Skip to main content

9789401457569

Page 1

the new 1912 - 1932 onder redactie van INGA ROSSI-SCHRIMPF


CAT. 15

PAUL JOOSTENS Le Révolutionnaire (De revolutionair) Plaat uit Ça ira! Revue mensuelle d’art et de critique, nr. 6, september 1920 Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel, Bibliotheek, inv. RP III 30


VAN ART NOUVEAU TOT NIEUWE ZAKELIJKHEID *

Relaties en wisselwerkingen tussen Duitse en Belgische artistieke kringen INGA ROSSI-SCHRIMPF

*

1. 2.

3.

4.

Deze tekst is gebaseerd op lopend onderzoek over de Belgisch-Duitse cultuuroverdracht in de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw voor een overzicht in wording. Zie ook de parallel verschenen essays Rossi-Schrimpf 2018a en 2018b. De Schaepdrijver 1997. Zie o.a. Leonardy en Roland 1999 en Roland, Beyen en Draye 2011. Zie hierover recent RossiSchrimpf 2018, vooral de inleiding en de bijdrage van Christina Kott en Hubert Roland. Paenhuysen 2011 en Devillez 2011.

In de periode van het fin-de-siècle tot aan het uit-

Henry van de Velde en Victor Horta medebepalend

breken van de Eerste Wereldoorlog was er een in-

geweest voor de ontwikkeling van de Duitse (klas-

tensieve, zij het eerder eenzijdige cultuuroverdracht

sieke) moderne kunst. Nu echter ontdekte een jonge

tussen Duitsland en België. In haar diepgaande

generatie Belgische kunstenaars en architecten eerst

studie van 1997 1 laat Sophie de Schaepdrijver zien

het expressionisme en dan vooral de utopieën rond

hoe, mede door deze culturele verbondenheid, de

gemeenschapskunst, de Novembergruppe, het con-

schending van de neutraliteit, de inval in België en

structivisme en het Bauhaus, en koppelde ze die

de bezetting door de Duitsers voor België, de Belgi-

aan de eigen intenties om door kunst (en daarmee

sche bevolking en de Belgische cultuur een schok-

waren alle kunsten bedoeld) een ‘nieuwe wereld’

kende ervaring waren. Talrijke literatuurweten-

mee vorm te geven. Belangrijk was dat de interesse

schappelijke studies hebben vastgesteld dat dit

van de Belgen voor de Duitse kunst, architectuur,

heeft geleid tot een breuk in de culturele betrek-

literatuur en film in een alomvattend internationa-

kingen met Duitsland en meer algemeen met het Duitstalige cultuurgebied, en ook in het eigen Belgische culturele zelfbesef.2 De ‘terre-entre-deux’ verloor een van haar polen die ze meende te verbinden. Het Germaanse gedeelte van de ‘âme belge’ werd nu met de Duitse barbaarsheid geassocieerd (cat. 16). Dat leidde tot een identiteitscrisis. Toch kwam er geen einde aan de culturele uitwisseling. Paradoxaal genoeg leidde de bezetting zelfs tot een zekere intensivering van de cultuuroverdracht tussen België en Duitsland.3 We kunnen besluiten dat er dus geen sprake was van een stopzetting in de Duits-Belgische relaties op het vlak van beeldende kunsten, maar wel van een verschuiving.4 Die manifesteerde zich op het vlak van inhoud en van betrokken personen, maar ook in een sterkere reciprociteit, die op enkele domeinen zelfs tot een omkering van de verhoudingen leidde. Rond 1900 waren de ‘Belgische stijl’ en kunstenaars als Constantin Meunier, Fernand Khnopff, George Minne, Eugène Laermans of Félicien Rops en architecten als

CAT. 16

Lobel-Riche, Les Allemands peints par eux-mêmes, frontispice naar het schilderij Der Krieg (1894) van Franz von Stuck In Emile Verhaeren, Le Crime allemand: 1914–1915, Parijs, Maison du Livre, 1915; AML (Archives et Musée de la Littérature), Brussel, inv. MLPO 17920

15


lisme paste. Op dat vlak verschilde deze culturele

in der Kunst verschenen, die deels voortbouwde op

uitwisseling grondig van het vooroorlogse kosmopo-

ideeën van de Belgische schrijver Maurice Maeter-

litisme. Tegelijkertijd werd dit internationalisme niet

linck. Twee galeries openden hun deuren – Der

gezien als tegengesteld aan nationale ambities zo-

Sturm van Herwarth Walden in Berlijn en Galerie

als die van het Vlaamse activisme tijdens en ook

Georges Giroux in Brussel – en begonnen nog in

nog na de oorlog, maar als complementair.5

datzelfde jaar samen te werken. In 1913 reageerde

Dit veelgelaagde thema van de onderlinge rela-

Walden met de ‘Erster Deutscher Herbstsalon’6 op

ties tussen Duitsland en de Duitstalige cultuurkring

de ‘Internationale Kunstausstellung des Sonder-

en Belgische artistieke kringen kan hier slechts in

bundes westdeutscher Kunstfreunde und Künstler’,7

enkele hoogtepunten die relevant zijn voor de struc-

die een jaar eerder in Keulen werd georganiseerd en

tuur van de tentoonstelling worden belicht. Voor dit

pretendeerde hij vooral omstreden kunst uitvoerig

project ging onze aandacht vooral naar de Belgi-

en systematisch te exposeren. In de ‘Herbstsalon’

sche perceptie van de Duitse kunst en haar kringen

werd voor het eerst alle aandacht gericht op de

tussen 1912 en 1932, en dan vooral naar de beteke-

Europese avant-garde als essentie van de moderne

nis van Berlijn en van de mythe van deze stad vanaf

kunst. Walden baseerde de selectie op zijn opvat-

de jaren 1918 tot ongeveer 1924/25.

ting over een kubistisch-expressionistisch-futuristische stijlsynthese, die uiteindelijk ook de Belgische

DE VOORGESCHIEDENIS

avant-garde zou beïnvloeden. In Keulen daarentegen stond op het vlak van beeldhouwkunst het

1912. In München publiceerden Franz Marc en

werk van de Belg George Minne centraal en werden

Wassily Kandinsky de Blaue-Reiter-Almanach. Kort

de schilders Vincent van Gogh, Paul Gauguin en

voordien was Kandinsky’s tekst Über das Geistige

Paul Cézanne als voorlopers van de moderne kunst

AFB. 1

Henry van de Velde, Werkbund-Theater, Keulen, 1914, gezicht vanuit het zuidwesten

16

5. 6. 7.

Zie hierover o.a. Servellon 2018. Zie Moeller 1988 en Selz 1991/98. Barbara Schaefer (red.), 1912 – Mission Moderne: Die Jahrhundertschau des Sonderbundes, Keulen, Wienand, 2012.


8. 9.

Zie recent Fischer 2018. André de Ridder, ‘L’école belge contemporaine’, in Cahiers de la Belgique, 4 (april–mei 1930), 4–5, p. 177. 10. Zie hierover mijn ongepubliceerde voordracht Turn of the Century German-Belgian Artistic Relations, Workshop Internationalism and the Arts: Imagining the Cosmopolis at the Long Fin de Siècle, 5–6 september 2013 London, Tate Britain/ICE (Internationalism and Cultural Exchange, 1870–1920) Network.

gehuldigd. In 1914 opende, eens te meer in Keulen,

in de pers leverde dat niet op. De contemporaine

de ‘Ausstellung des Deutschen Werkbundes’, waar

Duitse kunst werd tot ongeveer 1900 in België

naast het Glashaus van Bruno Taut en de Muster-

veeleer als oubollig gepercipieerd en pas de al-

fabrik van Walter Gropius ook het Werkbund-Theater

maar sterker wordende toegepaste kunst bracht

van Henry van de Velde voor sensatie zorgden

een kentering in dat beeld.10 In 1912 exposeerde

(afb. 1). Van de Velde, die aan het hoofd stond

La Libre Esthétique het werk van de oprichters

van de Kunstgewerbeschule van Weimar, waaruit

van de Düsseldorfse Sonderbund, Max Clarenbach,

vijf jaar later het Bauhaus zou ontstaan, kon hier

Willy Kukuk en Walter Ophey, en in 1913 werden bij

zijn eigen esthetische standpunten vernieuwen. Het

Kunst van Heden kunstenaars van de Münchener

Werkbund-Theater zou na de oorlog veel jongere

Schule tentoongesteld, onder wie Franz Marc. De

Duitse architecten tot voorbeeld dienen.8 Op deze

Duitse expressionistische avant-garde was in 1913 in

baanbrekende tentoonstellingen waren er echter

de persoon van Kandinsky in Brussel bij Giroux ver-

geen jongere Belgische kunstenaars vertegenwoor-

tegenwoordigd. Zijn tentoonstelling was voor het

digd. Dat hoeft niet te verwonderen. In die tijd

Belgische kunstmilieu al een even grote uitdaging

voerde in de Belgische kunst vooral een regionale

als die van de futuristen het jaar daarvoor en was

vorm van het neo-impressionisme, het zogenoemde

een buitenbeentje in de rest van het programma

luminisme, de boventoon en kort voor de Eerste

van Giroux. In de literatuur wordt er terecht op ge-

Wereldoorlog had ze een achterstand op de inter-

wezen dat Georges Giroux en ook een handvol Bel-

nationale avant-garde die overal terrein won: ‘We

gische kunstcritici zich pas door de impulsen van

moeten het toegeven: op het moment dat in 1914 de

Der Sturm en Herwarth Walden bewust werden van

oorlog uitbrak, waren wij in België niet erg “Europees” en ook niet erg “modern”.’9 Terwijl Belgische kunstenaars en schrijvers een duidelijke invloed hadden op de Duitse klassieke moderne kunst, en het symbolisme en de art nouveau deels anticipeerden op de theoretische stellingnamen van Der Blaue Reiter, het Bauhaus enz., is het inderdaad opvallend hoe weinig directe invloed de Duitse en de Europese avant-garde in het algemeen, in de jaren 1910 tot 1914, had op de Belgische kunst. Dat is des te meer verwonderlijk aangezien de avant-garde niet alleen door tijdschriften en reizen, maar ook door tentoonstellingen in België zelf bekend was. Afgezien van Jules Schmalzigaug kunnen we alleen maar spreken van een vertraagde artistieke reactie in werken van onder meer Jos Leonard, Paul Joostens, Prosper de Troyer of Edmond van Dooren. Tegelijk wordt hier de interesse voor de grootstad die tijdens de oorlog tot ontwikkeling kwam, in beeld gebracht. Van een artistieke receptie van de Duitse avantgarde kunnen we voor 1914 nog minder spreken. Weliswaar waren vanaf 1884 Duitse kunstenaars regelmatig te gast op tentoonstellingen van progressieve kringen als Les XX, La Libre Esthétique of Kunst van Heden, meer dan een positieve vermelding

CAT. 17

Stan van Offel, Karikatuur over de Kandinskytentoonstelling in Galerie Georges Giroux In La Belgique artistique et littéraire, deel XXXII, 15 juli 1913; AML (Archives et Musée de la Littérature), Brussel, inv. MLR 00843

17


CAT. 33

OTTO DIX Modernes Tanzpaar (Modern danspaar), 1922 Aquarel, potlood en Oost-Indische inkt op papier; 56,8 Ă— 39 cm Buchheim Museum der Phantasie, Bernried am Starnberger See, inv. 1.00820


VISIOENEN VAN GELIJKBERECHTIGING De dansparen en circusartiesten van Otto Dix van begin jaren 1920 ÄNNE SÖLL

1.

2. 3.

In zijn biografie geeft Olaf Peters een gedetailleerd beeld van de periode die Dix in Dresden, Düsseldorf en Berlijn doorbracht: Peters 2013, hoofdstuk 3. Ibidem, p. 69. Zie hierover uitvoerig mijn inleiding in Söll 2016, pp. 9–18.

Nadat hij als soldaat gediend had in de Eerste

grote sociaal-politieke omwentelingen, waaronder

Wereldoorlog keerde de Duitse schilder Otto Dix

ook de invoering van het stemrecht voor vrouwen,

in 1919 terug naar de academie in Dresden. Daar

werd de bevolking van de jonge Weimarrepubliek

richtte hij samen met enkele andere kunstenaars

niet alleen geconfronteerd met de traumatische

de Dresdner Sezession Gruppe 1919 op.1 Hij raakte

gevolgen van de oorlog, maar moest ze tevens in het

daarna geboeid door het dadaïsme. In 1920 nam

reine komen met de kwestie van de gelijkberechti-

hij met collageachtige werken deel aan de ‘Erste

ging van de vrouw. Het ging daarbij niet louter om

Internationale Dada-Messe’ in Berlijn. In 1922 ging

discussies over de rol van de vrouw, maar evengoed

hij naar Düsseldorf en betrok hij daar in de acade-

over die van de man.3 Een belangrijk element daar-

mie als meesterklasleerling een atelier. Reeds tij-

van was de versterking van het mannelijk lichaam,

dens de oorlogsjaren aan het front had Dix grote

want de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog moest

aantallen aquarellen en tekeningen geproduceerd.

immers ook op lichamelijk vlak worden verwerkt. In

In zijn Düsseldorfse periode van 1922 tot 1925 begon

het begin van de jaren 1920 vroeg men zich af welk

hij opnieuw in deze technieken te werken omdat

lichaam de man moest hebben om de politieke

ze een snelle en goedkope productie toelieten. Dat

chaos en de maatschappelijke omwentelingen van

was nodig in tijden van inflatie en economische

die tijd te kunnen doorstaan. In een in 1918 uitge-

ellende, waarin slechts weinig mensen het zich kon-

bracht gedicht beantwoordde George Grosz – con-

den veroorloven om kunst te kopen. In deze tijd

current en dadamedestrijder van Otto Dix – deze

evolueerde het werk van Dix tot een ‘strenge vorm

vraag met ‘we moeten rubbermannen zijn!’ Het

van nieuwe zakelijkheid in haar veristische begin-

dadaïstische gedicht prijst in een vlotte circusstijl

stadium’,2 waarin zijn kunst het expressionisme en

en ironisch-provocerende toon de voordelen van

dadaïsme liet varen en een nuchtere en gladdere

de extreme lichamelijke flexibiliteit, die er bij Grosz

voorstellingswijze ontwikkelde.

niet alleen moet zijn tot vermaak van de bour-

Naast matrozen, prostituees en kinderen duiken in deze periode in zijn aquarellen en grafiek vaak

geoisie, maar die ook het comfort en de eigendunk van de burgerlijke mufheid moet verstoren:

motieven van circusartiesten en dansers op, waarover we het hier verder zullen hebben. Het gaat hier

MAN MUSS KAUTSCHUKMANN SEIN !

niet zozeer om de biografische context, maar wel

Ja, Kautschukmann sein — eventuell den Kopf

om de vraag welk beeld van mannen en vrouwen

zwischen die Beine stecken oder durchs Faß sprin-

in deze werken wordt opgehangen. Hoe wordt de

gen — und spiralig in die Luft schnellen! sieh, ein

verhouding tussen de seksen in het werk van Dix

Paragraph rempelt Dich an,

voorgesteld? Welke oplossingen reikt Dix aan? In de

eine Affiche,

jaren 1920, die in Duitsland een periode waren van

ein Flohzirkus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

73


.....................................

voor mannen in deze historische context interessant

(sämtliche Flöhe liegen an Schlingen — deser-

(afb. 1)? Reeds voor de Eerste Wereldoorlog ijverden

tiern ausgeschlossen — Springen von Flöhen auf

artsen, psychiaters en hygiënisten ervoor om de

Kommando, Parademarsch der Flöhe . . . . . . . . . .

man, en dus ook de hele natie, door verschillende

......................................)

therapieën en trainingsprogramma’s weer sterk en

Immerhin wichtig ist, das Gleichgewicht zu

dan vooral psychisch robuust te maken.5 Na de

behalten! Wo vordem die gotische Kirche, mess-

oorlog ging het in de discussie rond mannelijke

elt sich heute

lichamelijke ontwikkeling vooral om de definitie

das Warenhaus hoch — ! — Die Fahrstühlesausen . . .

van wat het mannelijke lichaam nu eigenlijk is. Eisenbahnun-

glücks, Explosionskatastrophen . . .

Zoals Anson Rabinbach aantoonde, werd al voor de Eerste Wereldoorlog, ten gevolge van de industri-

— quer durchrast der Balkanzug Mitteleuropa,

alisering en de popularisering van sport, over het

doch gibts auch Baumblüte und Edelmarmela-

gezonde menselijke organisme in technologische

denrationierung . . . .

4.

metaforen gedacht.6 Een gezond, impliciet meestal

Wie gesagt, Kautschukmann sein

als mannelijk gedacht lichaam moest efficiënt,

beweglich in allen Knochen

energiek en krachtig zijn, een definitie die echter

nicht blos im Dichter-Sessel dösen

ook werd tegengewerkt door fenomenen als het

oder vor der Staffelei schön getönte Bildchen

nudisme, de expressieve dans en andere meer gees-

pinseln.

telijk georiënteerde bewegingen.7 Volgens Michael Cowan en Kai Marcel Sicks botsten in de Weimar-

Den Bequemen gilts zu stören

republiek twee tegengestelde fenomenen op elkaar:

beim Verdauungsschläfchen

enerzijds moest het lichaam ‘gehard’ worden tot

ihm den pazifistischen Popo zu kitzeln,

een soort pantser om zich tegen traumatische er-

rumort! explodiert! zerplatzt! — oder hängt euch

varingen als de oorlog te beschermen, anderzijds

ans Fensterkreuz . . . . . . . . . . . .

werd gepleit voor een ‘elastisch’ lichaam, dat ‘zich

radicaal blootstelt aan de risico’s van het moderne

Laßt euren Kadaver in die Branntweingasse

baumeln! Ja! Wieder elastisch werden, nach allen Seiten höchst federnd — sich verbiegen — anboxen! Kinn- oder Herzgrubenhieb!

leven’.8 Deze contradictie tekende zich – lichtjes gewijzigd – ook af in de discussie over de mannelijke lichamelijke ontwikkeling. Nog sterker dan vrouwe-

Ladies and gentlemen! !

lijkheid was mannelijkheid een ruim begrip, want al

jeder hat Zutritt! Nur nähertreten!! . . . nur nähertreten!! . . . (...)4 ‘Rubberman zijn’ betekent hier dus niet als aap in een circus te kijk worden gezet. Het is ook niet louter de bedoeling om de burgerlijke wereld uit te dagen, maar lichamelijke flexibiliteit en aanpassingsvermogen zijn de voorwaarden om mee te kunnen met de moderne tijd. ‘Dutten in de dichterszetel’ of ‘fraai gekleurde schilderijtjes borstelen’ volstaat niet meer. Wat nu nodig is, zijn buitengewone vaardigheden en totale lichamelijke inzet, en het is dat waarvoor de ‘rubberman’ symbool staat. Waarom is het idee van lichamelijke flexibiliteit

74

AFB. 1

Onbekende fotograaf, Ausgleichsgymnastik, in Eugen Matthias en Fritz Giese (red.), Männliche Körperbildung, vol. 1, Grundlagen und Wege, S. Giese, afb. 3

5. 6. 7. 8.

WE MOETEN RUBBERMAN ZIJN! / Ja, rubberman zijn – eventueel de kop tussen de benen steken of door de ring springen – en in spiralen door de lucht zweven! zie, een paragraaf duwt je weg, / een affiche, / een vlooiencircus / (alle vlooien zitten in de val — deserteren uitgesloten — Springen van vlooien op commando, parademars van de vlooien) / Het is in elk geval belangrijk het evenwicht te bewaren! / Waar voordien de gotische kerk stond, rijst nu het warenhuis op —! / — Het suizen van de lift ... Spoorweggeluk, / Catastrofale explosies ... / — de Balkantrein raast dwars door Midden-Europa, maar toch is er ook rantsoenering van boombloesems en edelconfituur ... / Zoals gezegd, rubberman zijn / beweeglijk in alle knoken / niet zomaar in de dichterszetel dutten /of voor de ezel fraai gekleurde schilderijtjes borstelen. / Het comfortabele moet verstoord worden / tijdens het middagdutje / zijn pacifistische kont kietelen, / maak lawaai! explodeer! ontplof! — of hang jullie op / aan het vensterkruis / Laat jullie kadavers in de jeneversteeg bengelen! / Ja! Opnieuw elastisch worden, naar alle kanten bijzonder verend / — zich ombuigen — stompen! Kin- en hartkuilstomp! / Ladies and gentlemen ! ! / iedereen mag binnen! / Kom dichterbij!! ... kom dichterbij!! ... / (...). Uit Grosz 1981. Zie daarover Radkau 1998. Rabinbach 1992. Cowan en Sicks 2005, pp. 15–16. Ibidem, p. 19. Cowan en Sicks benadrukken bovendien dat de constante tevens door de media gevoede preoccupatie met het ideale lichaam, bijvoorbeeld in film, revues en expressieve dans, ook ontstaan is door de verwoestingen van de oorlog en vanuit een behoefte om in de oorlog invalide geraakte lichamen weer heel te maken.


9. 10. 11.

Fischer 1928, p. 10. Wedemeyer-Kolwe 2004, p. 367. Fischer 1928, p. 9. Zie daarover ook Wedemeyer-Kolwe 2005. 12. Kusser 2013, p. 123 e.v.

sinds de eeuwwisseling begonnen vrouwen zich as-

Pablo Picasso, August Macke, Ernst Ludwig Kirchner

pecten van mannelijkheid, zoals sportiviteit, kracht

of Emil Nolde, die eveneens rond het thema van

en uithoudingsvermogen, toe te eigenen. Het kwam

circusartiesten en dansers hebben gewerkt. Ik wil

er dus niet op neer om louter spierbundels te

veeleer het motief van het circus en de dans als een

kweken, wel legde de jongere generatie eerder de

visuele arena zien, waarin het thema van manne-

nadruk op ‘spierkrachtige elegantie, die door spor-

lijkheid en vrouwelijkheid en dus tegelijk ook van de

tieve training het Griekse ideaal benadert’, zoals

verhoudingen tussen de seksen in het algemeen,

de auteur Hans W. Fischer in 1928 in zijn boek

met behulp van beelden van extreme lichamelijk-

Körperschönheit und Körperkultur, Sport, Gymnastik,

heid en gecoördineerde beweging aan bod komt. In

Tanz schrijft.9 Beweeglijkheid en flexibiliteit – voor-

zijn grafisch werk en aquarellen brengt Dix parin-

heen eerder vrouwelijke elementen – werden voor

gen, dynamiek, sterkte, coördinatie en risico’s in

mannen even begerenswaardig en werden opge-

beeld. Volgens mij zijn die beelden van swingende

nomen in het nieuwe mannelijke lichaamsideaal,

koppels in dansgelegenheden en van waaghalzige

zonder dat de mannelijkheid op zich op het spel

artiesten het ideale ‘motief’ om vragen te stellen

werd gezet.10 Volgens Fischer resulteert mannelijke

over de verhoudingen tussen de geslachten in een

schoonheid vanzelf uit mannelijke lichaamskracht

gedynamiseerde, risicovolle wereld en om visies te

en prestaties:

ontwikkelen over de richting waarin deze zouden kunnen evolueren. Door hun bijzondere, ‘exotische’

‘Het doel kan niet zijn om dandy’s te kweken,

en niet-burgerlijke status was het circus en het

maar lichamelijk krachtige mannen die de gave

variété veel meer dan het burgerlijke theater ge-

van mannelijke schoonheid vanzelf ten deel valt.’11

schikt als oorden van ‘tegencultuur’, van experimenten en extremen. Als platformen waar alles

Welk beeld is geschikter om dit nieuwe ideaal te

expliciet draait om de ‘performance’ van lichamen

belichamen dan dat van de waaghalzige, elasti-

en het ‘exposeren’ van exotische en vreemde feno-

sche en tegelijk sterke en moedige artiest? In de

menen, zijn beelden van het circus en het variété

jaren 1920 was de interesse voor artiesten en hun

bijzonder geschikt voor de artistieke verwerking van

lichamelijke capaciteiten niet meer gebaseerd op

performatieve processen waartoe ook het geslacht

de fascinatie voor het vreemde en het bijzondere. In

en de verhouding tussen de geslachten behoren.

die periode van crisis golden ze veeleer als model

Hetzelfde geldt voor de dans, die in zijn performati-

voor de virtuoze en met doodsverachting vervulde

viteit naast een stabilisering van de maatschappe-

omgang met riskante situaties. De capaciteiten die

lijke orde ook een potentieel voor destabilisering

voordien op de circuspiste en in het variété werden

bezit.12 Zowel circus als dans zijn expliciet voor een

tentoongespreid, waren geen uitzonderingen meer

publiek bedoeld en bezitten in hun performativiteit

maar werden vrijwel van iedereen – zowel mannen

een hoge mate aan dynamiek en reflexiviteit, die

als vrouwen – verwacht. Welke visie geeft Otto Dix

Otto Dix in zijn voorstellingen van artiesten en dan-

ons op die wereld van artiesten en dansers? En hoe

sers een artistieke expressie heeft gegeven. Dix’

staan mannen en vrouwen hier tegenover elkaar?

werken over artiesten en dansers verbeelden dus

Welke gevolgen had de fascinatie voor risico’s, op-

een experimentele arena waarin hij ons alterna-

tredens, dans en beweging op de verhoudingen tus-

tieve en deels utopische of riskante modellen van

sen de geslachten in de jaren 1920?

mannelijkheid en vrouwelijkheid laat zien. Ik zal me

We beginnen met het thema van de artiest om

hier voornamelijk op het beeld van de mannen con-

af te sluiten met Dix’ voorstellingen van dansers.

centreren. In deze werken zien we een geslachts-

In dit beperkte bestek zullen we het niet hebben

model dat zich afzet tegen het traditionele, burger-

over de geschiedenis van het motief en evenmin

lijke rollenpatroon, want het insinueert een situatie

zullen we Dix’ aquarellen, etsen en schilderijen ver-

waarin zowel vrouwen als mannen samen als paar

gelijken met werk van andere kunstenaars zoals

risicovolle situaties doorstaan. In de piste gaan beide

75


AFB. 2

AFB. 3

Otto Dix, Verächter des Todes [zwei Artisten], 1922,

Otto Dix, Artistengruppe, 1922, aquarel en

58,7 × 48 cm, aquarel en potlood,

potlood, 58,5 × 43,7 cm, Hessisches Landes-

Otto Dix Stiftung, Vaduz

museum Darmstadt, Graphische Sammlung

geslachten dezelfde uitdagingen aan. Met vrouwen

tatoeëerde wonder Maud Arizona, een Internationa-

geassocieerde flexibiliteit is even belangrijk als met

ler Reitakt (Internationaal paardendressuurnummer),

mannen geassocieerde kracht, sterkte en uithou-

een Amerikanischer Reitakt (Amerikaans paarden-

dingsvermogen, en deze eigenschappen zijn hier

dressuurnummer), het Technisches Personal (Tech-

niet langer eenduidig aan één geslacht gebonden.

nisch personeel), Lili die Königin der Luft (Lili, de

Allereerst nog enkele opmerkingen over het materiaal. Otto Dix creëerde enkele aquarellen en een

koningin van de lucht), een Dompteuse en tot slot nog eens twee Artisten (Artiesten).

map met etsen rond het thema circus en circus-

De circusvoorstellingen van Dix zijn niet naar het

artiesten. Niet later dan het midden van de jaren

leven getekend maar veeleer gebaseerd op popu-

1920 liet hij het thema voor wat het was. Een opval-

laire afbeeldingen zoals die op circusaffiches. Het

lend werk is de aquarel Verächter des Todes (Doods-

zijn deels zelf ironische karikaturen, waarin hij de

verachters) van 1922 (afb. 2), dat ook in licht ge-

piste associeert met een bordeel en de vrouwelijke

wijzigde vorm in de Zirkus-map (Circus-map) voor-

artieste als prostituee voorstelt en de circusdirec-

komt. Dix toont een artiestenpaar dat naast elkaar

teur als pooier (afb. 4). In de circuswereld van Dix

staat en met scherpe blik voorbij de toeschouwer

staan de circusartiestes centraal en vormen ze de

kijkt. Verder zijn er een paar aquarellen met meer

hoofdattractie. Mannen duiken weliswaar op als

dan twee artiesten, zoals de frontaal opgestelde

circusdirecteur, als clown, als hulpje, en ook als

Artistengruppe (Groep artiesten) van 1922–26 (afb. 3)

artiest, maar meestal staan ze achter de vrouwen

of de vier vliegende artiesten in Les Papillons (De

of vormen ze veeleer de achtergrond waartegen

vlinders) van 1923. In de Zirkus-map met etsen van

die kunnen schitteren. Als werkende en tegelijk sek-

1922 presenteert Dix het hele circusteam met zijn

sueel aantrekkelijke vrouw is de artieste het proto-

nummers (cat. 34): de Verächter des Todes (Doods-

type van de ‘nieuwe vrouw’ avant la lettre, die door

verachters), een Illusionsakt (Goochelnummer), een

de mannen voor het voetlicht wordt geplaatst.13

Sketch, een Balanceakt (Koorddansnummer), het ge-

Deze circusvrouwen zijn aantrekkelijk en demon-

76

13. Jando 2008.


CAT. 34

14. Vertaling naar Mann 2005, pp. 224–225.

AFB. 4

Otto Dix, Sketch (uit de reeks Circus), 1913,

Otto Dix, Reitakt (Paardendressuurnummer),

drogenaald, 39,5 × 29,5 cm, Koninklijke

aquarel en rietpen, 35 × 50 cm,

Bibliotheek van België, Brussel, inv. S. III 135861

Otto Dix Stiftung, Vaduz

streren hun lichamelijke charmes en capaciteiten,

ogenparen onverschrokken langs ons heen. Hun

maar ze zijn tegelijk onbenaderbaar, mysterieus en

lichamen verschillen weliswaar nog van vorm – de

intimiderend, want, zoals Thomas Mann het zegt

vrouw heeft een kunstige taille en breed achter-

in Felix Krull:

werk, de man heeft brede schouders, krachtige borstspieren en een smalle taille – maar toch scha-

‘Ze voor te stellen als echtgenote of moeder,

kelt Dix ze gelijk door de brede schouders en ver-

was gewoonweg belachelijk, een echtgenote of

gelijkbare houding van de armen. Het is dus de

moeder (...) hangt niet met haar hoofd naar

overeenkomst tussen de geslachten die de voorstel-

beneden van een trapeze ... een ongenaakbare

ling domineert. Kracht en moed zijn in de piste niet

amazone van het luchtruim, onder het tentdak,

louter eigenschappen van de man en kunnen even-

hoog boven de massa die zo verbluft was dat de

goed door vrouwen worden belichaamd. Daardoor

lust naar haar lichaam haar verging.’14

zijn die niet meer exclusief met mannelijkheid verbonden. Voor het mannelijke lichaam geldt het-

Wat betekent dat voor de mannen in de piste en het

zelfde als voor dat van de vrouw: het wordt ge-

variété? Hoe staan de zaken als meerdere artiesten,

exposeerd en aan de blikken van het publiek bloot-

mannelijke en vrouwelijke, samen optreden? Laten

gesteld en wordt zo ook een lustobject.

we beginnen met Dix’ aquarel Verächter des Todes

Als bij dit artiestenpaar de essentiële eigen-

(Doodsverachters). Door hun zelfde lichaamshou-

schappen van mannelijke en vrouwelijke lichamen

ding en -vorm en door hun positionering ten op-

versmelten, dan gaat het in de aquarel Artisten-

zichte van de toeschouwer wekt Dix hier de indruk

gruppe (afb. 3) eerder over een experiment met

dat het om een gelijkberechtigd team gaat, waarin

geslachten. Hier zien we een bont gezelschap van

het onderscheid in geslacht slechts een marginale

artiesten, links de dompteuse, dan de koorddanser,

rol speelt. Beide artiesten, de doodsverachters, sta-

een vrouw zonder arm en helemaal rechts een

ren vrijwel op gelijke ooghoogte uit hun identieke

wezen dat een mengeling lijkt te zijn van vrouwe-

77


Het onderscheid is duidelijk, in Parijs kopen de snobs Picasso; in Berlijn Kandinsky of Marc; in Antwerpen [Emile] Claus. — PAUL VAN OSTAIJEN, 1917

Tijdens de Duitse bezetting leerden we het gepopulariseerde expressionisme kennen. Enkele plagiërende impressionisten slaagden erin om het, zeer nadelig voor henzelf, na te bootsen. Anderen slaagden erin om het bredere in het buitenland verworven inzicht persoonlijk te verwerken. — JOZEF PEETERS, 1924

Je kunt Kandinsky niet begrijpen, […] je kunt ook geen enkele waardering hebben voor het werk van Kandinsky, […] maar ik zie niet hoe ik zou kunnen aantonen dat het Kandinsky is die ongelijk heeft. — RAY NYST, 1913


I STEDELIJKE AVANT-GARDE & OORLOG

Terwijl de ster van Brussel als cultureel kruispunt aan de hemel van de cultuurmetropolen taande en Antwerpen met Kunst van Heden nog vooral de generatie van de jaren 1890 huldigde, ontstond er in Berlijn rond 1910 een nieuwe kracht. Op artistiek gebied werd deze ontwikkeling versneld door de verhuizing van de kunstenaars van Die Brücke van Dresden naar Berlijn, maar vooral door de oprichting van Galerie Der Sturm door Herwarth Walden in 1912. Berlijn werd de stad van de avant-garde. De grootstad veranderde het expressionisme. De ervaring van de metropool en de confrontatie met het futurisme en het orfisme hadden vooral op de leden van de kunstenaarsgroep Die Brücke een doorslaggevende invloed. Ludwig Meidner schreef een ‘Anleitung zum Malen von Großstadtbildern’ (Handleiding voor het schilderen van grootstadsbeelden), waarin hij een vergelijking maakt tussen bombardementen en het ervaren van de grootstad, en oproept om eindelijk de zo zichtbare wereld van de stad te schilderen. Voor de ontwikkeling van de kunst was de ervaring van de moderne stad even indringend als die van de moderne oorlog. De eigentijdse overtuiging dat de oorlog als een apocalyps zuiverend werkt en de weg baant voor een ‘nieuwe wereld’ is vanuit ons perspectief paradoxaal.


STEDELIJKE AVANT-GARDE & OORLOG

AVANT-GARDE

In de jaren kort voor de oorlog werden in Berlijn belang-

je in het expressionisme te verdiepen niet om de Berlijnse

rijke expressionistische tijdschriften opgericht, waaronder

galerie heen kon. In de theoretische teksten van de jonge

Der Sturm (1910) en Die Aktion (1911), tijdens de oorlog

generatie die de Belgische kunst bijna van nul af aan wilde

nog aangevuld met Das Kunstblatt (1917). De kunstenaars

vernieuwen, duiken telkens weer de namen op van Kan-

van Die Brücke gingen in Berlijn elk hun eigen weg. Galerie

dinsky, Marc, Boccioni, Chagall, Archipenko, Delaunay

Der Sturm zette het Duitse expressionisme internationaal

maar ook Braque en Picasso.

op de kaart en bracht de internationale avant-garde naar

Na de oorlog ontwikkelde Paul van Ostaijen in Berlijn

Berlijn. De zesde tentoonstelling van Der Sturm was gewijd

een concept voor een galerie als concurrent van Der Sturm

aan ‘Jungbelgischer Kunst’ (Jonge Belgische kunst) en

van Walden. Zijn programma was het volgende: ‘Directe

toonde werk van James Ensor en de nog erg jonge Rik

aansluiting bij Der Blaue Reiter. Het is niet de bedoeling iets

Wouters. In de andere richting stuurde Walden een jaar

nieuws te creëren; alles wat wij nu kunnen tonen is door

later de Kandinskyretrospectieve naar Galerie Georges

de polen Picasso-Kandinsky voldoende omschreven, prin-

Giroux in Brussel, waarmee hij samenwerkte. De Itali-

cipieel, niet individueel.’ In 1921 vatte Clément Pansaers

aanse futuristen organiseerden een reizende tentoonstel-

zijn mening over het expressionisme als volgt samen: ‘[...]

ling die onder meer Berlijn en Brussel aandeed. In Berlijn

Kandinsky creëert een nieuwe wereld, gedistilleerd uit zijn

kruisten expressionisme, futurisme, kubisme, orfisme, ab-

eigen natuur, niet meer in woorden om te zetten. […] In

stractie en laatimpressionisme elkaar.

zekere zin is Marc Chagall de antipode van Kandinsky.

In 1913 waren de schilderijen van Kandinsky voor de

Het is een hoogst vermakelijke dichter, [...].’ Het geeste-

Belgen nog onbegrijpelijker dan die van de futuristen. Het

lijke was een aanknopingspunt tussen de Duitse en de

probleem wat boven- en onderkant was, deed de criticus

Belgische kunst (ook als verbinding tussen symbolisme en

Ray Nyst vaststellen dat men een tijd van schilderkunst

expressionisme). Hoewel het Duitse expressionisme in het

zonder betekenis had bereikt. Maar in de jaren 1920 zou

algemeen positief werd onthaald als ‘de drang bij de

Kandinsky samen met Franz Marc in België bijzonder hoog

schilder om een utopie, een idee, een symbool, een droom

in aanzien staan. Andere kunstenaars als Robert Delaunay

uit te drukken’ (Olivier 1920), werd er een onderscheid

of Alexander Archipenko hadden eveneens een grote in-

gemaakt tussen Der Blaue Reiter en Die Brücke. Met uit-

vloed op de Belgische en de Duitse kunst, maar op elk

zondering van de houtsneden werd Die Brücke in de Belgi-

milieu op een eigen manier en op een ander moment.

sche kunst maar heel matig geapprecieerd. Na de oorlog

Herwarth Walden en Der Sturm speelden een doorslag-

werden op de tentoonstellingen van Lumière onder meer

gevende rol in de verdere ontwikkeling van de Belgische

ook de houtsneden van de voormalige Brückeleden Max

kunst en het ontstaan van de Belgische avant-garde. Het

Pechstein en Karl Schmidt-Rottluff geëxposeerd.

is veelzeggend dat ook Belgen benadrukten dat je om

102


CAT. 39

ERNST LUDWIG KIRCHNER Frauen auf der Straße (Vrouwen op straat), 1915 Olieverf op doek; 126 × 90 cm Von der Heydt-Museum, Wuppertal, inv. G 681

AVANT-GARDE

103


CAT. 40

KARL SCHMIDT-ROTTLUFF Die Sonne (De zon), 1914 Houtgravure, plano; 39,6 × 49,6 cm Koninklijke Bibliotheek van België, Brussel, inv. S.V. 75028

CAT. 41

MAX PECHSTEIN Mittag (Middag), 1919 Houtgravure, plano; 31,7 × 40,2 cm Koninklijke Bibliotheek van België, Brussel, inv. S. V 75933

104

STEDELIJKE AVANT-GARDE & OORLOG


CAT. 42

ERICH HECKEL Aus einem Irrenhaus (Uit het gekkenhuis), 1914–17 Olieverf op doek; 70,5 × 80,5 cm Kunstmuseum Gelsenkirchen, inv. Ib 59/7

AVANT-GARDE

105


CAT. 43

ALEXANDER ARCHIPENKO Walking Woman (Lopende vrouw), 1912 Brons; 135 cm (163 cm met voetstuk) Privéverzameling

106

STEDELIJKE AVANT-GARDE & OORLOG


CAT. 44

UMBERTO BOCCIONI Visioni simultanee (Simultaanvisies), 1911 Olieverf op doek; 60,5 × 59,5 cm Von der Heydt-Museum, Wuppertal, inv. G 1315

CAT. 45

ROBERT DELAUNAY La Tour rouge (De rode toren), 1911–12 Olieverf op doek; 125 × 90,3 cm Solomon R. Guggenheim Museum, New York, inv. 46.1036

AVANT-GARDE

107


Ik ben nog niet goed terug op vleet na onze uitvaart züm Ostland. [...] Ik ben in 4 verschillende kampen geweest. In ‘der Sturm’ waar ik eenig werk heb. In de ‘November Gruppe’ waarvan Belling den beeldhouwer een mijner Duszfreunden is. Bij Behne die steeds bij de jongste zon is, waar op dit oogenblik de russen en hongaren zich vinden met hun tijdschrift ‘Ma’. Dan bij Vasari ‘Der Futurismus’ waar ik als extra Marinetti ontmoette. Ik heb dus eene massa menschen ontmoet, ook Westheim waarmede ik Silvester hield van 10 u s’avonds tot 6 u. bij punsch. — JOZEF PEETERS, 1923


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401457569 by Uitgeverij Lannoo - Issuu