HET ENNEAGRAM
Richard Rohr en Andreas Ebert
HET ENNEAGRAM
Een weg naar zelfkennis
Oorspronkelijke titel Das Enneagramm Oorspronkelijke uitgever Claudius Verlag, München Vertaling Angèle Janse Vormgeving Studio Lannoo Illustraties istock, lesichkadesign © Claudius Verlag, München © Nederlandse tekst Uitgeverij Lannoo nv, Tielt D/2019/45/110 — ISBN 978 94 014 5902 0 — NUR 765 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Vrienden, nu al zijn wij kinderen van God, en wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard; maar wij weten dat wanneer het geopenbaard wordt, wij aan Hem gelijk zullen zijn, omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is. — 1 Johannes 3,2 Een aap zag door het heldere glas van een fles een kers en wilde die stelen. Hij strekte zijn hand door de hals van de fles en omvatte de kers met zijn vuist, maar nu kon hij zijn hand niet meer terugtrekken. Toen kwam de jager tevoorschijn, die de val had gezet. De aap werd door de fles zo gehinderd dat hij niet kon weglopen en werd gevangen. Ik heb tenminste de kers nog in mijn hand, dacht hij. Maar op hetzelfde moment gaf de jager een flinke tik tegen zijn elleboog, de hand van de aap opende zich en schoot uit de fles. Toen had de jager de vrucht, de fles en de aap. — Uit het boek van de Amu Darja Als getallen en figuren niet meer de sleutels van alle schepselen zijn, als die maar weer zingen of kussen en meer weten dan de hooggeleerden, als de wereld terug zal gaan naar het vrije leven en naar de wereld, als licht en schaduw zich dan weer verenigen tot ware helderheid, en men in sprookjes en gedichten de ware wereldgeschiedenissen herkent, dan vliegt bij één enkel geheim woord het verkeerde wezen geheel en al weg.
— Novalis
Voor onze moeders Eleanore Dreiling-Rohr Rente ApfelgrĂźn-Mayr
Inhoud Woord vooraf. Een spiegel van de ziel 7
Deel 1. De slapende reus
17
Een dynamische typologie 18 Het geheim van het getal 153 23 Doordringen tot de Volkomen Andere 40 Een kardinaal ontwaakt 42 Ontnuchterende aha-ervaring 43 Begaafde zondaars 46 De waarheid is eenvoudig en mooi 49 De mens is een gewoontedier 51 Obsessies 53 De weg naar eigen waardigheid 54 Dwaalwegen en uitwegen 54 De drie centra: buik – hart – hoofd 58 De negen verschijningsvormen van de ziel 62
Deel 2. De negen typen Type EEN 68 Type TWEE 87 Type DRIE 108 Type VIER 127 Type VIJF 146 Type ZES 165 Type ZEVEN 183 Type ACHT 203 Type NEGEN 223
Deel 3. Dimensies in de diepte 244 Bekering en heroriëntatie 246 Geïdealiseerd zelfbeeld en schuldgevoelens 258 Verleiding, vermijding en afweermechanismen 260 Het drievoudig continuüm 262 Groeien met het enneagram 281
Inhoud | 7
Jezus en het enneagram 287 Enneagram en gebed 304 Het einde van de determinatie 304 Een enneagrammatische kerstpreek 307
Eindnoten 339 Naamregister 312 Bibliografie 314 Typetest Markus Becker 317
8 |
Woord vooraf Een spiegel van de ziel In de late zomer van 1989 verschenen in Duitsland op enkele weken tijd drie boeken over het enneagram. Een daarvan was de eerste editie van het boek dat je vandaag in handen hebt. Intussen zijn er meer dan 400.000 exemplaren verkocht en is het in twintig talen vertaald. Richard Rohr en ik hebben intussen vele lezingen en vormingen over het enneagram gegeven. Er zijn enige nieuwe inzichten bij gekomen die bepaalde stellingen van de eerste druk herzien. Deze betreffen met name de ontstaansgeschiedenis van het enneagram. Wij zijn er inmiddels van overtuigd dat de typologie van het enneagram niet ontstaan is uit islamitisch-soefistische bronnen, maar op de leer van de acht, dan wel negen gedachten die de christelijke woestijnvader Evagrius Pontikus (gestorven in 399 n.Chr.) voor het eerst formuleerde. Bovendien is er op enige plaatsen wat talig bijgeschaafd. Dit boek is ontstaan nadat ik in 1985 Richard Rohr bezocht had, die toen nog leider was van de gezinscommuniteit New Jerusalem in Cincinnati (Ohio). Hij vertelde me voor het eerst over het enneagram. Hij had het als een ‘geheime leer’ van een jezuïet overgenomen en gebruikte het in het kader van de pastorale zorg voor zijn gemeenschap. Er was toen nog maar nauwelijks literatuur over het enneagram verschenen. In de zomer van 1988 kon ik op Richard Rohrs nieuwe werkplek, het Centrum voor Actie en Contemplatie in Albuquerque (New Mexico), deelnemen aan een workshop van enkele dagen over het enneagram. Ondertussen waren er in de VS een hele reeks boeken over het enneagram verschenen. Veel psychologen en theologen waren van mening dat het een uitstekend instrument was om mensen te helpen op hun weg naar spirituele en psychologische groei. Nadat ik uit de VS was teruggekeerd, twijfelde ik: zou ik een al verschenen boek vertalen of de door Richard Rohr gesproken en opgenomen tekst tijdens de workshop bewerken? Ik besloot tot het laatste, en wel om de volgende reden. De kennis van het enneagram werd lange tijd uitsluitend mondeling doorgegeven. Ook al waren
Woord vooraf Een spiegel van de ziel | 9
de voordrachten van Rohr niet altijd even systematisch, zijn levendige en ongedwongen taalgebruik paste volgens mij beter bij de overlevering van het enneagram dan een zuiver wetenschappelijke verhandeling. De tot dan toe verschenen literatuur heb ik in de tekst (voornamelijk in het eerste en derde deel van het boek) verwerkt. Daarnaast heb ik een reeks eigen ervaringen met het enneagram verzameld, die ik ook in het boek heb opgenomen. Terwijl ik aan dit boek werkte, kwam mij ter ore dat ook in ons taalgebied hier en daar al eerder met het enneagram was gewerkt. Een paar jezuïeten en de katholieke Gemeenschap van het Christelijk Leven (GCL) zetten het typologische model in bij retraites en de opleiding van pastoraal werkers (m/v). Vooral de ontmoeting met Hildegard Ehrtmann, die op beslissende wijze bijgedragen heeft geleverd aan dit werk, heeft het ‘eindproduct’ wezenlijk impulsen gegeven. Ten slotte zijn in het boek nog reacties opgenomen van een eerste enneagrambijeenkomst, die in 1989 plaatsvond in slot Craheim in Unterfranken. Bijna zeventig deelnemers, onder wie een aantal predikanten en therapeuten, namen het concept onder de loep. Hun feedback was erg waardevol. Ik ben bijzonder veel dank verschuldigd aan Marion Küstenmacher, die het ontstaan van het boek vanaf het begin heeft begeleid en mij door haar enthousiasme altijd weer heeft aangemoedigd. Christian Sudermann was een onvermoeibare hulp om de juiste literatuur te vinden, de diagrammen te vervaardigen en de hoofdstukken in te delen. Ik hoop dat dit boek lezers vindt die bereid zijn een boeiende, maar ook moeizame weg naar zelfkennis en bekering te volgen. Ik ben me ervan bewust dat het model van het enneagram ook misbruikt kan worden om zichzelf en anderen op een goedkope en oppervlakkige manier in een schema te plaatsen, wat juist geen groei, maar verstarring tot gevolg heeft. Ware zelfkennis heeft iets te maken met innerlijke arbeid, die soms zwaar en pijnlijk is; werkelijke verandering gaat gepaard met barensweeën. Er is moed voor nodig om deze weg te betreden. Veel mensen schrikt de weg tot zelfkennis af, omdat ze bang zijn door hun eigen afgronden te worden verzwolgen. Christenen weten – al is dat vaak slechts in theorie – dat Christus alle afgronden van het mens-zijn heeft doorleefd en met ons meeloopt wanneer we de
10 |
oprechte confrontatie met onszelf durven aan te gaan. Omdat God onvoorwaardelijk van ons houdt – met onze afgronden en onze schaduwzijden – hoeven we niet voor onszelf te vluchten. In het licht van deze liefde kan de pijn van de zelfkennis tegelijkertijd het begin vormen van onze genezing en onze weg naar volkomenheid. God houdt ook van ons wanneer we deze weg niet gaan; maar op deze wijze onthouden wij onszelf veel vruchten van Zijn goddelijke liefde. De meesters en geestelijk leiders van alle westerse en oosterse religieuze tradities wisten dat ware zelfkennis de voorwaarde is voor de ‘innerlijke reis’. Teresia van Avila, de grote christelijke mystica, schrijft in haar belangrijkste werk De innerlijke burcht: ‘De ellende en verwarring die ontstaan doordat wij door eigen schuld onszelf niet begrijpen en niet weten wie wij zijn, zijn niet gering. Zou het geen vreselijke onwetendheid zijn, wanneer iemand geen antwoord weet op de vraag wie hij is, wie zijn ouders zijn en uit welk land hij komt? Indien het een teken van dierlijk onverstand zou zijn, dan zou in ons een nog onvergelijkbaar grotere stompzinnigheid heersen wanneer wij ons er niet om bekommerden, erachter te komen wie wij zijn, maar ons met deze lijven tevreden te stellen en daardoor alleen van horen zeggen, omdat het geloof ons dat leert, zouden weten dat wij een ziel hebben. Maar welke schatten deze ziel in zich bergt, wie in haar woont en welk een grote waarde zij heeft, daaraan denken wij zelden en daarom zijn wij er zo weinig op bedacht, haar schoonheid zorgvuldig te bewaren.’ Het enneagram is een model dat niet zuiver christelijk is, maar zijn oorsprong vindt in de oosterse wijsheidstraditie van de soefi’s. Het is opvallend hoezeer de analyse van het ‘innerlijk leven’ van de mens bij de mystici van alle grote religies overeenkomt, of ze nu aanhangers zijn van het jodendom, het zenboeddhisme, het soefisme of het christendom. Deze analyse ziet er vereenvoudigd als volgt uit: de mens bouwt vooral in de eerste helft van zijn leven zijn ‘empirische ik’ op, dat ook als de som van zijn meningen en gedragsmechanismen kan worden opgevat. Een te grote identificatie met zulke rollen, gewoonten en karaktertrekken is de belangrijkste hindernis voor de mens die zijn (ware) ‘zelf’ (God, verlossing) zoekt. Alle mystieke wegen bieden methoden om dit illusionaire valse ik te ontmaskeren en zich daarvan los te maken – hetzij door het verwerven van kennis, door ascese, goede werken of meditatie. In een tekst van de Duitse mysticus Johannes Tauler wordt precies geformuleerd waarover het daarbij gaat:
Woord vooraf Een spiegel van de ziel | 11
‘Wanneer de mens zelfbezinning oefent, heeft het menselijk ik niets voor zichzelf. Het “ik” zou graag iets hebben en zou graag iets weten en zou graag iets willen. De mens moet veel doormaken, eer dit drievoudige “iets” in hem sterft. Dat lukt niet binnen een dag en ook niet binnen korte tijd. Men moet zich altijd weer tot die zelfbezinning dwingen en haar tot een gewoonte maken, met nooit aflatende ijver. Men moet het volhouden, dan wordt het uiteindelijk gemakkelijk en aangenaam.’ Het Nieuwe Testament roept op tot ‘onderzoek van de geesten’ (1 Johannes 4,1). ‘Keurt alles, behoudt het goede’, zegt Paulus (1 Tessalonicenzen 5,21). Hij acht zijn gemeente in staat zelf te beslissen wat zij zich kritisch kan toe-eigenen en wat niet. Christenen staat in principe de hele wereld, en alles wat daarin goed, waar en mooi is, ter beschikking: ‘(...) alles is van u, maar gij zijt van Christus’ (1 Korintiërs 3,21 e.v.). Paulus en de evangelist Johannes hebben zonder aarzelen begrippen en beelden uit de gangbare Griekse godsdienstfilosofie in hun geschriften overgenomen en ‘gedoopt’. Johannes omschrijft Christus bijvoorbeeld als de geïncarneerde logos (Johannes 1). Het begrip logos hield in dat er een soort wereldrede bestond, die achter al het zichtbare staat en in alles werkzaam is. Logos duidt vrij precies dat aan wat esoterici nu het ‘hoogste bewustzijn’ noemen. Johannes schroomt niet dit esoterisch ‘belaste’ begrip over te nemen. Hij geeft het nieuwe betekenis en legt zijn tijdgenoten zo het evangelie uit in hun eigen taal. In het christendom wordt de verlossing van het valse ik als een geschenk van Gods genade opgevat; het is echter omstreden in hoeverre de mens zelf zich op deze genade kan richten, er rekening mee kan houden, zich ervoor kan openen of zich erop kan instellen. Dit probleem wordt meestal opgelost door te zeggen: ‘de mens moet handelen alsof alles van hem afhangt. Achteraf zal hij begrijpen dat het de Geest van God was – en niet hijzelf – die hem heeft gemotiveerd en in staat heeft gesteld om te zoeken, te vechten, te bidden.’ Paulus heeft al deze onoplosbare paradoxen van de eigen strijd en Gods genade geformuleerd: ‘(...) maakt dus nu (...) met niet minder ernst werk van uw heil (...) God is het immers die zowel het willen als het doen bij u tot stand brengt, om zijn heilsplan te verwezenlijken’ (Filippenzen 2,12 e.v.).
12 |