ETIENNE DAVIGNON
1
2
Herinneringen opgetekend door
Maroun Labaki
ETIENNE DAVIGNON MIJN DRIE LEVENS
Ik heb dit boek geschreven voor hen die in het middelpunt van mijn leven staan en die in deze herinneringen niet genoemd worden: Antoinette Axelle, Carole, Vincent, hun kinderen en kleinkinderen
Ik ben in 1932 in Boedapest geboren. Daarom heeft mijn vader me Etienne genoemd. Etienne is de patroonheilige van Hongarije en mijn vader vond dat een mooi gebaar tegenover de Hongaren. Maar niemand in mijn familie heeft me ooit Etienne genoemd. Vooral voor de Engelse nanny, die me tijdens mijn kindertijd verzorgde, was mijn naam onuitspreekbaar. Mijn roepnaam werd het verkleinwoord voor Steven. Dat kun je op twee manieren schrijven, Stevie of Stevy. Bij mij is het Stevy geworden. Als ik ergens op straat ‘Etienne’ hoor roepen, draai ik me niet om, het komt niet bij me op dat ze het tegen mij hebben. Op school, in België, was ik Davignon. Ook aan de universiteit werd ik aangesproken als Davignon, net als op het werk. In België was het lange tijd niet gebruikelijk mensen bij de voornaam aan te spreken.
I
Als ik moe ben, komt mijn Zwitserse accent naar boven. Toch voeren mijn verste herinneringen me niet terug naar Zwitserland. Ze brengen me terug naar de tijd op de Belgische ambassade in Berlijn. Mijn vader kwam daar aan in 1936. Ik was toen vier jaar oud. Het spectaculaire, de pracht en praal van het nazisme, dat maakte indruk op mij. De adelaar met in zijn klauwen het hakenkruis dat ’s avonds oplichtte: voor een kleine jongen zag dat er sprookjesachtig uit. Net als de Olympische Spelen… Dit gezegd zijnde, was ik dolblij toen de oorlog uitbrak, want voor mij was het zo klaar als een klontje dat de Duitsers binnen de week verslagen zouden worden. We zijn het product van ons verleden. Zo was het bepalend voor mij dat mijn familie geïnteresseerd was in de res publica. In die sfeer ben ik opgevoed. Het stimuleerde mijn interesse erin en tegelijk zorgde het ervoor dat ik me er niet door liet afschrikken. Ik hoefde niet die grote stap te zetten, van de ene wereld naar de andere. Ik hou wel van uitdagingen, maar in het begin moest ik geen obstakels overwinnen. Daarnaast was het ook belangrijk dat ik een nieuwsgierigheid ontwikkelde naar een heleboel dingen, op een moment dat ik nog niet moest kiezen. Een derde element: het beeld van mijn depressieve vader. In
7
die tijd wisten we nog niet dat depressie een ziekte was. Het was van ‘Kop omhoog, je hebt geen enkele reden om te klagen!’: precies het tegenovergestelde natuurlijk van wat je moet zeggen. Het feit dat een probleem op professioneel vlak zijn ziekte erger maakte, heeft me doen beseffen hoe belangrijk het is om afstand te bewaren tussen het beroepsleven en het privéleven. En dat heb ik gedaan. Ik hield mezelf voor: ‘Neen, dat gaat mij niet overkomen; als zich in mijn beroepsleven een crisis voordoet, zal mij dat niet kapotmaken.’ En dat afstand houden deed niks af aan mijn grote engagement. Mei 1940, het was oorlog. Omdat mijn vader pas in het voorjaar van 1941 tot ambassadeur in Londen zou worden benoemd, hadden we geen eigen stek in België. Toen we met de diplomatieke trein uit Berlijn werden geëvacueerd, wist hij niet goed wat hij met ons moest aanvangen. We verbleven een tijdje in Vichy. Hij twijfelde. Er was op dat moment nog geen Belgische regering in Londen. Toen de koning mijn vader vroeg naar Brussel terug te keren, gehoorzaamde hij. Hij was immers ambassadeur van de koning. Wij waren nog niet tot de jaren van verstand gekomen, anders hadden we hem wel gezegd dat dit niet de juiste weg was. Ik heb daar mijn hele leven spijt van gehad. Hij keerde met mijn oudere zus terug om een huis te zoeken en liet mij en mijn broer achter in Zwitserland, met de belofte ons later te komen ophalen. Door omstandigheden
8
duurde het echter tot 1945 voor we konden terugkeren. Wij bleven daar. Een van de vreemde zaken uit die tijd was dat Bern nog steeds een Belgische ambassade had, want de ambassades bleven bestaan, hoewel er vanwege de bezetting geen sprake meer was van de soevereiniteit van de Belgische staat. En het was de ambassade in Bern die instond voor ons levensonderhoud. Ik veronderstel dat mijn vader dat aan Brussel terugbetaalde. Een Engels kindermeisje, dat ermee had ingestemd niet betaald te worden zolang de oorlog duurde, zorgde voor ons. Na de oorlog kreeg ze natuurlijk alles betaald. In Zwitserland leefden we eenvoudig. Ik ging niet naar gerenommeerde colleges, maar gewoon naar de gemeenteschool, en de lessen verliepen op het ritme van de seizoenen, wanneer de koeien niet naar de alpenweiden moesten worden gebracht, de druiven of abrikozen niet moesten worden geplukt enzovoort. In de zomer verdiende ik een centje bij als ballenjongen op de tennisclub. Ik speelde niet, want ik tenniste enkel buiten het seizoen. Die manier van leven was voor mij de natuurlijkste zaak van de wereld, want ook mijn vrienden leefden zo. We leefden zuinig. Ik werd beschouwd als iemand van het dorp. Als ik de skilift nam, had ik recht op het tarief voor locals. Ik dacht dat het geen slecht idee zou zijn om skileraar te worden. Als mijn ouders chaletbouwers zouden worden, zou dat nog beter zijn. Dat alles heeft me geleerd hoe relatief de dingen zijn.
9
Toen ik in België aankwam, kende ik er niemand. De aanpassing verliep niet van een leien dakje. En thuis was het ook niet altijd makkelijk, want het ging nog steeds niet goed met mijn vader. Hij was pessimistisch en bezorgd, zonder verdrietig te zijn. Dat deed op geen enkele manier afbreuk aan mijn genegenheid voor hem, maar het verstoorde wel het gezinsleven. Hij geraakte nog dieper in de put door het onrecht dat hem was aangedaan: hij was pas vijftig jaar toen het afgelopen was met zijn carrière… Mijn moeder was daarentegen de vrolijkheid zelve. De komische kant van de zaken zien en het besef dat we onszelf niet te serieus moeten nemen, heb ik van haar meegekregen. Dat trekje kan misschien ook voortspruiten uit de Angelsaksische opvoeding die ons kindermeisje ons heeft gegeven, waarbij het als erg onbeleefd werd beschouwd als je jezelf te ernstig nam. Als ik toen geweten had wat ik nu wist – wat natuurlijk onzinnig is − had ik mijn vader ongetwijfeld gezegd dat hij moest inzetten op het winnen van de oorlog en naar Londen moest uitwijken. Weg van dat spookministerie waar haat en nijd heersten. Bovendien werd hij uitgekozen om Leopold te vergezellen naar het beruchte onderhoud met Hitler in Berchtesgaden, iets wat hij de koning nochtans ten stelligste had afgeraden; maar deze laatste vroeg hem toch uitdrukkelijk om mee te gaan en hij heeft aan dat verzoek voldaan.
10
Na de capitulatie van het Belgische leger ondernam de koning pogingen om een regering te vormen, daar zijn vandaag nog tal van bewijzen van. Maar Leopold slaagde er niet in, omdat hij geen enkele minister in functie vond om akte te nemen van het ontslag van de regering-Pierlot. Er werd toen gezegd dat mijn vader in die nieuwe regering minister van Buitenlandse Zaken zou worden. Of dat waar is? Geen idee. In elk geval werd hij aan het einde van de oorlog als verbrand beschouwd, verdacht van collaboratie. Het betekende het einde van zijn carrière. Tijdens de bezetting heeft mijn vader heel wat Belgen in moeilijkheden geholpen, omdat hij wist hoe je met Duitsers moest omgaan. Hij is er bijvoorbeeld in geslaagd de echtgenote van Paul-Henri Spaak vrij te krijgen. Zij was in België gebleven en door de SS gearresteerd. Toen men een hele tijd later vond dat mijn vader onterecht aan de kant gezet was, werd hij belast met een missie om met de Duitsers te onderhandelen over de grenzen en de herstelbetalingen en kreeg hij de hoogste onderscheiding – terwijl hij eigenlijk al met pensioen was gegaan. Maar dat eerherstel kon het einde van zijn carrière niet compenseren. Hij die de jongste ambassadeur van België was geweest, had de vergissing begaan te voorspellen wat er zou gebeuren. Wat hij aanraadde, was precies het tegenovergestelde van wat Leopold heeft gedaan. Mijn nieuwsgierigheid ontstond in het gezellige dorpje in Zwitserland. Ze werd nog aangewakkerd tijdens mijn op-
11
leiding bij de benedictijnen, die je leren de wereld in vraag te stellen, politieke correctheid in twijfel te trekken en die je helpen een kritische geest te ontwikkelen. In mijn geval ook een rebelse geest… In Maredsous kreeg ik de smaak te pakken van cultuur, theater enzovoort. Daar werd ik ook ‘Europeeër’, toen ik deelnam aan een conferentie met Spaak en Pierre-Henri Teitgen over het EGKS-verdrag. Dat formidabele toekomstbeeld fascineerde me. Maar de laatste twee jaar van mijn tijd in Maredsous had ik het lastig. Vier misdiensten op zondag: ik kon er niet meer tegen. Ik kwam dus in opstand en werd geregeld gestraft. Ik voerde openlijk strijd tegen de prefect en op een dag zei hij: ‘Als je op die manier doorgaat, Davignon, zul je papierraper worden op straat.’ En ik antwoordde hem: ‘Zolang het uw papier niet is, zal ik dat met alle plezier doen!’ Ik heb mijn studie aan het college toch afgemaakt. Daarna heb ik twee jaar rechten gestudeerd aan de Université Saint-Louis en dan drie jaar rechten aan de Université catholique in Leuven. In Saint-Louis nam ik de leiding over van een tijdschrift dat daarvoor in handen was van Jacques Franck. Hij werd later in zijn carrière hoofdredacteur van La Libre Belgique. Via ons beroepsleven kwamen we weer in contact. Dat was fijn… Het echte studentenleven was niet aan mij besteed. Ik was niet zo’n liefhebber van guindaille (studentenfeesten). Ik speelde af en toe wel wat poker, niet uit passie, maar om wat geld te verdienen en mijn wintervakantie te kunnen betalen. In zekere zin was het zware arbeid.
12
Ik ben dus een product van het katholieke systeem, zonder dat ik er ooit echt toe heb behoord. Tijdens de schoolstrijd heb ik deelgenomen aan de betoging tegen Léo Collard en ik werd zelfs gearresteerd nadat ik het ventiel van een waterkanon had gelost, wat bij de politie niet in goede aarde viel… Twee- of driehonderd van ons werden gearresteerd en we werden twee dagen in de kazerne vastgehouden. Bij het referendum over de terugkeer van koning Leopold stemde mijn omgeving voor – ik heb hun voorbeeld gevolgd. Rekening houdend met de valstrik waarin Leopold mijn vader had gelokt, had ik nochtans eigenlijk tegen zijn terugkeer moeten zijn. Maar als student vind je betogen nu eenmaal leuker dan niet betogen. Uiteraard werd je ingedeeld naargelang het milieu waaruit je afkomstig was. Ik kon me niet inbeelden ergens anders te studeren dan in Leuven. Dat stond buiten kijf, we hadden geen keuze. Vandaag is dat niet meer zo, ondanks dat verleden van stomme halsstarrigheid en geruzie tussen de netten. Mijn kinderen hebben zelf gekozen waar ze wilden studeren, net als mijn kleinkinderen. En zo moet het ook. Ik was een dilettant. In mijn jaren aan de universiteit studeerde ik natuurlijk ook wel, maar ik genoot vooral van de vrijheid. Ik ging vaak tennissen, hield uiteraard veel van wintersporten, was gek op jazz, hield van lezen en van theater. Ik speelde vaak amateurtoneel. Mijn persoonlijkheid werd steeds duidelijker, ik was acteur, maar
13
ik wilde vooral regisseur zijn. En de universiteit… dat was iets voor de twee laatste maanden van het academiejaar! Er waren twee, misschien drie professoren die ik wel interessant vond en die me stimuleerden. Voor de anderen deed ik enkel het hoogstnodige. Ik zorgde ervoor dat ik telkens in de eerste zittijd slaagde, wat me slechts één keer niet lukte, toen ik ziek was. Het laatste jaar heb ik me toch wat meer ingespannen om met onderscheiding te kunnen afstuderen. Het was een mooie tijd. Het was geen rijkeluisjeugd. We leefden goed, we moesten niet naar de gaarkeuken en we waren zeker bevoorrecht, maar het geld om op wintersport te gaan, moesten we zelf verdienen. In de zomer huurden mijn ouders een villa in Het Zoute voor een rustige vakantie met het hele gezin. Ik nam deel aan de tennistoernooien langs de kust, en ging er met de tram heen. Sommige van mijn vrienden waren rijk, anderen niet. Ik heb veel geleerd tijdens mijn legerdienst. Volgens een bepaald familiegebruik moest ik kandidaat-officier zijn. Dus ging ik akkoord om drie maanden extra te doen, maar dan wel bij de School voor Pantsertroepen, want vandaar kon ik elk weekend naar huis. In het leger maakte ik kennis met werelden die ik niet kende. Maredsous was geen afspiegeling van de maatschappij. Toch verkozen mijn kameraden in het leger me tot woordvoerder! Het leger was een verrijking voor mij.
14
Het gevolg van mijn dilettantisme was dat ik geen keuzes maakte. Ik had werkelijk geen zin om diplomaat te worden, want ik beschouwde de diplomatie als een wereld van uiterlijkheden, en het mondaine leven interesseerde me niet. Ik heb nooit van socializen gehouden, ik hou niet van cocktails en ook niet van diners. Ik had dat leven van uiterlijk vertoon gezien in Berlijn. Verborgen achter een balustrade had ik de galadiners op de ambassade gadegeslagen, ik had Hermann Goering gezien, in zijn witte uniform en met zijn robijnen, en dat trok me niet aan. Maar mijn broer was niet geïnteresseerd in de res publica en mijn vader was bedroefd omdat een familietraditie van publieke dienstverlening verloren leek te gaan. Ik hield veel van mijn vader en ik kon het niet over mijn hart krijgen hem teleur te stellen. Na mijn studies moest ik sowieso beginnen met een stage. Om advocaat of God weet wat te worden‌ Dus kon ik me net zo goed inschrijven voor het examen diplomatie, dat kon een stage van twee jaar opleveren! Zo kon ik mijn definitieve keuze uitstellen en was ik safe. Ik had het dus allemaal netjes voor elkaar, alleen is het helemaal anders gelopen. Er gebeurde iets wat ik niet had voorzien. Als stagiair geraakte ik betrokken bij de zaken in Congo. En toen Spaak terugkeerde naar Buitenlandse Zaken, in 1961, had hij op zijn kabinet iemand nodig die wist wat er in Congo speelde. Maar zo iemand was op het ministerie niet te vinden. Ik had in Congo al met Robert Rothschild samengewerkt. Ik kom daar later nog op terug.
15
Rothschild, die toen weer kabinetschef van Spaak was geworden, wilde me aan boord hebben, wat de minister in een lastige situatie manoeuvreerde, want ik was geen socialist. Zijn partij sprak er schande van, maar hij antwoordde dat het kiezen van zijn medewerkers zijn taak was. En zo stuurden de gebeurtenissen mij een andere kant op en leidde ik niet langer het bestaan dat normaal was voor een diplomaat van mijn leeftijd. In 1964 moest Rothschild echter vertrekken vanwege zijn slechte gezondheid en zijn vreselijke rugpijnen, en Spaak benoemde me tot kabinetschef. Dat verraste me, want ik beantwoordde niet aan het profiel van een kabinetschef van een socialistische minister. Toen Spaak later uit de regering stapte, raadde hij Pierre Harmel aan me te houden. Ik had het geluk aan mijn zijde. In 1964 was ik tweeëndertig jaar oud, wat zeker in die tijd heel jong was om al zo’n functie te hebben. Als kabinetschef moest ik gesprekken voeren met hoge ambtenaren, de secretaris-generaal, de politiek directeur, doorgewinterde ambassadeurs, en die hadden moeite om me te aanvaarden. Ik herinner me niet welke ambassadeur me ooit vertelde hoe pijnlijk hij het vond om instructies van de minister te moeten ontvangen via een attaché van de ambassade – dat was de laagste administratieve rang die je in je carrière kon bekleden, je kon dus onmogelijk lager zijn dan ik. Ik heb hem toen simpelweg geantwoord dat hij er alvast maar aan moest wennen! Dat was niet echt hoffelijk of diplomatisch…
16