Skip to main content

9789401460187

Page 1

WWW.LANNOO.COM Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Coverontwerp: Herman Houbrechts Coverfoto: © Getty Images (Popper, SS-propagandafoto) Opmaak: Keppie & Keppie Oorspronkelijke uitgave: Flor Peeters, 40 maanden Oraniënburg, Sint-Niklaas, M. Van Haver, 1946 © Flor Peeters, Lukas De Vos en Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2020 d/2020/45/180 – isbn 978 94 014 6018 7 – nur 689 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Opgedragen aan de familie Peeters

‘Mijn vader en drie van zijn broers werden tijdens de Tweede Wereldoorlog gedwongen bij de Wehrmacht te gaan. Ik herinner me familiebijeenkomsten van toen ik een klein jongetje was, waarbij ze naarmate de avond vorderden hun verhalen vertelden. Dat ze vochten in het verkeerde uniform, een “gehaat uniform”, zoals ze zeiden. Zij waren een lost generation. Mijn vader en zijn broers hadden geen enkele jeugd. Mijn vader had nog nooit zijn dorp verlaten toen hij op zijn negentiende van de ene op de andere dag naar het oostfront in Rusland werd gestuurd. De kinderen van nu hebben er geen idee van. Ze hebben ook geen grootvader meer die het ze kan vertellen. Ik ben diep onder de indruk van de ervaringen van die verloren generatie van mijn vader.’ Jean-Claude Juncker, oud-voorzitter van de Europese Commissie (de Volkskrant, 12 oktober 2019)


INHOUD

Verantwoording

7

J’accuse. Een christelijk intellectueel in een SS-concentratiekamp

9

40 maanden Oranienburg

17

Toelichtingen. Spaanders van een wereld

243

Vrede en rede. Mijn vader Flor Peeters

397

Korte bibliografie Sachsenhausen

401

Dankwoord

403

Register

405


VERANTWOORDING LUKAS DE VOS

De foto op het voorplat toont het bedrieglijke karakter van de voorstelling die de nazi’s van hun concentratiekampen maakten. Het lijkt alsof het wegscheppen van sneeuwrestanten een simpel nutswerk is. Het gaat om een propagandafoto van de diensten van Goebbels. Ze staat in schril contrast met de levens- en werkomstandigheden, de SS-uitbuiting, de dwangarbeid, de uithongering, de folteringen, de medische experimenten, en de uitmoording. Deze (anonieme) foto is een ‘Fotoikone’, een bekende foto waarvan het belang verder gaat dan de foto zelf. Ze moet symbool staan voor het keurige Konzentrationslager (KZ) Sachsenhausen, waar gevangenen in nette kleren en met degelijk schoeisel, lichte arbeid verrichten, een bijna idyllisch beeld. De foto dateert uit de winter van 1941-1942. Wachttoren A op de achtergrond geeft de indruk een goed onderhouden stadspoort te zijn. Verfraaiing en enscenering waren het fotoshoppen van toen. De keuze voor een propagandistische foto op het voorplat onderstreept ook de ironische nieuwe titel die ik aan dit dagboek wilde geven – Flor Peeters’ originele boektitel was 40 maanden Oraniënburg (1946). Mijn triomf van de wil verwijst uiteraard naar de ‘documentaire’-film Triumph des Willens van Leni Riefenstahl (1935), die op technisch sterk manipulerende wijze de hergeboorte van het ‘Duitse Rijk’ vat aan de hand van een gefilterde evocatie van de Rijkspartijdag die de nazi’s in Nürnberg hielden (september 1934). Riefenstahl begreep als geen ander dat massahysterie de individuele overtuiging stroomlijnt. Want, zoals Susan Sontag in Over fotografie opmerkt, ‘de heroïek van het kijken’ leidt altijd tot identificatie met schoonheid en waarachtigheid. ‘Niemand heeft ooit via foto’s lelijkheid ontdekt. Maar velen hebben van foto’s schoonheid ontdekt.’ De kracht van een foto moet zijn dat ze geen uitleg meer behoeft. Dan capituleert de kritiek. Die vrijwillige overgave aan de bedrieglijke lichtbak van de macht staat in schril contrast met wat de slachtoffers ervan als tegenzet hanteerden: bokkige koppigheid om alle drukkingsmiddelen te weerstaan. Zo moet ook het dagboek van Flor Peeters gelezen worden: als stugge verwerping van hersenspoeling en van het Grote Gelijk. Het is net in de opgezette schoonheid dat het monster zichtbaar wordt.

7


Flor Peeters in zijn privébibliotheek (Sint-Niklaas, ca. 1950) (privécollectie familie Peeters)


J’ACCUSE. EEN CHRISTELIJK INTELLECTUEEL IN EEN SS-CONCENTRATIEKAMP LUKAS DE VOS

‘Speer, gij zijt een massamoordenaar. Ik zeg het u niet, het zijn de honderden onschuldigen, die door uw geldgier, uw hebzucht, uw meedogenloze wreedheid in de dood gejaagd zijn.’ Dat schreef de latere hoogleraar Flor. [Florent] Peeters (1909-1989) in zijn heftige en ontluisterend relaas over 40 maanden Oraniënburg. Hij schreef het in 1945. Hij had geen driekwart eeuw nodig om tot dat inzicht te komen. Hitlers bouwmeester en minister van Bewapening Albert Speer is de ware oorlogsmisdadiger en niet de ‘nette nazi’ zoals hij zich altijd voordeed, zo ook in Nürnberg toen hij aan de galg ontsnapte. Belangrijke publicisten als Joachim Fest, Gitta Sereny en Wolf Jobst Siedler waren hem altijd ten volle blijven steunen. Pas in 2017 weerlegde Magnus Brechtkens in Albert Speer. Eine deutsche Karrier dat beeld met wetenschappelijk bronnenonderzoek. De kracht van Flor Peeters’ gedenkschriften ligt vooral in de rationele filering van de retoriek, propaganda en onmenselijkheid die het nazibewind kundig hanteerde. En in het blootleggen van de echte drijfveer van de ‘bloedhond Heinrich Himmler’: de economische uitbuiting van ongewensten, ‘minderwaardigen’ en politieke tegenstanders. Peeters was goed geplaatst om dat te onderkennen. Hij had zelf al doctoraten behaald in de klassieke filologie en de wijsbegeerte, en een kandidatuur in de rechten. Hij had internationale ervaring opgedaan toen hij zich tussen 1936 en 1938 als laureaat van een regeringsreisbeurs verder bekwaamde in Dijon, München, Wenen, Portugal en Spanje. Hij had onmiddellijk herkend wat het totalitaire slangenei in Europa uitbroedde. Met zijn boeken Het bruine bolsjevisme (1937) en Verzamelde opstellen over het nationaal-socialisme (1940) had hij alle bruggen al verbrand. Want Peeters was gedreven door drie kernwoorden: gezin, geloof, vaderland. Die hebben hem rechtgehouden in de ruim drie jaar die hij in Sachsenhausen doorbracht. En overleefde. Gevlucht naar Frankrijk en om familie-

9


redenen teruggekeerd, leefde hij anoniem tot hij verraden werd en op 26 september 1941 werd opgepakt. Vanaf januari 1942 zat hij in Sachsenhausen, een bijzonder kamp dat rechtstreeks van het SS-hoofdkwartier in Berlijn afhing. Alle stadia maakte hij mee: ijzige winters, geallieerde bombardementen, vernederingen, slavenarbeid in de moordende houtindustrie, de strafmarsen, de mishandelingen, de onderlinge opgefokte nijd tussen de gevangenen (de communisten waren het best georganiseerd en de SS liet hen daarom de ‘zelfbestuurfuncties’ organiseren), de afschrikking, de mensonterende toestanden in de Klinkerwerke of het Revier. Want Sachsenhausen was geen uitroeiingskamp. Het was een uithongeringskamp waar arbeid werd uitgeperst ten voordele van de wapenuitrusting van nazi-Duitsland en de collaborerende grootindustrie. Wie geen nut meer had, werd vernietigd: gaskamer, nekschot, medische experimenten, of gewoon doodgeslagen of opgehangen. Sachsenhausen werd model en toezichthouder voor alle andere concentratiekampen en zijn bijna honderd buitenkampen. Maar Peeters beperkt zich niet tot het noteren van die schandelijke behandeling en zijn persoonlijk lijden. Hij tekent eigenlijk een staalkaart uit van, behalve het neokoloniale economische ontwerp, de geopolitieke wijzigingen, de ideologische hardnekkigheid die tot de Koude Oorlog zou leiden, de antropologische studie van een nieuwe, opgelegde gemeenschap, en vooral de ethische onderstroom die alle lijden moet dragen. ‘Geen klassenhaat en materialisme, maar geloof en liefde kunnen ons helpen.’ Dat blijkt uit de brieven aan zijn ‘vrouwke’ Helena Luyten. Toch is de teneur van het boek er een van wrok, van verwerping, van veroordeling. Maar zijn gewetensnood wordt getemperd door een onwrikbaar ultramontaans geloof, blijvende studiebereidheid en onverzettelijke leopoldistische vaderlandsliefde. Het meest wraakroepende deel is het gedetailleerde verslag van de Dodenmars naar Schwerin door het Belower Woud. Er zijn maar drie omstandige Belgische verslagen gekend. Ze komen alle van standvastige katholieken. En alle drie werden nog in hetzelfde jaar 1945 geschreven. Een in het Duits: Hungermarsch in die Freiheit, 21. April - 21. Mai 1945 van Henri Michel, toenmalig hoofdredacteur van de Grenz Echo in Eupen. Twee in het Nederlands: het relaas van Flor Peeters en De marsch tegen den dood van zijn boezemvriend Louis Kiebooms, de ‘hoofdopsteller’ van Gazet van Antwerpen die al in 1940 naar Sachsenhausen was afgevoerd. Er zijn weinig ontluisterender verhalen over de lafheid, wreedheid en kortzichtigheid van het SS-‘elite’-korps dan de vlucht uit de hel naar de hel.

10  Mijn triomf van de wil


40 MAANDEN ORANIENBURG FLOR PEETERS

40 maanden Oranienburg 

17


Lina laß das Weinen sein, Übers Jahr, wenn die Rosen blüh’n Werd’ Ich wieder bei dir sein1


VOORWOORD

Ik heb dit voorwoord geschreven toen het werk af was. Het eerste wat ik zeggen wilde, is dat ik er niet in geslaagd ben het onnoemelijke lijden van de vele duizenden te vertellen in al zijn aangrijpende wreedheid. Ik voel nu bij het einde van dit werk de behoefte om de vele doden te zeggen dat ze maar een zeer onbekwame vertolker kregen, die hun lijden in beeld brengt. Ik heb gedaan wat ik kon. Ik ben geen letterkundige. Ik geloof trouwens dat een letterkundige het niet beter zou gedaan hebben. Want om dit onderwerp te doorgronden moet je een genie als Dante zijn. In het kamp van Sachsenhausen was het onmogelijk om aantekeningen te maken. In het begin hadden we geen potlood, geen papier. Later, toen we wel schrijfgerief hadden, bleef altijd het gevaar bestaan dat onze kasten en laden doorzocht werden, in het kamp en op de werkplaats. Vond de SS iets, dan betekende dat de dood. De kampleiding wist wel dat dergelijke notities niet bedoeld waren om later veel goeds te schrijven over het kamp en zijn meesters. Maar gedurende mijn verblijf in het kamp, zeker in de tweede helft van 1944, heb ik ’s avonds veel gewandeld en al wandelend geprobeerd mij de gebeurtenissen terug voor de geest te halen en hele verhalen al in mijn geheugen uit te werken. Soms stelde ik me voor dat ik voor een publiek stond. Dan bracht ik het verhaal van wat de SS met ons gedaan had. Zo tekende ik innerlijk hele voordrachten uit. Dat is de goede methode gebleken. Na de bevrijding heb ik me onmiddellijk aan het werk gezet, en met steekwoorden alles in chronologische volgorde opgetekend. Het schema heb ik te danken aan twee vrienden. Zij maakten het mogelijk dat ik mijn steekkaart kon afschrijven in het commando DAW (‘Deutsche Ausrüstungswerke’ of de Uitrustingsfabrieken voor Defensie) en in het hospitaal. Bovendien kon ik ook gebruikmaken van de brieven die ik naar mijn vrouw had gestuurd, vooral om sommige gebeurtenissen op te frissen. In dit voorwoord wil ik de gelovige lezer vragen om na lectuur van dit boek de vele duizenden doden in al hun gebeden te herdenken, zij die gestorven zijn door ziekte of mishandeling in Oranienburg. Gedenk vooral mijn drie goede

40 maanden Oranienburg

19


vrienden, minister Arthur Vanderpoorten2, Nederlands minister Timotheus Verschuur3 en pater Van Ostayen4. Minister Vanderpoorten, die in Oranienburg al goed op weg was om zich te bekeren, is ongetwijfeld christelijk gestorven in Bergen-Bilzen5. Minister Verschuur, de vrome en ingoede Hollander, omhelsde mij voor zijn vertrek naar Bergen-Bilzen alsof hij mijn vader was. Met hem heb ik op kerstdag 1944 in de kelder van hospitaal 2 het kerstverhaal gelezen in mijn Manuale Christianum6. Pater Van Ostayen gaf me voor zijn vertrek naar BergenBilzen nog de zegen tussen de bedden van de slaapzaal in blok 15. Ik hoor nog zijn stille woorden, ‘benedictio dei omnipotentis’, ik zie nog zijn handen, mager en geel, waarmee hij heel schuchter het zegeningsgebaar maakte. En gij, communisten, die mij wilden breken, gij Buchmann7 en Rotkegel8, die mij naar het commando Speer hebt gestuurd om er te creperen, gij Harri Hüttel9, die mij uit het hospitaal geworpen hebt om mij naar Bergen-Bilzen te doen sturen, gij allen zijt hoogstwaarschijnlijk ook alle drie dood. Ik vergeef u wat ge een sukkelaar, een professor uit dat kleine België misdaan hebt in uw blinde klassenhaat en uit angst uw postje te verliezen. Ook u beveel ik aan in de gebeden van al wie dit verhaal zal gelezen hebben. In het kamp waart gij de uitverkorenen. Wij noemden u de ‘Lageradel’. Ik wens u dat ook gij onder de uitverkorenen van God moogt zijn. Een communistisch onderwijzer uit Kiev, die lang met mij in hetzelfde bed heeft geslapen, vroeg mij op een avond ‘of ik al de materialistische filosofie van Marx en Bebel10 kende’. Ik zou graag de vraag omkeren: ‘Weet gij reeds dat de geestelijke kracht veel sterker werkt en dat het geloof veel meer uithoudingsvermogen schenkt dan de pillen die de SS toediende om sommige gevangenen drie dagen en drie nachten, zonder rust, zonder eten, zonder drinken, te laten marcheren, kortom, dat uw materialistische filosofie onzin is?’ Heel mijn verblijf in het kamp heeft het bewijs geleverd dat zowel nationaalsocialisme als bolsjewisme te veroordelen zijn. Voor de oorlog schreef ik een boekje tegen het nationaalsocialisme, Het bruine bolsjevisme. Wat ik in het kamp heb ondervonden, doet mij denken aan het ‘rode nationaalsocialisme’11. Alleen Christus en zijn evangelie zullen ons, arme dompelaars van mensen, uit de miserie helpen. Niet klassenhaat en materialisme. Wel geloof en liefde, die kunnen ons helpen.

20  Mijn triomf van de wil


INLEIDING

Wie al lang in het kamp zat, vertelde me dat Sachsenhausen-Oranienburg in 1936 werd gesticht door gevangenen die van kamp Esterwegen12 kwamen. Ze woonden een tijdlang in een gesloten brouwerij in Oranienburg. Elke morgen vertrokken ze van daar om de bossen te rooien tussen de stad en de gemeente Sachsenhausen. De dwangarbeiders waren toen allemaal Duitsers. Ze verbonden beide woonkernen met een brede asfaltweg. Op de ontboste terreinen werden ten zuiden van deze weg talrijke legergebouwen opgetrokken: kazernes, garages, magazijnen, werkplaatsen. Ten noorden het kamp, met daarrond verschillende werkhuisbarakken. Het geheel van deze bouwwerken was omgeven door een zogenaamde ‘SS-Siedlung’. Dat was een nieuwe wijk van grotere en kleinere villa’s. De gevangenen bouwden ze, de SS-leden woonden er. De schoonheid en de grootte van een villa-met-tuin hangen af van de graad die de bewoner heeft bij de SS. Wie zich vanuit Oranienburg naar het kamp begeeft, gaat door een dubbele grote poort. Daarachter verspert een slagboom de toegang, rechts ligt de barak van de poortwachters. In de ringmuur zijn vierkante wachttorens ingebouwd voor wachtposten. Op de muur is een dubbele lijn prikkeldraad aangebracht, die onder stroom staat. De grote rechthoekige ruimte achter deze muur is voorbehouden aan de bijgebouwen waar de kampleiding leeft, de ‘Kommandantur’. Daar slapen de blokoversten (‘Blockführer’), daar zijn, naast een keuken en een kantine, de voorraadkelders en kantoren. Achter deze rechthoek loopt de muur van het eigenlijke kamp. Hij sluit aan bij de eerste muur, waar het ‘Kommandanturbereich’ ophoudt. De kampmuur is meer dan twee meter hoog. Op de muur opnieuw elektrisch geladen prikkeldraad, hier in driedubbele lijn. Op regelmatige afstanden zijn er wachttorens die boven alle andere gebouwen uitsteken en waarin wachters staan opgesteld met machinegeweren. Achter de muur loopt rond het volledige kamp een brede weg voor de bewakers, de zogeheten ‘Schlauch’. Ook die is helemaal omringd met, alweer, een onder stroom gezette prikkeldraadversperring, twee meter diep en meer dan twee meter hoog. Achter die afscheiding ligt een neutrale zone; gevangenen mogen die niet betreden. Op afgemeten afstand zijn overal zwarte plaatjes bevestigd met een witte

40 maanden Oranienburg

21


doodskop en andere houten bordjes met de dreigende tekst: ‘Neutrale Zone! Es wird ohne Anruf sofort scharf geschossen’. We komen het kamp binnen door de eerste poort langs de brede asfaltweg die door het Kommandanturbereich naar de tweede poort leidt. Dat is eigenlijk een poortgebouw met talrijke vertrekken en kantoren. Dwars daardoor loopt een ruime gang. Hij is afgesloten door een zware ijzeren poort, met het opschrift ‘Arbeit macht frei’13. Bij deze poort bevindt zich de kamer van de wachtposten met dienst, de ‘Blockführerstube’. Als we door de poort zijn, staan we op het appelplein. Dat heeft de vorm van een halve cirkel, de muur vormt de diameter. Rond deze halve cirkel staan de barakken opgesteld met hun smalle zijde naar het plein, ongeveer zoals de spaken van een wiel rond de as. De eerste ring van barakken ligt onmiddellijk tegen het plein, daarachter de tweede, derde en vierde ring. In totaal zijn er zo’n zeventig barakken.14 We staan nu op het appelplein met de rug naar de poort. Boven op de poort staat er nog een geschutstoren. In de uiterst linkse hoek liggen de hospitaalbarakken, met een kelder die dienstdoet als lijkenhuis. Vlak daartegen en er gedeeltelijk bovenop is er een barak die dienstdoet als bordeel. Officieel heet die de ‘Sonderbau’. Van de poort uit loopt er dwars door het kamp, loodrecht getrokken op de muur van het poortgebouw, een brede weg van beton, de ‘Lagerstraße’, de Kampstraat. Links van deze weg vind je de wasserij, rechts de keuken met de voorraadkamer. Alle overige bouwsels zijn woonbarakken. Uitzondering vormen de effectenkamer, waar onze reiskoffers in bewaring liggen, de kleedbarak, de kantine en de ontluizingsbarak. Langs de rechterkant staan de barakken van de Russische krijgsgevangenen en van de Strafcompagnie, de beruchte SK. In 1945, na geallieerde bombardementen op een vrouwenkamp waar gasmaskers werden gemaakt, heeft de legerleiding daar enkele barakken ontruimd om er vrouwen in onder te brengen. In dezelfde hoek bevindt zich ook de gevangenis – de ‘Bunker’ – met folterkamer. Nog meer naar rechts staan enkele werkloodsen, de ‘Verwaltungswerkstätten’. Daar wordt uitsluitend voor de SS15 gewerkt. Voorts is er nog het Kommando der ‘Ledertrenner’, waar alle schoeisel van de honderdduizenden vermoorde joden uit Lublin en Auschwitz wordt uiteen getrokken om er edelstenen, het goud en de bankbriefjes uit te halen. Ten slotte is er ook nog een werkplaats voor uurwerkmakers en een valsmunterij voor buitenlands papiergeld16. Achter het kamp, tussen de eerste en de tweede omheining, liggen nog enkele commandowerkplaatsen, maar ook de gaskamer, het crematorium en de executiegracht. In het midden van het kamp, op de plek waar de Lagerstraße de

22  Mijn triomf van de wil


barakken in twee groepen deelt aan de grens met het appelplein, zijn er twee gemetste gaten in de grond. Om de galg op te richten. Op de wanden van de naar het plein gekeerde barakken staat een spreuk van de puurste nationaalsocialistische huichelarij: ‘Es gibt einen Weg in die Freiheit, seine Meilensteine heißen Ordnung, Sauberkeit, Gehorsam und Liebe zum Vaterlande.’

Het hoogste gezag over het hele kamp met al zijn bijgebouwen berust bij de Lagercommandant, van 1940 tot 1942 was dat Obergruppenführer Hans Loritz17. Hij voert het bevel over alle SS’ers van de Kommandantur én over het kamp zelf. Ook de SS-afdeling van de 4de Compagnie van de Adolf Hitlerstandarte18 valt tijdens haar opdracht onder hem. Zij doet gewoonlijk de bewaking. Voor het kamp zelf wordt hij bijgestaan door de Lagerführer. Deze kampoverste heeft de graad van Obersturmführer. Hij is zo goed als heer en meester over leven en dood van de gevangenen. Hij leidt de hogere administratie van het kamp. De belangrijkste organen waarmee hij het kamp bestuurt, zijn de censuurdienst, de politieke afdeling (‘Politische Abteilung’) en de Blockführers. De censuur doorsnuffelt alle gedrukte en geschreven documenten die binnenkomen of buitengaan. Een gevangene mag om de veertien dagen schrijven. En als hij dat niet doet, dan dwingt men hem ertoe. Het reglement is echter zo enggeestig en streng dat er aan schrijven weinig plezier is. Mocht een briefje geen teken van leven zijn, dan zouden vele gevangenen minder of zelfs nooit geschreven hebben, want nieuws kon je toch niet meegeven. De Politische Abteilung had een kantoor in het Kommandanturbereich en hield zich bezig met officiële aangelegenheden: het geven van volmachten, het legaliseren van handtekeningen, aankondiging van geboortes, overlijdens, testamenten en dies meer. Vroeger werden overlijdens in het kamp geregistreerd op het bureau van de burgerlijke stand in Oranienburg. De nazi’s hadden daarbij de onaangename ervaring opgedaan dat er over het grote aantal sterfgevallen tot in de buitenlandse pers geschreven werd. Daarom zijn de latere overlijdens opgetekend bij de politieke afdeling. Alleen de naaste familie werd vanaf dan nog ingelicht en niemand kon nog een algemeen overzicht krijgen. Onnodig te zeggen dat, toen de Russen oprukten in april 1945, alles wat bijgehouden werd in die afdeling verbrand werd. Ook de gegevens van het hospitaal, die handelden over de ‘ziektepapieren’ van ongeveer 30.000 doden – de jaren 1944 en 1945 waren daar niet bij –

40 maanden Oranienburg

23


werden vernietigd. Meermaals heeft de kampleiding het volledige nummersysteem veranderd om elk ernstig onderzoek onmogelijk te maken. Toen ik in januari 1942 in het kamp kwam, kreeg ik nummer 40981. Er waren toen in het kamp en de buitencommando’s* zowat 12.000 gevangenen. Het verschil van 28.981 gevangenen is geen getal dat statistisch juist kon zijn. Het kon het getal der doden niet aangeven, om de eenvoudige reden dat vele nummers tussen één en tienduizend onbezet zijn gebleven. De lagere cijfers onder 10.000 gingen een tijdlang naar misdadigers, politieke gevangenen kregen een nummer hoger dan 10.000. Er bestaat evenwel een reden om aan te nemen dat er in de periode van 1936 tot januari 1942 veel meer dan die 28.981 gevangenen gestorven zijn. Vanaf 1 januari 1942 werd er geregeld doorgenummerd. Het hoogste nummer is bereikt in 1945, nummer 138.000. In diezelfde periode steeg het aantal kampbewoners van 12.000 tot rond de 40.000; de commando’s die afhingen van het kamp zijn meegerekend. Toen moesten de grote transporten naar Bergen-Belsen nog beginnen. Daar zijn nog duizenden mensen uit Oranienburg aan tyfus gestorven. We kunnen grosso modo het volgende als becijfering opstellen. Van januari 1942 tot begin 1945 stijgt de nummering van 40.981 tot 138.000. Dat betekent 97.019 nieuw aangekomenen. In dezelfde tijdspanne stijgt het aantal bewoners van ongeveer 12.000 tot om en bij de 40.000, of 28.000 nieuw aangevoerden. Het verschil tussen 97.019 en 28.000 geeft voor de jaren 1942 tot begin 1945 ongeveer het aantal overlijdens, 70.000 doden. Het feit dat er in de loop van die jaren gevangenen op transport zijn gezet, maakt dat we die moeten aftrekken van het effectieve getal. Hun nummers zijn onbezet gebleven. Dat wordt geneutraliseerd door: 1. Een groot aantal van deze transporten waren zogenaamde ‘Himmelfahrttransporten’. Het gaat om zieken, kreupelen en uitgeputten die in de gaskamer van een ander kamp verdwenen, waar grotere installaties waren. 2. In de overige transporten is het sterftecijfer zeker groter geweest dan in het kamp, omdat ze zonder uitzondering met zware arbeid werden belast, en nog slechter voedsel kregen dan in het kamp. Dat kwamen we te weten van enkele gelukkigen die uitzonderlijk konden ontsnappen en terugkeerden.

*

Buitencommando’s – Niet te verwarren met ‘Außenlager’, nevenkampen. De commando’s trokken of werden elke dag gevoerd naar hun werkstek, de nevenkampen hadden hun eigen infrastructuur. Uit een commando kon een kamp groeien. Vanaf 1942 zijn er meer dan honderd geteld die nauwe banden hadden met de industrie (Siemens, AEG, Heinkel, Daimler-Benz, Henschel-Werke, IG Farben, die allemaal dienstig waren in de oorlogsindustrie). Op grondgebied Sachsenhausen zelf was de belangrijkste (en dodelijkste) de Klinker-Werke, die vooral stenen en tegels moest maken voor de nieuw geplande hoofdstad Germania. Daartoe moesten de gevangenen ook een haventje uitbouwen, een moordend werk.

24  Mijn triomf van de wil


3. In januari en februari 1945 reden vrachtwagens vol lijken en stervenden binnen, die nooit een nummer hebben gekregen. 4. Talrijke nieuwelingen bleven aan de poort staan en werden onmiddellijk doodgeschoten zonder opgenomen te zijn in het nummerstelsel. 5. De laatste dagen zijn nog ettelijke honderden zieken en verdachten onder de kampbewoners naar de gaskamer en het crematorium gestuurd. 6. Ten slotte zijn circa 12.000 Russische soldaten, die geen nummer hadden, doodgeschoten en verbrand. Als ik voor de jaren 1942 tot 1945 samen 1200 dagen tel, dan kom ik met de 70.000 doden aan een gemiddeld sterftecijfer van 58 per dag. Een gemiddelde dat zeker niet overdreven lijkt als je bedenkt dat in de jaren 1942 en 1943 de overlijdens per dag schommelden tussen de 100 en de 200, terwijl een secretaris in het lijkenhuis getuigde dat er nooit minder dan 17 per dag waren. Maar dat was in de beste periode van 1944. Toen kwamen er pakketten en het voedsel in het kamp ging er wat op vooruit, en je kreeg ook meer. Ik herhaal dat in dit aantal doden – het steunt op gissingen – de gestorvenen in Bergen-Belsen en de slachtoffers van de evacuatie in april 1945 niet zijn opgenomen. De lezer kan zelf oordelen.19 Buiten de censuur en de politieke afdeling waren er ook nog de helpers van de Lagerführer, de Blockführer. Dat waren mannen van de SS, die elk een deel van de barakken onder zich hadden en echte geschoolde sadisten waren. In principe was het een gewone gevangene verboden zelf een SS’er aan te spreken. Later is dat veel minder streng geworden, maar het verbod is nooit officieel opgeheven. De hele lagere administratie van het kamp was in handen van gevangenen. Aan het hoofd stond de kampoudste, de ‘Lagerälteste’, aangesteld door de Lagerführer. In overleg met die laatste benoemde de Lagerälteste de barakhoofden of Blockältesten. Nu was elke barak ingedeeld in twee vleugels. Het barakhoofd kreeg dan steun van de tweede vleugelvertegenwoordiger, de ‘Stubenälteste’. In elke vleugel stonden er vijf of soms zes tafels, aan elke tafel zat ook een verantwoordelijke, de ‘Tischälteste’. Onder deze barakoverheden stonden nog enkele klusjesmannen (‘Kalfakter’) – de opruimploeg – en de ‘Auskeller’, die de soep uitschepten. De Block- en Stubenältesten kregen van de SS de volmacht om de andere gevangenen te straffen, te mishandelen en hen op alle denkbare manieren het leven zuur te maken. Zij waren, in de hatelijkste zin van het woord, ‘collaborateurs’. De SS was onvoldoende talrijk om een zo grote massa gevangenen voortdurend onder de knoet te houden. Dient het gezegd dat machtsmisbruik,

40 maanden Oranienburg

25


kliekjesgeest, diefstal ten nadele van de gevangenen, de ruwste mishandelingen, valse beschuldigingen, haat en nijd hoogtij vierden? Het waren immers niet de besten die zich leenden tot dat verwerpelijke knechtenwerk. Opstand tegen die collaborateurs werd bestraft zoals muiterij. Een beroep op de SS zelf was praktisch onmogelijk. Dat zou alleen maar geleid hebben tot mishandeling door de SS en tot weerwraak van hun kornuiten. Ze beschikten over alle macht om iemand die hun in de weg liep langzaam dood te martelen. Hier kun je al zien hoe de gedragslijn van de SS tegenover gevangenen bepaald werd door het oude ‘divide et impera’-beginsel, verdeel en zaai onenigheid om zelf baas te blijven. Maar zelfs met hun knechten waren de SS-overheden niet bevriend. De SS gebruikte ze voor alle vuile werk, dat zeker, en deed daar zijn voordeel mee. Stelen uit de pakjes was dagelijkse kost. De ‘prominenten’ waren het ook onderling oneens. Ze kuipten, intrigeerden en lasterden tegen elkaar bij de SS, en onder mekaar. De SS vroeg niet beter. Ze wakkerde dat spelletje aan door de verrader steevast te belonen met een of ander goed postje. Het gevolg was dat bij het personeel van de Ältesten aanhoudend wisselingen en vervangingen gebeurden, een onophoudelijk komen en gaan van andere knechten, van andere kliekjes. Het machtsspel viel niet moeilijk toe te passen, want de samenstelling van de kampbevolking leende zich daar uitstekend toe. Eerst en vooral was er de tegenstelling tussen de Duitsers en de buitenlanders. Bij de Duitsers moet je ook de Oostenrijkers voegen, de Dantzigers en de Volksduitsers uit Sudetenland en Pools Opper-Silezië.20 Maar zelfs deze Duitsers vielen uiteen in verschillende categorieën. De oudste groep vormden de politieke gevangenen. Zij droegen als onderscheidingsteken een rode driehoek en hun nummer op de linkerborst van hun jas. Ook zij waren opgedeeld. Vervolgens waren er de zware misdadigers, de ‘Berufsverbrecher’ of kortweg de BV (uitgesproken als Befauer). Moordenaars, dieven, inbrekers, aftroggelaars, smokkelaars, zwendelaars, allemaal misdadigers die hun straf al hadden uitgezeten, en onmiddellijk naar het kamp werden overgeplaatst. Een andere groep Duitsers vormde de ‘Sicherheitsverwahrer’ of SV (Esfauer). Kleine criminelen die hoopten in de gevangenis te raken, omdat ze erop rekenden daar een beter leven te slijten dan in vrijheid. Maar ze werden naar de concentratiekampen gestuurd met de verzekering dat ze na de oorlog hun straf in de gevangenis mochten uitzitten. Befauer droegen een groene driehoek met de punt naar onderen, Esfauer met de punt naar boven. Daarnaast waren er de ‘Bibelforscher’21. Een protestantse sekte die gesticht was door een Amerikaanse rechter, Joseph Franklin Rutherford. De sekte trok heel wat aanhangers in Duitsland. Ze waren zonder uitzondering dienstweige-

26  Mijn triomf van de wil


raars en droegen in het kamp een purperen driehoek. In godsdienstige aangelegenheden waren ze even dom als fanatiek. Ze noemden zichzelf ‘Getuigen van Jehova’ en spraken elkaar aan met ‘Broeder’. Dan waren er de asociale elementen: beroepsstempelaars, bordeelhouders, vrouwenhandelaars, ontaarde vaders. Zij waren herkenbaar aan een zwarte driehoek. Een andere groep, de ‘Hundertfünfundsiebziger’ of homoseksuelen, zo genoemd naar artikel 175 van het Duitse Strafwetboek, waren veroordeeld voor tegennatuurlijke ontucht. En ten slotte de gestrafte leden van de SS en de Wehrmacht, zij kregen een omrande driehoek. Tegenover deze groepen Duitsers stonden de buitenlanders. Die werden binnengebracht naargelang van de landen die de Duitsers in Europa veroverden. Er waren Tsjechen, Polen, Belgen, Fransen, Hollanders, Luxemburgers, Noren, Denen, Russen, Oekraïners, Spanjaarden die in Zuid-Frankrijk waren opgepakt, Kroaten, Slovenen, Slovaken, Serviërs, Grieken, Hongaren, Italianen, Engelsen, Amerikanen, Zwitsers en er bestond nog een bijkomend kamp voor Russische en voor Engelse soldaten. Het spreekt vanzelf dat er tussen de vele, uiteenlopende nationaliteiten grote verdeeldheid en vijandschap heerste. Met name was dat een gevolg van de bittere overlevingsstrijd die elke man moest voeren om niet onder de voet te worden gelopen. Dwars door al deze nationale groepen liep er een scheidingslijn van tegengestelde politieke overtuigingen. Er zaten communisten in alle groepen, ook Duitsers die in eigen land waren ingerekend. Anderen waren aangehouden in Frankrijk: de zogenaamde ‘Spanienkämpfer’, die aan de kant van de republikeinen tegen Franco hadden gevochten, en mannen van het Vreemdelingenlegioen. Er waren ook socialisten uit alle landen, fascisten, nationaalsocialisten, democraten, monarchisten, republikeinen. Alleen al doordat ze werden vastgezet om hun politieke overtuiging of voor daden die daarmee verband hielden, werden ze nog gesterkt in hun opvattingen. En hoewel politieke gesprekken verboden waren en zeer streng bestraft werden, was er ongetwijfeld geen plek op aarde waar zoveel over politiek gepraat werd als in het kamp. Meestal werden gesprekken op het werk gevoerd, want in het kamp zelf was er amper vrije tijd, behalve zondagnamiddag. In het kamp waren ook alle sociale standen en beroepen vertegenwoordigd. Een belangrijke bron van wrijvingen, omdat er bij de werkverdeling jarenlang absoluut geen rekening werd gehouden met iemands beroep, op het einde hooguit in sommige gevallen. In verhouding waren er voor het te leveren werk veel te veel intellectuelen. Bij gebrek aan stielkennis kregen zij bij voorkeur het werk opgelegd dat in de normale samenleving door ongeschoolden wordt ver-

40 maanden Oranienburg

27


richt: zeer zwaar werk dus. Lange tijd was het geneesheren verboden hun beroep uit te oefenen. Dan kon je het tragikomische schouwspel beleven dat een dokter die zich verwond had bij een arbeidsongeval, tijdens het lossen van een binnenschip of een spoorwagon, verbonden werd door een werkman. De sociale tegenstellingen lieten zich ook voelen, vooral nadat we de toelating hadden gekregen om pakketten te ontvangen. Dat gaf soms aanleiding tot scherpe woordenwisselingen en diefstal. De verschillende opvoeding, de graad van ontwikkeling, kortom, het hele gamma van sociale verworvenheden dat je niet zomaar kunt afwerpen, begint natuurlijk te gisten in een samenleving onder dwang. Waar prinsen, boeren, graven, zwarthandelaars, arbeiders, arbeidsschuwen, bordeelbazen, volksvertegenwoordigers, hoogleraars, studenten, advocaten, bandieten, rechters, moordenaars, baronnen, dieven, tolbeambten, smokkelaars, geneeskundigen, kwakzalvers, officieren, soldaten, politiemannen, burgemeesters, straatvegers, letterkundigen, journalisten, geleerden, musici, zangers, handelaars, bedienden, onderwijzers, industriëlen, priesters en dominees verplicht samenleven, en ze alle grote en kleine onvolmaaktheden moeten verdragen die alleen liefde verdraagbaar kan maken.22 Verder stonden er atheïsten tegenover gelovigen, die behoorden tot alle protestantse sekten, naast katholieken, orthodoxen, moslims en anglicanen. Deze Babylonische verwarring, dit gewoeker van vijandigheden en tegenstellingen, ontwikkelde zich af en toe tot fanatieke bekamping van elkaar onder druk van de arbeidsdwang die op iedereen woog. De organisatie van de dwangarbeid zag er als volgt uit. Aan het hoofd stond een SS’er, de ‘Arbeitseinsatzführer’. Hij had een groep gevangenen in zijn dienst en poogde met een speciaal kaartenstelsel een overzicht te krijgen van de beroepsvaardigheden in het kamp. Dat was niet zo simpel. Zeer velen gaven een vals beroep op om te ontsnappen aan zwaar werk of vervolging. Baronnen en grondeigenaars meldden zich meestal als landbouwers, uit angst voor de communisten of uit angst voor de SS, die er velen om het leven had gebracht. Ongeschoolde werklieden trachtten door te gaan voor bediende of gaven gelijk welk beroep op om, met de hulp van vrienden, gemakkelijker werk te krijgen in plaats van gedwongen met houweel en schop aan de slag te gaan of ergens schepen en wagons te lossen. De organisatie onder leiding van de Arbeitseinsatzführer kwam er maar in de loop van 1944. Voordien besliste een gevangene in welk commando je moest werken. Dat was de ‘Arbeitsdienst’. Die hield zich later alleen nog bezig met het uitvoeren van de bevelen van de Arbeitsein-

28  Mijn triomf van de wil


satzführer, met het toezicht op de commando’s en op al wie tersluiks wilde ontsnappen aan gelijk welke arbeid. De arbeid diende geleverd in de zogenaamde arbeidscommando’s, groepen van gevangenen die samenwerken. Op elk commando dat buiten de omheining van het kamp gaat werken, wordt toegezien door wachtposten onder leiding van een ‘Kommandoführer’. De posten zijn bewapend met geweren, revolvers en machinegeweren. Ze hebben wolfshonden bij zich. Op de werkplaats zelf voert een ‘Werkmeister’ het hogere bevel over het werk. Gewoonlijk is dat een SS’er die wat beroepskennis heeft van de werkopdracht, soms ook een burger, een vakman die lid is van de NSDAP. Onder hem staat de ‘Vorarbeiter’. Hij krijgt de opdrachten van de werkmeester en verdeelt de taken. Hij ziet ook toe op de uitvoering. De voorman legt verantwoording af aan de werkmeester en moet beletten dat er zwartwerk gebeurt of dat er werktuigen of grondstoffen worden meegenomen naar het kamp. Dat laatste noemen de gevangenen ‘organiseren’, een woord dat ze uit het jargon van de SS hebben overgenomen. De arbeidscommando’s in Sachsenhausen kun je indelen in twee groepen. Er is eerst het ‘Aussenkommando’, het buitenwerk dus. Ook dat kun je opdelen in twee soorten: de commando’s die elke dag terugkeren naar het kamp om er te slapen, zoals de afladers van het treinstation in Oranienburg en Sachsenhausen23, de afladers van Berlijn, de mandenmakers van de Deutsche Ausrüstungwerke, het boscommando en zo meer; en dan heb je de commando’s die op de plek van hun werk blijven overnachten. Die laatsten wonen in kleine kampen. Administratief hangen ze af van het centrale kamp. Het gaat onder meer om de commando’s Klinker, Heinkel, Falkensee, Bad Sarow, Küstrin, Bernau, Trebnitz, Gransee. Daarnaast zijn der ‘Innenkommandos’. Zij werken in het kamp zelf of ten minste binnen de omheining. Ze worden ook ingezet in instellingen van de SS vlak bij het kamp. Een voorbeeld is het commando ‘Revier’. Het Revier omvat geneesheren, verplegers en laboranten, maar ook Blockältesten, tandartsen, oogmeesters, blokschrijvers en apothekers. Nog andere gebouwen horen erbij: de kantines en de keukens van het kamp en de SS, de wasserij, de effectenkamer, de ontluizingsdienst, het kapsalon van de SS, de kantoren van de Politische Abteilung, de konijnenkwekerij, het crematorium, de varkensstal en het hoenderhok. Deze commando’s waren samen met de posten van de Blockälteste en de voorman sleutelposities. Er waren namelijk heel wat voordelen aan verbonden: meer eten, meer slapen, geen appel, lichter of geen werk, zeggenschap over anderen, geregeld zuiver linnen, betere kleding, gelegenheid om te sjacheren en om politieke tegenstanders of vijanden de duvel aan te doen. Het aantal gevan-

40 maanden Oranienburg

29


genen dat daar kon tewerkgesteld worden was in verhouding tot de hele kampbevolking bijster klein. De grote massa werkte in de gewone commando’s. Vandaar de onophoudelijke intriges om anderen een voetje te lichten, ‘ôte toi que je m’y mette’, weg jij, ik wil daar zitten. De betere posten en commando’s waren zonder uitzondering altijd in handen van Duitsers, met name van communisten en Befauers. Onder dwang van de SS-overheden is later het gros van de communisten afgezet en weggevoerd. Bij de opmars van de Russen was de SS immers beducht voor een complot in het kamp. Nationaalgezinde Duitsers en enkele Duitssprekende buitenlanders namen de vrijgekomen plaatsen in. De arbeidsvoorwaarden op zich waren al een ware marteling. Ik heb al vermeld dat er nauwelijks rekening werd gehouden met het beroep van de gevangene in het burgerlijk leven. Dat had heel vaak rampzalige gevolgen voor de gezondheid. Daarbij kwamen de slagen, beledigingen, pesterijen, en de weerzinwekkende grofheid van de opzichters, de voormannen en de SS. Feitelijk was je op de been van kwart voor vier ’s ochtends tot negen uur ’s avonds. Na elf uren arbeid nog een avondappel. In het begin, in 1942-1943, waren er drie appels per dag, in de sneeuw of regen, bij vorst of verzengende hitte, in stuifzand. De hele duur van het werk mocht je niet roken, anders kreeg je een zodanige straf dat je je hachje erbij kon inschieten of je gezondheid voorgoed verwoest was. Het voedselregime betekende voor de gevangene langzame uithongering die op termijn altijd de dood tot gevolg had. De pakjes hebben daar later verbetering in gebracht, maar dan nog was er weinig genieten bij. De lange arbeidstijd en de bijkomende eisen (appels, baden, geld afhalen, luizencontrole, op straf staan) benamen je sowieso elke smaak. De overbevolking in de barakken – we moesten met vijftig aan een tafel zitten die plaats bood voor twaalf – dwong de meesten om staande te eten. Of te wachten tot de tweede of derde ploeg aan de beurt kwam. Twaalf man deelden één kast, die normaal voor twee mensen voorzien was. Daarin moest je al je rommel, schotels, wasgerief, bekers, linnen, pakketten opbergen. Diefstal was schering en inslag. We sliepen met vijf in twee bedden, onder dekens die iedereen deelde en die niet ontsmet waren, in een veel te kleine slaapzaal die weinig meer was dan een varkensstal. We moesten een ononderbroken strijd voeren om lichaam en bedlinnen te kunnen reinigen, tussen Russen, Polen en Oekraïners, die zich blijkbaar alleen goed voelen in de vuilste vuiligheid. De levensvoorwaarden in het kamp verhinderden dat je weer op kracht kon komen met het voedsel en de rust ons toegekend. Het werk putte ons uit. Iedereen kwam

30  Mijn triomf van de wil


TOELICHTINGEN


SPAANDERS VAN EEN WERELD LUKAS DE VOS

De oorspronkelijke titel 40 maanden Oraniënburg is bewust aangepast. De verwijzing naar Leni Riefenstahls propagandafilm Triumph des Willens (1935) is niet zonder betekenis: het gaat in dit verslag van het dagelijks leven in een uithongeringskamp (‘Arbeit Macht Frei’, alleen is de vrijheid de dood) om een botsing tussen twee dogmatische wereldbeelden. Het nazisme, dat door ‘gelijkschakeling’ de nieuwe mens wil ontwerpen op grond van ras en persoonlijkheid (‘de volkse wereldbeschouwing’, zegt Hitler in Mein Kampf) en daarbij de mens formatteert, de staat onderuithaalt, de ene visie almachtig maakt. ‘Ein Volk zu sein, das ist die Religion unserer Zeit’, schreef Ernst Arndt. Maar diezelfde absoluutheid eist ook het georganiseerde christendom op. Flor Peeters is daar de exponent van. Zijn aanspraken zijn even onbuigzaam. Hij vertegenwoordigt de ‘zegevierende Kerk’, de Kerk die de onfeilbaarheid van de paus heeft uitgeroepen (1870) en het hele menselijke leven bestiert met geboden en verboden, plicht en volgzaamheid. De Kerk die alleen de wet van het Vaticaan erkent, vrijwel een nieuwe Investituurstrijd aangaat sinds de ‘Katholieke Actie’ (1922) de strijd tegen de secularisering heeft ingezet. In beide gevallen gaat het om een geloof, in beide gevallen is er een geduchte derde hond in het spel: het goddeloze communisme. Juist de koppigheid van Flor Peeters maakt dit hertaalde (en door hem gereconstrueerde) dagboek zo onthullend en actueel. Er is een vijand die tegelijk buiten en binnen zit. Hij had ze al vereenzelvigd in een strijdschrift uit 1937, Het bruine bolsjevisme. Voor Peeters deelden beide dictatoriale systemen dezelfde verwerpelijke drijfveren: mensontwaarding, opheffing van de traditionele structuren, materialisme, geloofsvervolging. Lenin, Hitler, Stalin, het zijn voor hem ‘rattenvangers van Hamelen’. De Nieuwe Economische Politiek van Lenin is niet minder hardvochtig en moordend dan de grootheidswaan van Albert Speer. Ze veroordelen de mens tot werkslaaf, en vernietigen hem als hij onbruikbaar wordt. Het ‘totalitaire machtsidee’ schiet wortel en groeit op de ‘moderne massademocratie’, ze infiltreert alle geledingen van het dagelijks leven,

Toelichtingen

245


gaat door intimidatie en misleiding, propaganda en indoctrinatie, de mens ook innerlijk beheersen tot er een maatschappelijke robot overblijft. Dat is de leidraad van een later werk dat Flor Peeters in volle verontwaardiging schreef, Politieke anatomie van het totalitarisme (1963). De vijand is ook lijfelijk binnen en buiten aanwezig. De grote leerstelsels dreigen het christelijk geloof met geweld te versmachten door een wereldoorlog. Beschouwingen, mijmeringen en invallen daarover doorspekken de meditatievere passages in Mijn triomf van de wil. Maar tegelijk is er het harde leven in het kamp van Sachsenhausen, waar hij moed en sluwheid moet combineren om aan dezelfde onderdrukkers te ontkomen. De nazi’s, die in dit kernkamp van de SS – dat alle andere controleert, waar de eerste uitroeiingsexperimenten worden uitgetest, waar een leven geen waarde heeft behalve een economische – met hun ziekelijke machtsdrang politieke en etnische tegenstanders vermalen. En de communisten, die gehard in de politieke strijd in Duitsland en met een groot organisatievermogen, de interne structuren van het kamp naar hun hand weten te zetten. Mijn triomf van de wil is meer dan een klassieke getuigenis van ontberingen, folteringen, vernedering. Het is tegelijk een – weliswaar gekleurde, maar samenhangende – analyse van de verwording van de mens, van de zelfvernietiging van machtshybris, het is een striemende aanklacht tegen de eendimensionale ‘homo economicus’, tegen het irrationalisme, tegen het falen der democratie. Het is ook een politieke profetie. De Koude Oorlog zie je ontstaan in het slangenei van de kampen, in het opbod tussen de geallieerden, in de haat tussen en met andersdenkenden. De concentratiekampen zijn maar de voorbode van wat de goelags en de laogai gaan betekenen, de uitroeiing van joden (maar ook van Polen en Russen) het prototype van volkenmoorden (die ook later herkend worden, van de genocide op de Armeniërs tot de ‘killing fields’ van Cambodja), de dubbelhartigheid van de overwinnaars het bewijs van egoïsme (van de wetenschapsroof door Amerikanen en Russen tot de lankmoedigheid voor wapenboeren en economische collaboratie, ook in eigen land). In die zin is Peeters’ dagboek vooral een ode aan de kleine man, ook al spiegelt hij zichzelf graag aan heren van stand, ministers, professoren, intellectuelen. Maar het besef dat net de dompelaar het schuim der aarde is en blijft, dat resoneert toch voortdurend als een leidmotief in sourdine door het hele verhaal van drie en een half jaar gevangenschap. Er zit nog een apocalyptisch kantje aan dit armaggedon van nazi-Duitsland: het besef dat beschaving hooguit een laagje vernis is op de ongeremde wreedheid van mens tegen mens. De tocht door de woestijn van het moordende, verkruimelende Reich en het ongegeneerde triomfalisme van de wraak der gealli-

246  Mijn triomf van de wil


eerden is de diepere betekenis van de Dodenmars richting Schwerin. In die twaalf dagen bladdert de schijn van Cultuur af tot lafheid. De morele herbewapening waarvoor Peeters zich na de oorlog zal inzetten, is daar ongetwijfeld een gevolg van. Een conservatieve revolutie, zo u wilt, maar dan op humaan vlak. Dat Peeters met de jaren behoudsgezinder werd, verheelt niet dat hij zich is blijven inzetten als verzoener. Wat hij kon doen in Revier III voor patiënten die er erger aan toe waren, heeft hij omgezet in geestelijke verpleging voor de verdeelde samenleving in eigen land. Daarom pleitte hij steeds voor afzwakking van de repressie, en begrip voor de misleiden. Vrede kan alleen door amnestie, door vergeving. In dat opzicht heeft Mijn triomf van de wil de grondvesten gelegd voor een sociale heropbouw en voor een illusieloos maar nagestreefd mensbeeld, dat juist stoelde op begrippen die hun breekbaarheid, ja onmacht, naakt getoond hadden: gezin, geloof, vaderlandsliefde. Wrakhout uit de oorlog waaraan Flor Peeters zich is blijven vastklampen. Het testament van een verwoest innerlijk. Want ook een persoonlijke kant weegt op het verhaal. Tegenover ontmenselijking door de nietsontziende autoriteit van de NS en de SS in het bijzonder, stelt Peeters de wil om te overleven en vast te houden aan zijn overtuigingen. Stilistisch is dat niet aantrekkelijk. Terechte verontwaardiging en wrok maken deze aanklacht tegen de heersende onrechtvaardigheid in ettelijke fragmenten ronduit pamflettair. Het verhaal is bijzonder visueel, de weeë geur van dood en verrotting stijgt lijfelijk op uit de bladzijden, de ijzige kou van de hongerwinters bevriest ook de verdraagkracht van de lezer. Het verhaal breekt op, zoals de gemoedswisselingen. Het valt in scherven uiteen, en aan elke scherf kan de lezer zich verwonden. In die caleidoscoop overweegt nu eens de heldere politieke analyse, dan weer de moedeloosheid, de afschuw, het innerlijk lijden en het ideologisch verzet. Die Gedanken sind frei. Blijven denken, blijven vastklampen aan idealen – wellicht is het de kortste weg naar het behoud van geestelijke gezondheid. Niet dat Peeters zonder trauma’s wegkomt uit de hel van Sachsenhausen en het Belower Woud. Maar de woede van zich afschrijven en ze ondersteunen met een samenhangende, zij het soms apodictische gedachtewereld, is herkenbaar therapeutisch. De KZ-ervaringen zijn en blijven niettemin een chronische ziekte. Daar rationeel mee omgaan, en ze omzetten in een (academische én vergevingszinde) kwaliteit, dat is zijn blijvende triomf van de wil. Susan Sontag schreef over Leni Riefenstahls Triumph des Willens (1934): ‘Triumph des Willens staat voor een gedaanteverandering van de werkelijkheid die al voltooid en radicaal is: geschiedenis wordt toneel. (...) Al wie Riefenstahls films verdedigt als documentaires, als je een onderscheid moet maken tussen

Toelichtingen

247


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401460187 by Uitgeverij Lannoo - Issuu