JEROEN DE BRAUWER roman
JEROEN DE BRAUWER roman
Ignoranti quem portum petat, nullus suus ventus est.
Voor wie niet weet naar welke haven hij vaart, is geen enkele wind gunstig.
— Seneca. Epistulae, LXXI., 3.
I
Hij vergat steeds vaker wie hij was. M. gaf haar een hand en zweeg. Er dienden beslissingen genomen te worden. Morgen, steeds maar weer morgen. Morgen werd uiteindelijk vandaag. M. ging zitten.
7
II Een paar dagen eerder werd de koffie koud. Bleef de krant onaangeroerd op de met bruine cirkels bevlekte tafel liggen. Sprong de kat van de radiator op een stoel, keek rond, geeuwde nonchalant en vlijde zich neer. Onttrok de ochtend zich tergend traag aan de nacht; werd de zevende sigaret met een achteloos gebaar uitgeduwd, een achtste opgestoken. Wakker worden. Tijd om op te staan. Oud brood, overschot van gisteren – aardappelen en bloemkool in witte saus – een beschimmelde plak kaas en een half opgegeten appel komen in een daar niet voor bestemde pot terecht. De achterdeur open, het glad betegelde terras over, het natte gras op. De tuin is groot zonder groots te zijn. Een haag, een ietwat verwilderde grasmat, een schommel, een tuinhuis dat dringend nog eens geschuurd en vernist zou moeten worden. Als er tijd over is. Er is nooit tijd over. Helemaal achteraan een kippenhok en een moestuin groot genoeg voor wat wortels, kool, aardbeien, paprika’s en een handvol augur-
8
ken; er staat enkel onkruid nu. De moestuin werd reeds lang geleden geoogst en wat overbleef werd kaalgevreten door vogels en alles wat tussen hagen leeft. Onkruid laten ook die beestjes liever links liggen. Naast de bijna kale moestuin staat een groen hek dat aan een groene draad hangt met daarachter drie kippen, geduldig wachtend tot hun ontbijt gebracht wordt. Het hek gaat open, losgekomen veren fladderen omhoog wanneer de pot geleegd wordt. Een kamikazevlucht richting menselijke etensresten. Het pikken verdubbelt in intensiteit wanneer over de wansmakelijke brij een portie leggraan wordt uitgestrooid. Eieren worden verzameld; gaan M.’s zakken in. Achteraan in de tuin heerst er rust. Weg is het constante gedreun van het drukke verkeer. De wilgen ruisen zacht, de appel- en perenbomen staan gewoon boom te wezen. Het gras is langer hier. Tijdens de zomer bloeiden er wilde bloemen tussen stukken opengekrabde aarde en brandnetels. Tijdens de zomer vlogen er kleurige insecten af en aan, zoemden, kwamen en vergingen, net als de bloemen. M. staat op blote voeten in het met rijm bedekte gras. Ergens lang geleden begon de herfst. Het is gelukkig nog te vroeg om buren tegen het lijf te lopen. Wellicht ook veel te koud. Ze hebben bovendien geen reden om zomaar buiten te lopen. De buren hebben geen kippen, noch een kaalgevreten moestuin. Buren stellen trouwens toch steeds maar dezelfde vragen. Vragen waarop zelden een adequaat antwoord te geven valt. Vragen waarop niemand zit te wachten. Clichés om de gezamenlijke tijd te doden. ‘Hoe gaat ’t vandaag?’ ‘De zon schijnt nogal, hè.’ ‘Neen, neen, niet iedereen maait elke week het gras, maar…’ ‘Gisteren The Voice® gezien?’ Beter te vermijden. Beter zo.
9
Snel terug naar binnen. Op de tafel ligt een brief, in een enveloppe, een echte, niet digitaal. Die ligt daar al even. M. zet verse koffie, SenseoÂŽ, of iets waar George Clooney ooit een paar miljoenen voor kreeg, een van die twee, geen echte. Aan de muur hangt een klok, met wijzers, een echte, niet digitaal. Eentje die tikt. M. luistert maar hoort niet echt, de koffie stroomt zijn kop in. Geen suiker. Geen melk. Negende sigaret.
10
III In vertrouwde straten verdwalen is slechts weinigen gegeven. Lotte kent de weg, maar heeft soms moeite om links van rechts te onderscheiden wanneer ze loopt te dagdromen. Haar lange, kastanjebruine haar valt steeds voor haar grijsblauwe ogen, ze stopt ze elegant maar onzorgvuldig achter een oor weg. Groene laarzen met geen al te hoge hakken omsluiten haar strakke, blauwe jeans. Haar nauw aansluitende, knielange zwarte mantel omhelst een slank, in een witte bloes gehuld bovenlichaam. Zonder goed te weten waarheen kuiert ze door de straten. Het druilt wat in de stad, maar het deert haar nauwelijks. Onbewuste stappen leiden haar naar bekendere straten, naar doelbewust een richting inslaan. Hier bestaat de stad uit kleine steegjes, kasseiwegen en half versleten, half herstelde bruggen over water waar tegenwoordig enkel nog dagjesmensen per boot op varen. Ze volgt de stroom richting de leien. Ooit was daar een haven. Ooit werden daar goederen op de dokken geladen met enkel man- en paardenkracht. Graan en linnen en
11
koren en mout en katoen en gerst en varkens en ander vee. Ooit werden de moerassige oevers drooggelegd, de bochtige stromen rechtgetrokken en grote schepen de stad in genodigd; bloeiende nijverheid die met de komst van containerschepen helemaal verdween. Bedrijvigheid en pittoreske koopmanshuizen bleven achter. Het lasten tillende, zwetende proletariaat maakte plaats voor hybride horden mensen met camera’s, enkel uit op het zoveelste perfecte zelfportret op locatie, en een vormeloze massa bier achterover slaande studenten. De door negentiende-eeuwse vervuiling zwart geworden middeleeuwse gebouwen verlenen een bijna Harry Potterachtige aura aan de binnenstad; toeristische prentkaarten voor bezoekers van het oude continent. Lotte laat de kasseiwegen, de half herstelde bruggen en de leien waar nu semisedentaire bouwkranen staan, achter zich en stopt. De toegangspoort is rood en staat helemaal open. Lotte loopt het goed verscholen binnenplein op. Gele miniatuurhuisjes ommuren een erf met twee kersenbomen, een rist tafeltjes, een bar en aan die bar een meer dan bekende vorm. ‘Silke?’ vraagt Lotte verbaasd aan een blond achterhoofd. ‘Ik dacht dat jij nog in Spanje zat?’ Silke ziet eruit als de verpersoonlijking van een zonnige zomerdag. Lang blond haar, donkerbruine ogen en een eeuwige jemoest-eens-weten-waar-ik-aan-denk-glimlach om haar lippen. Een warhoofd met geen greintje kwaad in zich, maar des te meer onnozelheid. ‘Lotte! Ik ben net terug’, zegt Silke terwijl ze zich met een brede glimlach omdraait. ‘Ik heb letterlijk net mijn koffers thuis afgezet en had echt behoefte aan een koffie, jij ook een?’ ‘Graag!’
12