How does it feel?
How does
it feel? Leven met Bob Dylan Harm Peter Smilde
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen.
© Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2019 en Harm Peter Smilde d/2019/45/503 – isbn 978 94 014 5823 8 – nur 666 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Omslagontwerp en vormgeving: Steven van der Gaauw Foto auteur: Kees de Winter, bedrijfsfotograaf Culemborg
Inhoud
Geïnterviewde personen 7 Inleiding 13 1 – Bezield van het lied 17 2 – (Ver)dichter 41 3 – Stem van de waarheid 61 4 – Tijdloze traditionalist 85 5 – Eenzame vernieuwer 107 6 – Zwerfzuchtige zonderling 131 7 – Prediker en monnik 147 8 – Weerbarstige bard 167 9 – Onzichtbare reisgenoot 189 10 – Schichtige wind 207 Bronvermeldingen 223 Bibliografie en bronnen 241 Dank 247
Geïnterviewde personen
In de periode juli 2018 tot maart 2019 heb ik voor dit boek de volgende personen geïnterviewd: Anne van Amstel (1974) is dichter en gezondheidszorgpsycholoog. Ze publiceerde drie bundels: Het oog van de storm (2004), Vlinderslag (2009, met Nits-drummer Rob Kloet) en Geef me nu ik wil (2016). Verder verschenen van haar gedichten in diverse bloemlezingen. Benno Barnard (1954) is dichter, essayist, toneelschrijver, reisschrijver en vertaler. Van 1976 tot 2015 woonde hij in België en hij studeerde begin jaren tachtig theologie in Brussel. Hij debuteerde in 1981 met de dichtbundel Een engel van Rossetti. Zijn laatste dichtbundel, Het trouwservies, verscheen in 2017. Erik Bindervoet (1962) is schrijver en vertaler. Hij publiceerde een aantal dichtbundels. Samen met Robbert-Jan Henkes schrijft hij essays en romans. Verder vertaalden zij onder meer Ulysses van James Joyce, alle teksten van The Beatles, de complete teksten van Bob Dylan in het Nederlands en Tarantula van Bob Dylan. Geert Buelens (1971) is dichter, essayist, columnist en hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht. Voor zijn boek over Paul van Ostaijen kreeg hij in 2003 de Vlaamse Cultuurprijs voor Essay 2000-2002 en de Prijs van de Provincie Antwerpen. In 2018 verscheen zijn cultuurgeschiedenis De jaren zestig.
ge ï n t e rv i e w de pe r son e n — [ 7 ]
Saskia de Coster (1976) is auteur van acht romans, waaronder Eeuwige Roem (2006), Wij en ik (2013) en Nachtouders (2019). Haar werk verscheen op long- en shortlists van de a ko literatuurprijs, de Gouden Uil en de Librisprijs. Ze won driemaal de Cutting Edge Award en eenmaal de Opzij Literatuurprijs. Antje Diertens (1958) is sinds begin 2017 Tweede Kamerlid voor d66. Vóór haar politieke carrière was zij bewegingstherapeut en actief op het gebied van personeelsbeleid en sportmanagement (onder meer in de gehandicaptensport). Steven van der Gaauw (1958) is graficus en typograaf. Hij maakt al bijna 35 jaar omslagen en binnenwerken voor onder meer De Arbeiderspers en Querido, het Nationaal Comité 4 en 5 mei en het literair tijdschrift Liter. Werk van hem komt regelmatig terug in het jaarlijkse overzicht van de Best Verzorgde Boeken. Raymond van het Groenewoud (1950) is zanger en liedjesschrijver. Hij maakte meer dan 25 albums en had hits met liedjes als ‘Vlaanderen boven’, ‘Je veux de l’amour’, ‘Meisjes’, ‘Chachacha’, ‘Brussels by Night’ en ‘Liefde voor muziek’. Henk Hofstede (1951) is zanger, gitarist, componist en tekstschrijver. Met (The) Nits maakte hij sinds 1978 meer dan 30 albums. Daarnaast heeft hij een aantal soloplaten uitgebracht en speelde hij (live) covers van onder meer Leonard Cohen en Bob Dylan. Met The Avalanche Quartet maakte hij twee albums met Cohen-covers. Ernst Jansz (1948) is muzikant en singer-songwriter. Hij was lid van de blues-, folk- en skiffleband ccc Inc. In 1978 richtte hij Doe Maar op, een van de meest succesvolle Nederlandse bands ooit. In 2010 verscheen van hem Dromen van Johanna, een boek en cd met in het Nederlands vertaalde songs van Bob Dylan. [ 8 ] — how doe s i t f e e l? / l e v e n m e t bob dy l a n
Sjoerd de Jong (1960) is journalist bij nrc Handelsblad (sinds 2010 is hij bij deze krant ombudsman). Hij schreef onder meer de bundels Spijtwraak (2005) en Een wereld van verschil (2008). Daarnaast is hij ongediplomeerd Dylanoloog. Hij schreef in de jaren negentig een biografie van Bob Dylan. Freek de Jonge (1944) is cabaretier. Samen met Bram Vermeulen vormde hij Neerlands Hoop. Na het uiteenvallen hiervan in 1979 maakte en speelde hij talloze solovoorstellingen. Hij schreef daarnaast onder meer boeken en filmscenario’s. In 1997 had hij een hit met ‘Leven na de dood’, een bewerking van Bob Dylans ‘Death Is Not the End’. Bert van de Kamp (1947) is muziekjournalist, vooral bekend om zijn artikelen, recensies en interviews van 1973 tot 2002 in Muziekkrant oor. Verder publiceerde hij een aantal boeken, onder meer interviews met Bono (En zij noemden hem Bono, 2010) en a bc Dylan (2011). Lucky Fonz iii (1981) is singer-songwriter. In die categorie won hij in 2006 de Grote Prijs van Nederland. Hij maakte zeven albums, schreef liedjes als ‘Ik heb een meisje’, ‘Linde met een e’, ‘Zeilmeisje’ en ‘App me’. Hij studeerde af in de Engelse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam met een scriptie over Bob Dylan. Rob Mutsaerts (1958) is geestelijke in de katholieke kerk en sinds 2010 hulpbisschop van ’s-Hertogenbosch. In zijn weblog Groene Pepers gaf hij zijn uitgesproken mening over tal van zaken in de samenleving. Hij schreef onder meer Jezus kan niet voetballen (2012) en Gewoon over geloof (2014). Tobias Nijboer (1985) is contrabassist en hoofdvakdocent contrabas aan het Utrechts Conservatorium. Hij speelt in verschil-
ge ï n t e rv i e w de pe r son e n — [ 9 ]
lende groepen van jazzartiesten, onder wie Henk Kraaijeveld en Daan Kleijn. Ook is hij contrabassist van Fuse, de huisband van het televisieprogramma Podium Witteman. Diana Ozon (1959) is dichter. Eind jaren zeventig maakte ze deel uit van de punkbeweging en sindsdien trad ze veelvuldig op als performance-dichter. Ze was een van de drijvende krachten achter de Koekrant, een punk-fanzine waarin literair werk werd gepubliceerd. Van haar verschenen meer dan tien gedichtenbundels en een roman. Thomas Quartier (1972), van geboorte Duitser, is benedictijner monnik en docent liturgie en ritueel aan de universiteiten van Nijmegen en Leuven. Hij geeft jaarlijks veel lezingen en schreef een aantal boeken in het Nederlands en Duits. In zijn boek Heilige Woede (2018) gaat hij uitgebreid in op zijn fascinatie voor Bob Dylan. Roos Rebergen (1988) is zangeres en tekstschrijver. In 2003 richtte ze de band Roosbeef op. In 2005 won de band de Grote Prijs van Nederland in de categorie singer-songwriter. Met Roosbeef maakte ze twee ep’s en drie albums, waaronder het goed ontvangen debuutalbum Ze willen wel je hond aaien maar niet met je praten (2008). Arie de Reus (1952) is gepensioneerd huisarts en behoort wereldwijd tot de grootste Dylan-verzamelaars. Met zijn expertise en bijzonder Dylan-materiaal werkte hij mee aan een aantal delen van The Bootleg Series van Bob Dylan, onder meer Vol. 10: Another Self Portrait (1969-1971), Vol. 12: The Cutting Edge (1965-1966) en Vol. 14: More Blood, More Tracks. Gijs Schreuders (1947) is journalist en politicus. Vanaf 1966 was hij redacteur en (adjunct-)hoofdredacteur van De Waarheid. Van 1982 tot 1983 was hij Tweede Kamerlid voor de Communis[ 10 ] — how doe s i t f e e l? / l e v e n m e t bob dy l a n
tische Partij van Nederland. Na de breuk met die partij werkte hij als journalist bij diverse kranten en tijdschriften. Liesje Schreuders (1979) is schrijver en docent literatuurgeschiedenis en Nederlands. Al op 17-jarige leeftijd debuteerde ze met haar roman Aan de wilde kant. Ze studeerde cum laude af in de literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en gaf een aantal literatuurcolleges over ‘Bob Dylan als dichter’. Jan De Smet (1953) is musicus, zanger, accordeonist, ukelelespeler en componist. Hij speelde van 1970 tot 1981 bij De Snaar, die in 1982 overging in De Nieuwe Snaar. Met beide bands maakte hij tal van albums. Sinds het einde van De Nieuwe Snaar in 2014 treedt hij solo op en in samenwerking met andere artiesten. Herman Veenhof (1959) is redacteur buitenland bij het Nederlands Dagblad en schrijft daarvoor ook met grote regelmaat over (pop)muziek. Hij publiceerde een aantal boeken, waaronder Zonder twijfel (2009, over Pieter Jongeling) en Vrije vogels (2006, over Elly en Rikkert Zuiderveld). Verder werkte hij mee aan het boek Neil Young en ik (2017). Jim van der Zee (1995) is zanger en gitarist. In 2018 won hij The Voice of Holland. Daarna bracht hij het album Where I Come From (2018) uit, met covers van onder meer Bob Dylan, Leonard Cohen en Don McLean. Sindsdien werkt hij aan nieuw materiaal, waarvan de singles I Do Believe It’s Time en My Soul (2019) de eerste resultaten zijn. Rikkert Zuiderveld (1947) is zanger en schrijver van liedjes en gedichten. Samen met zijn vrouw Elly vormt hij het duo Elly & Rikkert. Vanaf eind jaren zestig maakten zij een groot aantal albums met kinderliedjes. In 2007 kwam zijn tweede solo-album Solo uit. Hij is met regelmaat te horen als ‘Dichter bij de Dag’ op Radio 1. ge ï n t e rv i e w de pe r son e n — [ 11 ]
Inleiding
Het idee voor dit boek kwam tot mij in een droom. Op een ochtend werd ik wakker in de vaste overtuiging dat Bob Dylan was overleden. Gebrekkige wifi – ik was niet thuis – zorgde ervoor dat ik dit niet onmiddellijk kon verifiëren, dus bleef ik een minuut of tien in deze modus hangen. Genoeg om na te denken over de vraag: waar was je toen je hoorde dat Dylan overleed? Toen ik me er eenmaal van had vergewist dat hij voor zover bekend nog springlevend was, bleef die vraag hangen. Met direct daar achteraan het idee dat het veel leuker is om die vraag te stellen terwijl Dylan nog leeft: waar ben je en hoe ben je daar gekomen met Dylan en zijn songs? Die leidt weer tot de vraag: hoe ziet jouw versie van Dylan er eigenlijk uit? Zelfs mensen die van ze lang zal ze leven geen plaat van Dylan zullen opzetten (en dat zijn er ook best veel) onderkennen dat hij een artiest van de buitencategorie is, alleen al omdat Dylan inmiddels tientallen jaren veel ogenschijnlijk vrij stabiele mensen in zijn ban houdt. Die mensen zien Dylan, naast als fenomeen, als iemand met wie ze tot op zekere hoogte hun leven delen, die tot in de vezels van hun bestaan kruipt. Dat is op zich al een uniek verschijnsel. Zelf heb ik ook een leven met Bob Dylan, in overdrachtelijke zin uiteraard. Ik moet twaalf zijn geweest toen ik de zolderkamer van mijn broer binnenliep en een bijzonder soort muziek hoorde. Hij draaide de door hem zojuist aangeschafte elpee Street-Legal. De eerste noten van Dylan die ik bewust hoorde waren van ‘Changing of the Guards’, maar het kan ook ‘Is Your Love in Vain?’ zijn geweest, daar wil ik vanaf zijn. Zelf had ik me tot die tijd vooral verlustigd in de muziek van Vivaldi, The Moody Blues, Paganini en elo (in willekeurige volgorde). In de zomer van 1979 i n l e i di ng — [ 13 ]
zat ik dagen met een koptelefoon aan de stereo gekluisterd te luisteren naar Bob Dylan At Budokan. Daar was een mooi tekstboek bij dat ik aandachtig meelas, hoewel ik het Engels nauwelijks machtig was. Maar dat is het rare, en dat komt in dit boek nog meermalen terug: Dylan grijpt je, al begrijp je het niet. Zo vond ik ‘It’s Alright, Ma (I’m Only Bleeding)’ prachtig en intrigerend, terwijl ik durf te beweren dat misschien nog geen twintig procent tot mijn onrijpe tienerbrein doordrong. Die klanken en woorden herbergden de belofte van een wonderbaarlijk land dat ik mocht gaan ontdekken. Tja, en dan komt zo’n man je leven binnen om niet meer weg te gaan. Daar kwam ik pas achter toen het al te laat was. Ik herinner me verregende herfstdagen gevuld met Before The Flood, repetitieweken op het gymnasium begeleid door ‘Desolation Row’ en ‘Stuck Inside of Mobile with the Memphis Blues Again’, een frisse, zonnige lente gedrenkt in de luchtige klanken van Nashville Skyline (dat je niet goed mocht vinden) en verliefde blikken onder het neuriën van ‘Precious Angel’. Maar leven met Bob Dylan is niet alleen maar rozengeur en maneschijn, die vreemde fascinatie heeft ook schaduwkanten. Ik leende geld voor concertkaartjes en gaf dat niet terug. Zelfs heb ik een keer, ik beken het met schroom, gestolen voor Dylan. Tijdens mijn studie in Leiden bereikte ik een financieel dieptepunt. In die tijd was een favoriet tijdverdrijf van junks het stelen van autoradio’s. Om dat te voorkomen was een zogeheten slede ontwikkeld, zodat je je autoradio mee kon nemen. Op zeker moment liep ik langs een auto met een halfopen raampje en de radio keurig in de slede. Ja, dan vraag je erom. Van de opbrengst kocht ik de zojuist verschenen elpee Down In The Groove. Ik wil maar zeggen: de tweede helft van de jaren tachtig was niet alleen voor Dylan een mindere periode. Ter geruststelling: de laatste dertig jaar gaat het beter, met mij en Bob. Als zo iemand zelfs in je droom verschijnt, dan moet je daar iets mee. Ik trok eropuit en ging met mensen praten die hun eigen le-
[ 14 ] — how doe s i t f e e l? / l e v e n m e t bob dy l a n
ven met Dylan hebben, mannen en vrouwen uit verschillende generaties, met verschillende achtergronden en hun eigen blik op het fenomeen Dylan. In dialogen met hen ontdekte ik nieuwe en soms onverwachte kanten van de artiest die ik dacht goed te kennen – zoals iedere Dylan-bewonderaar denkt dat hij of zij hem het best begrijpt. Mijn gesprekspartners gaven mij in hun diepste gedachten, persoonlijke verhalen en associaties het materiaal om een veelkleurig en veelkantig beeld in woorden te maken van een artiest die het gezicht van de song in de twintigste eeuw bepaalde en nu al klassiek is. Bij het boetseren van zijn caleidoscopisch beeld gebruik ik ook andere bronnen en uitspraken die Dylan in de loop van de tijd heeft gedaan. Dat laatste heeft soms het karakter van een lastig cryptogram oplossen met een kleuter die niet echt behulpzaam is en het maar een raar spelletje vindt, maar van wie je toch niet kunt uitsluiten dat hij opeens iets zinnigs roept wat tot een oplossing leidt. Maar dan nog, Dylans uitspraken zijn altijd interessant: als ze niet verhelderend werken, blijft er meestal een flinke dosis vermaak over, want er valt bij hem ook zeker wat te lachen of te gniffelen. Voor zover er geen vertaling beschikbaar was, heb ik die uitspraken voor de leesbaarheid in het Nederlands vertaald, waarin ik een enkele Engelse term heb laten staan. Gaat het om citaten uit Dylans ‘autobiografie’ Chronicles: Volume One, dan heb ik (grotendeels) de Nederlandse vertaling Kronieken gevolgd. Van alle diepe gedachten, bespiegelingen en analyses heb ik naar beste kunnen een betoverend en intrigerend beeld gemaakt. Tegelijk ontdek je de diepte van die eeuwige paradox: hoe meer je begrijpt, des te duidelijker besef je dat er zoveel meer onbegrijpelijk is. Dit boek geeft dus niet het antwoord op de vraag: ‘Wie is Bob Dylan?’ Het laat de verschillende schakeringen en schitteringen, kleuren en aspecten zien van het prachtige mysterie dat we een leven in muziek noemen. En laat het intact.
i n l e i di ng — [ 15 ]
1 – Bezield van het lied
Hey, hey, Woody Guthrie, I wrote you a song ’Bout a funny ol’ world that’s a-comin’ along Seems sick an’ it’s hungry, it’s tired an’ it’s torn It looks like it’s a-dyin’ an’ it’s hardly been born Bob Dylan – Song to Woody – 1962
In den beginne was het lied. Dat klinkt als een scheppingsverhaal of evangelie. Welbeschouwd komt het daar ook op neer, want voor minder doet Bob Dylan het niet. Songs zijn altijd de essentie of sterker nog, de kwintessens geweest van zijn bestaan, in deze termen verwoordde hij het zelf in zijn acceptatiespeech van de Nobelprijs: ‘[...] Mijn songs vormen de wezenlijke kern van bijna alles wat ik doe. Ze schijnen een plaats gekregen te hebben in de levens van een groot aantal mensen uit veel verschillende culturen. Daar ben ik dankbaar voor.’ ‘Wezenlijke kern’ heeft een zekere spirituele of metafysische connotatie. In verschillende interviews beschrijft Dylan zijn eerste bewuste kennismaking met het lied dan ook als een soort openbaring. Als het gezin Zimmerman in 1948 – Dylan is dan zeven jaar – een ander huis betrekt in Hibbing, Minnesota, hebben de vorige eigenaars een groot deel van de inboedel achtergelaten. In de documentaire No Direction Ho me vertelt hij daarover: ‘Ik vond een gitaar in het huis dat mijn vader had gekocht. En ik vond nog iets anders daar, dat heeft bijna mystieke boventonen. Er was een grote mahoniehouten radio met bovenop een klep waaronder een 78-toeren platenspeler zat. Op een dag deed ik die klep open en er lag een plaat op de draaitafel, een countryplaat met de titel ‘Drifting Too Far from the Shore’. Het geluid van die plaat gaf me het gevoel dat ik iemand anders was en dat ik, hoe zeg je dat, dat ik misschien niet eens uit de juiste ouders was geboren of zoiets.’ be z i e l d va n h e t l i e d — [ 17 ]
Met deze gebeurtenis moet – als we Dylan kunnen geloven – het verlangen zijn ontwaakt om deel uit te maken van de wereld van het lied, om zelf songs te gaan schrijven. En het type song dat Dylans mystieke ervaring veroorzaakt, is altijd een hechte eenheid van stemmen, muziek en tekst. ‘Het was het geluid dat me raakte’, zegt hij. ‘Het ging niet om wie het was of iets dergelijks, het was het geluid van die plaat.’ Die ervaring zal hem ertoe hebben bewogen als schrijver van songs – hoe verschillend die ook zijn door de jaren heen – die heilige eenheid, de algehele sound van muziek, tekst en uitvoering na te streven. Dat is het type song dat Dylan schrijft: een stevig aan elkaar geklonken eenheid van tekst en melodie. En al gaat vaak de aandacht uit naar zijn teksten, ze zijn altijd bedoeld om te zingen, niet om voor te lezen. Hoe is hij de songschrijver geworden die hij is geworden? Hoe is hij begonnen, hoe heeft hij zich ontwikkeld en zijn persoonlijk stempel gedrukt op de traditionele song? Belangrijke vragen. Minstens van even groot belang is: op welke manier heeft Dylan met zijn songs mensen geraakt zoals hijzelf als door de bliksem is getroffen door de klanken van ‘Drifting Too Far from the Shore’ uit dat ontzagwekkende mahoniehouten radiomeubel? Veel Dylan-liefhebbers staat nog levendig voor de geest wanneer ze voor het eerst hebben kennisgemaakt met de songs van Bob Dylan en voor een aantal heeft dat ook de vorm van een openbaring. Een van hen is Ernst Jansz, muzikant en singer-songwriter, oprichter van Doe Maar. ‘Ergens al in 1965 zaten mijn goede vriend Huib Schreurs en ik op zijn kamertje naar Bob Dylan te luisteren,’ vertelt Ernst Jansz, ‘in ieder geval naar The Freewheelin’ Bob Dylan. Toen in 1966 het album Blonde on Blonde uitkwam, waren we daar helemaal gek van. Bij die dubbelelpee sloeg het echt genadeloos toe. We dachten: hoe kan iemand zulke mooie nummers schrijven als ‘I Want You’, ‘Sad-Eyed Lady of the Lowlands’ en ‘Just Like a Woman?’ In welke volgorde ik al die andere platen heb gekocht, weet ik niet meer, maar de ene vond ik
[ 18 ] — how doe s i t f e e l? / l e v e n m e t bob dy l a n
nog indrukwekkender en prachtiger dan de andere. Het was de tijd van de eerste jeugdbeweging en later Provo. Met zijn muziek gaf de jonge en jeugdige Dylan een stem aan die tijd. Ik weet niet precies wat me toen fascineerde aan Bob Dylan. Wat me in de loop van de tijd enorm is gaan intrigeren, is dat ik de teksten eigenlijk niet begreep, maar wel ongelooflijk mooi vond. Als ik nu zijn teksten lees, denk ik: o, zingt hij dat? Het is voor mij een geheim, iets wat niet helemaal duidelijk wordt, maar je hebt een vermoeden. In dat vermoeden kun je heel veel van jezelf kwijt. “Go away from my window, leave at your own chosen speed”, wat is dat, wat moet je daar nu mee? Dylan was ook in staat om onaardig te zijn in zijn liedjes. “You just kinda wasted my precious time.” Het was nooit in ons opgekomen dat je ook zo tegen meisjes kon praten: “je verspilt mijn tijd”. Als ik zijn teksten hoor, denk ik: dat iemand zó naar de wereld kan kijken, zó kan observeren vanuit een voor mij volstrekt onlogisch perspectief. Hij heeft elementen van wat literatuur zou kunnen zijn in zijn teksten gebruikt en op muziek gezet. Dat vind ik sowieso al een min of meer geniale combinatie, waarin hij vernieuwend was. Je kunt dat zien als een soort intellectuele vaststelling, maar daar zit wel degelijk een diep gevoel achter. Als iemand een verhaal in zijn hoofd heeft en daar kleine brokjes van in een tekst stopt, dan hoor ik als luisteraar niet dat hele verhaal, maar het zit er wel achter. Je voelt het verhaal en de rijkdom achter een liedje dat heel simpel klinkt. Dat is voor mij de aantrekkingskracht van heel veel van zijn werk. Het is buitengewoon, maar het klonk en klinkt wel gewoon. Dat geldt zeker voor zijn vroege werk: het is een tekst, gedicht of verhaal, drie akkoorden op een akoestische gitaar, zijn stem en verder niets. Meer hoeft het ook niet te zijn. Als ik bijvoorbeeld het betoverende liedje ‘Corrina, Corrina’ hoor, denk ik: dit is waar het om gaat.’ Van een heel andere generatie is Tobias Nijboer, contrabassist bij onder meer het ensemble Fuse en hoofdvakdocent contrabas aan
be z i e l d va n h e t l i e d — [ 19 ]
het Conservatorium Utrecht. Als kind speelt hij klassiek viool en thuis hoort hij vooral klassieke muziek en jazz. Via een vriend (en de ouders van die vriend) maakt hij eind jaren negentig kennis met Dylan. Het is vooral het geheel van muziek, sfeer en stem die voor hem een nieuwe wereld opent. Dat is heel andere muziek dan hij gewend is. ‘Dylan is natuurlijk wel een muzikant,’ zegt hij, ‘maar het verhaal staat bij hem altijd op één. Over zijn stem verschillen de meningen. Zelf heb ik Dylan eigenlijk nooit als een zanger beschouwd en misschien is dat juist wel een handig uitgangspunt. Ik vind dat hij niet geweldig toon kan houden, maar wel iets heel mooi kan vertellen. De muzikale omlijsting van zijn verhaal wekt een soort trance op, ook al is dat een vrij monotone blues van tien minuten die zonder tekst misschien niet boeiend zou blijven. Ik hou dus niet van Dylan vanwege de muzikale complexiteit, het gaat mij om de vibe, die heeft hij altijd. Daar word ik door gegrepen en die trekt mij direct het verhaal van de song in. Dat is al zo bij ‘Song To Woody’ op zijn eerste elpee. Dat lied heeft al een mate van doorleefdheid die eigenlijk niet past bij zijn leeftijd op dat moment. Misschien is hij altijd wel de old soul geweest die hij nu is geworden.’ Voor Freek de Jonge is het eigenlijk een dubbele kennismaking, beide keren in de jaren zestig. Hij zou de jongere broer van Dylan kunnen zijn – qua leeftijd dan – en heeft zijn verschillende muzikale fases redelijk van nabij meegemaakt. Ik spreek hem in een bijzondere setting: met publiek in het Groninger Museum ten tijde van de expositie ‘Het Volle Leven’. Daar zijn Freek en zijn vrouw Hella ruim twee maanden te bezichtigen, te midden van hun kunstcollectie, foto’s en boeken. Freek de Jonge: ‘Voor ons was de eerste grote hit ‘The Times They Are A-Changin’’, dat zal ergens in 1965 zijn geweest. Ik kan me dat nog goed herinneren, Just Enschedé, die later ook in Neerlands Hoop zat, kwam met die plaat aanzetten. Dat was het wel meteen. Het waren eigenlijk drie dingen: simpele gitaarmuziek met die rauwe stem, maar het was vooral de tekst en het was bovenal de pretentie die hij had en
[ 20 ] — how doe s i t f e e l? / l e v e n m e t bob dy l a n