INHOUD 1 . D E T W E E D E V E RV R E E M D I N G 9 In vogelvlucht door onze opmerkelijke geschiedenis
De natuurstaat van Homo sapiens 12 Homo cooperans 16 De eerste vervreemding 21 De tweede vervreemding 27 2 . P R O B L E M E N I N G LO B A L I A 31 Een vicieuze cirkel van globale problemen
Wat is globalisering? 33 Het ontstaan van Globalia 34 Dimensies van globalisering 38 De problemen in Globalia 43 De weg uit de vicieuze cirkel 52 3 . D E C O Ö P E R AT I E V E L I N K E R B OV E N H O E K 61 Hoe ons biologisch en cultureel sociaal contract evolueerden
Het coöperatieprobleem 64 Het biologisch sociaal contract 74 Het cultureel sociaal contract 83 4 . D E O N H EI L S P E L L E N D E A R C H I T EC T VA N C O Ö P E R AT I E 93 Waarom een globaal sociaal contract er niet automatisch zal komen
De architect van het biologisch en het cultureel sociaal contract 95 De donkere zijde van Homo Cooperans 98 De geschiedenis door een nieuwe bril 103
De weg naar wereldwijde samenwerking 106
5
5 . D E W EG N A A R W E R E LW I J D E S A M E N W E R K I N G 121 Wat is er nodig om een globaal sociaal contract met elkaar aan te gaan?
Voorwaarde 1: Bewustwording 123 Voorwaarde 2: De morele cirkel uitbreiden 127 Voorwaarde 3: Een gemeenschappelijke taal 140 Voorwaarde 4: Gemeenschappelijke kennis 147 6 . H E T G LO B A A L C O N T R AC T 157 Wereldwijd samenwerken: hoe moet dat concreet?
Van internationale onderhandeling naar wereldwijde samenwerking 161 Een sociaal contract tussen individuen 163 Een dynamisch sociaal contract 166 Een minimaal sociaal contract 167 Deliberatief democratisch 170 Hoe moeten we concreet verder? 182 7. L E V E N I N G LO B A L I A 195 De positieve kant van globalisering
Globalisering leidt tot vrede 197 Globalisering leidt tot welvaart 199 Globalisering leidt tot een rechtvaardigere samenleving 211 ‘Glokalisering’: globalisering leidt tot een ‘natuurlijke’ samenleving 215 8 . H E T LOT VA N H O M O S A P I E N S 221 EI N D N OT E N 229
6
DE TWEEDE VER VREEM DING
IN VOGELVLUCHT DOOR ONZE OPMERKELIJKE GESCHIEDENIS
1.
D
at we in een bijzondere tijd leven, zullen weinigen te-
genspreken. Geen weldenkend mens had amper drie eeuwen geleden durven te voorspellen dat we vandaag met ruim zeven en een half miljard mensen de wereld zouden bevolken. Laat staan dat we in een etmaal naar de andere kant van de planeet zouden reizen of dat we vanuit het ene werelddeel in real time een gesprek zouden voeren met een ander werelddeel. Technologie is onze wereld radicaal aan het veranderen en dat heeft ingrijpende gevolgen voor de samenleving. Elke soort op aarde is aangepast aan de omgeving waarin ze leeft. Wanneer die omgeving verandert, dan past ze zich opnieuw aan of sterft ze uit. Voor de mens is dat niet anders. Ook wij staan niet boven verandering in onze omgeving, zelfs niet wanneer we die verandering zelf hebben voortgebracht. Vandaag veranderen we onze omgeving dermate dat er geen sprake meer is van een tijdperk van verandering maar van een verandering van tijdperk. We staan op een kantelpunt in onze geschiedenis, en dat voor de tweede maal.
De eerste keer dat onze geschiedenis een nieuwe wending nam, was zo’n twaalfduizend jaar geleden. We gingen voor het eerst het land bewerken en werden sedentair. De landbouwrevolutie is zonder twijfel de meest ingrijpende gebeurtenis geweest in de geschiedenis van onze soort. Ze heeft ons vervreemd van onze natuurlijke manier van samenleven. De groepen waarin we leefden groeiden exponentieel en de manier waarop we samenleefden zou nooit meer dezelfde zijn. Nu voltrekt zich een tweede omwenteling in de menselijke geschiedenis, een tweede vervreemding van onze natuurlijke vorm van samenleven. De groepen waarin we samenleven smelten samen. Het globale tijdperk is aangebroken en daarmee wordt het sociale weefsel voor de tweede maal in de geschiedenis van onze
De tweede vervreemding
11
soort grondig hertekend. Over de oorzaken en de gevolgen van globalisering (en waarom het zo’n ingrijpende gebeurtenis is) hebben we het in het volgende hoofdstuk. In dit hoofdstuk loods ik je graag in vogelvlucht door onze opmerkelijke geschiedenis.
D E N AT U U RSTA AT VAN H O M O SAPIENS Zo’n honderdvijftig- tot tweehonderdduizend jaar geleden verscheen Homo sapiens, de biologisch moderne mens, op het toneel in de Afrikaanse savanne. Voor het overgrote deel van zijn geschiedenis leefde hij als jager-verzamelaar in relatief kleine nomadengroepen. Op termijn zou hij migreren uit Afrika en de wereld gaan bevolken, maar de manier waarop hij samenleefde met anderen bleef nagenoeg ongewijzigd. De reden daarvoor is simpel: net als andere sociale diersoorten is de mens van nature voorbestemd om groepen te vormen van een bepaalde omvang waarin individuen op een bepaalde manier met elkaar omgaan. Bijen zijn geprogrammeerd om te leven in korven van tienduizenden, gnoes in kuddes van duizenden en wolven in roedels van een tiental. De mens, zo blijkt, is gemaakt om te leven in groepen van een honderdvijftigtal individuen. Dat staat bekend als
Dunbar’s number, naar de Britse evolutionaire antropoloog Robin Dunbar die dat heeft ontdekt. Op dat getal moeten we ons uiteraard niet blind staren. Ook Dunbar zelf doet dat niet. Het gaat hier om een grootteorde. Dunbars getal is volgens sommigen te klein en volgens anderen te groot, maar niemand betwist dat de mens van nature voorbestemd is om samen te leven in groepen van een bepaalde grootteorde. De mens is niet gemaakt om samen te leven in groepen van slechts een tiental, noch in groepen van duizenden. Dat leidde Dunbar af uit heel uiteenlopende onderzoeksdomeinen.
12
Eerst en vooral merkte Dunbar1 op dat de overblijvende nomadengroepen vandaag gemiddeld zo’n honderdvijftig leden tellen (148,4 om precies te zijn). Deze mensengroepen, die leven van de jacht en het verzamelen van wilde vruchten en planten, bieden ons een unieke inkijk in ons evolutionaire verleden. Als enigen leven zij nog zoals wij leefden sinds het begin van onze evolutionaire geschiedenis. Wel moeten we voorzichtig zijn met het extrapoleren van de kenmerken van deze groepen naar onze verre voorouders. De nomadengroepen die nu overblijven zijn immers niet altijd representatief voor het bestaan dat we zo lang geleid hebben. Ze kwamen doorgaans in contact met (en zijn daarom beïnvloed door) onze moderne manieren van samenleven. Ook leven ze voornamelijk in afgelegen en hardvochtige streken zoals woestijnen, oerwouden en polaire gebieden, de enige plaatsen die de sedentaire mens links heeft laten liggen. Hierdoor hebben ze vaak heel aparte overlevingsstrategieën ontwikkeld. Hun manier van samenleven kan daarom slechts een aanwijzing zijn voor hoe onze voorouders samenleefden. Maar ook uit een heel andere bron komt Dunbars getal naar boven. Zo is er een sterke correlatie tussen de grootte van de neo cortex (de bovenste en evolutionair meest recente laag van de hersenschors) in de hersenen van sociale primaten en de omvang van hun groepen. Hoe groter de groepen, hoe groter de neocortex van de primaten in de groep. Grotere groepen vergen immers meer denkvermogen. Om met soortgenoten samen te leven moeten we onthouden hoe die soortgenoten zich doorgaans gedragen, wie betrouwbaar is, wie het goed kan vinden met wie enzovoort. Wanneer we die correlatie op de mens toepassen, dan blijkt dat de grootte van onze neocortex (de grootste uit het primatenrijk) overeenkomt met een groep van zo’n honderdvijftig individuen. Dat is het maximale aantal mensen van wie we het doen en laten
De tweede vervreemding
13
van dichtbij kunnen opvolgen en met wie we nauwe banden kunnen ontwikkelen.2 Dat is in onze moderne samenleving niet veranderd. De gemiddelde Facebookgebruiker houdt er een honderdvijftigtal vrienden op na. Wanneer dat er meer zijn, dan blijkt die gebruiker doorgaans enkel met een beperkter aantal contacten regelmatig nieuws (of likes) uit te wisselen. We kunnen met andere woorden duizend of zelfs meer kennissen hebben, maar veel verder dan honderdvijftig vrienden komen we niet.3 Daar hebben we simpelweg geen mentale opslagplaats voor. Het grote verschil met vroeger is dat die honderdvijftig dichte relaties zich vandaag over het algemeen niet in een straal van enkele kilometers van ons bevinden. Naast het leven in groepen van zo’n honderdvijftig mensen, zijn we ook gemaakt om in groepen te leven die bijzonder egalitair zijn. We beschikken over een aangeboren aversie voor dominantie. Dat zet ons ertoe aan om hiërarchie en ongelijkheid binnen de groep te bestrijden.4 Zo hebben we in ons recente evolutionaire verleden – de zes miljoen jaren die ons op de evolutionaire boom van de chimpansees scheiden – komaf gemaakt met de sterke neiging tot domineren die eigen is aan vele primaatsoorten (inclusief onze dichtste evolutionaire neven, de chimpansees, en zelfs de notoir vredelievende bonobo’s). De Amerikaanse antropoloog Christopher Boehm5 noemt dit ‘omgekeerde dominantiehiërarchie’. Niet één individu of enkele individuen domineren de groep, zoals bij onze evolutionaire neven, maar de groep als geheel domineert diegenen die zich boven de groep trachten te verheffen of die hun steentje niet bijdragen. Haantjesgedrag wordt bij de mens moeilijk getolereerd. Wie zich er toch aan waagt, riskeert zich de woede van de groep op de hals
14
te halen. Het resultaat is een groep waarin iedereen op relatief gelijke voet met elkaar staat. Tot op de dag van vandaag is de sociale structuur van de meeste nomadengroepen, in tegenstelling tot het hiërarchische karakter van de meeste sedentaire groepen, bijzonder egalitair. Deze merkwaardige sociale structuur waarin Homo sapiens leefde, legde hem geen windeieren. Hij dankt er in belangrijke mate zijn evolutionair succes aan. In vergelijking met andere primaten en ook andere mensachtigen – zoals de Neanderthaler en Homo denisova die op hetzelfde moment als Homo sapiens leefden – blonk Homo sapiens uit door zowel de grootte als de cohesie van de groepen waarin hij leefde. Dat is wellicht de doorslaggevende factor geweest waarom vandaag enkel onze tak (Homo sapiens) overblijft uit de familie van de mensachtigen. De Neanderthalers – nochtans beter aangepast aan de koude Europese omgeving dan Homo sapiens, die daar vanuit het warme Afrika neerstreek – waren niet opgewassen tegen de grote groepen van onze voorouders. In tegenstelling tot wat veelal wordt gedacht, hoefde de Neanderthaler niet voor ons onder te doen wat algemene intelligentie betreft. Net als onze voorouders ontwierp en gebruikte hij gesofistikeerde voorwerpen, maakte hij vuur en beschikte hij over een rijke cultuur. Neanderthalers begroeven bijvoorbeeld hun doden en maakten grotschilderingen. Hun hersenmassa was gemiddeld iets groter voor een weliswaar iets zwaarder lichaam. Maar ze hadden één groot nadeel: ze leefden in kleine groepen van een tiental bloedverwanten. Ze waren dan ook niet opgewassen tegen de numerieke overmacht van onze voorouders wanneer die hun gebieden kwamen bevolken en de strijd met hen aanbonden voor de schaarse levensmiddelen waarop ze beiden waren aangewezen.6
De tweede vervreemding
15
H O M O C O O PER A NS Dat brengt ons bij de vraag wat ons nu zo bijzonder maakt, wat Homo sapiens van andere soorten onderscheidt. Over deze vraag zijn al sloten inkt gevloeid. We hebben onszelf al op heel uiteenlopende manieren beschreven. Homo sapiens staat voor de ‘wijze’ of ‘intelligente’ mens. Er is ook sprake van Homo faber, de vervaardigende, werkende mens, en Homo ludens, de spelende mens. Deze benamingen verwijzen allemaal naar belangrijke en kenmerkende eigenschappen van onze soort. Maar het epitheton bij uitstek – het adjectief dat ons volgens mij het best beschrijft – is Homo cooperans: de samenwerkende mens. We hebben namelijk van samenwerking onze niche gemaakt. Net zoals de evolutie van jachtluipaarden heeft ingezet op snelle benen, die van giraffen op lange nekken en die van kameleons op camouflage, heeft onze recente evolutie ingezet op coöperatie.
Daarvoor hebben we een hele waslijst aan mentale vaardigheden ontwikkeld. Coöperatie zou wel eens de reden kunnen zijn waarom we met zo’n opmerkelijk bloemkoolhoofd rondlopen. De herseninhoud van onze voorouders is verdubbeld over de laatste twee miljoen jaar. Dat is merkwaardig. Aan dat grote brein van ons hangt immers een prijskaartje. Ruim twintig procent van de energie die we halen uit voedsel gaat naar de hersenen. Zo’n duur orgaan zou niet geëvolueerd zijn als het onze voorouders geen voordeel opleverde in de strijd om het bestaan en de reproductie. Dat voordeel moest minstens even groot zijn als de kosten: het extra voedsel dat moest worden gevonden in een schaarse omgeving. Indien de kosten van zo’n brein groter waren dan de baten, dan had de evolutie ons voorzien van een zuiniger exemplaar. De vraag is dus welk voordeel deze extra intelligentie ons heeft opgeleverd. Vaak heeft men het over de grotere flexibiliteit die ze ons bezorgde in het omgaan met een omgeving die snel
16
kon veranderen door de ijstijden. Ook wijst men op het feit dat onze voorouders door migratie in heel verschillende omgevingen terechtkwamen. Maar volgens de ‘sociale-intelligentiehypothese’, die steeds meer bijval krijgt, zijn onze grote hersenen er in de eerste plaats gekomen voor coöperatie. Samenwerken doen we immers op een uitzonderlijk grote schaal. We zijn in staat om met een heel groot aantal andere individuen samen te werken en dat voor een uitzonderlijk brede waaier van activiteiten. We hebben daarvoor een reeks specifieke emotionele en verstandelijke of cognitieve adaptaties ontwikkeld. Enerzijds rustte natuurlijke selectie ons uit met emoties om samenwerkingsverbanden te willen aangaan, anderzijds met het denkvermogen om complexe vormen van samenwerking te kunnen aangaan. Die emotionele mechanismen voor coöperatie motiveren ons niet enkel om samenwerkingsverbanden aan te gaan, ze motiveren ons ook om samenwerking te beschermen. Dat laatste doen ze door ons de drang te geven om vrijbuiters – individuen die profiteren van de samenwerking maar er zelf niet toe bijdragen – te straffen, zelfs als wij daar niet rechtstreeks het slachtoffer van zijn. Dat is opmerkelijk. Wanneer een chimpansee ziet dat het voedsel van zijn kompaan wordt weggenomen door de onderzoeker, dan komt hij niet in opstand. Dat doet hij enkel wanneer zijn eigen voedsel wordt weggenomen. Mensen daarentegen komen vaak tussenbeide als derde partij. Dat fenomeen staat bekend als altruïstisch straffen. We blijken bereid vrijbuiters en al te bazige individuen te straffen, zelfs als wij (of onze dichte verwanten) er niet het slachtoffer van zijn én dat straffen een persoonlijke kostprijs met zich meebrengt. In velen van ons schuilt een kleine Batman, een vigilante die koste wat het kost het onrecht uit de wereld wil helpen.
De tweede vervreemding
17
Natuurlijke selectie heeft ons ook op cognitief vlak bijzonder goed uitgerust om samen te werken en samenwerkingen te beschermen tegen vrijbuiters. We beschikken voor dat laatste volgens evolutionaire psychologen over een instinct om valsspelers te ontmaskeren (a cheater detection module). Wanneer iemand de boel belazert, dan hebben we dat snel in de gaten. We blijken complexe sociale interacties instinctief te scannen op vrijbuitersgedrag (en wanneer we het detecteren komt de kleine Batman in ons naar boven). Dat maakt van de mens een uitzonderlijk coöperatieve primaat. Maar daar stopt het niet. Volgens Dunbar7 evolueerde zelfs taal bij de mens voor sociale – en dus coöperatieve – doeleinden. In zijn zogenaamde roddeltheorie argumenteert Dunbar dat taal bij de mens niet zozeer evolueerde om over de omgeving te spreken, maar over elkaar.8 Om banden te onderhouden en belangrijke informatie over anderen in de groep uit te wisselen (zoals wie met wie overeenkomt, wie een relatie heeft met wie, en wie niet te vertrouwen is), zou roddelen de eerste functie van taal geweest zijn én aan de basis liggen van haar evolutie. Taal is volgens Dunbar geëvolueerd ter vervanging van vlooien (de vacht van een soortgenoot van vlooien en andere parasieten ontdoen). Dat is de manier bij uitstek waarop sociale primaten – en dus ook onze verre voorouders – banden met elkaar onderhouden en versterken. Vlooien vergt echter veel tijd. In de steeds groter wordende groepen van onze voorouders moest daar een ander mechanisme voor in de plaats komen. Dat was volgens Dunbar taal. Taal stelde ons in staat om nauwe relaties te onderhouden (en dus ook samen te werken) met een groter aantal soortgenoten. Deze roddeltheorie van de evolutie van taal is niet zo vergezocht als ze op het eerste gezicht misschien lijkt. Roddelen is nog altijd wat we het meest met taal doen. Dunbars
18
onderzoek bracht aan het licht dat ruim zestig procent van de gesprekken die we voeren over andere mensen gaan. En bij het vertellen en horen van roddels lichten de pleziercentra van de hersenen op als een kerstboom. Onze meest nobele en onderscheidende vaardigheid zou dus wel eens een heel mondaine bestaansreden kunnen hebben. Ten slotte beschikken we naast taal over een andere cruciale vaardigheid die ons in staat stelt om op ongeziene schaal samen te werken: een zogenaamde theory of mind. Dat begrip slaat op ons vermogen om intenties, gedachten en emoties aan anderen toe te schrijven, om met andere woorden in het perspectief van een ander te komen. Dat vermogen is, indien niet uniek menselijk, dan toch het meest ontwikkeld bij mensen. Het bezit van een theory of mind stelt ons niet enkel in staat om empathisch met elkaar om te gaan (we kunnen immers in de schoenen van anderen gaan staan en ‘meevoelen’ met hun leed), het is ook de stuwende kracht achter allerlei vormen van samenwerking. Om met iemand samen te werken, moet je ervan uit kunnen gaan dat de andere zijn deel van het werk tot een goed einde zal brengen en er niet ergens halverwege de brui aan zal geven. Je kan beter geen energie verspillen aan een onderneming die niet tot een goed einde zal worden gebracht. Om succesvol samen te werken moeten alle partijen van elkaar weten dat zij het doel kennen, dat ze hun precieze taak in de verwezenlijking van het doel kennen én dat ze gemotiveerd zijn om het doel te bereiken. Daarvoor heb je een heel verfijnd vermogen nodig om andere geesten ‘te lezen’. Net dat maakt de mens volgens ontwikkelingspsycholoog Michael Tomasello9 uniek en ligt aan de basis van de enorme culturele verwezenlijkingen van onze soort. Het bijzondere van de menselijke intelligentie ligt dus niet louter in de mogelijkheid om de omgeving op complexe wijze
De tweede vervreemding
19
voor te stellen en te manipuleren, maar voor een belangrijk deel ook in het sociale netwerk dat het tot uiting brengt. De grote verwezenlijkingen van de mens zijn in de eerste plaats toe te schrijven aan zijn uitzonderlijk coöperatieve natuur. Menselijke coöperatie onderscheidt zich niet enkel door haar grootschaligheid, ze strekt zich ook uit doorheen de tijd. Dat is heel bijzonder. Als enige soort zijn wij in staat om over generaties heen met elkaar samen te werken. Wetenschappers bouwen voort op eeuwen van wetenschappelijk onderzoek, vakmannen geven hun kennis door aan de volgende generatie en kinderen worden jarenlang onderwezen in een brede waaier aan culturele verworvenheden van het verleden. Om Newton te parafraseren: wij kunnen verder kijken omdat we op de schouders van reuzen staan. Die reuzen, dat zijn de voorgaande generaties die ons hun kennis en kunde hebben doorgegeven. Die samenwerking doorheen de tijd ligt aan de basis van de enorme complexiteit en rijkdom van de menselijke cultuur. Cultuur, breed gedefinieerd als de variabiliteit binnen een soort in het omgaan met elkaar en de omgeving, is nochtans niet exclusief menselijk. Ook andere diersoorten vertonen gedrag dat zich in bepaalde groepen verspreidt en niet in andere. Zo’n gedrag is cultureel aangeleerd en niet genetisch verankerd. Maar de menselijke cultuur is bijzonder: de graad van variabiliteit tussen verschillende groepen en de complexiteit van de culturele innovaties is nergens zo groot als bij de mens. De reden daarvoor is niet zozeer dat we zoveel inventiever zijn dan andere soorten. Wat ons onderscheidt is meer een kwestie van het doorgeven van kennis en kunde dan het ontwikkelen ervan. Het opmerkelijke feit dat wij in staat zijn voort te bouwen op innovaties van vorige generaties vertaalt zich in wat Tomasello ‘cumulatieve culturele evolutie’ noemt. De culturele ontwikkelingen
20
waar groepen over beschikken, worden over de generaties heen doorgaans uitgebreid en verfijnd. Dat gebeurt bijvoorbeeld niet bij chimpansees, terwijl ook zij bijzonder inventief zijn. Cultureel (niet genetisch voorbestemd) voorwerpgebruik is vastgesteld in sommige chimpanseegroepen. Bepaalde groepen gebruiken bijvoorbeeld twijgen die van bladeren worden ontdaan om in termietnesten te vissen. Anderen uit de groep nemen die innovaties veelal over, maar over de generaties heen gaan dergelijke aangeleerde vaardigheden uiteindelijk vaak verloren. Er wordt in geen geval voortgebouwd op succesvolle ‘uitvindingen’. Het feit dat de mens dat wel kan, ligt aan de basis van de ingrijpende manier waarop hij zijn omgeving heeft veranderd en een heel verschillende manier van (over)leven heeft ontwikkeld. Daarin zijn we dus uniek.
D E EERSTE V ERV REEM DIN G Een heel verschillende manier van leven ontwikkelen deed de mens voor het eerst zo’n twaalfduizend jaar geleden: hij ontwikkelde een voedselproductietechnologie die zijn levensstijl radicaal veranderde. De eerste landbouwrevolutie, ook wel de neolithische revolutie genoemd, vond plaats in het Midden-Oosten in de zogenaamde vruchtbare sikkel. Enkele millennia later volgden, wellicht onafhankelijk van elkaar, gelijkaardige revoluties in andere streken, zoals in het huidige China, India, Peru en Mexico. Het nomadenbestaan van de jager-verzamelaar werd ingeruild voor het sedentaire bestaan van de landbouwer. Op korte termijn was dat doorgaans geen goede zaak voor onze voorouders. Ze bleken te kampen met aanzienlijke nutritionele tekorten, leefden daarom gemiddeld minder lang dan voorheen en boetten zelfs aan lengte in. Maar er was geen weg terug.
De tweede vervreemding
21
De eerste landbouwers kregen namelijk veel meer kinderen dan hun nomadische voorouders. Door het land te verbouwen konden veel meer mensen leven op een bepaalde oppervlakte. Tarwevelden en opeengepakte kuddes gedomesticeerde geiten leveren immers veel meer calorieën per vierkante meter op dan her en der verspreide wilde planten en vruchten en het dierlijk wild dat er rondloopt.10 Maar ook andere factoren dreven het aantal geboortes de hoogte in. Boorlingen werden sneller gespeend dankzij de melk uit de veeteelt (oorspronkelijk van geiten in de vruchtbare cirkel). Vrouwen konden zo sneller opnieuw zwanger worden, want borstvoeding onderdrukt de vruchtbaarheid. Veel kinderen krijgen was voor het eerst trouwens ook gewenst. Voor nomadengroepen zijn jonge kinderen een last, want die moet je overal meedragen. Bij sedentaire volkeren doet dat probleem zich niet voor. Sterker zelfs, grote families waren nodig om het vele zware werk te torsen. Het gevolg was een bevolkingsexplosie in deze sedentaire groepen. Dat vereiste op zijn beurt de uitbreiding van de landbouwactiviteiten, hetgeen weer meer handen behoefde. De landbouw veroorzaakte de bevolkingsgroei en de bevolkingsgroei maakte de landbouw noodzakelijk. Er was geen weg terug en de gevolgen waren ingrijpend. De bevolkingsexplosie die met de landbouw gepaard ging, zou de manier waarop we samenleefden radicaal veranderen.
Onze sociale natuur was niet voorzien op die bevolkingsexplosie. De menselijke sociale psychologie bleef uiteraard onveranderd door de landbouwrevolutie. We waren (en zijn trouwens nog steeds) ‘gemaakt’ om in groepen van een honderdvijftigtal individuen te leven (Dunbars getal) en die grotere groepen zorgden voor problemen. Er is weinig geweten over het leven in de eerste grote landbouwnederzettingen, maar we kunnen ervan uitgaan
22
dat er voor het eerst sociale onrust binnen de groep ontstond. Voor het eerst moesten mensen immers omgaan met vreemden, mensen met wie ze geen persoonlijke band hadden en met wie ze niet konden terugblikken op een gedeeld verleden van eerdere samenwerkingen. Conflict was er voordien voornamelijk tussen groepen, nu kwam er ook conflict tussen individuen binnen de groep. Daar waren oplossingen voor nodig. Zo niet dreigde de groep uiteen te vallen en de samenwerking op te houden. Ook in de landbouwcontext was die samenwerking van groot belang. Taken moesten worden verdeeld – veel meer nog dan in onze dagen als jagers-verzamelaars, toen mannen over het algemeen jaagden en vrouwen verzamelden. Voortaan moesten voedsel en andere levensbenodigdheden worden verhandeld. De overleving van de groep hing af van het behoud van de sociale orde, maar die sociale orde kon niet langer worden gehandhaafd door de sociale psychologische mechanismen die waren gevormd om samen te werken in de kleine nomadengroepen waarin we altijd hadden geleefd. Er moesten dus culturele oplossingen komen, want biologische evolutie gaat veel te traag om onze sociale psychologie aan te passen aan die abrupt veranderde sociale context. Die oplossingen kwamen er in de vorm van sociale instellingen, die de interactie van de leden van een groep orkestreerden door gemeenschappelijk erkende regels op te stellen en straffen op te leggen bij het overtreden van deze regels. Deze regels van het samenlevingsspel beschermden de samenwerking binnen de groep tegen vrijbuiters en verzekerden de cohesie van de groep. Keer op keer zien we dan ook dezelfde sociale instellingen opduiken wanneer de mens zijn nomadenbestaan inruilt voor een sedentair bestaan. Eigendomsrecht orkestreert de manier waarop goederen worden uitgewisseld, strafrecht de manier waarop
De tweede vervreemding
23
individuen met elkaar omgaan, en het beheer van gemene goederen (zoals graasweides voor herders en viswaters voor vissers) de manier waarop men die moet gebruiken en onderhouden zodat ze niet worden uitgeput door individuen die handelen vanuit hun eigenbelang. Vandaag vinden we die sociale instellingen overal ter wereld terug, in heel uiteenlopende culturele contexten. Ze vormen de fundamenten van de moderne samenleving. In de nieuwe culturele context die volgde uit het ontstaan van de landbouw namen sociale instellingen dus de rol over van onze sociale psychologie. Om toe te zien op de gehoorzaamheid aan de opgelegde regels waren voortaan ook machthebbers nodig. In jagers-verzamelaarsgroepen waren die er niet. Iemand die anderen probeerde te domineren, werd door de groep afgestraft. Onze psychologische aversie voor sociale dominantie zorgde daarvoor. Dat is vandaag overigens nog altijd het geval bij het gros van de overblijvende jagers-verzamelaarsgroepen. De zeventiende-eeuwse Engelse filosoof Thomas Hobbes beschreef uitvoerig de noodzaak van zo’n machthebber voor de sociale orde. Volgens Hobbes kan een oorlog van ‘allen tegen allen’ alleen maar voorkomen worden door een absolute machthebber, een ‘Leviathan’ aan te stellen. Met het begrip ‘Leviathan’ verwijst Hobbes naar een Bijbels monster, daar de machthebber volgens Hobbes gevreesd moet worden door zijn onderdanen. Enkel zo houden zij zich aan de regels. Hobbes’ despoot krijgt het monopolie op rechtspraak en geweld, en straft misdrijven binnen de groep genadeloos af. Anarchie – de afwezigheid van heerschappij – maakt volgens Hobbes sociale orde onmogelijk en het leven ondraaglijk. Dat legitimeert volgens hem sociale hiërarchie en vormt de basis voor het sociaal contract tussen onderdanen en machthebbers.
24
Wat Hobbes niet wist, is dat sociale orde wel degelijk mogelijk is in een staat van anarchie. Zolang we leefden in kleine, hechte groepen van zo’n honderdvijftig mensen kon onze sociale psychologie de klus klaren. Na de eerste vervreemding (de landbouwrevolutie) lukte dat echter niet meer. Voortaan kon alleen de harde hand van een Leviathan groepen bijeenhouden. Overal zien we dan ook heersende klassen op het toneel verschijnen na landbouwrevoluties. Van stamhoofden over koningen en farao’s tot keizers. Zij waren de lijm die de grote, anonieme groepen bij elkaar hield door met harde hand toe te zien op het naleven van de regels. Zo’n sociale hiërarchie werd voor het eerst mogelijk. Dankzij het voedseloverschot dat de landbouw (in goede dagen) met zich meebracht, hoefde niet langer iedereen voortdurend op zoek te gaan naar voedsel. Er kon een sociale elite ontstaan die door de lagere sociale rangen in alles werd voorzien. Die sociale hiërarchie betekende dus een verdere vervreemding van onze natuurlijke manier van samenleven. Onze antidominante psychologie stond (en staat) haaks op deze nieuwe sociale context, maar er was geen weg terug. Groepen werden groter en machthebbers onontbeerlijk. Sociale hiërarchie maakte op haar beurt nog grotere groepen mogelijk door de orde in deze groeiende groepen te handhaven. Zo werden onze groepen steeds groter, anoniemer en hiërarchischer. Dat betekende echter niet enkel kommer en kwel, we plukten ook de vruchten van die vervreemding. Het betekende de start van een ongeziene toename in welvaart door innovatie. Grotere groepen maakten namelijk de coöperatie grootschaliger en het proces van cumulatieve culturele evolutie won aan snelheid. Voor cumulatieve culturele evolutie is er een kritische massa nodig:
De tweede vervreemding
25
hoe groter de groep, hoe meer innovaties binnen de groep kunnen worden opgeslagen én hoe sneller nieuwe innovaties in de groep worden geïntroduceerd. Zo bleken Aboriginals in Tasmanië bij hun ontdekking in de achttiende eeuw in heel primitieve omstandigheden te leven. Ze waren zo’n veertigduizend jaar geleden, tijdens de laatste ijstijd, vanuit Australië doorgestoken naar het zuiderse eiland Tasmanië over een landbrug. Toen het klimaat zo’n twaalfduizend jaar geleden weer opwarmde en de landbrug verdween, verloren ze elk contact met de Aboriginals in Australië. Over de generaties heen verloren ze belangrijke innovaties zoals visnetten, werktuigen uit been en zelfs het vervaardigen van warme kledij. De groep was namelijk te klein om deze culturele verworvenheden getrouw door te geven van generatie op generatie. Ze was niet in staat de culturele verworvenheden van het verleden te behouden, laat staan erop voort te bouwen. Het proces van cumulatieve culturele evolutie verdween. In de kleine groepen waarin we als jagers-verzamelaars leefden kon evenmin veel culturele kennis worden opgeslagen. Er was een belangrijke beperking op de complexiteit van de culturele verworvenheden van een groep. Deze beperking verdween gaandeweg bij het groter worden van de groepen. Gedragen door steeds grotere groepen kwam er een steeds sneller lopende stroom van innovaties op gang. Innovaties die onze omgeving ingrijpend zouden veranderen. In zekere zin zijn alle latere grote culturele verworvenheden mogelijk gemaakt door deze eerste grote verworvenheid: de landbouwkunde. Dat is de katalysator geweest die de menselijke geschiedenis in een nieuwe versnelling heeft gebracht. Die ene innovatie die alle daaropvolgende innovaties mogelijk maakte. Want voor een soort die het van coöperatie moet hebben, wordt
26
vooruitgang gedragen door aantallen. We gingen van stammen over steden naar rijken en staten, en telkens werd het draagvlak voor en de snelheid van culturele vooruitgang opgedreven.
D E T WEED E V ERV REEM DIN G Dat versnellende proces van culturele vooruitgang zou uiteindelijk leiden tot technologische innovaties die op hun beurt de menselijke samenleving fundamenteel zouden veranderen. Innovaties die net zoals de landbouwkunde het sociale weefsel radicaal zouden hertekenen. Sommige uitvindingen, zoals het wiel, het kompas en de drukpers, brachten de culturele vooruitgang in een stroomversnelling. Ze luidden tijden van grote verandering in. Heel af en toe echter luiden uitvindingen ook een nieuw tijdperk in. De landbouw was er één, en vandaag krijgen we opnieuw te maken met dergelijke innovaties. Het gaat om de communicatie- en transporttechnologieën die in de laatste eeuw(en) tot stand zijn gekomen. Ook hier is er sprake van innovaties die de manier waarop we samenleven radicaal aan het veranderen zijn. Voor de tweede keer in onze geschiedenis is technologie ons aan het vervreemden van de manier waarop we gemaakt zijn om samen te leven. De eerste vervreemding bestond erin dat de groepen waarin we samenleefden groter werden. De tweede bestaat erin dat die groepen gaan samensmelten. Dat
brengt grote mogelijkheden met zich mee – het draagvlak voor culturele vooruitgang neemt exponentieel toe in een geglobaliseerde wereld – maar ook belangrijke uitdagingen. Ons lot is voor het eerst in de geschiedenis niet meer gebonden aan de groep waartoe we behoren. Groepen staan niet meer los van elkaar. Een economische crisis in Azië laat zich voelen op de Europese markt, een conflict in het Midden-Oosten brengt
De tweede vervreemding
27
een migratiegolf naar Europa voort, en het lot van de hele mensheid en van vele eilandbewoners in het bijzonder ligt in de handen van de rijke, industriële naties die verantwoordelijk zijn voor de huidige klimaatverandering. De globalisering die zich aan het voltrekken is katapulteert ons in een nieuwe samenlevingscontext en dat vraagt ook nu weer om culturele oplossingen. In het volgende hoofdstuk nemen we die globalisering en de problemen die zich voordoen in ‘Globalia’ onder de loep. Wat zijn de grote uitdagingen in het tijdperk dat aangebroken is met de tweede vervreemding? Het zijn stuk voor stuk samenwerkingsproblemen, zal ik betogen, en dergelijke problemen – zo zien we in hoofdstuk 3 – zijn in het verleden reeds tweemaal opgelost: de eerste keer door de biologische evolutie van onze sociale emoties in onze evolutionaire geschiedenis, en de tweede keer door de culturele evolutie van sociale instellingen na de eerste vervreemding. Maar de oplossingen van het verleden zullen vandaag niet meer werken. Wereldwijde samenwerking kan er niet komen door evolutionaire processen, want die worden gedreven door competitie (zie hoofdstuk 4). De enige mogelijke architect van een wereldwijd samenwerkingsverband is de menselijke reflectie. Wat nodig is om tot wereldwijde samenwerking te komen en hoe we dat concreet kunnen verwezenlijken, bespreek ik in hoofdstuk 5 en 6. Globalisering brengt echter niet enkel problemen met zich mee. In hoofdstuk 7 belicht ik de positieve kant van globalisering. In hoofdstuk 8, ten slotte, kader ik het geheel in een reflectie over de menselijke conditie. Als enige diersoort is Homo sapiens in staat zijn lot in eigen handen te nemen en zich te onttrekken aan de blinde dynamiek van evolutionaire processen. Aan ons om die kans ten volle te benutten.
28
S A M E N VAT T I N G   Voor
de tweede keer in onze geschiedenis is techno-
logie onze manier van samenleven radicaal aan het veranderen. De eerste vervreemding van onze natuurlijke manier van samenleven kwam er met de landbouwrevolutie. Door de bevolkingsexplosie die daaruit volgde werden de groepen waarin we samenleefden vele malen groter. Onze sociale natuur was daar niet op voorzien dus moesten er culturele oplossingen komen om de samenwerking en harmonie binnen de groep te vrijwaren. Die oplossingen kwamen er in de vorm van sociale instellingen zoals eigendom, strafrecht en het beheer van gemene goederen. Vandaag voltrekt zich een tweede vervreemding: de groepen waarin we samenleven staan niet langer los van elkaar. Het tijdperk van de globalisering is aangebroken en dat brengt belangrijke uitdagingen met zich mee waarvoor we opnieuw oplossingen moeten zoeken.
De tweede vervreemding
29
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen.
Omslagontwerp: Herman Houbrechts Vormgeving: Armée de Verre Bookdesign
© Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2019 en Michael Vlerick D/2019/45/323 – ISBN 978 94 014 5904 4– NUR 740
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.