een plek waar eenzaamheid niet bestaat
een
plek
waar
eenzaamheid niet bestaat Frauke Heyde
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagontwerp: Studio Caro Stramien en zetwerk: Studio Lannoo Auteursportret: Koen Broos Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen berust op louter toeval. Als u opmerkingen of vragen hebt, dan kunt u contact opnemen met onze redactie: redactiefictie@lannoo.com Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2019 D/2019/45/19 - NUR 330 ISBN: 9789401457668 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor mijn moeder Doris en mijn dochter Sophia-Rose.
Woensdagochtend 6 november 5.22 uur
Proloog
Bobonne
Bobonne beeldde zich in dat de baby in haar armen leefde. Geconcentreerd liet ze haar penseel over het rozige mondje glijden. Ze tekende kleine, donkere streepjes, waarmee ze de zachte glooiing van een bovenlip nabootste. Het zou nog even duren voor het licht werd buiten, maar toch keek ze zo nu en dan door het raam. Alsof ze verwachtte dat de zon met de deur in huis zou vallen. Of dat de tijd een sprong achterwaarts zou maken naar gisterenavond acht uur, toen er nog niks was gebeurd. Maar het raam keek met een donkere blik terug, en ze hoorde alleen het zachte tikken van Rogers oude horloge om haar pols. Het ding woog zwaarder dan normaal, net zoals haar hart. Roger. Hij zou het penseel bruut uit haar handen hebben gerukt, de verfpotjes haastig aan de kant schuivend. Hij zou haar hebben gezegd dat ze naar bed moest gaan. Genoeg met deze onzin. Denk nou toch eens aan jezelf. Maar Roger was er niet meer en ook zichzelf was ze al een tijdje kwijt. Er was te veel gebeurd de afgelopen nacht om nu nog moe te zijn.
8
Ze keek naar de zachtroze huid van het babylijfje in haar armen en kriebelde met het uiteinde van het penseel onder de okseltjes. Maar deze baby kraaide niet zoals andere baby’s wel deden. Het is maar een pop. Ze hield niet van die gedachte, maar ze moest haar wel denken. Ze moest zichzelf beschermen tegen de pijn van haar eigen verlies. De poppen die ze maakte, waren niet zomaar speelgoedpoppen. Het waren meestal replica’s van overleden kinderen, of baby’s die er nooit waren gekomen, maar perfect waren uitgedacht en gedroomd in iemands hoofd. Bij iedere bestelling die ze kreeg, probeerde ze het kindje zo echt mogelijk te laten lijken, opdat het gebroken hart van de ouders toch een beetje zou heropleven. Ze gebruikte de zachtste materialen om de huid van een echte zuigeling na te bootsen en naaide gewichtjes in de binnenzijde van het hoofdje en het lijfje, zodat het kindje als echt aanvoelde in je armen. Voor de mensen die bij haar aanklopten, was dit niet zomaar een pop. Het was een herinnering aan een kindje dat ooit of nooit was geweest. Het was iemand om te knuffelen. Wat miste ze dat, knuffelen, vooral met Roger. Ze miste alles aan hem. Bobonne legde het penseel neer. Aan de binnenkant van haar pols merkte ze een rode vlek op. Ze likte aan haar vinger en wreef wat speeksel op het stukje huid. De rode vlek veranderde in een rozig, uitdijend wolkje. Bobonne kneep haar ogen dicht. Dit was geen verfvlekje. Het waterbestendige rood op de lippen van de baby zou elke huilbui en regen van kusjes doorstaan. Nee, dit was een vergeten spetter bloed, eentje die zich tijdens het schrobben van haar handen voor haar had verstopt. Met de baby in haar armen stond ze op en liep naar het raam. Het was warm in haar atelier en ze kreeg even het gevoel dat ze niet meer kon ademen. Ze opende het venster en zoog in één ademteug de koelte van dauw en de warmte van vuur naar binnen. Een herinnering aan wat er die nacht in het dorp was gebeurd. Heeft jouw familie ons nog niet genoeg kapotgemaakt?
9
Ze sloot haar ogen en loodste de herinnering naar een donker hoekje van haar gedachten. Met een diepe zucht drukte ze het zachte, siliconen lijfje dicht tegen zich aan. Dit leven zou niemand meer van haar afnemen. Daar hoopte ze toch op.
10
Dinsdagavond 5 november 21.24 uur
1. John John keek op naar een gigantische drakenkop hoog in de lucht, half verscholen in de laaghangende mist en het donker van de nacht. De neusgaten van het beest zaten vol spinnenwebben en de verf op zijn oogleden bladderde af. In de holle ooghoeken waren enkele schilfers achtergebleven, alsof het gedrocht last had van korstjes in zijn ogen. Een lijf had hij niet, zijn kop werd gedragen door een bouwvallige houten toren die in het midden van Sprookjesland stond, het oude pretpark van het dorp. Black Valley lag tussen twee bergen in en was Johns thuis. Het dorp had zich destijds rondom het pretpark in de vallei genesteld. Wanneer je de rotsige omliggende heuvels beklom, kon je de oude attracties tussen de bomen uit zien piepen. ’s Nachts glommen er lichtjes in allerlei kleuren rondom de drakenkop, wat John mooi vond om te zien. Hij woonde al zijn hele leven in Black Valley en dacht er niet aan om er weg te trekken, zoals zijn broers hadden gedaan. Hij kon en wilde de herinneringen aan zijn jeugd niet loslaten. Het voelde alsof hij die nog steeds kon beleven wanneer hij over de aardeweggetjes en voorbij de natuurstenen huisjes liep. Hij had het gevoel dat hij op die manier dicht bij zijn moeder kon zijn, iets wat al lang niet meer het geval was. Soms werd een plaats meer dan een plek om te wonen. Soms had je die plaats nodig om te kunnen overleven. Pretpark met aftandse attracties incluis. John dacht aan George, die niet alleen de eigenaar was van het park, maar ook de burgemeester van Black Valley. Hij noemde de Drakentoren de publiekstrekker van het pretpark. In werkelijkheid was het een oud ding, zoals alle attracties, met roestige karretjes waar ooit een man uit was geschoven. Na het voorval had George zulke vlotte praatjes verkocht dat de toeristen niet waren weggebleven uit het bergdorpje, integendeel. Negatieve reclame was ook reclame, dat begreep hij als geen ander, en hij wist dan ook aardig gebruik te maken van de onverwachte publiciteit. Hij paste de achtbaan aan en maakte er naar eigen zeggen ‘de veiligste acht-
12
baan ter wereld!’ van. De officiële heropening van de Drakentoren werd bijgewoond door een hoop pers, flessen champagne en het inmiddels van een hersenschudding en een paar gebroken ribben herstelde slachtoffer. De man en zijn familie kregen levenslange toegang tot het pretpark en een jaar gratis hotdogs om hen de hele zaak te doen vergeten. Ondanks de renovatie had George er wel op gestaan dat de originele figuur van de Drakentoren, de gigantisch lelijke kop van het beest, onaangetast bleef. Hij had nostalgie en dorpscultuur als excuses aangevoerd om het ding opnieuw boven op de toren te planten waardoor de gloednieuwe rollercoaster zoefde. Als hij maar geld kon uitsparen. Bovendien leek het zo alsof er niks was gebeurd en kwam George uiteindelijk goed voor de dag. Iedereen tevreden. Dat was de normale gang van zaken, hier in het dorp. In elk huishouden en tijdens elk bezoekje aan de bakker, de kapper en zelfs de bank. Laten we het elkaar niet te moeilijk maken. Er werd natuurlijk wel geroddeld, en veel. In Black Valley viel verder weinig te beleven. Vanavond zou John waarschijnlijk het belangrijkste gespreksonderwerp in het dorp zijn. Het idee alleen al deed het maagzuur naar zijn keel stijgen. Nog even bleef hij staren naar de draak, die met een uitdagende grijns zijn blik weerstond, de tong tot op de grond ontrold van het lachen. Daarna wendde hij zijn ogen af, slikte een paar keer om het maagzuur terug te dringen en wandelde verder. Zijn halflange bruine haar viel voor zijn ogen. Hier en daar zat al een spatje grijs verscholen, maar toch minder dan bij de meeste veertigplussers. Hij wreef zijn haren naar achteren. Ze voelden klam aan door de mist. Net als het hele pretpark. Het was eenvoudig geweest om het omheinde domein binnen te dringen, té gemakkelijk bijna. Hij had een gok gewaagd door zijn personeelsbadge te gebruiken en door de grote achterpoort naar binnen te glippen. Dat bleek geen probleem of reden tot achterdocht te zijn, ook al was het nacht. George rekende er duidelijk op dat zijn personeel het hem niet moeilijk zou maken. De badges
13
waren zelfs niet gepersonaliseerd. John had op zijn minst een alarm verwacht, of een confrontatie met de nachtwaakster, maar die was blijkbaar niet op haar post. Hij voelde even aan de sleutelbos in de zak van zijn jas. Zou hij haar daarmee kunnen verwonden? Zou hij het kunnen? Zijn vingers gleden langs een oud pakje zakdoeken. Of zou hij haar verstikken met een velletje zacht papier van twintig centimeter bij twintig centimeter? Hij lachte met zichzelf, maar na zijn gegniffel volgde een snik, waar hij zelf van schrok. Wat deed hij hier in godsnaam? Hij hoorde Anna’s stem in zijn hoofd, helder en toch verder weg dan ooit. Geen domme dingen doen. Anna. Zijn Anna. Zijn vrouw. Met haar korte, blonde haar dat als goud boven haar groene ogen blonk. Zij was de enige die bij hem was binnengestapt alsof er geen duizend sloten op de deur zaten. Ze was die iemand die alles op zijn kop had gezet. Een beetje zoals het besef dat melk door de meeste mensen langs de verkeerde kant van het pak wordt uitgeschonken. John had het ergens in een krantenartikel gelezen. Onbewust had hij een leven lang steeds de verkeerde kant gekozen, en dus ook altijd gemorst. Het klonk als een kleine, niet zo belangrijke ontdekking, maar John vond het toch bijzonder. De wereld was maar zo mooi als hoe je haar zelf zag. En voor John Anna had leren kennen, was het een lelijk plaatje. Maar toen. Ze had de kleur van de lucht veranderd, het lachen om niets en alles, de geur van thuis. En seks. Seks met Anna was anders dan met alle andere vrouwen die hij vóór haar had bemind. Ze zag alleen hem, en hij voelde alleen haar. Voor een eenzaam iemand als John was het een bijna schokkende ervaring geweest, die eerste keer. In haar ogen lag de ondergaande zon, en tussen haar benen de eindeloze oceaan. Ze was het mooiste wat hij ooit al had gezien en aangeraakt. Als hij al iemand in zijn hart had laten kijken tijdens het vrijen, dan was het niet hetzelfde geweest als bij Anna. Zij was degene die hem had getoond waar dat hart juist zat. Godverdomme, dacht hij.
14
Een steek ergens ter hoogte van Johns borstbeen deed hem stoppen en vooroverbuigen. Zijn vingers gleden opnieuw in zijn grijze jas. Hij vond al snel wat hij zocht. Hij zou ervoor zorgen dat de dorpelingen iets interessants te zien kregen die avond. Iets waardoor ze hem misschien zouden vergeten.
15
2. Renée Renée tikte zacht tegen de groenige glazen deur die naar Bobonnes atelier leidde. In het gematteerde glas zag ze een wazige reflectie van zichzelf, waarin haar bleke huid, heldere ogen en blonde, lange haren een zweem van munt droegen. ‘Ik kom’, hoorde ze Bobonne in de verte antwoorden. Kon ze maar een magische creatuur zijn, een zeemeermin of een amazone. Het leek of iedereen steeds maar probeerde om iemand anders te zijn dan wie hij werkelijk was, dus waarom zij niet? Tijdens haar consultaties als stagiaire in het ziekenhuis was het haar regelmatig opgevallen: de waarheid werd steeds weer verbloemd en verbogen. Getrouwd, maar toch ‘per ongeluk’ een soa opgelopen. Kan iedereen toch overkomen? Blauwe plekken en de zoveelste gekneusde rib, omdat je toevallig elke maand van de trap viel. Sommige mensen verzonnen de gekste verhalen om hun partner, familielid of zichzelf te vrijwaren. Maar zij was er om haar patiënten te helpen. Veroordelen deed ze niet, dat zou de rest van de mensheid wel voor zijn rekening nemen, dus knikte ze begripvol, hielp de persoon in kwestie zo goed als ze kon en verwees hem of haar door wanneer ze dat nodig achtte. Maar de laatste tijd was het niet genoeg geweest. Ze had haar zinnen gezet op de specialisatie cardiologie. Het hart was een orgaan vol geheimen die ze wilde doorgronden. Ze had hard gewerkt om tot de specialisatie te worden toegelaten, maar toen was ze naar Black Valley teruggekeerd en had ze haar droom tijdelijk opgeborgen. Ze had zelfs haar stage in het ziekenhuis niet afgemaakt en kon dus ook geen praktijk als huisarts openen. Haar droom om cardioloog te worden leek inmiddels onbereikbaarder dan ooit. Na alles wat er was gebeurd, wist ze niet meer goed of ze het hart nog wel wilde begrijpen. ‘Mooi glimlachen’, mompelde Renée binnensmonds, zoals haar moeder haar altijd had ingefluisterd wanneer ze als klein meisje overstuur was. Ze probeerde haar mondhoeken op te trekken, maar zag in de ruit dat het er niet oprecht uitzag.
16
Plotseling ging de deur open. Bobonne glipte het atelier uit. Ze droeg haar witte haar zoals altijd in een strakke dot op haar hoofd. Haar befaamde wijde paarse trui, die ze zowat vijf dagen op zeven droeg, hing los om haar gezellige lijf. Ze droogde haar handen af aan een handdoekje en wees toen naar haar kleindochters haar. ‘Heb je al een kleur gekozen?’ vroeg Bobonne. Ze geeuwde erachteraan. Renée wreef over haar voorhoofd, alsof ze zo haar gedachten van zich af kon strijken. Ze had de hele dag getwijfeld over de kleur. Het leek een moeilijke keuze, maar nu ze voor de groene deur van het atelier stond en zichzelf erin weerspiegeld zag, wist ze het ineens zeker. Niemand zou nog langs haar heen kunnen kijken. Ze zou opvallen. Ze zou uitblinken. Ze zou verdergaan met haar leven. Zichzelf heruitvinden. Een magische figuur. ‘Groen’, sprak ze beslist. ‘Groen? Waarom geen rood of zo?’ Bobonne stak haar tong tussen haar gesloten lippen. Haar ogen werden spleetjes. ‘Jij houdt toch niet van rood?’ ‘En jij houdt niet van opgeven, zoveel is duidelijk’, zei Bobonne. Renée keek weg. Nee, dacht ze, maar toch doe ik de laatste tijd niks anders meer. ‘Praat je weer tegen jezelf?’ Het klonk niet verwijtend, maar zacht en uitnodigend. Zonder oordeel. Zoals zo vaak had Bobonne Renées gedachten geraden. Nu ze geen werk of vriendje meer had, was het pension van haar grootmoeder het perfecte toevluchtsoord. Bovendien hield ze ook van Bobonnes gezelschap. Haar kon ze alles vertellen, met of zonder woorden. Zonder schaamte. Openheid was een gave die in twee richtingen liep, zo had ze het indertijd van haar grootmoeder geleerd. Renées vader had die eigenschap helaas niet opgepikt. Voor de dorpelingen was hij George, de fantastische burgemeester. Voor Bobonne was hij haar ondeugende, goedhartige kind gebleven. Maar voor Renée had hij zich nooit echt opengesteld.
17
‘Ik ga naar de nachtwinkel’, zei ze. Ze keek weg van Bobonne. Deze keer had ze geen zin om te praten. ‘Verkopen ze daar groene haarverf?’ vroeg Bobonne. ‘Ja, hoor. En blauwe. Roze. Lavendel.’ ‘Ik hoor het al: kapsalon Bobonne mag binnenkort de deuren sluiten! Nou ja, het was toch maar een mager inkomen.’ Bobonne glimlachte om haar mopje en liep de gang van de eerste etage op, met haar kleindochter in haar kielzog. Samen stapten ze naar de grote draaitrap die naar de benedenverdieping leidde. De trap deelde het pension mooi in twee stukken: een kant vol privévertrekken, met onder andere Bobonnes atelier en Renées zolderkamer, en een kant met kamers die aan toeristen werden verhuurd. Renée greep de trapleuning vast. Haar slordig gelakte nagels glommen in het warme licht van de oude kroonluchter die aan het plafond hing. Ze had niet het geduld om nagels te lakken, maar als arts in spe had ze het goedje nooit mogen dragen, dus profiteerde ze er nu van. ‘Over een mager inkomen gesproken: kamer vier is vrijgekomen. Dus mocht er nog iemand binnenvallen…’ Met zorgvuldige pasjes daalde Bobonne verder de trap af. Ze hield de leuning stevig vast. Het leek alsof ze moe was en zichzelf overeind wilde houden. Onderweg stofte ze het hout af met de wijde mouwen van haar trui. ‘Komen Eric en Trudy niet?’ vroeg Renée. Eric en Trudy waren dorpelingen. Ze huurden zo’n twee keer per maand een kamer in het pension. Toen Renée zich aan het inwerken was en de boekingen bekeek, had ze het vreemd gevonden, maar Bobonne had de lippen stijf op elkaar gehouden. Ondertussen verbleef Renée al twee maanden in het pension en wist ze hoe de vork in de steel zat. Ze wist ook wel waarom Bobonne er liever niet over vertelde – discretie was belangrijk – maar ergens vermoedde ze dat haar grootmoeder vooral geen zin had om bekend te staan als rendez-voushotel. Dus hield Bobonne de bezoekjes van het koppel en hun ‘gasten’ stil. Zelfs in haar boekhouding vermeldde ze hun familienamen niet.
18
‘Renée’, siste Bobonne verongelijkt. Ze legde een vinger op haar lippen en keek haar kleindochter berispend aan. Haar slippers schuifelden de laatste trede van de trap af. Een hotelgast knikte hun vriendelijk toe terwijl hij de trap opklom. Hij droeg een geel petje met een draak erop, uit de souvenirwinkel van Sprookjesland. ‘Breng je wat ovenreiniger mee?’ vroeg Bobonne nog. Alsof Renée en zij het net niet over iets anders hadden gehad. — Renée trok de voordeur van het pension achter zich dicht en daalde de trap af, de dichte mist in, richting de straat. Het was koud geweest de afgelopen dagen en nachten, wat niet veel goeds voorspelde voor de winter. Ze trok de kap van haar gele gebreide poncho over haar hoofd. De wol prikte tegen haar voorhoofd en de puntjes van haar oren, maar hij hield haar warm. Onder aan de trap streelde ze de takken van de treurwilg die nog net in Bobonnes voortuin stond. Ze hield van die bomen. Ze hadden dat magische waar ze zo graag over fantaseerde. Daarna wandelde ze de lege straat op. Overdag wemelde het dorp van de toeristen, maar ’s avonds leek het wel een spookstad. Renée keek nog even om naar het pension. Achter de meeste ramen brandde licht, dat door een wit waas van lage wolken heen schemerde. Het gebouw lag warm en geborgen aan de voet van de berg, en door de aardetinten waarin de gevel geverfd was, leek het op te gaan in de achterliggende rotsen. Renée dacht aan de gasten in de kamers, hoe ze nog een bad namen omdat ze dat thuis nooit deden, of koffie gingen zetten op de gang. Gewoon, omdat het er zo uitnodigend uitzag met Bobonnes schaal vol huisgemaakte koekjes ernaast. Bobonne, haar kranige grootmoeder. Ze had geen idee waar zij de energie vandaan haalde om het pension te voorzien van al die onnodige extra’s. Ze was er vrij zeker van dat je nergens anders de keuze had uit zeven verschillende kleuren hand-
19
doeken. Daarbovenop hield Bobonne nog voldoende tijd vrij voor haar hobby’s, al was het Renée niet zo duidelijk wat die precies inhielden. Bobonnes atelier was verboden terrein en ook de grote ovens in de keuken werden vaak gebruikt zonder dat Renée mocht kijken wat erin gebakken werd. Tot zover de openheid dus, maar Renée gunde haar grootmoeder het kleine beetje privacy dat ze zich toe-eigende. Zij was tenslotte degene die Renée het belang daarvan had bijgebracht. En straks zou ze Renées haren groen kleuren, terwijl Renée had gezien hoe moe ze eigenlijk was. Ik moet me haasten, dacht ze. Renée ging in het midden van de weg lopen. Ze volgde de stippellijn die de straat in tweeën verdeelde en hopte van het ene witte vlak naar het andere zonder het zwarte asfalt aan te raken. Een eenvoudig spelletje uit haar kindertijd dat haar nog altijd simpel genot schonk. Na enkele sprongen zette ze het op een rennen. Langs de kant van de weg stonden hier en daar treurwilgen. Ze deden haar verlangen naar de lampjes die tijdens de kerstperiode om hun takken zouden worden gewikkeld. De goudgele gloed die hun kruinen doorweefde gaf de nacht iets feeërieks. Misschien was het juist om hun schoonheid dat ze elk jaar naar het dorp was teruggekeerd om Kerstmis te vieren. Ze hield ervan te kunnen rondlopen in een landschap dat zelfs tijdens de donkerste momenten warmte uitstraalde. Toch zou ze dit jaar niet naar het dorpsfeest gaan met kerst. Ze zou er niet verliefd worden of warme wijn drinken tot ze tipsy genoeg was om Peter, de lokale politierechercheur, haar telefoonnummer te geven. Het was het begin geweest van helemaal niets, maar zo had het niet aangevoeld. Dit jaar zou ze binnenblijven, kalkoen roosteren, liefdesverdriet hebben en wachten tot iedereen weer thuiskwam. Het was geen fijn vooruitzicht. Er was iets van haar afgenomen. Ze werd er, voor de zoveelste keer, weemoedig van. De weg kronkelde na een tijdje naar links, dan weer naar rechts en vervolgens weer naar links. Omdat hier al vaak ongevallen waren gebeurd, dwong Renée zichzelf voorzichtig te zijn. Door de
20