITISCHE VISIES OP DOELSTELLINGEN 212 HET CURRICULUM EN HET ONDERWIJSKUNDIG REFERENTIEKADER 212 Macroniveau 212 Mesoniveau 213 Microniveau 213
MODULE IV DIVERSITEIT 219 ADVANCE ORGANIZER 224 DIVERSITEIT: EEN OVERZICHT 227
Diversiteit: conceptuele basis 227 Diversiteit en leraren 229 Diversiteit en instructie 234 Differentiatie: de kern van het antwoord op diversiteit 236 Diversiteit in het Vlaamse onderwijs 239 SOCIAAL-ECONOMISCHE STATUS – SES 241 Een definitie van sociaal-economische status (SES) 241 Theoretische en empirische basis voor het ontstaan van sociale ongelijkheid 243 Onderzoeksgegevens met betrekking tot SES in Vlaanderen 252 SES-verschillen en instructie: de GOK-decreten 255 DIVERSITEITSINVALSHOEK 2. ARMOEDE 261 Alarmerende cijfers over armoede in Vlaanderen 261 Severe material deprivation 263 Armoede op school 265 Armoede en instructie op het macroniveau 266 Armoede en instructie op het meso- en microniveau 269 DIVERSITEITSINVALSHOEK 3. INCLUSIEPROBLEMATIEK 272 Probleemstelling: inclusie als oplossing en als probleem 272 De ‘feiten’: het M-decreet 272 Bestaat het buitengewoon onderwijs nog? 275 De lange weg naar een inclusief onderwijs in Vlaanderen 279 Universal design for learning (UDL) 281 Omgaan met leerlingen die extra ondersteuning vragen: STICORDI 282 Een oplossing voor het hanteren van ‘verschillende’ problematieken in dezelfde klas: executieve functies 287 Informatie over ‘special educational needs’ 291 DIVERSITEITSINVALSHOEK 4. GENDER 293 Gender en genderbias 293 Internationaal empirisch onderzoek over geslachtsverschillen in onderwijs 293 Onderzoek in Vlaanderen naar verschillen tussen jongens en meisjes 298 Gender en instructie 301 Het ontwikkelen van een genderbewustzijn van de leraar 302 Professionele ontwikkeling en ondersteuning voor leraren 306 Macroniveau-initiatieven voor het aanpakken van de gendergap 308 DIVERSITEITSINVALSHOEK 5. MEERTALIGHEID 310 De mythe van monolingualism 310
7 INHOUD
Taalvaardigheid Taal als verklarende factor voor schoolprestaties Aanpak van meertaligheid: CLIL Aanpak van meertaligheid: functioneel meertalig leren Diversiteit en het referentiekader voor onderwijskunde
KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN
8
313 316 318 322 325
MODULE V ONDERWIJSTECHNOLOGIE 335 ADVANCE ORGANIZER 338 EEN OGENSCHIJNLIJK EENVOUDIG BEGRIP 340 ONDERWIJSTECHNOLOGIE: EEN BLIK VANOP HET MACRONIVEAU 341
Eenentwintigste-eeuwse vaardigheden, digitale geletterdheid en de rol van technologie Monitor voor ICT-integratie In het Vlaamse Onderwijs (MICTIVO) ICT-infrastructuur in het gewoon secundair onderwijs ICT-gebruik en tevredenheid in het gewoon secundair onderwijs
341 346 347 348 DE ROL VAN HET MESONIVEAU: HET BELANG VAN EEN VEELZIJDIG ICT-BELEID 349 Een beleidsvoorbeeld: ‘mediawijsheid’ 350 Wat is mediawijsheid? 352 Kenniscentrum Mediawijsheid 353 Verschillende mediawijze thema’s: van cyberpesten tot reclamewijsheid 356 Mediawijsheid in het curriculum 358 Een mediawijsheidsbeleid op school 360 Ondersteuningsmodellen voor een effectief ICT-beleid 363 Zelfevaluatietools voor effectief ICT-beleid 368 HET MICRONIVEAU: ONDERWIJSTECHNOLOGIE IN DE KLAS 370 Hét leereffect van onderwijstechnologie 370 Technologie-implementatiemodellen 374 Technologie om het leer-‘proces’ van leerlingen te ondersteunen 382 Overkoepelend voorbeeld: responstechnologie 392 DE ROL VAN DE LERAAR EN ONDERSTEUNING VAN TECHNOLOGIE BIJ KLASMANAGEMENT 393
Concrete toepassingen met een focus op de rol van de leraar
396
WAAR VIND JE NOG MEER INFORMATIE? 398
Vakoverschrijdende ideeën Vakspecifieke ideeën Onderwijstechnologie en het referentiekader voor onderwijskunde
398 400 401
MODULE VI EVALUATIE 407 ADVANCE ORGANIZER 410 RATIONALE VOOR EVALUATIE 410 EVALUATIE: OMSCHRIJVING VAN HET BEGRIP 411 DIMENSIES IN EVALUATIE 412 OP WELK AGGREGATIENIVEAU WORDT DE EVALUATIE UITGEVOERD? 413
413 416 425 WAT IS DE FUNCTIE VAN DE EVALUATIE? 435 Over formatieve en summatieve evaluatie 435 ANDERE FUNCTIES VAN EVALUATIE 439 WIE VOERT DE EVALUATIE UIT? 439 SELF-ASSESSMENT – ZELFEVALUATIE 441 PEER ASSESSMENT 442 WANNEER WORDT DE EVALUATIE OPGEZET? 445 EVALUATIE VÓÓR HET LEERPROCES 445 EVALUATIE TIJDENS HET LEERPROCES 446 WELKE TECHNIEKEN WORDEN GEBRUIKT? 447 TESTEN/TOETSEN ONTWIKKELD DOOR DE LERAAR 447 OPSTELLEN VAN EEN TOETSMATRIJS 449 RUBRICS 451 PERFORMANCE-EVALUATIE 454 PORTFOLIO-EVALUATIE 456 PEER ASSESSMENT EN PEER FEEDBACK 460 KWALITEITSEISEN BIJ EVALUATIE 463 EVALUATIE: KRITISCHE VISIES 465 EVALUATIE IN HET ONDERWIJSKUNDIG REFERENTIEKADER 467 Microniveau 467 Mesoniveau 467 Macroniveau 467
VII BIBLIOGRAFIE 471 VIII TREFWOORDEN 479
9 INHOUD
Microniveau Mesoniveau Macroniveau
WOORD VOORAF
De eerste modulen van dit handboek proberen in dit verband “reflectie” uit te lokken over de dagelijkse leer- en instructieprocessen en over de keuzes die je als leraar best op een expliciete manier maakt over leerdoelen, didactische werkvormen, evaluatie, media … Dit wordt aangescherpt door twee modulen die vooral de vele praktijkvragen rond onderwijstechnologie en evaluatie helpen verkennen. Deze laatste twee thema’s plaatsen we apart en op het einde van het handboek, omdat we eerst grondig willen ingaan op een andere thematiek die continu in de media-aandacht staat: diversiteit. Veel beginnende leraren stellen tal van vragen bij de complexer geworden context van onderwijs. Vooral de toenemende diversiteit in het onderwijs maakt velen onzeker. Hoe ga je om met meertaligheid in je klas, hoe pak je jongeren aan die door hun familiale context op een andere manier schools functioneren, is er echt een probleem rond verschillen tussen jongens en meisjes? De Vlaamse “move” naar inclusief onderwijs versterkt de thematiek: hoe kunnen we dit allemaal nog klaarspelen binnen onze klas en school? De focus op diversiteit plaatste de aandacht voor onderwijstechnologie en evaluatie meteen ook nog in een ander licht. Bij de aanpak van diversiteit kunnen onderwijstechnologie en evaluatie namelijk een belangrijk ondersteunende rol spelen. Dit handboek probeert op veel vragen een antwoord te geven. Daarbij vallen we in heel wat gevallen terug op concrete acties, initiatieven en voorbeelden die je nu al vindt in Vlaamse scholen. Veel student-leraren en beginnende leraren klagen namelijk over de soms “utopische” ideeën die onderwijskundigen naar voren schuiven. In het handboek kiezen we daarom bewust voor “wat werkt in het onderwijs” zodat het inspirerend kan zijn voor de beginnende lespraktijk van startende leraren. Let wel op! Heel wat voorgestelde acties, keuzes en alternatieven vereisen samenwerking in het vakkenteam of
13 WOORD VOORAF
De startcompetenties van leerkrachten staan anno 2019 meer dan ooit ter discussie. Uit een grootschalig onderzoek bij alle lerarenopleidingen in Vlaanderen kwam men, in dit verband, tot de vaststelling dat veel student-leerkrachten en beginnende leerkrachten vragen naar een introductie op aspecten van het lesgeven die verder gaan dan wat ze zelf hebben ervaren in hun onderwijs. Ook bij de opzet van het nieuwe decreet voor de lerarenopleiding – 2018-2019 – staan de leerkrachtcompetenties centraal.
het volledige schoolteam. “Onderwijs maken” is namelijk meer dan ooit een team-job geworden om de uitdagingen aan te kunnen pakken.
KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN
14
Naast een inhoudelijke update, is de voornaamste wijziging in deze herziene uitgave dat Krachtige Leeromgevingen nu didactisch aangestuurd wordt vanuit een e-book. Het gedrukte handboek omvat enkel de basisinhouden. Het e-book biedt – naast die basisteksten – per module: praktijkvragen, leerdoelen, een videofilmpje waarin de auteur van het boek een introductie geeft op het thema, advance organizers, studeeraanwijzingen en vooral veel extra documentatie, cases, links naar tal van relevante voorbeelden, websites en aanvullende onderzoeksresultaten, illustrerende video’s en een interactieve zelftoets. Dit alles om de complexe inhouden uit de basistekst te verrijken en het studeren te vergemakkelijken. Het e-book ondersteunt zo de verwerking van de complexe tekst uit het handboek. Van je e-book kan je een ‘persoonlijke’ omgeving maken. Je kan belangrijke begrippen en stukken tekst markeren, notities toevoegen, teksten delen met andere gebruikers, opzoeken via handige zoektools en moeiteloos surfen doorheen je teksten. We hopen dat we slaagden in ons doel, namelijk met het nieuwe e-opzet, van deze uitgave van ‘Krachtige Leeromgevingen’ - ook letterlijk - een nog krachtiger ‘Krachtige Leeromgeving’ te maken.
Gent, augustus 2019.
17 I - NAAR EEN REFERENTIEKADER VOOR KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN
Naar een referentiekader voor Krachtige Leeromgevingen
PRAKTIJKVRAGEN
KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN
18
Heel wat leraren stellen zich vragen over de effectiviteit van hun onderwijs en vragen zich af waarom iets lukt of niet lukt in hun klas of school. Ook vinden veel leraren dat ze onder druk staan en dat er onnodig veel verwachtingen zijn vanuit de maatschappij. Hieronder vind je een greep uit de vragen en bedenkingen die (beginnende) leraren hebben over lesgeven in een secundaire school. →→ Ik vind het soms hopeloos om les te geven. Die leerlingen ‘willen niet’. Moet ik daar wel rekening mee houden? →→ Ik vind m’n handboek echt niet goed. Mag ik het overboord gooien? →→ Ministers, vakbonden, onderwijskundigen, PISA-onderzoekers ... ze hebben allemaal mooie adviezen, maar staan die niet te ver af van de klaswerkelijkheid? →→ Er komen zoveel vragen op mij af als leraar. Met wie moet ik zo allemaal rekening houden? Iedereen bemoeit zich met wat ik doe op school en ik voel me gegijzeld. →→ Oudercontact ... heeft dat wel zin? Hebben ouders wel iets te zeggen over de school en wat ik doe in de klas? →→ Lesgeven lijkt soms een strak ‘korset’. Alles lijkt voorgeschreven: eindtermen, leerplannen, handboeken, aanwezigheidslijsten, registratieformulieren ... Kan ik echt niet uit de losse pols lesgeven? Mag ik niet improviseren? →→ Die 50 minuten lestijd is zo kort. Hoe kan ik die tijd beter indelen? Of mag ik werken met blokken van twee lestijden? →→ Ik heb de context van m’n klas- en het schoolgebeuren niet in de hand en toch heeft dat zo’n grote invloed. Hoe kan ik hier greep op krijgen? →→ Wat werkt echt? Welke aanpakken leveren een efficiënte en effectieve les op? →→ Bestaat de ‘beste’ manier van lesgeven? →→ Ik ‘geloof’ niet in bepaalde onderwijsbenaderingen en toch moet ik die volgen op mijn school. Heeft dat zin? →→ ...
LEERDOELEN Na het bestuderen van deze module beheers je de volgende leerdoelen. →→ Uitleggen wat een evidence-based aanpak van onderwijs betekent. →→ Een schema uitwerken dat de belangrijkste actoren, variabelen en processen in kaart brengt die een rol spelen in of een invloed uitoefenen op het school- en het klasgebeuren. →→ Mediaberichten (artikels, interviews, resultaten van onderwijsonderzoek ...) over onderwijs beschrijven en ordenen aan de hand van het onderwijskundig referentiekader. →→ Wetenschappelijk onderzoek aanbrengen dat de rol en invloed van processen, variabelen en actoren in het referentiekader illustreert. →→ Voorbeelden geven van concrete actoren, processen en variabelen uit het referentiekader, zowel op het micro-, het meso- als het macroniveau. →→ De relaties tussen het micro-, het meso- en het macroniveau in het referentiekader toe-
lichten door voorbeelden te geven uit recente nieuwsberichten. → De componenten van het didactisch handelen (instructieactiviteiten) met voorbeelden beschrijven in een concrete klascontext.
STRUCTUUR VAN DEZE MODULE
Effect sizes bij meta-analyses
Advance organizer
Basis voor dimensies in het referentiekader
Het algemene referentiekader Leraar(s)
Begeleiding
Leerling(en)
Kenmerken
Actoren Microniveau
Mesoniveau
Macroniveau
Het referentiekader en onderwijskunde Onderwijskunde en deelwetenschappen
Leeractiviteiten
Organisatie
Didactisch handelen Instructieactiviteiten
Leerdoelen Doelstellingen
Leerstof
Instructiestrategie Didactische werkvorm
Media
Toetsing
19 I - NAAR EEN REFERENTIEKADER VOOR KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN
De ruggengraat van deze eerste module is een ‘onderwijskundig referentiekader’. Dit referentiekader is gebaseerd op een omvattende kennisbasis die is afgeleid van theoretisch en empirisch onderzoek. We baseren ons vooral op de meta-analyse van John Hattie (2009, 2013) die meer dan 50.000 onderwijskundige onderzoeken heeft geïntegreerd en waarbij systematisch wordt vermeld of en in welke mate processen, variabelen en actoren een invloed hebben op leerprestaties: Visible Learning: A Synthesis of over 800 Meta-Analysis relating to Achievement. De structuur van zijn meta-analyse past bij de clusters aan variabelen en actoren die we hierna beschrijven.
EFFECT SIZES
KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN
20
Net zoals in de geneeskunde hebben we in het onderwijs hoe langer hoe meer aandacht voor evidence-based benaderingen. Dit betekent dat we rekening houden met de resultaten van wetenschappelijk onderzoek wanneer we beslissingen nemen en keuzes maken die leren en instructie beïnvloeden. Omdat het voor leraren niet haalbaar is zelf alle individuele onderzoeken op te volgen, is het handig om terug te vallen op meta-analyses. Meta-analyses integreren de resultaten van een groot aantal onderzoeken en geven op die manier een kwantitatieve ‘samenvatting’. Uiteraard verliezen we daardoor detailinformatie over elk individueel onderzoek. Zo wordt bijvoorbeeld geen onderscheid gemaakt tussen onderzoeken opgezet in het lager of het secundair onderwijs; wordt geen verschil gemaakt tussen langdurig of kortlopend onderzoek ... Met andere woorden, de resultaten van meta-analyses geven een ‘indicatie’ over het relatieve
Figuur 1.1. In dit schema vind je een samenvatting van processen en variabelen uit Hattie (2009). De voorbeelden zijn geordend naar de grootte van de effect sizes (d). Zo zie je dat onderzoek aantoont dat leraren die leerlingen stimuleren om eigen prestaties in te schatten en die dan te overstijgen (self-report grades) een zeer groot leereffect hebben. Je ziet dat dit onderzoek een effect size oplevert van d = 1,44 (http://visible-learning.org/hattie-ranking-influences-effect-sizes-learning-achievement/). Voor wie van statistiek houdt, betekent dit dat de gemiddelde prestaties van leerlingen die op die manier gestimuleerd worden door hun leraar, met 1,44 standaarddeviatie opschuiven. Nog concreter betekent dit dat 52% méér leerlingen een leerprestatie zullen neerzetten die hoger is dan het vroegere gemiddelde resultaat.
belang van een proces, variabele of actor. Uiteindelijk test een leraar het best zelf of zijn of haar beslissing ‘werkt’ in de eigen context, bij de eigen leerlingen, in het eigen vak ...
Figuur 1.2. Is huiswerk zo belangrijk? Heeft het zin om zoveel huiswerk mee te geven? Hier zie je een lagereschoolleerling haar wiskundehuiswerk maken. Ze gebruikt daarbij droge witte bonen en ze telt met haar vingers om de oplossingen te controleren (Yangshuo, Guangxiprovincie, China, juli 2009).
21 I - NAAR EEN REFERENTIEKADER VOOR KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN
Een kernbegrip bij het bekijken van resultaten van meta-analyses is het begrip effect size (effectgrootte) weergegeven met het symbool d. Bij wetenschappelijk onderzoek rapporteert men bijvoorbeeld de mate waarin er een significant verschil is in de gemiddelde resultaten van twee groepen; bijvoorbeeld een controlegroep die een klassieke aanpak van leesonderwijs volgt versus een experimentele groep waarin peer tutors – bijvoorbeeld klasgenoten – medeleerlingen helpen bij het leesproces. Men rapporteert niet alleen een vergelijkingsmaat (bv. t-test, variantieanalyse, regressieanalyse), maar ook de mate waarin het vastgestelde verschil al dan niet aan toeval is te wijten (de significantiewaarde, uitgedrukt als p). Hoe kleiner de p-waarde, hoe minder het vastgestelde verschil aan toeval te wijten zou kunnen zijn. Maar zelfs wanneer een verschil significant is, blijft het onduidelijk of het dan om een ‘interessant’ verschil gaat tussen de effecten van bijvoorbeeld de twee leesmethoden op de leerprestaties. De vraag is dus niet alleen of verschillen significant zijn, maar ook of ze interessant zijn om de verdere onderwijspraktijk te beïnvloeden.
KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN
22
Effect sizes vertellen iets over de grootte – en dus de relevantie – van significante verschillen. Straks lees je bijvoorbeeld over onderzoek dat nakijkt of het geven van huiswerk een positieve invloed heeft op leerresultaten. Hattie (2009) vat over huiswerk de resultaten samen van 161 studies en komt tot het besluit dat de gemiddelde effect size maar d = 0,29 bedraagt. Zoals je zult zien is dat een eerder beperkte invloed en kunnen we ons afvragen of veel tijd investeren in huiswerk wel zo’n goed idee is. Let op! Misschien heeft huiswerk wel een positieve invloed op betrokkenheid van ouders, op het ontwikkelen van planvaardigheden, op timemanagement, op het ontwikkelen van een continue werkhouding ... maar dat staat niet voorop in de meta-analyse van Hattie over huiswerk. Hij beschrijft enkel of huiswerk een effect heeft op cognitieve leerprestaties. Dus nog een reden om voorzichtig te zijn met de resultaten van meta-analyses. Effect sizes helpen dus de sterkte van vastgestelde verschillen beter te interpreteren (Hedges & Olkin, 1985). In de meta-analyses van Hattie worden ook resultaten van andere meta-analyses opgenomen. Hierdoor worden de effecten van tientallen en soms honderden studies op elkaar betrokken; zo kunnen beter gefundeerde conclusies getrokken worden over instructie-aanpakken, een variant in de klasorganisatie, het al dan niet invoeren van tablets in de klas ... Effect sizes helpen ook op een gestandaardiseerde manier naar onderzoek te kijken. Hierdoor worden studies onderling vergelijkbaar en wordt rekening gehouden met verschillen in steekproefgrootte, varianties ... In figuur 1.3 zie je een afbeelding van de effect sizes bij twee samenvattende studies. In de eerste afbeelding tonen we het verschil tussen de resultatenverdeling van een controlegroep (rode curve) en de resultaten van een experimentele groep leerlingen (groene curve) die door hun leraar continu gevraagd worden om hun eigen leerresultaten in te schatten en die te verbeteren. De effect size die met deze aanpak samengaat, is d = 1,44. In figuur 1.3a verschuift de Gausscurve dus 1,44 standaarddeviaties naar rechts. Vergeleken met het oude gemiddelde leerresultaat – de zwarte verticale lijn – zijn er nu dus veel meer leerlingen die een leerprestatie hoger dan het gemiddelde neerzetten. In figuur 1.3b bekijken we het effect van een zeer controversiële aanpak – onder andere in de Verenigde Staten – waar leraren betaald worden naar verhouding van de leerprestaties op de State Assessment Test. Je ziet dat de effect size zeer klein is (d = 0,05). De leerprestaties van leerlingen stijgen dus nauwelijks tot niets, ondanks de grote druk die men legt op leraren. Je ziet dat – in beide voorbeelden – de verdeling opschuift naar rechts en dat dus de resultaten van de experimentele groep beter kunnen zijn. Let daarbij op de ‘oppervlakte’ onder de curve. Bij een grote effect size wordt die oppervlakte ten opzichte van het oude gemiddelde veel groter aan de rechterkant van de curve. Dat toont op een grafische manier dat de spreiding in de resultaten veel veranderd is. Meteen leer je dat het vergelijken van gemiddelden niet altijd interessant is; het is beter te kijken naar eventuele veranderingen in de spreiding (variantie) van leerresultaten. De berekening van effect sizes houdt vooral rekening met die veranderingen in spreiding.
23 Figuur 1.3b. Effect size die samenhangt met leerlingen bij wie het inkomen van de leraar afhangt van leerprestaties. Hattie noemt dat ‘teacher performance pay’. De effect size is tegen bepaalde verwachtingen in bijna te verwaarlozen: d = 0,05.
Maar hoe interpreteer je het best effect sizes? Hattie bekijkt daarvoor de gemiddelde effect size van alle willekeurige invloeden die hij heeft onderzocht in zijn meta-analyses. Hij stelt daarbij vast dat de gemiddelde d = 0,40. Die waarde stelt hij voor als een benchmark, een kritische toetssteen. Enkel onderzoek dat gelijk is aan of het beter doet dan deze gemiddelde effect size beschouwt hij als onderzoek dat ertoe doet. Daarvoor somt hij de volgende redenen op. →→ Ten eerste is er onderzoek dat aantoont dat leereffecten ook negatief kunnen zijn; met andere woorden, de leerprestaties kunnen ook achteruitgaan. Zo blijkt uit onderzoek dat ‘zittenblijven’ een negatieve invloed heeft op leerprestaties: d = –0,13. →→ Ten tweede stellen leraren zelf ook vast dat leerlingen – los van een bepaalde instructieaanpak – bijleren. Effect sizes tot d = 0,20 ziet Hattie daarom als ‘ontwikkelingseffecten’ waardoor we in veel mindere mate kunnen verwachten dat leerlingen door deze aanpak betere leerprestaties zullen neerzetten. Een typisch voorbeeld is de effect size die samenhangt met een aanpak waarbij leerlingen de volledige controle krijgen over hun leerproces: d = 0,04. Hattie onderkent wel dat dit een positief effect heeft op de motivatie van leerlingen, maar benadrukt dat de leerprestaties nauwelijks vooruitgaan vergeleken met een meer gestuurde of voorgestructureerde aanpak van een leraar. Onderzoek toont vooral aan dat leerlingen te veel keuzevrijheid niet aankunnen. →→ Ten derde benadrukt Hattie dat leerlingen die vaststellen dat hun leraar plots op een andere manier lesgeeft, altijd wat alerter zijn, aandachtiger zijn, langer interesse tonen ... (effect size tot d = 0,40). Hattie omschrijft dat als een ‘leraareffect’ dat meestal na een tijd verdwijnt, omdat men bijvoorbeeld alerter betrokken is bij de instructie. →→ Samengevat, alle effect sizes tot d = 0,40 zijn toe te wijzen aan ontwikkelingsinvloeden en/of leraareffecten. Dat leidt tot de vuistregel dat vooral effect sizes vanaf d = 0,40 interessanter zijn voor de onderwijspraktijk omdat ze sterker zijn dan gewone ontwikkelingsinvloeden en de basisimpact van een leraar overstijgen. →→ Maar ... we herhalen dat effect sizes ‘gemiddelden’ zijn. Zo tonen meta-analyses aan dat het geven van huiswerk samenhangt met een effect size van d = 0,29. Dus gooien
I - NAAR EEN REFERENTIEKADER VOOR KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN
Figuur 1.3a. Effect size die samenhangt met leerlingen hun eigen leerprestaties te laten inschatten (d = 1,44).
we huiswerk overboord? Neen, in dit geval is het beter om toch grondiger naar die meta-analyses te kijken. Die geven aan dat huiswerk in het lager onderwijs samengaat met een effect size van d = 0,13, maar dat huiswerk in het hoger secundair onderwijs een compleet ander beeld oplevert met een effect size van d = 0,73.
KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN
24
In de volgende paragrafen bouwen we systematisch verder op resultaten van meta-analyses om het belang en de plaats van processen en variabelen te onderbouwen bij de verschillende actoren in het referentiekader.
Figuur 1.4. Leerlingen in een dierenverzorgingsopleiding aan de slag met het injecteren van honden (Universiteit Gent, mei 2018).
ADVANCE ORGANIZER Onderwijs staat dikwijls centraal in de media. En dikwijls gaat het niet enkel over ‘goed nieuws’. Zo ontstond er heel wat commotie over de resultaten van de meest recente peilingsproeven in april 2019. Voor lezen in het lager onderwijs en wiskunde in het secundair onderwijs bleek een groot percentage leerlingen de eindtermen niet te bereiken. En bovendien kon men op basis van trendanalyses vaststellen dat die resultaten sinds een vorige meting significant achteruitgaan. De mediaberichten werden nog versterkt door een zeer negatief rapport van de onderwijsinspectie over evaluatie in het onderwijs: ‘Inspectie buist helft secundaire scholen’. En met de verkiezingen in het vooruitzicht (26 mei 2019) bleek dat ook voor heel wat politici koren op de molen. Maar ook het bedrijfsleven was allesbehalve gelukkig met de dalende leerprestaties van leerlingen in het onderwijs.
Voor de leraar leidt dit mediageweld tot een chaotisch beeld over wie nu aan de touwtjes trekt in onderwijsland. Hoe staat die berichtgeving in verhouding tot je eigen werk in een klas of school? We geven hierna vier uittreksels uit de media van april 2018. Telkens vragen we de lezer om kritisch de tekst te lezen en centrale begrippen en actoren op te sporen. Kijk na wie aan het woord is. Gaat het om figuren binnen of buiten het onderwijs? Welk aspect van onderwijs, lesgeven, leren ... wordt besproken? Wordt geschreven over kenmerken van leraren en/of leerlingen? En, merk je ook hoe weinig de stem van een leraar of een leerling gehoord wordt?
(...) Wiskunde geeft een gemengd beeld, al springt een groot deel van de leerlingen niet over de minimumlat. Ruimtemeetkunde en omgaan met data doen ze beter dan vijf jaar eerder. Maar op alle andere vlakken blijven ze hangen op hetzelfde – bij algebra en zeker bij rekenen met veeltermen sowieso al lage – niveau, of ze dalen nog verder. Het ergst is het gesteld met de competentie ‘bewerkingen’, de essentie van wat leerlingen aan het einde van het tweede jaar secundair onderwijs zouden moeten kunnen. In 2013 haalde 28 procent de eindtermen, in 2018 nog maar 22 procent. Zo’n 2.985 leerlingen uit het tweede middelbaar vulden de peilingstoets in. Er bestaan grote verschillen tussen de netten. Katholiek Onderwijs Vlaanderen scoort op bijna alle wiskundige domeinen (een stuk) beter dan het GO! en de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten. (...) Hoewel onderzoekers eerder al aantoonden dat de toegenomen diversiteit niet de volledige achteruitgang kan verklaren, verwijst Verdyck naar de achtergrond van de leerlingen als belangrijke oorzaak. https://www.demorgen.be/binnenland/niveau-nederlands-daalt-op-elk-vlak-en-wiskunde-scoort-al-niet-veel-beter-wat-kunnen-wedoen-beba9572/
Inspectie buist helft secundaire scholen De helft van de Vlaamse middelbare scholen moet van de onderwijsinspectie een tandje bijsteken. 14 procent krijgt zelfs een ongunstig advies, wat betekent dat de erkenning wordt ingetrokken en de school zich extern moet laten begeleiden. Dat staat in de meest recente ‘Onderwijsspiegel’, het jaarverslag van de onderwijsinspectie. Na een doorlichting in 250 Vlaamse onderwijsinstellingen, waarvan 61 secundaire scholen, is de inspectie vooral streng voor het schoolbeleid. “‘Scholen evalueren hun eigen kwaliteit nog te weinig”’, zegt inspecteur-generaal Lieven Viaene van de Onderwijsinspectie. “‘Maar als je niet weet waarom leerlingen wel of niet slagen, kan je de kwaliteit ook niet bijschaven.”’ (...) De score ligt vooral laag omdat er dikwijls geen goede evaluatie van de leerlingen gebeurt. “‘De toetsen en taken worden op heel wat scholen volgens andere maten en gewichten beoordeeld”’, zegt Viaene. Vooral bij wiskunde speelt dikwijls ook een gebrek aan feedback. “‘Als je leerlingen niet op tijd kan bijsturen, riskeer je ook dat zij op het einde van de rit niet slagen.”’
https://www.demorgen.be/binnenland/inspectie-buist-helft-secundaire-scholen-bcf87f87/
I - NAAR EEN REFERENTIEKADER VOOR KRACHTIGE LEEROMGEVINGEN
Niveau Nederlands daalt op elk vlak, en wiskunde scoort al niet veel beter: wat kunnen we doen?
25