Lene Kaaberbøl
De wilde heks
De boodschap van de valk
de kronieken van de kroon Lene Kaaberbøl
De
wilde heks Jennifer A. Nielsen
De boodschap van de valk Vertaald door Corry van Bree
www.lannoo.com Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. ISBN 978 94 014 2397 7 D/2015/45/520 NUR 283/282 © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2015 Oorspronkelijke titel Vildheks – Viridians blod Oorspronkelijke uitgever Florlaget Alvilda, Kopenhagen, 2011 Copyright: © Lene Kaaberbøl, Kopenhagen, 2011 Gepubliceerd in overeenkomst met Lars Ringhof Agency ApS, Kopenhagen © Vertaling Corry van Bree © beelden in cover verwerkt: Shutterstock Vormgeving omslag: Studio Lannoo Vormgeving binnenwerk: Mieke Smalle
1
DE TORENVALK ‘Ben je blij?’ vroeg mijn vader terwijl hij onderzoekend naar me keek. ‘Natuurlijk’, loog ik. ‘Het is helemaal perfect.’ Mijn kamer was groter dan de kamer die ik bij mijn moeder in de Mercuriusstraat had, en de muren waren krijtwit en roken naar natte verf. Eén muur van de zit kamer was helemaal van glas, met een glazen deur naar het balkon. Als je goed keek, kon je tussen de kranen door een stukje van het water in de haven zien. De spullen die ik in mijn vaders oude woning had gebruikt, stonden ingepakt in een stel oranje verhuisdozen op het nieuwe bed dat hij had gekocht. Mijn vader had een nieuwe baan. Tot nu toe had hij aan de andere kant van het land gewoond, in de helft van een stokoud dubbel woonhuis met witgepleisterde m uren, 5
een pannendak en een tuin vol appelbomen met iets te lang gras. Maar nu was hij hiernaartoe verhuisd, naar dit splinternieuwe en ongetwijfeld ontzettend dure appartement in het nieuwbouwproject bij de haven, waarvoor ik maar een kwartier met lijn 18 vanaf de Mercuriusstraat hoefde te rijden. Hij zei dat hij dolblij was omdat hij nu veel meer tijd met me kon doorbren gen dan vroeger. De afgelopen negen jaar van mijn leven hadden we een vaste regeling gehad: ik was veertien dagen in de zomer vakantie, een week in de kerstvakantie, de helft van de paasvakantie en twee weekenden in het najaar bij hem. Het afgelopen najaar was het trouwens maar één week end geweest, door alle gebeurtenissen met Chimaera, de kat, tante Isa en de cursus Zelfverdediging voor wilde heksen, les 1. Daar wist mijn vader niets van. Hij dacht net als bijna iedereen dat ik kattenkrabziekte had gekre gen en gewoon een paar weken ziek was geweest. Maar verder was het altijd hetzelfde geweest – gezellige vakantiedagen in het oude huis waar ik met de buur kinderen Michiel en Sarah speelde. Mijn vader nam vrij zodat hij tijd had om met mij naar het zwembad te gaan, mislukte broodjes te bakken, yahtzee te spelen, popcorn te maken en samen naar heel veel oude films te kijken. Hij was een heel, heel goede vakantievader. 6
En nu was hij geen vakantievader meer. Zijn helft van het huis aan de Kastanjeweg was verkocht en dat betekende het einde van de leuke dagen met Michiel en Sarah, de hutten tussen de aalbessenstruiken, en de chocolademelk voor de houtkachel terwijl het onweerde en de regen op het rode pannendak roffelde en op het terras stroomde op de plek waar de dakgoten altijd overliepen. Hij was heel blij dat we nu veel dichter bij elkaar woon den en dat was ik natuurlijk ook. Ik kon me voorstellen dat het fijn zou zijn om een avond per week langs te komen, in plaats van elkaar maar om de zoveel maan den te zien. Het voelde alleen een beetje alsof iemand mijn vakantiehuis had verkocht zonder het eerst aan mij te vragen. ‘Er is avondzon op het balkon’, zei hij terwijl hij de glazen deur opende. ‘In de zomer kunnen we hier barbecueën.’ Het was februari en ijskoud. Mijn behoefte om gezel lig te barbecueën was op dit moment niet zo groot. De nieuwe luxaflex klapperde wild in de koude wind die de geur van diesel, teer en zout water in het appar tement bracht. Plotseling dook er een projectiel met veren langs het appartementencomplex, klapwiekte over de balustrade en vloog door de open deur naar binnen. 7
‘Wat…’ zei mijn vader verbaasd. Het was een roofvogel. Hij was niet heel groot, maar tussen de witte muren van de kamer leek hij gigantisch. Hij remde af en spreidde zijn staartveren, die licht met pikzwarte stippen waren, fladderde een fractie van een seconde boven me en vloog daarna rechtstreeks naar mij toe. Ik stak instinctief mijn arm uit en hij landde onhandig op mijn pols. De gele nagels drongen door de mouw van mijn trui en mijn huid, en hij klapwiekte met zijn gevlekte vleugels om in evenwicht te blijven. Het was nogal lastig voor hem omdat hij iets in één klauw had, een opgevouwen stukje papier dat hij op een heel dwingende manier naar me uitstak. Hij tsjilpte een paar keer en ik pakte het briefje van hem aan, want het was heel duidelijk dat hij dat wilde. Op het moment dat ik zijn bevel had opgevolgd, spreidde hij zijn vleugels en vloog via de balkondeur naar buiten. ‘Allemachtig…’ Mijn vader staarde hem met open mond na. ‘Dat was een torenvalk!’ Ik stopte het briefje snel in de zak van mijn spijker broek terwijl hij de vogel nog steeds nakeek. ‘Er komen er steeds meer in de stad’, zei ik, terwijl ik probeerde het te laten klinken alsof het heel normaal was dat ze de kamers van mensen in vlogen.
8
‘Eh… ja, maar dan moet hij tam zijn. Droeg hij een vogelring?’ ‘Dat zou heel goed kunnen’, antwoordde ik. ‘Ik heb er niet op gelet.’ Ik wist heel zeker dat het een in het wild geboren vogel was die nooit getemd of getraind was en geen vogelring droeg, maar dat zei ik niet. ‘Ongelooflijk’, zei mijn vader. ‘Er is midden in de stad blijkbaar veel meer natuur dan je zou denken.’ Daarna keek hij naar mijn pols. ‘Kijk eens, Clara’, zei hij. ‘Hij heeft je gekrabd.’ Ik keek naar mijn pols. Het was waar. Uit een diepe schram sijpelde een beetje bloed over mijn handpalm. Het was niet veel, maar ik kreeg toch een vreemd, koud gevoel in mijn maag. Ik kon het niet laten om eraan te denken hoe alles de afgelopen herfst was begonnen – met een wild dier, vier kattenkrabben en een paar drup pels warm, rood bloed op een regenachtige ochtend toen ik mijn fiets had gepakt om naar school te gaan. Ik herinnerde me nog steeds heel duidelijk het gewicht van het kattenlichaam op me en het gevoel van de natte, ruwe tong die de druppels bloed oplikte. Zo hadden Kat en ik elkaar ontmoet. Nu woonde hij bij ons in de Mercuriusstraat. Hoewel hij altijd wist wat ik deed en nooit een gelegenheid voorbij liet gaan om me te vertellen wie het baasje van wie was (je mag 9
drie keer raden wat zijn mening daarover was), ging hij altijd zijn eigen gang. Ik wist nooit waar hij was, tenzij hij naast me lag te spinnen. We hadden de buren verteld dat hij zo groot was omdat hij een Noorse boskat was. ‘Je moet die wond schoonmaken’, zei mijn vader. ‘Je hebt afgelopen najaar toch een tetanusinjectie gehad?’ ‘Dat klopt’, zei ik, waarna ik gehoorzaam naar het toilet ging om mijn pols onder de koude kraan te houden. Ik keek naar mijn spiegelbeeld en boog me een stukje verder naar voren over de wastafel. De vier kleine, loodrechte lit tekens die de nagels van Kat hadden achtergelaten, waren normaal gesproken dunne, witte streepjes die bijna niet zichtbaar waren. Nu leken ze plotseling veel duidelijker. ‘Mag je hier een kat hebben?’ vroeg ik. Mijn vader aarzelde. ‘Eigenlijk niet’, zei hij. ‘Maar als je… Hoe noem je hem? Heet hij gewoon Kat?’ ‘Ja’, antwoordde ik. Ik wist dat het niet bepaald origineel was, maar het was het enige woord dat bij zijn eigenwijze karakter en het grote kattenlijf met de zwarte vacht paste. ‘Als je hem meeneemt in een draagmand, als we een kattenbak voor hem kopen en hem in het appartement houden, dan is het vast geen probleem.’ Kat in een draagmand? Dat gebeurde alleen als Pasen en Pinksteren op één dag vielen, dacht ik. Ik was niet 10
van plan om dat aan hem voor te stellen. Mijn pols hield al snel op met bloeden. De torenvalk had zijn best gedaan om me niet te verwonden, anders zouden er diepe gaten van alle vier zijn nagels in mijn pols zitten. Maar het was waarschijnlijk niet eenvoudig om op één poot te landen. ‘Doet het pijn?’ ‘Nee’, zei ik. ‘Het is niet erg.’ ‘Ik ga chocolademelk voor ons maken’, zei mijn vader. ‘Als jij intussen je spullen uitpakt, dan wordt het hier wat gezelliger.’ Hij merkte blijkbaar dat ik niet zo blij was met het appartement als ik beweerde. Hij was niet dom. Meestal niet, in elk geval. Hij legde zijn hand op mijn hoofd en woelde door mijn haar. ‘Het komt helemaal goed’, zei hij. Ik wachtte tot ik hem in de splinternieuwe, glanzende witte keuken hoorde rommelen voordat ik het briefje uit mijn zak haalde en het openvouwde. Elvenpark stond er met grote blokletters. Morgen. Een uur voor zonsondergang. Noordpad. Derde bank vanaf de poort. En onder aan het briefje stond de kleine kop van een dier dat een fret moest voorstellen.
11
Het was niet van tante Isa, zoals ik eigenlijk had verwacht. Het moest natuurlijk van een wilde heks afkomstig zijn – wie anders gebruikte een wilde torenvalk als postbode? – maar er was er maar één die ik kende die een fret als wilde vriend had. Waarom wilde Shanaia me ontmoeten? Ze was niet het type dat hield van gezellig kletsen met vriendinnen. Het moest belangrijk zijn.
12