Schaken met de macht
Aan al degenen van wie ik het pad mocht kruisen
Frans van Daele Achter de schermen van de diplomatie
Schaken met de macht
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Coverontwerp: Studio Lannoo (Mieke Verloigne) Coverbeeld: © Jimmy Kets Vormgeving: Studio Lannoo i.s.m. Banananas Tekst: Guy Janssens © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2019 en Frans van Daele D/2019/45/557 – ISBN 978 94 014 5807 8 – NUR 697 Er werd getracht de wettelijke voorschriften inzake copyright toe te passen, maar de oorsprong van de beelden in het fotokatern was niet altijd met zekerheid te achterhalen. Eenieder die meent nog rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden via maatschappij@lannoo.be. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Inhoud
7 11
Voorwoord – Herman Van Rompuy Ten geleide 1
Uit de kluiten gewassen
13
2
In de leer bij goochelaars (1971-1972)
28
3
Eerste stappen in Europa (1972-1977)
38
4
Europa: een beschavingsproject
48
5
De Europese Unie: waarom, wat en hoe?
56
6
In de leerschool van Hellas (1977-1981)
72
7
Antici (1981-1984)
85
8
Woordvoerder (1984-1986)
91
9
Drie Romeinse jaren (1986-1989)
107
10
Verenigde Naties (1989-1993)
117
11
Directeur-generaal van de Politiek (1993-1997)
132
12
Permanent vertegenwoordiger bij de Europese Unie (1997-2002) 153
13
Herinneringen aan een Amerikaans rampjaar
178
14
A shining city on the hill?
205
15
Terug naar Brussel (NAVO)
224
16
Kabinetschef van Leterme (2009)
236
17
Voorzitterschap van Herman Van Rompuy (2009-2014) 241
18
Hofjonker
275
296 300
Nawoord Namenregister
5
Voorwoord – Herman Van Rompuy
Ik ken Frans van Daele sedert minstens 43 jaar. Zoals hij zelf schrijft, maakte ik kennis met hem via een collegevriend van mijn broer. Ik was getroffen door zijn eruditie, zijn intelligentie en door de gemeenschappelijkheid van tal van waarden die voortkwamen uit onze Grieks-Latijnse opvoeding. Ik bracht hem in het nationaal bureau van de CVP-Jongeren in 1975. Wij hebben mekaar nooit meer uit het oog verloren in de vele verschillende functies die we daarna hebben bekleed. Frans is dus een generatie- en geestes genoot. Hij zegt zelf dat hij een diplomaat is en geen politicus. Maar een politicus moet diplomatisch zijn en een diplomaat is bestendig met politieke thema’s bezig. De invalshoek is anders, maar de raakvlakken zijn overtalrijk. Zijn ambtelijke loopbaan is ongeëvenaard in België. Hij heeft alle grote diplomatieke posten bekleed, was kabinetschef van de minister van Buitenlandse Zaken, van de voorzitter van de Europese Raad en van de koning. Terecht werd hij benoemd tot minister van staat. ‘Un prisonnier de la chose publique’. Ik ben ook blij met dit geschrift omdat hij over mijn eerste periode op de Raad geschreven heeft, de eurozonecrisis, en de rol die wij daarin gespeeld hebben. Nu Frans dat gedaan heeft, hoef ik het zelf niet meer te doen. Ik was het trouwens niet van plan! Maar ik vind het goed dat het nu geschreven staat. En ik herhaal wat ik reeds eerder zei: ik zou niet begonnen zijn aan die aartsmoeilijke
7
opdracht in Europa, als ik niet zeker was geweest dat hij mijn compagnon de route zou zijn. Het leven is soms eenvoudig. Ik voeg er nog deze bedenking aan toe. De Europese eenmaking is zowel voor Frans als voor mij haast een waarde op zich. Ze staat immers in dienst van grote waarden als vrede, democratie en voorspoed voor allen. Maar bovenal is samenwerken over verschillen heen als taal, cultuur, godsdienst en overtuiging en zoveel andere, een waarde op zich. Ik heb in een democratie nooit de zin ingezien van enemy thinking. Al te gemakkelijk zegt men vandaag dat democratie het georganiseerde meningsverschil is om te verantwoorden dat men om het even wat zegt en om het even wie beschimpt. Het is meer dan een kwestie van stijl. Het is een zaak van beschaving. De Europese eenmaking is een zaak van beschaving. Frans van Daele beschrijft het leven van een topdiplomaat en zijn beperkingen: hij moet werken binnen een politiek kader dat hij zelf niet bepaalt, hoewel hij aan dat kader correcties kan aanbrengen zodat het een kans op slagen heeft. Zodra het raam vastligt, begint echter de creativiteit en de savoir-faire van de diplomaat. Hij moet zich in de meest verscheiden onderwerpen inwerken. Een expert in algemeenheden maar niet in gemeenplaatsen. Frans is een romanist van vorming. Ik zei hem ooit: ‘Les romanes mènent à tout, pourvu qu’on en sorte.’ Een diplomaat moet tot oplossingen komen. Een diplomaat kan niet alleen maar diplomatisch zijn. De moraal van de intenties is niet genoeg. Hij beoefent de moraal van de resultaten. Soms moet een diplomaat aan damage control doen. Frans beschrijft dat op meerdere plaatsen. Zelfs hoe men uit een rekenfout bij het Verdrag van Nice ook een uitweg moest vinden. Een bewijs uit het ongerijmde leveren. Of toen België zichzelf uitriep tot ‘gidsland’ via de genocidewet en plots ontdekte dat de Amerikaanse president van toen persona non grata zou worden. Geduld, creativiteit, vertrouwen en overtuigingskracht zijn dan nodig. Klassieke deugden in de praktijk gebracht.
8
schaken met de macht
De memorialist heeft er goed aan gedaan niet in de details of in de personalia te treden (‘ce misérable petit tas de secrets’, zoals Malraux zei), maar een brede beschrijving te geven van wat hij beleefde om dan telkens over te schakelen naar een hoger niveau van analyse. De feiten zelf worden snel vergeten. Wie herinnert zich de zaak-Passtoors? Telkens moet natuurlijk de horde genomen worden, maar men moet er nog alleen blijven bij stilstaan om algemene besluiten te trekken. De lezer van vandaag en morgen is vooral daarin geïnteresseerd. Historia magistra vitae, de geschiedenis onze lerares. Velen onderschatten het nomadenbestaan van een diplomaat. Telkens nieuwe mensen, nieuwe huizen, nieuwe werelden. Gelukkig is Frans een begenadigd polyglot en gelukkig stond zijn echtgenote Chris hem al die jaren bij. Zijn echte compagne de route. Dit boek is het relaas, niet van een diplomaat maar van een top diplomaat. Hij kon bellen met het Elysée, het Witte Huis en het Bundeskanzleramt, als een gelijke. Zo is een klein land en een nog kleiner volk groot. Maar dat laatste is niet onze enige drijfveer. Tenslotte werken we gewoon voor een betere wereld. Dan pas laten we de riemen rusten. Zonder dat zou het alleen de ‘kermis der ijdelheid’ zijn.
Voorwoord – herman van rompuy
9
Ten geleide
Ik zie, ik zie wat gij niet ziet. Het moeilijkste voor een waarnemer is te beslissen of iets een tijdelijk toeval is, ofwel een onderstroom. Velen denken dat Trump gewoon een samenloop van omstandigheden is, maar ik denk dat het hier op een aantal punten gaat om een soort kristallisatie van een langzaam proces van Amerikaanse terugtrekking uit de wereld. Toen de Sovjet-Unie als erfvijand van de kaart ging, viel immers de hoofdreden voor het VS-engagement in de wereld weg; de weigerachtigheid om militair tussenbeide te komen en de achterdocht tegenover multilateralisme namen overhands toe. Kiezen of zoiets tot de oppervlakte of tot de diepte behoort, is uiterst moelijk. Of om het met Victor Hugo (Epilogue de l’Année terrible, 1872) te zeggen: ‘Tu me crois la marée et je suis le déluge’, of ‘Je denkt dat ik hoogtij ben, en ik ben de zondvloed’. Wie in dit boek smeuïge onthullingen zoekt, is eraan voor de moeite. Wie in dit boek afrekeningen zoekt al evenzeer. In tegenstelling tot Procopius heb ik geen ongekuiste versie klaarliggen. Ik heb wel uitgebreide aantekeningen en dagboeken, maar die bestem ik voor bewaargeving. Dit boek is veeleer een terugblik op mijn jaren in de smisse van Vulcanus. Ik ga voor herinneringen die hopelijk aanspreken. Tegen de tijdgeest in hoop ik te bewijzen dat je niet altijd moet afbreken, maar ook kunt opbouwen. Onder vele gebeurtenissen heb ik vooral gesprokkeld wat die opbouwende diplomatie aanschouwelijk maakt. Gewoon je levensverhaal vertellen komt er meestal op neer dat je je eigen lijkrede begint te schrijven. Ik geef er dan ook de voorkeur aan om diplomatie in actie te laten zien, en dit aan de hand van een greep uit ‘be-leefde’ voorbeelden. Met een knikje naar Bergmans Het Zevende Zegel heb ik het de titel Schaken
11
met de macht meegegeven, omdat macht is zoals vuur: zonder brandwerende deuren, zonder checks-and-balances wordt ze heel snel gevaarlijk. In elk geval hoop ik dat mijn ‘be-leefde’ voorbeelden enig dieptezicht geven in een onbekend beroep. Of om de memoires van een Franse collega, ambassadeur Claude Martin, te citeren: ‘La diplomatie est plus qu’un dîner de gala’, of ‘Diplomatie is meer dan een galadiner’. Op raad van mijn uitgever heb ik uiteindelijk heel wat namen van binnen- en buitenlandse collega’s weggelaten, ‘want onbekend bij het lezerspubliek’. Toch draag ik die vele namen in dankbaarheid mee, en aan hen is dit boecxken opgedragen. Om het met Yourcenar te zeggen, ik hoop dat ‘un peu de votre voix a passé dans mon chant’, of dat ‘een weinig van uw stem in mijn zang is opgegaan’. Op deze plaats wil ik ook Guy Janssens en Laura Lannoo danken voor de hulp die ze me geboden hebben bij het eenzame werk om alles leesbaar op te schrijven. En bijzondere dank aan Herman Van Rompuy voor het voorwoord. Amicitia fortior.
12
schaken met de macht
1 Uit de kluiten gewassen
Jantje van Sluis (1947-1960) Sluis was een vergrendeld dorp, vergrendeld in tijd en ruimte. Soo Moereman zou er zich zeker thuisgevoeld hebben. Het ontbrak er zeker niet aan vrijgevochten snuiters en snoeshanen, maar de einder was de einder. Of zoals Jacques Brel het bezong in ‘Le Plat Pays’: ‘des vagues de dunes pour arrêter les vagues’. Als mijn grootmoeder vertelde over haar jeugd in Steene bij Oostende, leek het vaak alsof de tijd sedertdien had stilgestaan. In mijn jeugd geen fax, gsm, internet of Facebook. Muziek kwam enkel binnen langs de Belgische radio (het belcantoprogramma van de vader van Michel-Etienne Van Neste, de huidige secretaris-generaal van de Koningin Elisabethwedstrijd), en een enkele keer dankzij een rondreizende poppenkast die Il Barbiere di Sevilla opvoerde. Het dorpstoneel waarin mijn vader Barabbas van Michel de Ghelderode speelde opende eens per jaar een gat in het wolkendek. In het zoete Sint-Anna ter Muiden trad nog van tijd tot tijd een eveneens rondreizende troep acrobaten, grapjassen, goochelaars en andere messenslikkers op. Les derniers des saltimbanques. Ze bevolken in alle geuren en kleuren de schilderijen en de verhalen van mijn oudere halfbroer Nico van Daele. Althans op papier woonden we in Nederland en op Koninginnedag moesten we zaklopen en beschuit met oranje muisjes eten.
13
Nederland lag misschien wel ver weg ‘over het water’, maar Den Haag hield ons wel in zijn jacobijnse en soms calvinistische greep. Toen de veerpont tussen Breskens en Vlissingen bij regentenbesluit duurder werd, dreigde er volkswoede. Gele hesjes bestonden toen nog niet, maar het leek er wel op. Heethoofden spraken over de wederaansluiting bij België. Dit was mijn eerste ervaring in de politiek. In bloedrode menieverf kalkte ik op de muren van het bouwvallige Franse pensionaat naast ons huis de strijdleuze ‘Voor Vrije Veren’. Verder dan dat wilde ik niet met de heethoofden meelopen. Nederland leek me immers te leuk om er echt afstand van te nemen. Toen ik jaren nadien kabinetschef van Herman Van Rompuy werd, sprak ik met mijn Nederlandse kennissen even vaak als met Berlijn en Parijs. Oude liefde roest niet. Toen een Oranje me ooit indringende vragen stelde over het wel en wee van België, en mijn verwondering zag, verklaarde ze haar belangstelling nader: ‘want onze familie komt oorspronkelijk uit Brussel’. Heerlijk! Het klopt inderdaad dat de Verenigde Provinciën als staat mede door de calvinistische vluchtelingen uit het zuiden tot stand kwam. Niet voor niets speelde het ‘plechtige’ Brabants een belangrijke rol in de vertaling van de Statenbijbel. Nederland is veel minder homogeen dan wij in België wel denken. Toen toch waren er ook daar eerste- en tweederangsburgers. Geen wonder dat Geert Wilders eerst in het zuiden des lands opgang heeft gemaakt. De scheidingslijn was niet de taal maar de godsdienst. Katholieken droegen officieel verlatijnste voornamen, en ze werden er toen nog van verdacht hun orders in Rome in plaats van Den Haag te halen. In Zuid-Nederland werd er trouwens tot voor de oorlog zorgvuldig over gewaakt dat de (niet-verkozen) burgemeester en de commissaris van de marechaussees protestant waren. Douwe Breimer, een Fries die als gewezen rector van Leiden ook in de raad van bestuur van de KU Leuven zetelde, vermaakte mij ooit toen hij met luider stemme een geuzenlied uit zijn jeugd aanhief: ‘Papen zijn zoals apen. Ze klimmen in de bomen om in de
14
schaken met de macht
hemel te komen. Ze trekken aan de verkeerde bel en komen in de hel’. Toen was toen, en nu is nu. Zoals de Vlamingen in België, zo ook hebben de katholieken in Nederland mettertijd hun rechtmatige plaats gekregen in een staat die eigenlijk buiten hen om ontstaan was. Wat fout gegroeid is, kan rechtgetrokken worden. Als je dat niet gelooft, kun je het best buiten de politiek en de diplomatie blijven. Daar gaat het immers om de (her)maakbaarheid der dingen. Ook België heeft zich op die manier mettertijd aangepast. Enkel de democratie maakt het mogelijk om dit soort aanpassingen vreedzaam tot stand te brengen. In dat beluikte en besmuikte dorp van toen ontdekte ik vrij snel de vensters die openstonden. De Volkskrant (toen nog katholiek), Elseviers Weekblad (toen nog in krantenformaat) en de Katholieke Illustratie lesten mijn dorst naar de buitenwereld. Toen daarbij de tv in zwart-wit zijn intrede deed, leek mij de vooruitgang niet meer te stoppen. Katholieken en protestanten begonnen voorwaar met elkaar te praten. Mijn moeder wisselde elke week de Katholieke Illustratie uit tegen De Spiegel van de calvinistische buurvrouw. Ik las het allemaal mee. In die jaren heb ik onze taal trouwens leren hanteren, en dat dankzij onze uitstekende oppermeester Bukkens. Van hem leerde ik dat ‘je moers taal’ de mooiste is. Niet voor niks deed ik altijd mijn pet af wanneer ik op de Sluisse walletjes voorbij het borstbeeld van Johan Hendrik van Dale kwam. Onze schoolmeesters geloofden nog in de kracht van het woord, dat ik overigens onmiddellijk gebruikte om op de speelplaats aan bendevorming te doen. Woorden zijn nu eenmaal geen doel op zich, maar een werktuig. Diplomatie en de kunst der overtuiging leer je eigenlijk in de vierde klas van de lagere school. De Katholieke Kerk, die met haar Latijn en haar kazuifels verwees naar een andere wereld (Roma locuta, causa finita, ofte Rome heeft het laatste woord) in een ander tijdsgewricht (sub specie aeternitatis, ofte in het licht der eeuwigheid), opende verre einders
Uit de kluiten gewassen
15
en eindeloze vergezichten. Bertus Aafjes’ Voetreis naar Rome boeide met zijn dichterlijke woorden, maar ook met zijn omstreden gedachten. In zekere zin bevestigde hij mijn eerste vermoedens dat er iets niet klopte: waarom een aflaat prevelen die je maar zeven dagen minder vagevuur opleverde, als je voor hetzelfde aantal woorden een eeuwigdurende aflaat kon krijgen... En dan de genadeslag enkele jaren nadien: de afschaffing van Latijn en liturgie. Ik vond het altijd een vreemde ruiloperatie waarbij de inhoud niet herzien mocht worden, maar wel de vorm. Sic transit gloria... De Damse Vaart opende andere horizonten. Langs een verlokkelijk jaagpad fietsten we over Damme tot in Brugge, waar mijn moeder me de Vlaamse primitieven deed ontdekken. Het weelderige Vlaanderen van weleer. En in de andere richting ontdekten we de resten van de Zwinvlakte, waarvan een stukje monding naar de zee in Cadzand ons zomers speelterrein was. Van mijn moeder kreeg ik voor Sinterklaas in 1957 Bloei en Verval van de Zwinstreek van ene Jean-Didier Chastelain met voorwoord van graaf Léon Lippens: een heerlijk boek waarin je de karvelen en de galjoenen zo zag binnenzeilen. Aan die andere oever van het Zwin komt mij nog steeds een vers terug van Guido Gezelle: ‘wanneer de zonne in het westen zinkt, en zeewaarts henen gaat’. De verre einder... Op vakantie bij mijn grootouders in Vlissingen ontdekte ik op de Scheldedijk het daadkrachtige standbeeld van Michiel de Ruyter, en op school moesten we uit volle borst zingen van ‘Piet Hein, zijn naam is klein, zijn daden benne groot. Hij heeft gewonnen de Zilvervloot’. Om het met Jacques Perk (Gedichten, 1901) te zeggen, Nederland leek wel geboren uit zonnegloren, en een zucht van de ziedende zee. Die eindeloze deining van de zee vond ik adembenemend. En dan die andere boeken bij tonnen: naast Pim Pandoer, Biggles, Arendsoog en Witte Veder, veel missionarissenverhalen zoals ‘De leugen daalt neer over China’, toen al de oudheid in de boekjes van mijn oudere halfbroers, die op het gymnasium in Oostburg Latijn en Grieks studeerden. Of het Griekse-Franse
16
schaken met de macht
woordenboek dat ik op een van mijn ontdekkingstochten in het bouwvallige Franse pensionaat achter ons huis gevonden had. Op het tegendiner tijdens het staatsbezoek van koning Filip en koningin Mathilde aan Nederland in november 2016 had ik een leuke babbel met de voorzitster van de Senaat (aan de ene kant) en H.K.H. prinses Margriet (aan de andere kant), en dat ging over onze jeugdboeken. Allemaal dezelfde. We praatten honderduit alsof we de laatste lezende generatie waren, wat wellicht nog juist is ook. En dan die verhalen over de oorlog. Sluis was in 1944 bij vergissing zwaar beschoten en gebombardeerd door de geallieerden. Er vielen 65 dodelijke slachtoffers en een aantal huizen (waaronder het onze) waren in de vlammen opgegaan. Mijn vader had een aantal mensen gered uit huizen die in lichterlaaie stonden. Moedig in tijd van oorlog, bleek hij in vredestijd soms te lankmoedig. Het gevaar van goedheid heb ik van hem geleerd. Achteraf gaf een hartsvriendin me gelijk: ‘il ne s’agit pas d’être bon, mais d’être juste’, ofte ‘het gaat er niet om goed te zijn, maar om rechtvaardig te zijn’. Wat er ook van zij, collateral damage was in Sluis geen theoretisch begrip. Daarover was iedereen het wel eens. Maar mijn grootvader, die de IJzer had gedaan, en mijn vader, die de nazi’s verfoeide, werden het er wel nooit over eens welke wereldoorlog nu de ergste was geweest. Eigenlijk ging hun discussie over bezetting versus vuurlinie. Of hoe de twee wereldoorlogen het leven van zovelen doorkruist hebben. Toen al leek me ‘nooit meer oorlog’ een voor de hand liggende uitweg uit dit dilemma. Dankzij de Europese Unie (en de Amerikaanse paraplu) is onze generatie dood en vernieling gelukkig bespaard gebleven.
Een zucht van de ziedende zee (1960-1966) Hoewel Sluis en Knokke enkel door de duinen en het Zwin van elkaar gescheiden werden, was mijn overstap naar de middelbare
Uit de kluiten gewassen
17
school in Knokke toch een cultuurschok. Ik werd er beschouwd als ‘een aangespoelde’. Mijn eerste toets Nederlands liep faliekant af omdat ik mij geheel onbekende dialectwoorden in ABN moest omzetten. Jante moest je vertalen als ‘velg’, maar ik wist begot niet wat een jante was. Zelfs toen ik in sneltreinvaart West-Vlaams geleerd had (glottisslag inbegrepen!), bleef ik het eeuwigdurende merkteken van ‘een Hollander’ onuitwisbaar verder dragen. Tot overmaat van ramp werden de Belgische opstandelingen van 1830 in Knokke ineens vrijheidsstrijders. Gelukkig was mijn grootmoeder in 1914 vanuit Brugge met mijn toekomstige vader naar Nederland gevlucht, terwijl mijn grootvader aan de IJzer vocht. Jaren later heb ik trouwens het huis van mijn grootouders teruggevonden aan de Augustijnenrei in Brugge. Met dit alles had ik toch enkele Belgische adelbrieven die bewezen dat ik geen gewone ‘aangespoelde Hollander’ was. Maar een echte, ‘geboren en getogen’ Knokkenaar werd ik natuurlijk nooit. Toen we als jonge scoutsleiders ruzie kregen met de ouderwetse onderpastoor, moesten we allemaal ons ontslag indienen. Nadien werd iedereen weer aangesteld behalve uw dienaar, die gold als ‘te rebels’ (toen al). Navraag leerde me dat mijn Knokse spitsbroeders afgesproken hadden om alle schuld op mij te steken. Ook dat was een nuttige les in diplomatie...
Culturele katholiek Toen ik de memoires van de schitterende en bijtijds eigenzinnige Roger Blanpain zaliger las, vond ik in het Geraardsbergen van zijn jeugd de tijd terug toen de Kerk nog echt macht had. Ook en zeker in West-Vlaanderen. De directeur van de Broederschool en de directeur van het Sint-Pieterscollege in Blankenberge waren godheden. De katholieke scouts onder leiding van onderpastoor Baecke werden verondersteld als evenzovele milites Christi op te treden. Desalniettemin bekoorde het katholieke stelsel mij zeer: niet omdat ik vaak in God geloofde (à Dieu ne plaise), maar omdat de Kerk
18
schaken met de macht
mij de beste leerschool in machtsverhoudingen leek. Ook gaf ik de pasters goede punten als garant van sociale orde (de dimensie ruimte) en als drager van onze beschaving (de dimensie tijd). Op mijn katholieke college leerden we weliswaar niets over geld, vrouwen en politiek. Drie onderwerpen waarover het geloof met zichzelf in de knoop ligt. Wellicht ging men ervan uit dat je die drie dingen ook wel vanzelf zou leren. Quod demonstrandum. Toch vond ik in Vlaanderen en België heel wat nieuws. De klassenverhouding stond onder toenemende druk, en Vlaanderen stond aan het begin van een machtige ontvoogdingsgolf die voor jongens zonder geld of netwerk de toekomst uitzette. Mijn eerste vrienden in België waren trouwens mensen die zelf wat aan de zijkant stonden. Meester Maene, die me Latijn leerde en die van alles iets wist. Raf Declercq, die de VU-leider in Knokke was; hij was een belezen intellectueel die zelf enkele mooie romans zoals Het Spel der Ongebondenheid en Stilte (over zijn voortschrijdende doofheid) geschreven had. Hij leerde mij de Nederlandse letterkunde ontdekken, en gaf mij ook als eerste de smaak voor klassieke muziek mee. Met hem mocht ik elk jaar mee naar de Mattheus-Passion in het kleine gothische kerkje van Aardenburg. Vandaar was het maar een stap naar de rest van de barok en de muziek van de macht (‘Le Roi danse’). Zijn zoon Luuk Declercq en ik werden boezemvrienden. Mettertijd werd ik trouwens meer en meer Vlaamsvoelend, en na verloop van tijd zelfs lid van de Volksunie-jongeren. In de Knokse gemeenteraadsverkiezingen van 1970 stond ik dan ook op de open VU-lijst van Volks- en Middenstandsbelangen. De lijst werd getrokken door Raf Declercq, die nadien nog parlementslid zou worden, zoals later zijn charmante dochter Veerle dat werd voor Groen. Vlaanderen was toen volop bezig zijn rechtmatige plaats in België te veroveren, en als jongen leek het mij een prachtig avontuur om aan mee te doen. In de loop van mijn Leuvense studiën verliet ik echter de Volksunie. Niet enkel omdat mijn lief van een andere gedachte was, maar vooral omdat ik de stelling van
Uit de kluiten gewassen
19
Vlaamse onafhankelijkheid niet realistisch vond. Ik dacht toen al dat het zinniger was om voor Vlaanderen de juiste plaats in het Belgische geheel op te eisen. En dat bracht me natuurlijk bij de CVP van toen... Of om het anders te zeggen: ik ontdekte toen dat ik ondergebracht kon worden bij de ‘culturele katholieken’, die trouwens tot op vandaag in Vlaanderen nog steeds overal te vinden zijn. Daarmee behoren we tot het oude middenrijk dat loopt van Vlaanderen over Bourgondië, Beieren en Zwitserland tot in Toscane, en waar katholicisme en kapitalisme elkaar sedert eeuwen de loef proberen af te steken.
Terug naar Knokke Weer die boeken: Sven Hedin over zijn ontdekkingsreizen door Centraal-Azië (vele jaren nadien kocht ik in memoriam een oude landkaart met daarop een witte plek ‘les parties inconnues de l’Asie centrale’), en Eeuwig Zingen de Wouden van Trygve Gulbranssen over het leven dicht bij de Noorse natuur. De World Scout Jamboree in de vlakte van Marathon ging aan mij wegens te duur voorbij, maar ik kreeg als troostprijs thuis een paar boeken over de oudheid, waaronder de Elsevier-atlas van de antieke wereld: een duurzame verhouding die me jaren nadien op post in Athene en in Rome zou brengen. Latijn en Grieks werden lievelingsvakken, en dusdoende geraakte ik er meer en meer van overtuigd dat zonder de oude beschaving er helemaal geen beschaving kan zijn. Het prachtige vers van Horatius zegt het allemaal: ‘Graecia capta ferum victorem cepit, et artes intulit agresti Latio’, ofte ‘Veroverd Griekenland onderwierp de wrede overwinnaar, en bracht de kunsten in het plattelandse Latium binnen’. Maar niet enkel de Ouden, ook de Jongen maakten deel uit van mijn leesvoer: ik werd trouwens klant in de Knokse pocketkelder van de vermeende communist Corman, die me kennis liet maken met Henry Miller, Jack Kerouac en de nu honderdjarige Lawrence Ferlinghetti, die naar verluidt nog altijd zijn boekenwinkel in San Francisco openhoudt.
20
schaken met de macht