late woorden PAUL PELCKMANS
Over literaire en andere testamenten
LATE WOORDEN-press.indd 3
11/02/19 15:22
Uitgeverij Academia Press Ampla House Coupure Rechts 88 9000 Gent BelgiÍ www.academiapress.be Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. isbn 978 94 014 5914 3 d/2019/45/77 nur 300 Paul Pelckmans Late woorden. Over literaire en andere testamenten Gent, Academia Press, 2019, 224 p. Eerste druk, 2019 Vormgeving cover en binnenwerk: Intertext Š Paul Pelckmans & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
LATE WOORDEN-press.indd 4
11/02/19 15:22
Inhoud
Inleiding 1
De vertrouwde dood: verloren mogelijkheid of optische illusie?
7 13
2 De laatste wolven van La Fontaine
31
3 Brieven in ballingschap
41
4 De lieve opvolger van Sade
49
5 Dokter voor de geneeskunde
65
6 Zwanen schieten
71
7 Saramago’s gezochte dubbelganger
75
8 Een geheugen van papier
91
9 Rushdies dubbele Renaissance
97
10 Dartel maar niet meer zwart. Over Grimms Wörter
103
11 Coetzee zonder barbaren
117
12 Van patrijzen en prostaat. Over Het feest der onbeduidendheid
133
13 René Girard voltooit Clausewitz
139
14 Het denkend riet en zijn illusies
157
15 Ivan Illich en het bederf van het beste
173
16 Nussbaums verkeerde emotie
189
17 Kan diervriendelijkheid de wereld redden?
205
Intekenaars
LATE WOORDEN-press.indd 5
221
11/02/19 15:22
LATE WOORDEN-press.indd 6
11/02/19 15:22
Inleiding
Volgens een bekende traditie zingen zwanen vlak voor hun dood hun mooiste lied. Plato schreef al dat Socrates er op zijn sterfdag naar verwees om te verklaren waarom hij de dood opgewekt tegemoet trad: hij had als filosoof ‘een voorkennis van de weldaden die hem bij Hades wachtten”1 en was dus even blijgemoed als de zwanen, die van hun beschermgod Apollo wisten hoe mooi het hiernamaals wel kon worden. Sindsdien heette het eeuwenlang, en dikwijls ook zonder uitzicht op enige hemel, dat kunstenaars op het laatste moment hun topprestatie plegen neer te zetten. Als we Bernard Hulsman mogen geloven zouden ‘jonggestorven pophelden’2 dat nog altijd geregeld doen. Edward Saïd stelde zijnerzijds in zijn postuum gepubliceerde On late style (2006)3 dat het niet per se om een ultieme bekroning moest gaan. Sommige kunstenaars zouden zich dan net wagen aan dissonanten, die de artistieke conventies van hun tijd radicaal contesteerden. De these spoort, bij deze leerling van Adorno, met een typisch moderne voorkeur voor ‘negativiteit.’ Ze bevestigt bij alle tegendraadsheid dat late werken ook in de eenentwintigste eeuw quasi instinctief cruciale momenten blijven, waar er dus iets bijzonders hoort te gebeuren. De voorliggende essaybundel bevestigt dat niet echt. De opstellen gaan over een vijftiental teksten die de auteurs kort voor hun overlijden of minstens in een late fase van hun schrijftraject publiceerden. Ze schreven ze in de regel met de dood in het achterhoofd en sommige werken verschenen zelfs postuum. Mijn essays volgden doorgaans 1 2 3
Plato, Phaedo, 85b. Bernard Hulsman/ Pieter Steinz, Zwanenzangen: de laatste liederen van jonggestorven pophelden, Conserve, Groet, 2017. Edward Saïd, On late Style, Pantheon Books/Random House, New York, 2006.
LATE WOORDEN-press.indd 7
7
11/02/19 15:22
enkele maanden of hoogstens een goed jaar later en passen zeker niet in een volgehouden en gerichte aandacht voor late woorden; ik ontdekte pas achteraf, toen ik het aanbod kreeg een set artikels voor deze bundel te selecteren en dus een geschikte rode draad zocht, dat ik de voorbije twintig jaar geregeld opstellen gepleegd had over werk van al wat oudere auteurs. Het oudste in de reeks gaat, toeval of niet, over Zwanen Schieten (1997) van Hella Haasse. Ik merk nu, als ik het boekje herlees, dat de schrijfster, die uiteraard niet wist dat ze nog veertien jaar voor de boeg had en zich nadrukkelijk profileert als een vergrijzende grootmoeder, haar zwanen geen moment laat zingen. Ze verwijst naar veel andere literaire en legendarische topics, maar de ultieme topprestatie ontbreekt op het appel. De hele tekst klinkt daarbij zo ontspannen dat je niet direct de indruk krijgt dat ze die traditie op één of andere manier ‘verdringt’; het heeft er meer van dat ze het motief gewoon vergat of dat het haar niet speciaal interesseerde. De auteurs die volgden voelden zich zo te zien evenmin geroepen hun vorige oeuvre in articulo mortis nog een keer te overtreffen. Milan Kundera, die altijd al alle te gedreven prestatiedrang afzwoer, kiest in Het Feest der onbeduidendheid opnieuw voor zijn gebruikelijke vrolijke lichtheid, maar voegt daar niets substantieels aan toe. De Man in duplo gaat ook over absurde prestatiedrang, haalt daarbij zeker het niveau van de vorige grote werken van Jose Saramago, maar steekt er even evident niet bovenuit. Andere auteurs zetten zo te zien zelfs bijna een stap terug. De fictieve memoires van Umberto Eco suggereren in De mysterieuze Vlam van koningin Loana een kortademig eenvoudige kijk op de wereld; de auteur van De Naam van de roos had iets subtielers kunnen vertellen. Günter Grass verpakt zijn mémoires in een verhaal over de Gebroeders Grimm; hij heeft er niets van zijn taalvirtuositeit verloren, maar houdt het wel, anders dan in zijn meer militante grote werk, bij een tamelijk narcistische terugblik. Coetzee schrijft in
8
liber amicorum
LATE WOORDEN-press.indd 8
11/02/19 15:22
De kinderjaren van Jezus zijn eerste roman zonder barbaren; het had een doorbraak kunnen zijn als de veilige wereld die hij zo overhoudt er niet zo bedroevend fantasieloos uitzag. Even goed en soms beduidend zwakker… De excellentie van de zwanenzang is er zelden bij en de besproken werken – uiteraard een wat toevallige verzameling – liggen eerder gewoon in het verlengde van oeuvres die allicht ook voordien niet ononderbroken hetzelfde niveau haalden. Dat geldt zo mogelijk nog meer voor de vijf wetenschap pers die in de laatste bijdragen besproken worden. Ze hebben stuk voor stuk belangwekkende dingen te vertellen en doen dat vanzelf met theses en begrippen die de lezers van hun vorige werk vertrouwd in de oren klinken. Wetenschap is nu eenmaal, nog meer dan literatuur, een kwestie van continue doorbouw en eindeloze heroverweging. Je kan dan hopen dat late werken de meest voldragen inzichten zouden formuleren; het lijkt er soms meer op dat bepaalde zwakke schakels of blinde vlekken van hun gedachtengoed er merkbaarder dan elders te zien zijn. Het laatste is niet altijd het beste. Betekent dit dat we de mythe van de zwanenzang beter opgeven? Allicht niet: mythen hoeven, om suggestief te blijven, niet unisono en al zeker niet altijd waar te zijn. De meeste teksten die hierna aan bod komen passen trouwens in een postmoderne conjunctuur. De term klinkt intussen, wegens al te ongecontroleerd gebruik, meer dan enigszins versleten; hij lijkt me nog altijd bijzonder gepast voor een tijdsklimaat waar de gedreven ambities van de moderniteit, intussen alweer sinds enkele decennia, ongeloofwaardig gaan ogen. De prometheïsche dadendrang van de moderniteit heeft voor zoveel ellende gezorgd dat velen het voortaan wijzer en heilzamer vinden zich nergens in vast te bijten en op zowat alle terreinen gas terug te nemen. In die optiek wordt het misschien minder belangrijk kost wat kost in de overtreffende trap af te ronden; de auteurs kiezen dus makkelijk – en, neem ik aan, dikwijls quasi instinctief – voor een eerder bescheiden afsluiter. Het per definitie veel
Inleiding
LATE WOORDEN-press.indd 9
9
11/02/19 15:22
eisende pathos van de zwanenzang was immers ook ambitieus – en dat kunnen we niet meer hebben. De essays in deze bundel komen, op één uitzondering na, uit het ‘cultureel maatschappelijk tijdschrift’ Streven, waar ik de voorbije dertig jaar nagenoeg jaarlijks één of twee bijdragen voor schreef. Graag mijn hartelijke dank aan de redactie, die de teksten telkens zorgvuldig nalas en me nu toeliet ze hier te reproduceren. De teksten zijn op enkele minimale aanpassingen na die van de oorspronkelijke versies; dat geldt in het bijzonder voor alle (leef)tijdsaanduidingen, die dus telkens passen bij de datum van de oorspronkelijke publicatie. De Faculteit Letteren en Wijsbegeerte en het Departement Letter kunde van de Universiteit Antwerpen gaven, naar aanleiding van mijn emeritaat in oktober 2018, hun steun voor deze bundel. Ook daar hartelijk dank aan alle collega’s voor de jarenlange prettige samenwerking! Sommigen zullen allicht hier of daar suggesties herkennen uit koffiekamer- of andere gesprekken, waarvoor dan andermaal dank. De oud-studenten die de bundel doorbladeren zullen er hunnerzijds veel in herkennen. De literaire auteurs die ik hierna bespreek waren koplopers in mijn vak Moderne Wereldliteratuur; de wetenschappers die volgen hadden het, elk op zijn of haar manier, over de unieke allures van de moderniteit, een thema dat met de jaren het basso continuo van al mijn vakken werd. Die studenten zullen, neem ik aan, evenmin verwonderd zijn dat de enige nieuwe bijdrage in de reeks over La Fontaine gaat: hij bleef, sinds een onvergetelijk licentievak van mijn vereerde mentor Maurice Delcroix, mijn meest geapprecieerde compagnon de route. Ik koos wel voor twee fabels waar ik, voor zover ik me herinner, nooit college over gaf. Op die manier zal zelfs de – heel onwaarschijnlijke – alumnus die al mijn lessen volgde en er niets van vergat, toch iets nieuws kunnen ontdekken. Veel dank ook aan Ghent Academia Press, waar Lies Poignie en Isaac Demey er even vriendelijk als professioneel voor zorgden dat
10
liber amicorum
LATE WOORDEN-press.indd 10
11/02/19 15:22
deze bundel, ondanks de nogal krappe deadlines waarbinnen we moesten werken, zonder haastsporen tijdig beschikbaar kwam. Hartelijk dank tenslotte aan Arlette, Bart, Elise en Wendy – en last but not least aan de ‘geswinde grijsaert’ Kronos die me, sneller dan ik verwachtte, vijfenzestig liet worden. Zonder hem zou ik mijn emeritaat en deze bundel nooit gehaald hebben. Of het laatste jammer zou geweest zijn mag de lezer zelf beoordelen…
Inleiding
LATE WOORDEN-press.indd 11
11
11/02/19 15:22
LATE WOORDEN-press.indd 12
11/02/19 15:22
1 De vertrouwde dood: verloren mogelijkheid of optische illusie?
In de tweede helft van de vorige eeuw begonnen meer en meer historici zich te interesseren voor onderwerpen waar ze voordien nauwelijks aandacht aan hadden besteed. Tot dan schreven ze doorgaans over politiek, economische structuren en culturele prestaties. Doordeweekse levensvormen en attitudes kregen minder aandacht omdat men het, zonder dat met zoveel woorden te zeggen maar daardoor ook zonder het zich ooit echt af te vragen, evident vond dat die trivialia door de eeuwen heen nooit veranderden – of hoogstens evolueerden omdat de technische Vooruitgang voor nieuwe mogelijkheden zorgde. De achttiende-eeuwers kenden nog geen telefoon en de holbewoners konden waarschijnlijk zelfs geen brood bakken. Men nam aan dat ze dat, als ze het wel hadden gekund, ook gretig zouden hebben gedaan en een en ander op ongeveer dezelfde manier zouden hebben aangepakt en aangevoeld als wij. De mentaliteitsgeschiedenis begint bij de overtuiging dat die permanentie van het gewone absoluut niet evident is en dat ook alledaagse leefpatronen waar normaal gesproken niemand van opkijkt – zolang ze gelden ogen ze quasi-natuurlijk – door de eeuwen heen beduidend konden veranderen. De omgang met kinderen, familieleden, vrienden, het onderscheid tussen werk en ontspanning, de zorg rondom ziekte en dood blijken door en door historisch en werden door de elkaar opvolgende generaties telkens anders ingevuld.
De vertrouwde dood: verloren mogelijkheid of optische illusie?
LATE WOORDEN-press.indd 13
13
11/02/19 15:22
De dood blijft uiteraard de meest onwrikbare constante uit de we reldgeschiedenis: alle mensen zijn totnogtoe aan het einde van hun leven gestorven. Wie er de betrokken historici op naleest, krijgt wel de indruk dat dit naakte biologische feit meteen de enige invariant in het hele verhaal is. De manier waarop mensen met het onvermijdelijke einde omgingen, is door de eeuwen heen voortdurend en vaak heel ingrijpend veranderd. Het onderzoek naar die verschuivingen leidde intussen tot honderden case studies, die hun voordeel deden met erg diverse bronnen. Testamenten bevatten, vroeger nog meer dan nu, naast beschikkingen over de nalatenschap ook stipulaties over de gewenste begrafenis. Wie de laatste beschikkingen van een paar opeenvolgende generaties doorneemt, ontdekt wisselende voorkeuren. Kerkboeken e.d. geven dan weer uitsluitsel over de gebruikelijke gang van zaken bij de laatste sacramenten en bij uitvaarten; de bedienaars moesten zich houden aan allerlei voorschriften, maar ook die getuigen minstens indirect van de verwachting van hun cliënteel. Daarnaast is er iconografisch materiaal: het sterfbed van historische figuren of van heiligen is een dankbaar onderwerp voor schilderijen en gravures, die in de regel, evenmin als de Kerststallen van de Vlaamse Primitieven, weinig uitsluitsel geven over de reële omstandigheden van de uitgebeelde feiten en dat zelfs niet eens proberen, maar die, juist omdat ze alles ongecomplexeerd naar hun eigen tijd halen, veel onthullen over de gevoeligheden van de schilder of zijn opdrachtgevers. Wat mutatis mutandis ook geldt voor literaire teksten, bronnen waarmee ikzelf het meest vertrouwd ben. Romans gaan over verzonnen personages en vertellen dito sterfgevallen, maar geven minstens te zien wat de auteurs en hun lezers voor de hand liggend -of eventueel minder gebruikelijk maar wel wenselijk – vonden. Ook dat kan van eeuw tot eeuw beduidend verschillen. Op de vele risico’s die de duiding van die altijd indirecte bronnen met zich meebrengt, ga ik hier niet in; ik teken alleen aan dat de situa
14
liber amicorum
LATE WOORDEN-press.indd 14
11/02/19 15:22
tie niet principieel verschilt van al het andere historisch onderzoek. Wie op zoek gaat naar een voorbij verleden, moet het hebben van altijd lacunaire overblijfsels, waarvan de betekenis en de relevantie nooit evident zijn en die dus naar best vermogen moeten worden geïnterpreteerd. En misschien geldt dat zelfs voor onderzoek naar onze eigen tijd, waar eerder te veel dan te weinig materiaal is, maar waar de gevolgen precies hetzelfde zijn. Omdat niemand echt alle in principe beschikbare materiaal kan overzien, is het telkens de vraag of de onderzoeker een gelukkige greep deed en in hoeverre zijn bevindingen ook iets leren over hun ruimere omgeving.
Een omstreden hypothese De bekendste, vanzelf ook de meest controversiële hypothese in de hele ‘thanatologie’4 kwam van de Franse historicus Philippe Ariès (1914-1984), die in ongeveer al zijn publicaties terzake5 herhaalde dat veel traditionele maatschappijen in staat geweest waren tot een ontspannen omgang met de dood, een vlotheid die onze moderne wereld niet meer zou opbrengen. Er was ooit een vertrouwde dood, une mort apprivoisée om Ariès’ vakterm te gebruiken. We zouden die, ergens tussen Verlichting en Romantiek, ingeruild hebben voor meer verkrampte attitudes, die hun hoogte- of dieptepunt vonden in een typisch modern en intussen op zijn beurt alweer enigszins voorbijgestreefd doodstaboe. 4
5
De term is afgeleid van ‘thanatos’, het Griekse woord voor dood. Cf. vooral Western Attitudes toward Death: From the Middle Ages to the Present, John Hopkins, Baltimore en Londen, 1974 (Nederlands: Met het oog op de dood. Westerse opvattingen over de dood van de Middeleeuwen tot heden, SUN, Nijmegen,1975); L’homme devant la mort, Seuil, Parijs, 1977 (Nederlands: Het uur van onze dood. Duizend jaar sterven, begraven, rouwen en gedenken, Elsevier, Amsterdam, 1987).
De vertrouwde dood: verloren mogelijkheid of optische illusie?
LATE WOORDEN-press.indd 15
15
11/02/19 15:22
Ariès zelf gaf ruiterlijk toe dat het beeld dat hij gebruikte, zoals elke vergelijking die zichzelf respecteert, behoorlijk mank loopt. Je kan per definitie alleen temmen wat eerst wild was. Bij de vertrouwde dood zoals Ariès die beschrijft waren daar zo te zien niet veel inspanningen voor nodig, en is er al helemaal geen sprake van een oorspronkelijk stadium waarin de dood, in de prehistorie of zo, nog ‘wild’ geweest zou zijn. Het lijkt er meer op dat de bewoners van de traditionele maatschappijen altijd al vanzelf en quasi-moeiteloos wisten hoe ze zonder overmatige psychische ellende met de dood konden omgaan en dat onze moderniteit dat vermogen verloren zou hebben. De getemde dood is de serene tegenpool van een meer verwilderde dood achteraf. De hamvraag is uiteraard of die serene pool ooit echt bestaan heeft. Ariès is op dat punt vaak bekritiseerd, ook door eminente mentaliteitshistorici. Men tekende dan bijvoorbeeld aan dat hij nogal impressionistisch en selectief met zijn bronnen omsprong, wat alleszins niet helemaal onjuist is. Anderzijds kan je natuurlijk zeggen dat een visionair nieuw inzicht wel nooit op een volledige inventaris berust en in de regel juist een aanzet is voor verder onderzoek. Omdat de tegen Ariès’ these aangevoerde bezwaren soms bepaald gepassioneerd klonken, kan ik me moeilijk van de indruk ontdoen dat de these vooral weerstanden opriep omdat het verleden – of tenminste bepaalde pe riodes uit dat verleden – hier niet alleen anders maar ook superieur gaat lijken. De dood was tot nader orde de belangrijkste invariant uit de wereldgeschiedenis en het was en is dus wel zo handig er vlot weg mee te weten. Dat onze moderniteit op dat opperste eindexamen aantoonbaar minder goed zou scoren, blijft blijkbaar moeilijk te verteren. Moderne historici doen, anders dan hun negentiende-eeuwse voorgangers, nog maar zelden lyrisch over de Vooruitgang. De idee van ‘de stijgende lijn’ blijft kennelijk wel een soort impliciet dogma, dat men niet al te nadrukkelijk behoort tegen te spreken.
16
liber amicorum
LATE WOORDEN-press.indd 16
11/02/19 15:22
Wel pijnlijk, nooit ver weg Waarmee uiteraard nog niet is gezegd dat het concrete vraagteken dat Ariès bij dat dogma plaatste inderdaad gefundeerd is. Om zijn these correct in te schatten is het allereerst belangrijk om ook niet te lyrisch te worden over wat misschien ooit verloren ging. De stellingen over een getemde dood vroeger werden zowel in de vakliteratuur als in meer journalistieke recensies regelmatig op de korrel genomen omdat de lezers ten onrechte begrepen dat het dan om een rimpelloze sereniteit moest gaan. Zelfs als sommige grafstenen uit de Middeleeuwen – ik denk bijvoorbeeld aan de oudste gisants in de Franse konings necropool Saint-Denis – bijzonder rustige doden te zien geven is het evident duidelijk dat vrees voor de dood en rouw allicht reacties van alle tijden zijn, die nooit helemaal ontbroken zullen hebben.6 De laatmiddeleeuwse dichter François Villon, die niemand van enige voorbarige moderniteit zal verdenken, schreef een lugubere Ballade des Pendus en resumeerde elders laconiek Quiconque meurt, meurt à douleur. Het verschil is ‘alleen’ dat die douleur in de regel beheers- en bespreekbaar bleef en voor de overlevenden dus zelden onoverkomelijk werd. De verkramping en de depressies die veel moderne stervens begeleidingen en rouwprocessen kenmerken waren er in de middeleeuwen zo te zien zelden bij. Die vlottere verwerking kwam er overigens ook (al is dat zoals we zullen zien wellicht niet de enige verklaring) omdat de gegadigden geen andere keuze hadden en wel verplicht waren van de nood een deugd te 6
Voor een globaal panorama van de Middeleeuwse omgang met de dood, cf. Peter de Wilde, ‘Religie en dood in de Middeleeuwen. Over hiernamaalsreizen en knekelhuizen’ in Religie en de dood, Guido Vanheeswijck en Walter van Herck (red.), Pelckmans, Kapellen, 2004, blz. 43-66. Of, wat uitvoeriger: Thomas Sherrer Rose Boase, Death in the Middle Ages, Thames & Hudson, Londen, 1972 (Nederlands: De dood in de Middeleeuwen. Sterfelijkheid, oordeel en aandenken, De Haan, Bussum, 1974); Daniëlle Alexandre-Bidon, La mort au Moyen-Age, Hachette, Parijs, 2008.
De vertrouwde dood: verloren mogelijkheid of optische illusie?
LATE WOORDEN-press.indd 17
17
11/02/19 15:22
maken. De dood was vroeger zo mogelijk nog meer alomtegenwoordig dan nu. De gemiddelde levensverwachting lag veel lager, zelfs in optimale conjuncturen hoogstens rond de veertig jaar. Elk koppel verloor kinderen in het kraambed of tijdens de eerste levensjaren en veel ziekten die we nu vlot behandelen, liepen fataal af. De mensen waren nog kwetsbaarder omdat ze regelmatig ondervoed raakten: iedereen moest soms, als de winter op zijn eind liep, halfb edorven voedsel eten en één mislukte oogst volstond om een hele streek maanden lang honger te laten lijden. De getemde dood paste bij een wereld waar het einde altijd vlakbij lag – en ook daaraan een elementaire vanzelfsprekendheid ontleende die we ons niet meer kunnen voorstellen, maar die ooit even evident leek als de jaarlijkse dooi: Mais où sont les neiges d’antan? De vraag komt opnieuw van François Villon, die ze als refrein gebruikte in zijn Ballade des Dames du Temps Jadis, waar de dichter melancholisch betreurt dat ook de mooiste vrouwen uit de geschiedenis, te beginnen bij Helena van Troje, telkens genadeloos van het toneel moesten verdwijnen. Al te pathetisch doorvoeld moet men zich die melancholie niet voorstellen; het thema was een gemeenplaats, waar hij niet direct veel persoonlijke inspiratie voor nodig had. Zijn refreinvers is wel een vondst, die des te frappanter geklonken zal hebben omdat de meeste middeleeuwse schoonheidscodes de voorkeur gaven aan een bleke huid; ze was bij het twaalftal beroemde vrouwen die de Ballade opsomt (en dus impliciet bij alle andere) telkens opnieuw weggesmolten als sneeuw voor de zon. We kunnen de vertrouwde dood beter niet idealiseren. Er zat een stuk fatalisme in, een demissionaire gelatenheid tegenover het onvermijdelijke die in die dosering intussen misschien gewoon niet meer hoeft. Dat de geneeskunde de voorbije twee eeuwen performanter werd dan ooit tevoren, is zonder meer een feit. Ook wie zich (terecht) zorgen maakt over gesofistikeerde operaties die het lijden van de patiënten nutteloos verlengen en soms zelfs nieuwe ziektes opleveren
18
liber amicorum
LATE WOORDEN-press.indd 18
11/02/19 15:22
waar vergelijkbare patiënten vroeger gewoon niet aan toe kwamen, kan bezwaarlijk ontkennen dat moderne artsen hun patiënten beter en efficiënter kunnen helpen dan vroeger. De moderne mens ging ook minder vlot weg weten met de dood omdat hij het zich steeds meer kon permitteren zich kleinzeriger op te stellen.
Niet enkel religieus geïnspireerd De historiografie over de dood is vaak ingekleurd door een merkwaardige soort nostalgie. Naast Ariès zijn er nog mentaliteitshistorici die, zonder het daarom specifiek over de dood te hebben, het verleden graag mogen idealiseren. Ariès zelf had een heel eigenzinnige kijk op de moderniteit, die hij voor zover ik zie in geen enkele publicatie systematisch uitwerkte en die we hier niet in detail kunnen natrekken.7 Ik volsta dus met de vaststelling dat hij veel misverstanden had kunnen vermijden als hij wat regelmatiger onderstreept had dat zijn getemde dood niet direct bij een paradijselijke wereld hoorde, eerder integendeel. Hij liet het doorgaans na omdat hij het evident gevonden zal hebben (hongersnoden en de Zwarte Pest staan in alle schoolboekjes) én omdat hij, met de wat kinderlijke tegendraadsheid die veel Franse en andere intellectuelen kenmerkt, graag onverwacht uit de hoek kwam. In de linkse jaren vlak na 1968 lukte dat het best met schijnbaar reactionaire stellingen. Het was niet alleen de fout van zijn lezers als ze soms de indruk kregen dat Ariès’ getemde dood misschien de hersenschim was van een traditionalist die het verleden maar al te graag idealiseerde. Er was één vergissing waar Ariès zich wel zorgvuldig tegen indek7
Cf. daarover o.a. Albert van der Zeijden, ‘Een reactionair met sprankelende ideeën. Mentaliteitshistoricus Philippe Ariès verdient een revival’ in: Historisch Nieuwsblad, nr. 3, 2001, pp. 26-29; Guillaume Gros, Philippe Ariès. Un traditionaliste non-conformiste, Septentrion, Villeneuve-d’Ascq, 2008.
De vertrouwde dood: verloren mogelijkheid of optische illusie?
LATE WOORDEN-press.indd 19
19
11/02/19 15:22
te. Zijn getemde dood heeft ook dikwijls onder vuur gelegen omdat men hem van allerlei stichtelijke bijbedoelingen verdacht. Ariès was, ook daar met de nodige eigenzinnige accenten, een eerder traditionele katholiek. Het vermoeden lag voor de hand dat zijn getemde dood in die optiek een pluspunt moest opleveren voor de kerken, die, zolang zij het management van de dood voor hun rekening namen, voor psychologisch comfort gezorgd zouden hebben. Onze geseculariseerde moderniteit kan dat sindsdien niet meer aanbieden. De hele constructie zou er dan op neerkomen dat de mensen vroeger serener wisten te sterven omdat ze gelovig waren. Van die naïviteit wilde Ariès kennelijk niet verdacht worden. Hij herhaalde geregeld dat zijn analyses heel elementaire attitudes probeerden te raken, die niet afdoend te verklaren vielen door confessionele overtuigingen. Zijn mort apprivoisée is in die zin geen bijzondere verdienste van het christendom. Ze was trouwens ouder; Ariès gaat daar in zijn publicaties minder op in omdat zijn onderzoek zich toespitste op western attitudes toward death, maar hij wist natuurlijk heel goed (en vermeldde ook graag in interviews) dat antropologen zoals Louis-Vincent Thomas of Edgar Morin8 vergelijkbare opstellingen herkend hadden in Afrika of in het Amazonegebied. Ook binnen de Europese traditie is de sereniteit tegenover de dood geen monopolie van de kerken: folkloristen ontdekken volkse wijsheden9 die lang niet altijd een religieus accent hadden, intellectuele elites beriepen zich dan weer graag op allerlei tradities uit de Oudheid, die dan bijvoorbeeld teruggaan op het gedachtengoed van de Stoa. De vertrouwdheid met de dood profileert zich dus als een soort psychologisch gemeengoed, dat men, al kwam het uiteraard ook aan bod in liturgieën en meditatieboeken, beter niet te rechtstreeks linkt Cf. met name Edgar Morin, L’homme devant la mort, Seuil, Parijs, 1970; LouisVincent Thomas, Anthropologie de la mort, Payot, Parijs, 1975. 9 Cf. bv. Laurent Guyénot, La mort féerique. Anthropologie du merveilleux, XIIeXVe siècle, Gallimard, Parijs, 2011. 8
20
liber amicorum
LATE WOORDEN-press.indd 20
11/02/19 15:22