Skip to main content

Fragment - De Zwarte Koning

Page 1

DE ZWARTE KONING MICHAEL KESTEMONT THRILLER

Kestemont-De zwarte koning-p3.indd 2

07-05-19 21:46


2

De Kunstberg Anna schuurde haar wangen tegen de ruwe jeansstof tussen haar knieën. Ze rechtte haar rug en snoof diep, terwijl ze haar hoofd achterover gooide. Haar ogen traanden en ze knipperde. De luide muziek dreunde de ruimte in en deed het aluminium frame van de toilethokjes ratelen. Iemand bonsde op de metalen deur. ‘Anna? Ik ga al terug naar binnen. Ik zie u straks wel.’ Anna antwoordde haar collega niet. Ze plaatste haar ellebogen op haar bovenbenen, de knieën en punten van haar schoenen naar binnen gericht op de kleverige betonnen vloer. Ze keek voor zich uit, een stuk gevouwen toiletpapier in de hand. Op de muren van het toilethokje bladderde de verf in fijne laagjes af, zodat de pastelkleur van de vorige verflaag hier en daar opnieuw zichtbaar werd. Ze kneep haar ogen wat toe en probeerde de toiletgraffiti op de deur voor haar te ontcijferen. Telefoonnummers van mensen die wilde seksuele gunsten beloofden, en nietszeggende politieke boodschappen – ‘België barst’. Een seconde lang overwoog ze om ook haar eigen nummer met een haarspeld in de verf te krassen. Gewoon uit nieuwsgierigheid, om te zien of iemand ooit zou bellen en wat die zou vragen. Een poëtische ziel had de tijd genomen om de aanhef van The Waste Land met blokletters in de stalen omlijsting van de deur te

15


kerven, helemaal rondom. Ze beeldde zich in hoe die persoon daar had gestaan – waarschijnlijk even beneveld en melancholisch als zijzelf, leunend tegen de zijwand met een sleutel in de hand die zelden werd gebruikt. Dan op de knieën in het vocht op het kleffe beton om op de onderste deurzoom te kunnen verdergaan. Toen ze opstond, merkte ze dat haar ellebogen twee pijnlijke rode putten op haar bovenbenen hadden achtergelaten. Ze spoelde door, sloeg haar handtas over haar schouder en sloot het toilethokje achter zich. De deur van de mannentoiletten stond open. Ze herkende een zwaarlijvige Italiaanse Erasmusstudent, Micara, die ze vorig semester in haar college had gehad. Stomdronken waggelde hij door het toilet met een beker bier in zijn handen. In deze toestand bleef er weinig over van zijn kokette maniertjes. Hij ritste zijn gulp open boven de chique handdrogers van een stofzuigermerk die waren geïnstalleerd in de toiletten. Kennelijk was hij ver genoeg heen om de nieuwe drogers met de urinoirs te verwarren. Hij stond op het punt om zijn lid nietsvermoedend in het apparaat te laten zakken en zichzelf met een stuifnevel van urine te bedekken. Anna liep snel de trap op. Ze hoorde nog net een verdwaasde Italiaanse vloek uit het mannentoilet opstijgen – ‘Ma che cazzo!’ – toen de droger aansloeg. De proffencantus liep stilaan ten einde. Elke minuut die ze langer bleef zou ze zich morgenochtend beklagen, en nu reed het openbaar vervoer naar het centrum nog. Ze was niettemin blij dat ze had deelgenomen aan het jaarlijkse evenement van de studentenkring waarop ook de professoren en assistenten waren uitgenodigd. Het was slechts haar tweede jaar als docent klassieke talen en ze wilde een goede beurt maken bij de studenten. In de ontspannen sfeer van de cantus had iedereen naar jaarlijkse gewoonte echter meer dan genoeg gedronken. Ze wilde het risico niet lopen om nog in ongemakkelijke conversaties verzeild te raken. Ze besloot de oudere collega’s die nog aan de bar stonden na te praten niet meer op te zoeken. Vanuit de tram zou ze wel een sms sturen. Of niet.

16


Buiten ging ze naast de hoofdingang van de feestzaal staan en stak een sigaret op. Haar mond voelde droog aan en ze werd zich opnieuw gewaar van het pijnlijke kloofje in haar bovenlip. Na een diepe haal wreef ze de jeukende rook uit haar ogen en keek om zich heen. Over haar schouder zag ze Johannes plots langs de zijuitgang naar buiten komen. Ze dook weg achter een hoek van het gebouw. Wankel bespiedde ze hem van een afstand. Hij had haar niet gezien. Zelfs nu hij in beschonken toestand weinig elegant naar een boom waggelde, bedacht ze dat de jonge assistent van Akkadische taalkunde er nog steeds onweerstaanbaar uitzag. Ze moest zich bedwingen om niet op hem af te stappen, maar zeker nu ze hem de hele avond had weten te ontwijken, had ze genoeg trots over om niet aan die naïeve verzuchting toe te geven. Gedecideerd begon ze aan de tocht naar de tramhalte. Haar sneakers pletsten over het asfalt en spatten modder op de seringen in de berm. Ze had de moeite niet genomen om zich op te doffen voor de avond en ze besefte dat ze er eigenlijk vrij sjofel bij liep. Het was gelukkig even gestopt met regenen. Ze zag op tegen de weg naar huis, maar was opgelucht dat ze op aanraden van haar vrienden eindelijk weer eens onder de mensen was gekomen. Eenmaal in de tram leunde ze lui tegen het raam. Haar hoofd liet fijne haarafdrukken na in de wasem van haar adem op de dikke ruit. Ze dacht aan de vorige zomer, toen ze gelukzalig in het gras op de campus hadden gelegen. Zij met haar hoofd op zijn buik. Johannes met een open boek in de hand, terwijl hij zijn arm gestrekt de lucht in stak. Toen hij voorlas, had ze haar ogen gesloten. Hij had haar meegevoerd naar het Tweestromenland, waar Gilgamesj zich het magische kruid van het eeuwige leven door een slang had laten ontstelen. Net als Gilgamesj was ze in slaap gevallen. Onbewust wreef ze over de tache de beauté op haar kin, de plek waar haar moeder haar altijd ongerust aanraakte ‘omdat je daar kanker op kunt krijgen’. Ze bekeek haar reflectie in de ruit aan de andere zijde van het tramstel. Haar bovenarmen waren haast even

17


smal als haar onderarmen, waardoor ze er schrieler uitzag dan ze in werkelijkheid was. Ze vond zelf dat ze net zulke armen had als een emotieloze paspop, waarvan ze de ongemakkelijke houding soms minutenlang bestudeerde in de Nieuwstraat. Haar lichtblonde haar droeg ze meestal opgestoken, zoals vanavond, met enkele losse slierten die slordig in haar hals hingen. Aan de wortels was het van nature donkerder, waardoor veel mensen dachten dat ze zich blondeerde. Die gedachte vond ze zelf vreselijk. Ze had zich al vaak voorgenomen haar kapsel dan maar donker te verven, maar in de kappersstoel had ze dat uiteindelijk toch altijd een brug te ver gevonden. Haar Scandinavische uiterlijk werd slechts doorbroken door haar woudgroene ogen, die mensen vaak onbehaaglijk maakte als ze hen te lang bleef aanstaren. De tram beklom moeizaam de lange helling bij de Sint-Mariakerk. De gele sterren op de veelhoekige koepel glommen in het straatlicht. Bij het cafÊ op het plein stonden nog enkele studenten buiten, met vuile studentenlinten om de schouder. Ze schreeuwden met schorre stemmen en morsten met zwalpende gebaren bier uit de bekers in hun handen. Twee van hen herkende ze van de cantus. Zachtjes neuriede ze het wijsje van de blauwvoet. Nu het lied der Vlaamse zonen, nu een dreunend kerelslied‌ Vliegt de blauwvoet, storm op zee. Ze had geen idee hoe een blauwvoet eruitzag, als het al een vogel was zoals ze vermoedde. Bij de halte voorbij het kerkplein wurmde een gigantische vrouw in een bonte jurk zich door de smalle deuren van het tramstel, dat tot dan toe op Anna na leeg was gebleven. Ze sleurde een versleten trolley achter zich aan, die ook maar met moeite door de deur paste. De wieltjes piepten. Ze waggelde door het gangpad en viel bijna om toen de tram opnieuw vertrok. Ze mompelde iets wat Anna niet kon verstaan, maar toen ze wilde vragen dat te herhalen, keerde de vrouw zich met een diepe zucht om en plofte enkele bankjes

18


verder neer. Haar brede lijf overspande twee volledige zitjes. Anna zag hoe ze een mobiele telefoon in haar hoofddoek had vastgespeld. Ze probeerde de vreemde taal waarin de vrouw zat te tateren thuis te brengen. Aan haar linkerkant trok het donkere Warandepark voorbij; in de verte zag Anna het Koninklijk Paleis, maar dat werd die avond niet goed verlicht. Op het kasseienplein boven aan de Kunstberg zou ze uitstappen en onder aan de trappen de metro naar huis nemen. Het was koud in de tram. Ze nestelde haar kin in de brede rolkraag van haar overjas, die nog vochtig was van de heenreis. Met haar tong betastte ze de voering; die rook muf, naar sigarettenas en zakdeodorant. Aan het einde van de avenue zag ze de kasseien en de tramsporen op het Koningsplein blinken in het felle straatlicht. Kinderkopkes, dacht ze, wat ze altijd een schattig woord had gevonden. Bij het uitstappen kwam ze hard op haar rechterhiel neer, omdat ze het trapje minder hoog had ingeschat. Ze vloekte binnensmonds en prees zich gelukkig dat ze geen hakken droeg. De tramdeuren sloten zich ongeduldig achter haar, waarna het gevaarte verder over het Koningsplein denderde. Onder aan de Kunstberg tekende zich een fantastisch panorama af. In de verte ontwaarde ze de blinkende bollen van het Atomium en dichterbij de klokkentoren aan Sint-Katelijne. Het beeld van Sint-Michiel, de patroonheilige van Brussel, lichtte op als een gloeiende stip boven de toren van het stadhuis op de Grote Markt. Ze stak een sigaret op en bedacht dat ze te veel rookte als ze gedronken had. Die vervelende gewoonte had ze van Johannes overgenomen. Anna had Sint-Michiel nooit van dichtbij gezien, maar in de krant had ze eens gelezen dat het vergulde standbeeld van de drakendoder die over de stad waakte metershoog was, veel hoger dan het gouden stipje aan de horizon deed vermoeden. Ze vroeg zich af hoe hij zou kijken onder zijn blonde krullen. Tuurde hij in de verte? Keek hij arrogant neer op de draak die hij een speer in het hart

19


spietste? Of net vol medelijden en zelfstrijd, bezwaard door zijn onmenselijke taak? Wat had die draak eigenlijk fout gedaan? Uit een bar rechts klonk luide feestmuziek toen de deur een moment openzwaaide. Een gezellige oranje gloed danste achter de bezwete ruiten en die verjoeg haar melancholie enigszins. Ze ontwaarde de tonen van het liedje ‘Jules César’ van de Brusselse volkszanger Le Grand Jojo – Lange Jojo voor de Vlamingen – uit de Marollen. Hoewel de Nederlandstalige versie van het nummer speelde, lalde een enthousiaste feestvierder door een microfoon de Franse versie mee. Anna grinnikte. Geconcentreerd nam ze het panorama nog eens in zich op. De trappen van de Kunstberg lagen er verlaten bij. In de verte had ze gehoopt de kapelkoepel van haar oude school te kunnen zien, het Sint-Jan Berchmanscollege. De statige muren van de Albertinabibliotheek belemmerden haar echter het zicht, hoewel de school slechts enkele honderden meters van haar verwijderd was. Ze tikte de astip van haar peuk en begon de trappen af te dalen. Halverwege het eerste trappenblok hoorde ze plots een luide knal. Staalhard in de koude nacht. Oorverdovend. En dan klonk nogmaals hetzelfde geluid. Ze verstijfde. Haar sigaret viel van haar lippen, rolde over haar jas en kwam terecht op de natte trappen. Roerloos bleef ze stilstaan. Ze had deze klank nog nooit in het echt gehoord, maar het geluid dat zonet genadeloos over de treden had gegalmd was onmiskenbaar dat van een pistool. Het bleef stil. Haar verstand zei haar om te draaien en de trappen op te lopen, naar de drukke bar toe, maar ze kon haar lichaam niet in beweging krijgen. Ze keek om zich heen, er was niemand. De massieve Kunstberg lag nog steeds in haar vaste slaap. Ze hoorde ergens een zacht gekreun. Aarzelend, voet voor voet, bewoog ze zich in de richting van het geluid. Behoedzaam ging ze de hoek om. Ze zag een man in een grijze regenjas languit over de zijtrappen liggen. Hij lag roerloos in een donkere plas, die snel groter werd. Enkele treden lager was een halfgesloten paraplu terechtgekomen. Boven hem stond een donkere gestalte gebogen.

20


De vreemdeling flapte met een soepele beweging de overjas van het slachtoffer open en begon hem koortsachtig te fouilleren. Ze wilde schreeuwen, maar de angst kneep haar keel toe. Plots keek de gestalte op. Hij ging staan en keek haar ogenschijnlijk kalm aan. Anna kon geen gezicht ontwaren. De figuur droeg een soort masker, maar ze stond te ver om het goed te zien. Ze zag enkel de blinkende punt van een grote kromme neus, die uitdagend vooruitstak als de snavel van een vogel. Ze hapte naar adem. Ze greep naar haar mobiel. Als een waanzinnige begon ze het noodnummer in te toetsen. De onbekende verroerde zich niet. De telefoon ging over en Anna toonde de felle kleur van het scherm, bijna alsof het een schild was. Ze bracht het toestel langzaam naar haar oor en hield angstig oogcontact met de raadselachtige figuur. ‘Goedenavond. Bonsoir. Wat is uw noodgeval? Quelle est votre urgence?’ Anna trachtte haar ademhaling onder controle te krijgen. ‘Ik ben getuige van een overval op de Kunstberg. U moet zo snel mogelijk komen.’ Ze keek naar onder en knikte. ‘Het slachtoffer is mogelijk… dood.’ Ze slikte. Plots zette de gestalte het op een lopen. Zijn voetstappen knarsten in het grind, en ze luisterde tot het geluid was weggestorven. Hij was verdwenen. Ze stapte voorzichtig op de onbekende man af. Hij had haar nog niet opgemerkt en schrok toen ze achter hem tevoorschijn kwam. Zijn natte haar lag in slierten over zijn voorhoofd. Hij was klein van gestalte, maar hij had de hoekige neus en statige wenkbrauwen van een antieke keizer. Hij was duidelijk in paniek en keek Anna smekend aan. Ze had het gevoel dat ze hem al eens gezien had, maar kon zijn vertrouwde gezicht niet onmiddellijk thuisbrengen. Nu en dan schokte zijn hoofd oncontroleerbaar. Hij gebaarde haar dichterbij te komen en ze boog zich over hem heen.

21


‘Spreekt u Vlaams, juffrouw? Parlez-vous le néerlandais?’ Hij ademde zwaar. Zijn onderste lip trilde tussen de stoppels op zijn wangen. Ze knikte. ‘Ik ben Anna, mijnheer.’ Ze wist niet waarom ze dat zei. ‘Ik heb de politie gebeld. Ze zijn onderweg. Het komt wel goed.’ Ze had dat met meer overtuiging willen zeggen. Hij kreunde en sperde zijn ogen wijd open. Zijn verkrampte vingers trokken haar onhandig dichterbij aan de riem van haar tas. Bijna verloor ze haar evenwicht op de trappen. Gehurkt ging ze naast hem zitten. Hij hoestte en er liep een dun straaltje bloed uit zijn mondhoek in de kraag van zijn overhemd. Het begon opnieuw zachtjes te regenen. Anna keek radeloos om zich heen. De zijtrap kwam uit op de ingang van de Koninklijke Bibliotheek, maar daar was geen leven meer te bekennen. Wat deed hij hier? Waar wilde hij zo laat op de avond nog naartoe? Met een beverig gebaar trok hij haar aandacht. ‘U moet iets doen voor mij.’ Ze fronste. Met een nerveuze, zoekende beweging gleed zijn rechterhand in zijn binnenzak. Hij haalde trillend een grijs buisje tevoorschijn. Het kokertje voelde ijskoud aan toen hij het in haar hand duwde en haar vingers sloot. Zijn handen zaten vol bloed. Hij trok haar dichterbij. ‘Breng deze sigaar naar Jef Janssens.’ Hij keek haar indringend aan en sprak de naam met nadruk uit. ‘Wie?’ Ze stamelde. ‘Wie is dat?’ Hij omknelde haar vuist nog steviger met zijn koude handen. ‘Deze sigaar is van Jef Janssens. Alleen van Jef Janssens. Vertel niets aan de politie.’ Boven aan de Kunstberg klonken sirenes die dichterbij kwamen. Ze keek hoopvol naar boven, maar de onbekende smeekte opnieuw om haar aandacht. ‘Juffrouw. Dit is heel belangrijk.’ Hij hapte naar adem, maar zijn ogen lieten haar gezicht niet los. ‘Roken is ongezond. Jef moet er dringend mee stoppen.’ 22


Anna keek hem vertwijfeld aan. De man sprak in raadsels. Hij ijlde. ‘Ik smeek u. Vertel niemand iets. Steek het weg.’ Hij klonk wanhopig en instinctief volgde ze zijn bevel op. Met een nadrukkelijk gebaar deed ze het buisje in haar zak, in een poging om hem gerust te stellen, om hem te tonen dat het allemaal wel goed kwam. Plots begon zijn gezicht opnieuw te trillen, heviger dan daarnet. Hij rochelde en zijn ogen draaiden weg. Nog enkele seconden bleven zijn ledematen naschokken voordat ze stilvielen, slap afhangend over de brede trappen. ‘Police Bruxelles. Immobile. Les mains en evidence!’ Boven de trap kwamen twee politiemensen tevoorschijn met witte fluorescerende strepen op hun vest. Anna ging staan en haalde opgelucht adem. Een van de agenten liep op haar af met zijn pistool op haar gericht. Hij sleurde haar in een flits mee de trappen af en gooide haar beneden op de grond. Haar rechterkaak werd hardhandig tegen het grind gedrukt. Verdwaasd zag ze de vrouwelijke agente de onbekende man van de trappen slepen. Ze luisterde naar zijn ademhaling. Geroutineerd knoopte ze zijn overhemd open en begon hartmassage toe te passen. ‘Ik heb hier niets mee te maken. Ik heb jullie gebeld!’ ‘Madame, écartez les bras, les jambes.’ Ze was te duizelig om te reageren. De agent trok haar benen en armen opzij. Haar handen werden op haar rug geboeid. Hij trok haar overeind bij de achterkant van haar kraag en plaatste haar met een smak tegen een wand. Hij fouilleerde haar, terwijl de vrouwelijke agente tegen een luidsprekertje in haar mouw sprak. ‘L’ambulance peut venir. Je n’ai pas de pouls.’ Anna werd strompelend naar boven begeleid terwijl verplegers en agenten de trap af snelden. Boven hadden zich al verschillende patrouillewagens verzameld. Ze duizelde van de loeiende sirenes en felle zwaailichten, die zich in de druppende regen leken te vermenigvuldigen. Twee agenten spanden de trap af met een grote rol politielint.

23


De agent leidde haar tot bij een man met een kepie die hen stond op te wachten. ‘Elle est flamande.’ De man met de kepie knikte en de agent verdween. ‘Hebt u gebeld?’ Anna was vreselijk blij om Nederlands te horen. ‘Ja, dat zeg ik toch al de hele tijd.’ Hij begon haar handboeien los te maken. ‘Hebt u de daders gezien?’ ‘Ik heb hem niet goed gezien. Hij is in die richting weggelopen.’ Ze maakte een hoofdgebaar in de richting van de benedenstad en wreef over de pijnlijke striemen in haar polsen. De man herhaalde de informatie in zijn walkietalkie in het Frans, terwijl hij haar bij de bovenarm naar een busje begeleidde. Haar zakken werden leeggehaald en iemand bracht haar handtas, die op de trappen was blijven liggen. Ze mocht op een bank in het voertuig gaan zitten en kreeg een deken omgeslagen. Het bleef niettemin koud, omdat de deuren van de wagen niet werden gesloten. Een norse agente bleef voor de wagen staan en keek ongedurig op haar mobiel. Waarom moest uitgerekend zíj blijven zitten? Zij was toch geen crimineel? — Het duurde een eeuwigheid voordat de man met de kepie terugkwam. Zijn lijf was klein maar gespierd en hij stelde zich voor als hoofdinspecteur, maar ze verstond zijn achternaam niet. Hij sprak met een zwaar Limburgs accent. Zijn gezicht stond ernstig en toch leek hij vriendelijk. Onophoudelijk kwamen er berichten door op zijn radio. ‘Het spijt me dat het zo lang heeft geduurd. Als mensen een pistoolschot in de buurt horen, worden ze altijd nerveus. We hebben wel vier oproepen gekregen van mensen die een of andere crimineel hun huis in zouden hebben zien vluchten.’

24


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Fragment - De Zwarte Koning by Uitgeverij Lannoo - Issuu