SIEN VOLDERS BIJ ONS Van middelmaat tot meesterschap
D/2019/45/184 – ISBN 978 94 014 6083 5 – NUR 740 Vormgeving cover: Studio Lannoo Vormgeving binnenwerk: Studio Lannoo Zetwerk binnenwerk: Studio Lannoo © De auteurs Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Academia Press Coupure Rechts 88 9000 Gent – België www.academiapress.be
KARAKTERS  Filosofie en literatuur in zakformaat
SIEN VOLDERS BIJ ONS Drie verhalen over afscheid, afstand en achterklap
INHOUD
Les Sangliers  7 Zure soep en dode kippen 19 Mollenvellen en bruidssluiers 33
LES SANGLIERS
Op televisie zijn het altijd twee agenten die in het holst van de nacht aanbellen met slecht nieuws, bij ons in Bouillon is dat Alphonse van het tankstation. Met zijn Opel Kadett komt hij net na het avondeten aangereden. Niet eens met gierende banden, nee, hij parkeert gewoon en wandelt naar de voordeur. ‘Francine, Albert, venez. Marcel is van zijn brommer gereden. Het ziet er niet goed uit, ik breng u naar het hospitaal.’ Dat is het dan. Er volgt nog: ‘Martin, gij blijft hier en past op de kleine.’ Dus blijf ik achter, bij de borden met resten bechamel saus en mijn huilende broertje. Later die avond, nacht, het is bijna ochtend, komen ze thuis. Ik zit in de zetel met het hoofd van onze kleine Thierry op mijn schoot. Meneer pastoor is erbij en hij vertelt mij dat ik nu de oudste ben. Pa rookt en drinkt en zwijgt en doet sindsdien nog enkel dat: roken, drinken en zwijgen. Ook moeder is blijven steken in die nacht. Ze zit daar maar te zitten. Alleen wanneer meneer pastoor komt praten en haar handen vastpakt krijgen haar wangen kleur, en hij wijn en aandacht. Wanneer hij weer vertrekt, hervalt ze in dat bleke zwijgen.
7
Ook nu, vanavond, zit pa weer in de zetel, rokend en drinkend naar een match te kijken terwijl hij volgens mij niet eens weet wie er speelt. Moeder zit aan tafel, de handen gevouwen, bleek en stil. Een wassen kaars zonder vlam. Het is herfst, Marcel is dood en plots ben ik de oudste. Hij was mijn broer. Hij was de grootste, de sterkste, de slimste. Voor de eerste keer ben ik niet altijd en overal de tweede. Al zo lang ik me kan herinneren is het dat wat ik wil en ik schaam me er kapot om, want ik wilde het niet zo, niet hoe het gelopen is. Sinds zijn dood gaat alles steeds steiler bergaf. Twee herfsten geleden was Marcel voor het eerst een van de everzwijnenmannen en het enige dat alles nog een beetje zin zou kunnen geven is wanneer ik, na hem, mee mag met Les Sangliers, in zijn kostuum en zijn rol. Nog een paar dagen en het is zover. Dan is het SintHubertus. Iedereen is bezig met de voorbereiding van de processie. Vooraan loopt daarin eerst de pastoor, met zijn misdienaars en het kruis. Daarachter komen de schone maagden, de mooiste meisjes van de stad, in lange jurken met palmtakken. Rijk moet je daarvoor niet zijn, e nkel knap. Moeder heeft altijd een dochter gewild en volgens mij is dat vooral omdat die dan achter de pastoor zou
8
mogen aansjokken. Na de maagden komt de praalwagen met bovenop de jonge Sint-Hubertus in een groene mantel met goudbrokaat, en het hert met het kruis in hout en papier-machĂŠ tussen het gewei. Sint-Hubertus is altijd een notaris- of dokterszoontje. Een omhooggevallen flapdrol. Toen we kleiner waren, verstopten Marcel en ik ons achter de kantelen van de stadsmuur om van daaruit te schelden naar de zielenpoot die dat jaar in een soepjurk mocht staan blinken. Achter Sint-Hubertus komen alle gildes van de stad. Bakkers, schutters, schilders, de hele bataclan. En dan komen Les Sangliers. Nooit in het begin van de optocht, altijd pas ergens halverwege. Vanuit de bossen komen ze, als een horde. Het is luid, het is griezelig, ze komen uit een andere tijd. Als kleine kinderen stonden Marcel en ik te rillen van schrik wanneer ze eraan kwamen. We zagen geen mannen in everzwijnenpakken, we zagen monsters, demonen uit het bos. Hoe groter we werden, hoe meer we ernaar uitkeken. Met dikke, zwarte laarzen komen ze aangestampt, hossend en dansend. De koperen bellen aan hun riemen galmen tot je oren ervan tuiten. De been- en armstukken in hertenpels, het borststuk in de stuggere vacht van de ever. De maskers zijn opgezette everzwijnenkoppen, de ooggaten met rode verf omrand, de slagtanden vervaarlijk. De kruinen toornen breed uitlopend hoog boven de menigte uit en zijn
9
feestelijk getooid met kwasten in de driekleur: zwart, geel en rood. Vandaag kapten ze in de bossen jonge berkentakken met vlammend gele bladeren om de tenten van de braderie mee te versieren. Het podium is al getimmerd en in de overdekte markthal stinkt het naar de verf van de pas geschilderde praalwagens. Ik heb geprobeerd om mee te doen, echt. Omdat het moet van de dokter. Omdat ik niet weet wat ik anders moet doen. Ik ben gaan kijken in het bos en bij de schilders, ik ben gaan luisteren in de kerk waar het koor repeteert. Iedereen gaapt mij aan en doet raar. Wanneer ze tegen me praten lijkt het alsof ze denken dat ik vijf jaar ben, om gek van te worden. Ik kan er ook niets aan doen dat ik Marcel niet ben en wat mij betreft kunnen ze allemaal de boom in. Ik ben mijn broer kwijt, ik ben niet ineens ook gatachterlijk of zo. Ik zit op de vloer in het halletje voor de voordeur, tegen de houten lambrisering, te bidden dat er aangebeld wordt. Voor mij. Door Les Sangliers. Het is er koud en de mottenballengeur van de pas uit de kast gehaalde winterjassen is bedwelmend. In het licht van de straatlantaarn tel ik de knopen in het hout, tot mijn billen gevoelloos zijn en ik met lamme benen de trap oploop, naar onze kamer. Mijn kamer. Marcels bed staat nog altijd naast het mijne,
10