Skip to main content

9789401458689

Page 1

DE ZWARTE KONING


DE ZWARTE KONING MICHAEL KESTEMONT THRILLER

Kestemont-De zwarte koning-p3.indd 2

07-05-19 21:46


Voor Tristan en Enide


1

De ouverture 31 mei 1983, Oostende Het was stil op de gang in het hospitaal van Oostende. De goedkope vloerbedekking van vinyl piepte telkens onder de schoenzolen van de koning als hij op zijn hakken draaide. Het kale, mechanische tikken van de wandklok leek de wachttijd nog te rekken. De koningin stond stil naast hem, met het hoofd licht gebogen. Ze staarde met een lege blik naar de grond. Haar linkerarm was in die van Boudewijn geschoven, in de rechter hield ze een klein boeket. Nu en dan kwam een patiënt verderop in de gang een kamer uit geschuifeld om zich er met een vlugge blik van te vergewissen dat het wel degelijk de vorst en de vorstin waren die stonden te wachten. Niemand durfde hen echter te benaderen en schichtig slofte elk opnieuw zijn kamer binnen. Eindelijk ging de deur open van de kamer waarvoor ze hadden postgevat. De arts kwam naar buiten met een stethoscoop om de hals en een houten schrijfblok op de arm. Hij rook naar ontsmettingsvloeistof. ‘Dokter.’ ‘U kunt de graaf nu bezoeken, sire. Zijn spraak is zeker nog voldoende voor een kort onderhoud, maar lang heeft hij wellicht niet meer.’

7


‘Ik neem aan dat er niets meer is wat u kunt doen?’ ‘Ik vrees van niet, sire. Deze vorm van leukemie treft vooral bejaarden en is dan erg… acuut. U bent niets te vroeg gekomen.’ De koning knikte. ‘We zullen zijn heengaan zo comfortabel mogelijk proberen te maken.’ ‘Dank u voor de goede zorgen, dokter. Breng onze dank ook over aan het verplegend personeel.’ Hij drukte de koude hand van de arts, die afscheid van hen nam met de bemoedigende glimlach van dokters die niets meer voor hun patiënten kunnen betekenen. Met lood in de schoenen trad Boudewijn de kamer binnen. Karel van Vlaanderen lag onder de hoog opgetrokken, stijve lakens van een ziekenhuisbed. Uit het raam zag Boudewijn de golven van de Noordzee schuimen – grijs als leisteen, zoals in het lied dat in zijn hoofd begon te spelen. De ruimte stak steriel af tegen de kleurrijke tonen van het boeket dat Fabiola lijdzaam op het nachtkastje legde. Boudewijn herkende de graaf na al die jaren nog amper. Mensen lijken te krimpen wanneer ze ouder worden, hoewel hun oren lijken te groeien. Zijn wangen waren diep ingevallen en zijn dunne vel was in een broze rimpeldeken over zijn kaken gespannen. De wilde grijze haren van zijn baard en zijn onverzorgde kapsel staken rebels alle kanten uit. Zijn indringende blik had hij nog niet verloren en deze had hij op Boudewijn scherpgesteld. ‘Je bent niets veranderd, jongen.’ Vermoeid probeerde de graaf wat rechter te gaan zitten in het bed, maar de meeste kracht scheen al uit zijn pezige armen weggeëbd te zijn. Boudewijn zei zacht: ‘Het spijt me dat we nu pas gekomen zijn.’ De graaf wuifde zijn excuses met een zwak polsgebaar weg. ‘Ik ben blij dat jullie gekomen zijn. Het zijn mooie bloemen, Fabiola. Bedankt.’ De koningin glimlachte triest, maar bleef op een afstand staan.

8


De graaf keek zijn neef onderzoekend aan. ‘Het spijt me dat het allemaal zo is gelopen, Boudewijn.’ ‘Het is goed zo, oom, gedane zaken nemen geen keer.’ Even bleef het stil. ‘Het spijt me dat u niet in Laken kon blijven.’ De stem van Boudewijn klonk schor. ‘De situatie was er niet naar. De monarchie was te broos; ik moest het heft in eigen handen nemen en u wegsturen.’ Hij had de zinnen in zijn hoofd gerepeteerd op weg naar het ziekenhuis, maar de woorden klonken flauw en krachteloos toen hij ze, veel sneller dan hij had gepland, uitsprak. ‘Je hebt er goed aan gedaan, jongen. Ik ben daar in het begin heel boos over geweest, maar nu… Het doet er allemaal niet meer toe.’ De glimlach waarin hij zijn lippen schikte, leek hem pijn te doen. Zijn blik verstarde. Hij wees naar het kastje waarop Fabiola het boeket had geplaatst. ‘In de bovenste lade van die kast zit een kistje. Kun je dat eens nemen?’ Boudewijn wees vragend naar de bewuste kast en de graaf knikte. In de lade vond hij een houten kistje met het sierlijke opschrift ‘Patissier Wehrli’. Het leek een luxueuze geschenkverpakking voor pralines. De naam kwam hem bekend voor. Boudewijn gaf het kistje aarzelend aan de graaf, die het aannam alsof het een tot de rand gevulde kom met hete soep was. Zijn blik fixeerde zich op het houtwerk, terwijl hij zijn benige vingers, bedekt met ouderdomsvlekken, over de groeven van het opschrift liet glijden. ‘Is dat…’ begon Boudewijn aarzelend. ‘Ja. Ik heb zielsveel van haar gehouden. Je mag me dat niet kwalijk nemen. Ik heb nooit iets persoonlijks tegen Lilian gehad, maar dat je vader in volle oorlogstijd met de kleindochter van een ordinaire vishandelaar mocht hertrouwen, terwijl hij mij nooit de liefde van mijn leven heeft gegund… Hij was een koppige man, die vader van je. En een koppige koning.’ Boudewijn zweeg. Hij had gehoopt dat deze kwestie niet ter sprake zou komen.

9


‘Je had haar moeten zien, Boudewijn, toen ze jong en wulps met haar roze wangen de patisserie in Laken kwam leveren. Ik was op slag verliefd. Het leek een sprookje, zij met haar mand vol gebak en ik, de prins, elke keer wachtend op de trappen van het paleis.’ Hij trok een pijnlijke grimas. ‘Ze was maar een bakkersdochter, natuurlijk, maar waren wij dan zoveel anders dan zij… Sommige dagen denk ik van wel, andere dagen niet.’ Hij zweeg en staarde naar het kistje. ‘Er is iets wat je moet weten, Boudewijn.’ De graaf klonk vastberaden. ‘Ik heb dit eigenlijk al veel te lang uitgesteld.’ De koning keek zijn oom niet-begrijpend aan. ‘Niemand mag dit ooit te weten komen. Zelfs je vader is nooit op de hoogte geweest. Het spijt me dat het zo is gegaan. Maar het is nu eenmaal zo. Het was voor ieders bestwil.’ Hij drukte het kistje in de handen van zijn neef. Hij begon te vertellen en langzaam groeide de verbazing op het gelaat van de vorst. De avond viel, terwijl de zee op de achtergrond verder en verder over het strand schuimde. De grijsaard vertelde alsof hij in de kolen van een haardvuur staarde. En alsof het weer de sfeer van het gesprek aanvoelde, brak buiten een hevige storm los; de regen kletste brutaal tegen de ramen van de kamer en ratelde luid over de aluminium kozijnen. Terwijl de druppels zonder ophouden neer bleven komen, bedaarde de razernij van de storm enigszins, alsof de storm wilde kunnen meeluisteren. Karel liet, zoals oude mannen dat vaker doen, keer op keer de vingers van zijn rechterhand door zijn baard glijden. Nadat de graaf was uitverteld, viel een lange stilte. Zijn ogen hield hij op de plooien in de lakens gericht, het steriele brandpunt van waaruit zich de onwaarschijnlijkste geschiedenis had ontvouwd die de koning ooit had gehoord. De koningin hield haar ogen verbluft op Karel gericht. ‘Alle details zijn beschreven in de documenten. Wie je moet contacteren. Ze weten ervan.’

10


De koning keek verward naar de pralinekist in zijn handen. Met elk woord in het verhaal was de doos zwaarder gaan wegen. Hij keek vertwijfeld op. ‘Maar waar vind ik het?’ ‘Ik heb het steeds in de villa in Raversijde bewaard. Het hangt onder de houten tafel in de salon voor de haard. Maar het kan daar niet langer blijven.’ Hij hoestte luid. ‘Boudewijn, je moet het verbergen. Vind een veilige plaats waar niemand aan zou denken, een plek waar geen sterveling komt.’ De koning aarzelde. ‘Als je het niet voor mij wilt doen, doe het dan voor je vader. Je moet me vertrouwen. Als dit geheim uitkomt, kan dit het einde van de monarchie betekenen. De ultieme schandvlek voor onze familie. Je vijanden zullen het gebruiken om het weinige wat rest van het koninklijk gezag omver te werpen.’ Boudewijn knikte. ‘En denk eraan: zorg voor twee sleutels. Een bewaren wij, de andere bezorg je aan hen. Dat was de afspraak. Hou dit geheim zo lang mogelijk voor jezelf. Betrek niemand anders erbij. Hoe minder mensen hiervan weten, hoe beter.’ De graaf hoestte zwaar en probeerde recht te gaan zitten, maar dat lukte niet. ‘Van mij zullen ze het alleszins niet meer horen.’ Karel grijnsde en lachte met een schrapend geluid, alsof hij net een schunnige cafémop had gehoord. Boudewijn sidderde. Toen zijn broer Albert en hijzelf klein waren, had hun oom hen vaak uit The Jungle Book voorgelezen. Hij had Bagheera, de oude zwarte panter, met dezelfde akelige lach vertolkt. De graaf zonk opnieuw weg tussen de lakens. Het kasteelpark lag er in de late ochtend bij als op een impressionistisch schilderij. Het ijzerwerk van de serrekoepels glom in de voorjaarszon, scherp afstekend tegen de onbestemde pastelvegen

11


in de lucht. Boudewijn wandelde over een grindpad, zijn handen losjes op de rug. Met halfgesloten ogen genoot hij van de stilte, die slechts op enkele plaatsen werd doorbroken door het ruisen van de bomen of de watervogels op de parkvijvers. Na de zondagsviering in de basiliek had zijn vrouw zich teruggetrokken om te rusten. Hij had beloofd zich snel bij haar te voegen na zijn dagelijkse bezoek aan de werf. De werkzaamheden in de koninklijke crypte vorderden moeizaam. Het kostte handenvol geld om de vakmannen ook tijdens het weekend aan de slag te houden, maar dat maakte weinig uit. Deze situatie mocht niet lang meer blijven duren. Het was te delicaat. Opgejaagd door die gedachte versnelde hij zijn pas. De Onze-Lieve-Vrouwkerk grensde aan de zuidrand van het koninklijke domein. Het was rustig op het kerkplein en de ochtendviering was reeds lang afgelopen. Aan de overkant zaten een paar mensen wat na te drinken met de koster op het terras van een taverne. Een Belgische driekleur wapperde lusteloos aan de gevel. Ze keken niet op toen Boudewijn snel maar behoedzaam in de schaduw de straat overstak. Hij drukte de vilten deukhoed, die hij anders nooit droeg, wat dieper over zijn hoofd. Aan de achterzijde van de kerk hield hij halt bij een onopvallende houten deur met een bronzen leeuwenkop die als klink diende, en haalde een sleutel uit de zijzak van zijn vest. Argwanend keek hij om zich heen terwijl hij de sleutel in het slot omdraaide. Hij opende de deur, die kraakte, en daalde de donkere trapgang af. Hoewel er buiten weinig van te merken viel, sneed het gekrijs van slijpmachines door de lucht. De crypte hing vol met marmerstof, dat in zachte golfbewegingen door de lichtbundels van de bouwlampen danste. Het was koel onder de stenen kruisgewelven en er liep een rilling over zijn rug toen hij zijn hoed afnam. Het hoge krijtwitte praalgraf van Leopold I, met daarop een enorme koningskroon, stond centraal in de veelhoek van de grafkelder. Het viertal werklieden in de ruimte had nauwelijks opgekeken

12


toen de koning de crypte was binnengekomen. Na een zakelijke hoofdknik hadden ze hun werk stug voortgezet. Hun wenkbrauwen zagen al wit van het stof, en aan het eind van de dag zouden ze op standbeelden lijken. De koning was sinds de start van de werkzaamheden dagelijks de voortgang ervan komen bekijken. Iedereen kon aanvoelen dat er haast bij was. De werfleider stapte op de koning af en deed zijn stoffige handschoenen uit om hem de hand te schudden. Hij bood de vorst zijn pols aan, zoals garagehouders met olie op de handen wel eens doen. ‘Goedemiddag. Ik zie dat u hard aan het werk bent.’ Boudewijn probeerde de slijpschijven te overstemmen. ‘We boeken vooruitgang, sire, maar het werk is technisch erg complex.’ Het Frans van de werfleider was doorspekt met een zwaar Zwitsers accent, dat de koning niet altijd even makkelijk verstond. ‘Uw verzoek was nogal… ongebruikelijk.’ ‘Dat begrijp ik. Uw discretie wordt ten zeerste gewaardeerd.’ De koning wendde zijn blik naar de nis aan de zuidkant van de crypte. ‘Wanneer verwacht u klaar te zijn?’ ‘Het kan nu snel gaan, sire. Ik hoop volgende week. Zonder tegenslagen.’ ‘Dat zou uitstekend zijn. Ik ben u erg erkentelijk. De tijd dringt.’ ‘Natuurlijk, sire.’ De man boog zijn hoofd, stapte achteruit en schoof zijn handschoenen weer over zijn gespierde vingers. Boudewijn liet zijn blik nog eens door de grafkelder dwalen en verliet de crypte. De officiële verklaring die het paleis voor de werkzaamheden gaf, was dat het graf van de vorige vorst, zijn vader zaliger Leopold III, verbreed moest worden. Er was namelijk besloten dat ook diens tweede vrouw, Lilian Baels, in de crypte zou worden bijgezet wanneer zij zou komen te overlijden. Dat was op zich geen leugen, maar deze dekmantel gaf Boudewijn vooral de ruimte om ook de

13


andere aanpassingen in de crypte uit te voeren. De pers had nog geen lastige vragen gesteld. Eenmaal boven sloot hij met een diepe frons de eenvoudige buitendeur achter zich. De hele onderneming was een karaktermoord op zichzelf – te gewaagd en te avontuurlijk om bij zijn voorzichtige natuur te passen. Hij drukte de hoed weer diep over zijn hoofd en begon aan de terugtocht naar het paleis.

14


2

De Kunstberg Anna schuurde haar wangen tegen de ruwe jeansstof tussen haar knieën. Ze rechtte haar rug en snoof diep, terwijl ze haar hoofd achterover gooide. Haar ogen traanden en ze knipperde. De luide muziek dreunde de ruimte in en deed het aluminium frame van de toilethokjes ratelen. Iemand bonsde op de metalen deur. ‘Anna? Ik ga al terug naar binnen. Ik zie u straks wel.’ Anna antwoordde haar collega niet. Ze plaatste haar ellebogen op haar bovenbenen, de knieën en punten van haar schoenen naar binnen gericht op de kleverige betonnen vloer. Ze keek voor zich uit, een stuk gevouwen toiletpapier in de hand. Op de muren van het toilethokje bladderde de verf in fijne laagjes af, zodat de pastelkleur van de vorige verflaag hier en daar opnieuw zichtbaar werd. Ze kneep haar ogen wat toe en probeerde de toiletgraffiti op de deur voor haar te ontcijferen. Telefoonnummers van mensen die wilde seksuele gunsten beloofden, en nietszeggende politieke boodschappen – ‘België barst’. Een seconde lang overwoog ze om ook haar eigen nummer met een haarspeld in de verf te krassen. Gewoon uit nieuwsgierigheid, om te zien of iemand ooit zou bellen en wat die zou vragen. Een poëtische ziel had de tijd genomen om de aanhef van The Waste Land met blokletters in de stalen omlijsting van de deur te

15


kerven, helemaal rondom. Ze beeldde zich in hoe die persoon daar had gestaan – waarschijnlijk even beneveld en melancholisch als zijzelf, leunend tegen de zijwand met een sleutel in de hand die zelden werd gebruikt. Dan op de knieën in het vocht op het kleffe beton om op de onderste deurzoom te kunnen verdergaan. Toen ze opstond, merkte ze dat haar ellebogen twee pijnlijke rode putten op haar bovenbenen hadden achtergelaten. Ze spoelde door, sloeg haar handtas over haar schouder en sloot het toilethokje achter zich. De deur van de mannentoiletten stond open. Ze herkende een zwaarlijvige Italiaanse Erasmusstudent, Micara, die ze vorig semester in haar college had gehad. Stomdronken waggelde hij door het toilet met een beker bier in zijn handen. In deze toestand bleef er weinig over van zijn kokette maniertjes. Hij ritste zijn gulp open boven de chique handdrogers van een stofzuigermerk die waren geïnstalleerd in de toiletten. Kennelijk was hij ver genoeg heen om de nieuwe drogers met de urinoirs te verwarren. Hij stond op het punt om zijn lid nietsvermoedend in het apparaat te laten zakken en zichzelf met een stuifnevel van urine te bedekken. Anna liep snel de trap op. Ze hoorde nog net een verdwaasde Italiaanse vloek uit het mannentoilet opstijgen – ‘Ma che cazzo!’ – toen de droger aansloeg. De proffencantus liep stilaan ten einde. Elke minuut die ze langer bleef zou ze zich morgenochtend beklagen, en nu reed het openbaar vervoer naar het centrum nog. Ze was niettemin blij dat ze had deelgenomen aan het jaarlijkse evenement van de studentenkring waarop ook de professoren en assistenten waren uitgenodigd. Het was slechts haar tweede jaar als docent klassieke talen en ze wilde een goede beurt maken bij de studenten. In de ontspannen sfeer van de cantus had iedereen naar jaarlijkse gewoonte echter meer dan genoeg gedronken. Ze wilde het risico niet lopen om nog in ongemakkelijke conversaties verzeild te raken. Ze besloot de oudere collega’s die nog aan de bar stonden na te praten niet meer op te zoeken. Vanuit de tram zou ze wel een sms sturen. Of niet.

16


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401458689 by Uitgeverij Lannoo - Issuu