Skip to main content

9789401456647

Page 1

www.lannoo.com Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2019 ISBN 978 94 014 5664 7 D/2019/45/414 NUR 282/283 Omslagontwerp en vormgeving: Studio Lannoo (AurÊlie Matthys)


INHOUD

Bezoek van mijn oh-oh-oh-oh-oohm

17

HOOFDSTUK 2:

Oom Antonio, de levenskunstenaar

29

HOOFDSTUK 3:

Circus Belinda

44

HOOFDSTUK 4:

Naar Dubbeldam

60

HOOFDSTUK 5:

De vloek van Jolanda

74

HOOFDSTUK 6:

Circusreddingsdrang

92

HOOFDSTUK 7:

De heropbouw van Circus Belinda

104

HOOFDSTUK 8:

Klaar om te vliegen

115

HOOFDSTUK 9:

Een mol in het circus

132

HOOFDSTUK 1:

9


HOOFDSTUK 10:

Belinda's billen

151

HOOFDSTUK 11:

Komt dat zien! Komt dat zien!

163

HOOFDSTUK 12:

Maar wat is het motief?

181

HOOFDSTUK 13:

Twee wensen en ook veel onheil

188

HOOFDSTUK 14:

Gevangen!

201

HOOFDSTUK 15:

Een motief

212

HOOFDSTUK 16:

Circus Leeuwenhart

220

10


Hallo! Ik ben Max. Voluit:

Mijn vader is namelijk een prins. Niet die van Nederland of BelgiĂŤ natuurlijk. Hij is de prins van Mocano. Waar dat precies ligt, weet ik niet, maar het is heel ver weg en je kunt er moeilijk komen. Mijn moeder is ontdekkingsreiziger. Daarom is ze er niet, ze heeft het erg druk met het ontdekken van onontdekte plekken op de aarde. 12


Omdat geen van mijn ouders in de buurt is, woon ik in de gevangenis. Nee, niet in een cel! Ik woon in de keuken van de gevangenis. Daar heeft mijn tante Kokkie een voorraadkamer voor me leeggemaakt. Het is een kamertje waarin net een bed, een tafel en een kleerkast passen. Het is heel klein, maar ook heel gezellig. Ik deel de kamer met Stefaan, mijn eekhoorn. Hij woont in de la van mijn kleerkast.

13


Af en toe help ik Kokkie in de keuken wanneer ze kookt voor de meer dan tweehonderd gevangenen. Iedereen is dol op Kokkies kookkunsten! Zo dol dat sommige gevangenen hier zelfs helemaal niet weg willen! De Reus bijvoorbeeld. Hij helpt soms in de keuken, net als Speedy Sam en Bob met de Vlugge Vingers.

Kokkie is dolverliefd op Gustaaf. Hij brengt elke dag groenten, fruit, eieren en andere dingen langs met zijn vrachtwagen.

14


Naar school ga ik niet. Gelukkig is er Trixie, de dochter van de gevangenisdirecteur en mijn aller-állerbeste vriendin. Ze is ontzettend slim en leert me alles wat kinderen normaal op school leren. Trixie is geweldig!

Of het saai is in de gevangenis? Nee hoor! Er gebeurt altijd wel wat. De ene keer vind ik een sleutelgaatje in de achterkant van een fornuis dat naar een geheime gang leidt; een andere keer komt de koningin op bezoek en wordt ze gekidnapt. Af en toe gaan we op reis. Naar het Hoge Noorden bijvoorbeeld, om Kokkies vader te zoeken. En één keer belandde ik zelfs in een akelig Instituut voor Kinderen. Die avonturen vertel ik aan Mathilda, die ze opschrijft zodat jullie ze kunnen lezen. Ik hoop dat je er veel plezier aan beleeft!

15


HO OF D S T U K 1

Bezoek van mijn oh-oh-oh-oh-oohm

Het was warm. Volgens Kokkie was het zo warm dat de mussen uit de bomen vielen. Ik geloofde haar niet. Ik had nog geen enkele mus op het binnenplein zien liggen. Maar er stonden natuurlijk niet veel bomen op het binnenplein van de gevangenis.

17


Trixie en ik speelden in de schaduw een spelletje Monopoly. Ik had al zeven huizen en drie hotels. Trixie had nog maar drie huizen en geen enkel hotel. Dat maakte haar een beetje boos. Normaal gesproken wint Trixie altijd bij Monopoly, maar deze keer was ik beter. Trixie had al een paar keer gezegd dat ik gewoon geluk had, maar volgens mij had ik gewoon een uitstekende neus voor zaken. Ik keek naar de stapel bankbiljetten voor me en glimlachte. Het voelde fijn om een keer heel erg rijk te zijn. Trixie stond op, geeuwde met wijd open mond en rekte zich uit. Het was haar beurt om met de dobbelstenen te gooien, maar zo te zien had ze er geen zin meer in. Ze hield haar hand boven haar ogen en keek naar iets bij de grote poort. ‘Wie is dat?’ vroeg ze. Ik ging naast haar staan. Door de hitte leek alles te bewegen waardoor ik niet goed kon zien wat ze bedoelde. ‘Het lijkt wel een fata morgana’, zei Trixie. 18


Fata morgana

Een woord als een sprookje. Je ziet het soms als je op de rug van een kameel door de woestijn trekt. In de verte verschijnt opeens een plek met palmbomen en water – een oase. Maar wanneer je dichterbij komt, is er alleen maar zand. Ik vinkte alles af in mijn hoofd: Rug van een kameel? JA NEE Woestijn? JA NEE Water? JA NEE Palmbomen? JA NEE Besluit: Het kon geen fata morgana zijn.

‘Volgens mij is het geen fata morgana’, zei ik. ‘Het is een rare man die met de portier praat.’ Trixie keek me fronsend aan en schudde haar hoofd. Dat deed ze altijd als ze vond dat ik een domme 19


opmerking maakte. ‘Ik wil weten wie die man is’, zei ze. ‘Van hieruit ziet hij er heel bijzonder uit. Kom, we gaan kijken.’ Ik wierp een blik op de stapel geld die aan mijn kant van het spelbord lag. Eigenlijk wilde ik gewoon verder gaan met Monopoly nu ik zo lekker aan het winnen was. Maar een nieuwsgierige Trixie was niet te stoppen. Ik rende achter haar aan naar de grote poort. Op een paar meter voor de poort bleven Trixie en ik naast elkaar staan. De portier praatte met de meest bijzondere man die ik ooit had gezien. 1. Hij was heel mager en heel lang. Misschien wel magerder en langer dan Magere Jan, de keukenhulp. Van waar wij stonden, deed hij me een beetje denken aan een spin met heel lange poten. 2. Hij had een mager gezicht met een scherpe neus en een vooruitstekende kin. 3. Hij droeg een hele hoge zwarte hoed. De hoed leek op een hoge buis waardoor de man nóg langer leek. Bovenaan zakte de hoed een beetje naar één kant. 4. Zijn wit-met-rood gestreepte broek zat zo strak dat ze op zijn benen geschilderd leek. 5. Hij droeg een donkerrode jas met lange slippen die bijna tot op de grond kwamen. Op de schouders zaten knopen. Ze schitterden fel elke keer dat het zonlicht erop scheen.

20


Op het eerste gezicht deed hij me een beetje aan een circusdirecteur denken. Op het tweede gezicht was hij daarvoor te mager en te lang. Hij had bovendien geen snor. Volgens mij kon je zonder snor nooit directeur worden. ‘U mÓét me binnenlaten’, zei de man tegen de portier. ‘Ik ben hier voor belangrijke familiezaken.’ De portier schudde zijn hoofd. ‘Dat gaat zomaar niet, meneer’, antwoordde hij. ‘Dit is een gevangenis. U komt hier alleen binnen als u iets mispeuterd hebt. De meeste mensen die hier zitten, worden gebracht door de politie.’ Hij wilde het raampje van zijn loket sluiten, maar de man hield hem tegen. ‘Ik heb niets mispeuterd’, zei hij ongeduldig. ‘Ik kom mijn kleine neefje opzoeken.’

21


‘In deze gevangenis zitten geen kleine neefjes’, antwoordde de portier zuchtend. Hij probeerde opnieuw het raampje te sluiten, maar de man gaf het nog niet op. ‘U begrijpt het niet!’ riep hij luid. ‘Mijn kleine neefje zit niet in de gevangenis. Hij woont hier! Zijn naam is Maximiliaan Leeuwenhart de Prins.’ Maximiliaan Leeuwenhart de Prins? Wat? Wat? Wat? Het duurde even voor mijn oren geloofden wat ze gehoord hadden. Maximiliaan. Leeuwenhart. De. Prins! Dat had hij gezegd. Het was niemand minder dan ik.

zei mijn hart. En toen Ik ademde diep in.

22


Mijn benen zetten een paar stappen vooruit zonder dat ik het wilde. Mijn mond begon te praten zonder dat mijn hersenen er erg in hadden.

23


De twee mannen draaiden zich naar me toe. De portier haalde zijn schouders op en sloot zijn loket. De lange man nam de hoed van zijn hoofd en maakte zo’n diepe buiging dat zijn neus zijn knieën raakte. Ik wist niet goed wat ik moest doen dus bleef ik maar staan.

Toen hij weer overeind kwam, bestudeerde hij me van top tot teen. Hij wreef over zijn kin en glimlachte. ‘Maximiliaan Leeuwenhart de Prins. Aangename kennismaking. Ik ben je oom Antonio.’ Ik schudde de uitgestoken hand. Ik kon amper geloven wat er gebeurde. In mijn hoofd klonk een liedje. ‘Ik heb een oom! Ik heb een oom! Ik heb een oh-oh-oh-ohoohm!’ Het leek alsof opeens alles anders was.

24


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401456647 by Uitgeverij Lannoo - Issuu