Skip to main content

9789401458191

Page 1

K E N N E T H

L A S O E N

GEHEIM BELGIE GESCHIEDENIS VAN DE INLICHTINGEN DIENSTEN 1830–2020


K E N N E T H

L A S O E N

GEHEIM BELGIE GESCHIEDENIS VAN DE INLICHTINGEN DIENSTEN 1830–2020


Aan allen die zich inzetten en hebben ingezet voor onze veiligheid. Dank voor uw dienst.


The last words that R. said to him, with a casualness that made them impressive, were: ‘There’s just one thing I think you ought to know before you take on this job. And don’t forget it. If you do well you’ll get no thanks and if you get into trouble you’ll get no help. Does that suit you?’ ‘Perfectly.’ ‘Then I’ll wish you good afternoon.’ — W. Somerset Maugham, Ashenden


Inhoud Staatsgeheimen  1830-1848

11

De sinistere plannen van koning Willem 27 De oprichting van de Staatsveiligheid als wapen tegen Nederlandse spionnen en verraders

1848-1871 Een spook waart door Europa 59 Het jonge koninkrijk in gevaar door radicalen en de Frans-Duitse oorlog 1871-1905

anarchistisch terrorisme

Het zwaard van Damocles 119 De noodgedwongen creatie van een militaire

Het lot van de natie in gevaar 153 Capriolen, schandalen en contraspionage tijdens

1919-1939

1940-1945

inlichtingendienst en de Eerste Wereldoorlog

het interbellum

Het zwijn trekt westwaarts 185

De Duitse invasie en de geheime diensten in ballingschap

1945-1967

De duistere macht van de staat 217

1968-1990

De duistere onmacht van de staat 253

Sterft, gij oude vormen en gedachten! 89 De strijd tegen het socialisme, communisme en

1886-1919

Het Sovjetblok als voornaamste dreiging en het anticommunisme

De verwevenheid van politieke, private en veiligheidsbelangen met extreemrechts en de loden jaren 1980

9


1991-2010

2010-2020

De cultus van het geheim 287

Het onzekere voortbestaan van de Staatsveiligheid en de wettelijke controle van de geheime diensten

Een cultuuromslag? 321 Aanslepende problemen en de moeizame strijd tegen de toenemende terreurdreiging

10

De eerste lijn van de verdediging 353 Eindnoten 383 Bibliografie 399 Register 409


Staatsgeheimen Brussel, voorjaar 1984. Twee auto’s scheuren door de straten van de hoofdstad. Een interventieploeg van de Belgische geheime dienst achtervolgt een witte BMW, met aan boord twee spionnen van de beruchte KGB, de inlichtingendienst van Sovjet-Rusland. Het is een geweldige race: de BMW probeert roekeloos aan zijn achtervolgers te ontkomen. De wagen scheert langs het voetpad, rijdt begroening, omheiningen en verkeersborden omver, negeert verkeerslichten en brengt omstanders in gevaar. De auto van de interventieploeg wordt zelfs geramd, op het moment dat ze de BMW de pas kan afsnijden. Maar de Belgische inlichtingenofficieren geven het niet op en komen steeds dichter bij hun doelwit. Ze staan op het punt de BMW in te halen, wanneer de Russen iets uit het raam van de auto gooien. De BMW rijdt door, in de richting van de Sovjetambassade, maar de veiligheidsagenten staken de achtervolging. Het is ze te doen om wat net op straat is gegooid: geheime NAVO-documenten die een verrader kort voordien aan de buitenlandse spionnen had overhandigd, zodat die ze konden dupliceren. De documenten zijn op het laatste nippertje gered dankzij een contraspionageoperatie van de Staatsveiligheid. Zij hadden de Russische spionnen, die een diplomatieke dekmantel hadden, geschaduwd om ze bij een ontmoeting met een informant op heterdaad te kunnen betrappen. Ook al waren ze ontkomen, toch hadden ze de schuldigen herkend. Maar dat veranderde uiteindelijk weinig aan de uitkomst van de affaire. De spionnen genoten diplomatieke onschendbaarheid en konden niet bestraft worden. Het ministerie van Buitenlandse Zaken zette hen wel voorgoed het land uit als personae non gratae, zoals dat heet.1 Dat gebeurt wel vaker op vraag van de Belgische geheime diensten, de burgerlijke inlichtingendienst Veiligheid van de Staat en haar militaire

11


tegenhanger, de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid. Het gebeurt zelden dat spionagezaken zich op een dergelijke spectaculaire wijze afspelen, maar spionage was en is op zich nog altijd schering en inslag in België. België en geheime diensten: de twee worden niet meteen met elkaar in verband gebracht. Er wordt amper bij stilgestaan dat de grote en kleine spelers onder de buitenlandse inlichtingendiensten heel actief zijn in België. En nog minder mensen zijn er zich van bewust dat ons land zelf twee dergelijke diensten heeft. De Veiligheid van de Staat is nochtans even oud als België zelf. Haar oprichting was een van de eerste officiële daden van de allereerste Belgische regering, bij de onafhankelijkheid in 1830. Alleen het Sancta Officium, de geheime dienst van het Vaticaan (1566), gaat haar voor als langer bestaande inlichtingendienst. De meeste andere inlichtingendiensten werden pas opgericht in het begin van de 20ste eeuw. België heeft dus een inlichtingentraditie van bijna tweehonderd jaar. Recente gebeurtenissen, zoals terroristische aanslagen, hebben het belang aangetoond van goed functionerende veiligheidsdiensten en België heeft altijd al een belangrijke strategische plaats bekleed op het internationale politieke toneel. Denk maar aan de rol van België tijdens de twee wereldoorlogen en aan zijn huidige status als gastland van twee van de belangrijkste internationale instellingen ter wereld. Toch is er weinig bekend over die veiligheidsdiensten, behalve dat ze de reputatie hebben niet goed te functioneren. Georges Timmerman, een van de weinige journalisten die weet waarover hij spreekt als het over inlichtingendiensten gaat, vatte het zo samen: ‘Bij de publieke opinie leeft de hardnekkige overtuiging dat de Staatsveiligheid een slecht geleide en bureaucratische dienst is, die log en traag reageert, al jarenlang in een malaisesfeer zit, geteisterd wordt door intriges en interne clangevechten en die de blunders blijft opstapelen.’2 Toch hebben dergelijke ontluisterende vaststellingen over hoe een dienst functioneert die eerder belangrijk is in de veiligheidsketen, maar weinig aanleiding gegeven tot onderzoek naar de rede-

12


nen daarvoor. En nog minder tot onderzoek naar inzichten over die disfuncties en de mogelijke oplossingen ervoor op basis van een historisch langetermijnperspectief en een wetenschappelijke studie. Doorgaans konden de Belgische geheime diensten – niet alleen als studieonderwerp – maar op weinig belangstelling rekenen. De meeste belangrijke werken over de Belgische geschiedenis of zijn buitenlandse politiek reppen amper over de rol van de Belgische inlichtingenwereld. Het Belgisch veiligheidsbeleid, de werking van zijn inlichtingendiensten en hun verhouding tot de Belgische politieke en sociale geschiedenis zijn tot nu toe grotendeels genegeerd. Een belangrijke reden daarvoor is dat de geheime diensten meestal een speler zijn in de duistere gedeelten van die geschiedenis, gedeelten waarvan velen liever zouden hebben dat ze het daglicht nooit zien. Een andere – en eigenlijk de meest voor de hand liggende – factor is uiteraard dat het werk van geheime diensten per definitie geheim is en, althans voor een tijd, ook geheim moet blijven, waardoor de archieven niet toegankelijk zijn. Dat maakt onderzoek zeer moeilijk, want weinig gegevens zijn daadwerkelijk beschikbaar. Maar is het wel terecht om een geschiedenis die even oud is als België zelf, tot de vergetelheid te doemen? ‘Het is te betreuren dat in ons land dergelijk onderzoek weinig bijval kent’, verwoordde Luc Keunings het lang geleden al zo treffend.3 Er valt namelijk het een en ander te leren uit het geheime verleden van België. Zijn inlichtingendiensten speelden vaak een belangrijke rol in de markantste momenten van de Belgische geschiedenis. Meestal waren dat ook de angstigste momenten in die geschiedenis. Het gevecht aangaan met interne en externe dreigingen is altijd een deel geweest van de levensvatbaarheid van de Belgische staat. Het optreden van de geheime diensten tijdens die cruciale gebeurtenissen vormt een belangrijke bijdrage om de sleutelmomenten te begrijpen in de politieke, militaire en sociale geschiedenis van België. De geschiedenis van de Belgische inlichtingendiensten is vooral van belang om de huidige veiligheidsuitdagingen van ons land in hun context te kunnen plaatsen, om te begrijpen hoe België met die uitdagingen omgaat en waarom dat niet gemakkelijk

Staatsgeheimen

13


is. Sommige uitdagingen zijn dezelfde als die in 1830. Sommige manieren en methoden om ze te bezweren, zijn ook nog altijd dezelfde. En bepaalde problemen zijn onveranderd gebleven. Deze geschiedenis geeft ook inzicht in hoe de meeste Belgen aankijken tegen veiligheidskwesties en hoe de politiek omgaat met haar veiligheidsdiensten. In de nasleep van de terroristische aanslagen op Brussel in 2016 werd vaak beweerd dat België geen ‘veiligheidscultuur’ had. Enkel door de Belgische veiligheidsgeschiedenis te bestuderen, kunnen we verklaringen vinden waarom dat zo is en wat we daaraan moeten veranderen. Maar tot op heden heeft er slechts zeer beperkt en sporadisch onderzoek plaatsgevonden naar die lange geschiedenis, ook al konden er lessen getrokken worden uit dat het geheime verleden. Op juridische bijdragen en enkele verzamelwerken na – meer bepaald een jubileumboek over de Staatsveiligheid, een over de militaire inlichtingendienst en een over het Vast Comité van Toezicht – behandelen slechts nog enkele wetenschappelijke artikels de 19de-eeuwse Staatsveiligheid. Tot nu toe ontbrak een overzichtswerk. Daarnaast is er wel uitgebreid gewerkt over de beide wereldoorlogen, maar die bijdragen handelen vooral over het verzet en niet zozeer over de inlichtingendiensten als instituties. Een welkome uitzondering daarop is het monumentale boek van Etienne Verhoeyen over de activiteiten van de Duitse geheime dienst in België voor de Tweede Wereldoorlog. Voor het overige zijn we aangewezen op inhoudelijk beperkte en zelden genuanceerde, journalistieke bijdragen over het onderwerp. De Franstalige journalisten Christian Carpentier en Frédéric Moser waagden zich in 1994 als eersten aan een degelijke historische evolutie van de Belgische geheime diensten in De Staatsveiligheid. Geschiedenis van een destabilisatie. Dat boek is, dankzij zijn uitstekende onderzoekswerk, onmisbaar om de raadsels omtrent de gebeurtenissen van de loden jaren 1980 enigszins te ordenen, maar het historische overzicht bevat vaak innuendo’s of insinuaties, onnodige morele verontwaardiging en veel non sequiturs of ongerechtvaardigde gevolgtrekkingen. Dat is over het algemeen

14


zo in de boeken over de Belgische geheime diensten. Nagenoeg allemaal zijn ze geschreven door journalisten die zich blijkbaar niet kunnen losmaken van een zekere activistische inslag of drang naar sensatie. Zo staan er in die werken jammer genoeg vrij veel indianenverhalen, gespeend van enige kritische zin, maar wel doorspekt met ‘van horen zeggen’, hyperbolen, speculaties en gewoonweg nonsens. Ook nu nog kunnen slechts een paar journalisten op een volwassen manier berichtgeven over het onderwerp. Ter verdediging kunnen we hier wel aanvoeren dat de onderzoekers altijd in een vacuüm moesten werken. Het kan hun in zekere zin moeilijk kwalijk genomen worden dat zij geen belangstelling hadden of die verloren, of zich lieten meeslepen in de scandaleuze sfeer van de niet altijd even koosjere toestanden waar leden van de inlichtingendiensten een rol in speelden. De diensten zelf wilden zelden meewerken aan de pogingen van onderzoekers om de ware toedracht van sommige verhalen te achterhalen, zelfs al was dat een kans om bepaalde misverstanden recht te zetten. Hun opstelling is er altijd een geweest van wantrouwen en overdreven geheimhouding, van ‘la grande muette’ of ‘het grote stilzwijgen’, een onbestaand communicatiebeleid dat de diensten vaak parten speelt.4 Wanneer sommige onderzoekers toch toegang kregen tot archiefstukken, was dat vaak omdat ze de sympathie van de verantwoordelijken genoten en zich toelegden op onderwerpen die zij wel dieper uitgespit wilden zien. Collega Idesbald Goddeeris schreef in zijn boek over de Poolse spionage in België dat dergelijk onderzoek werd bemoeilijkt, omdat de archieven ‘slechts mondjesmaat en vaak alleen à la tête du client toegankelijk gemaakt worden.’5 Wie de literatuurlijst over de Belgische inlichtingendiensten er eens op nakijkt, kan inderdaad al snel de indruk krijgen dat er alleen tijdens de Tweede Wereldoorlog inlichtingendiensten waren. En die studies handelen bovendien veel meer over de activiteiten van het verzet dan die van de inlichtingendiensten zelf, zoals we al aanhaalden. Die uitdieping van de activiteiten van de Inlichtings- en Actiediensten van het verzet is niettemin wel helemaal terecht. Het is

Staatsgeheimen

15


goed dat de heldendaden en de moed van de Belgische verzetslieden, van wie velen hun leven voor ons land hebben opgeofferd, worden beschreven en dankbaar herdacht. Maar ze vormt een scherp contrast met de uitdieping van de rest van de geschiedenis van de op één na oudste geheime dienst ter wereld. Het was dus de hoogste tijd voor een beschrijving van de evolutie van de Belgische geheime diensten tussen 1830 en nu, althans in de mate van het mogelijke. Dit boek beschrijft allerminst die hele geschiedenis. Daarvoor is niet alleen nog veel bijkomend bronnenmateriaal nodig, maar het boek zelf zou veel omvangrijker zijn en zelfs meerdere volumes beslaan. Maar Geheim België is wel het eerste boek dat, in vogelvlucht, naar die geschiedenis kijkt vanaf het prille begin tot op heden. Het is ook een historisch werk, dat met andere woorden afstand wil nemen van de sensatiedrang en de sinistere ondertoon waarmee tot nu toe over de geheime diensten is geschreven. Een van de redenen waarom dit project het eerste is dat die hele geschiedenis onder de loep neemt, is dat er doorgaans altijd van is uitgegaan dat het nodige bronnenmateriaal hiervoor nagenoeg onvindbaar of simpelweg niet toegankelijk is. Geheime diensten zijn er ook om berucht dat ze, wanneer ze hun archieven openbaar moeten maken, eerst een zuivering doorvoeren van de gevoeligste documenten en die vernietigen. Om die reden is er jammer genoeg maar heel weinig overgebleven van de spionagedossiers uit de 19de eeuw. Zo is het dossier onvindbaar over Cyprien Jagolkowski, alias baron von Ungern-Sternberg, die als Russisch provocateur het brein vormde achter terreuraanslagen in België. En welke schat aan informatie heeft de Staatsveiligheid niet discreet verwijderd in 1918? Toen werd namelijk voor het eerst een mandataris van de Belgische Werklieden Partij voogdijminister, terwijl de socialisten tot dan toe het voornaamste doelwit van de dienst waren geweest. En zoals met elk archief het geval is, zijn ook heel veel documenten in de vuilnisbak beland, vanuit de veronderstelling dat ze toch niet meer relevant waren. Maar voor een geschiedwerk hadden ze dat net wel kunnen zijn.

16


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook