ESTHER QUATFASS
ELANDS OOG
IX Tess sloot de deur van de blokhut achter zich. Hij gleed soepel in het slot. Kwaliteit, dacht ze, terwijl ze de massief houten vloer onder haar spierwitte sokken bewonderde. Ze keek rond. De hal met open trap vormde met de woonkamer één ruimte. De keuken was daar enigszins van afgeschermd door een houten wand, maar er zat geen deur in de brede doorgang. Door hoge ramen rondom stroomde licht naar binnen. Tess zocht een strook schaduw op en bestudeerde het computerscherm op de tafel onder de trap. Het liet de beelden van de camera’s zien. Weergaven van de voorkant van het huis en van de plek aan de oever waar ze aan land was gekomen, ontbraken. Haar zwemvliezen, bril en zuurstofapparaat lagen op de platte steen, net buiten het bereik van de dichtstbijzijnde werkende camera. Haar duikschoenen lagen waar ze de veranda was opgekomen en ook die waren nergens op het scherm te zien. Tot nu toe had ze geen sporen achtergelaten die direct naar haar zouden kunnen leiden. Buiten lagen enkel wat scherven en splinters van de stukgeschoten camera’s. En de kogels natuurlijk, maar die konden overal vandaan komen. Ze was geen inbreker, maar dit had ze toch goed voorbereid. En nu datgene doen waar ik voor gekomen ben, spoorde ze zichzelf aan. Ze keerde haar rug naar het scherm en liep de woonkamer in. Ze kreeg het warm in haar vochtige duikpak. Op het land, zonder de
48
afleiding van een koele onderwaterwereld en zwoegend in de greep van de zwaartekracht, voelde ze zich erin opgesloten. Ze maakte zich breed om het neopreen een beetje uit te rekken, maar zoals het bedoeld was, veerde het materiaal meteen weer terug. De eigenaar had de term minimalisme drastisch toegepast bij de inrichting van zijn luxe blokhut. Als je de weinige foto’s wegdacht, kon het een vakantiewoning zijn. Er waren nagenoeg geen gebruikssporen, of persoonlijke spullen. Er stonden ook niet veel meubels. De mensen woonden hier nog niet lang, wist ze, maar alles stond er zo zorgvuldig bij dat ze niet de indruk had dat er met het voortschrijden van de tijd veel zou veranderen. Dat kon ze begrijpen. De blokhut had meer dan genoeg sfeer van zichzelf en behoefde geen opsmuk. Het maakte haar zoektocht gemakkelijk. In een hoog tempo ging ze langs de schaarse plekken waar de gewenste informatie eventueel te vinden was. Ondertussen liet ze zich doordrenken met de nieuwigheid van het bouwwerk; de aangename houtgeur en het haast angstaanjagende gekraak van de glad geschaafde dikke boomstammen die zich in en op elkaar rustend langzaam naar elkaar voegden. Een prachtige blokhut was het, niet het minst vanwege het adembenemende uitzicht. Maar toch, zo afgelegen wonen zou niets voor haar zijn. Zonder het rumoer van de stad was ze zichzelf niet. In de enkele kast vond ze niets. Een bureau in de woonkamer huisvestte een geladen semiautomatisch wapen en een doos patronen, maar niet wat ze zocht. Op de trap naar de bovenverdieping maakte het gekraak van enkele treden haar onrustig. ‘Er is niemand die het kan horen’, fluisterde ze tegen zichzelf, maar het hielp niet. Nu het steeds onwaarschijnlijker werd dat ze aan de gewenste informatie zou komen, namen haar zenuwen met elke stap toe. Op een bureau in een werkkamer stond een laptop. Ze kon er zo in. Er was geen wachtwoord. Geconcentreerd doorzocht ze de bestanden, maar weer vond ze niets. Ook niet in de meubels in de
49
slaapvertrekken, of in de badkamer. Nergens ook maar één aanwijzing die naar een advocaat leidde. Geen naam, geen administratie, geen mails, geen rekeningen. Helemaal niets. Op de trap naar beneden ontglipte haar een zucht van frustratie. Haar ideeën raakten uitgeput. De afgetapte telefoon had niets opgeleverd, haar zoektocht in het leegstaande huis op het landgoed en het volgen van de eigenaar van de blokhut evenmin en hier was ook niks te vinden. Er was alleen nog het hotel, maar het leek haar onmogelijk daar ongemerkt rond te snuffelen. Ze was nu eenmaal geen beroepsinbreker, maar een huurmoordenaar. Ze greep naar de hals van haar duikpak en trok de rits naar beneden, zodat zich een decolleté vormde dat tot aan haar navel reikte. Misschien had ze de klus te gemakkelijk ingeschat, of zichzelf overschat. Het had haar een leuke afwisseling geleken om eens niet iemand direct uit te schakelen, maar daar langzaam naartoe te werken. Het doelwit eerst wat beter te leren kennen in haar zoektocht naar informatie. De naam van zijn advocaat in dit geval, die de werkelijke bedreiging vormde voor haar klant. Hij had een dossier in handen dat ongetwijfeld een hoop rotzooi bevatte. Genoeg om haar klant meerdere keren levenslang achter de tralies te laten verdwijnen, schatte ze in. Anders zou de klus niet zo veel verdienen. Ze beeldde zich in dat ze met lege handen zou moeten terugkeren. Ook al had ze de klant nog niet ontmoet, ze hoefde hem niet in de ogen te kijken om te weten dat hij graag zijn zin kreeg. In het ergste geval zou hij haar onder zijn vijanden scharen. Wat haar dan te wachten stond, was precies datgene waar ze voor was ingehuurd. Geagiteerd ging ze weer bij het beeldscherm met de camerabeelden staan. Ze keek op haar horloge. Vijf minuten had ze erover gedaan om bij het eiland te komen. Twintig om het huis te doorzoeken. Ze had nog vijfendertig minuten over. Daarna moest ze wegwezen. Zo had ze het met de klant afgesproken. Ze wreef met twee handen ruw over haar gezicht in de hoop onder haar schedel nieuwe gedachten te vinden, een briljant idee wakker te kneden dat haar naar de advocaat zou leiden, toen ze in
50
haar ooghoek iets zag bewegen. Er ging een schok door haar heen. Ze werd boos op zichzelf, want ze moest zich kalm houden. Helder blijven. Verdomme, ze moest zich niet zo laten opfokken. Ze boog zich naar het beeldscherm toe en trok een verwonderd gezicht bij de aanblik van een vlot dat belast met drie jongens het eiland van de andere kant naderde. Een belegering. Dat vlot had ze eerder gezien. Het had aangemeerd gelegen bij de landtong in de zuidelijke ronding van het meer. Twee bemanningsleden peddelden het vaartuig naar de kleine baai voor de rotswand aan de noordzijde van het eiland. Ze waren al bijna bij de oever. Wat kwamen die jongens hier doen? De radertjes in haar hoofd begonnen te draaien en liepen mogelijke consequenties van het onaangekondigde bezoek af. Ze was nog niet klaar met nadenken toen de jongens het vlot vastbonden en aan land gingen. Ze kozen de route door een korte kloof in de rotswand. Tess had het terrein met behulp van luchtfoto’s in haar hoofd geprent. Als ze rechtstreeks hierheen kwamen, zouden ze over ongeveer vier minuten voor de deur staan. Dat gaf haar genoeg tijd om zich ongezien van het eiland terug te trekken. Maar misschien was er een betere optie. Misschien kon ze deze eigenaardige situatie op de een of andere manier benutten. Ze maakte zich van de beelden los en nam een besluit. Ze liep naar het bureau in de woonkamer, trok het deurtje open en haalde het pistool eruit. Om het aantal patronen te controleren, verwijderde ze de houder uit de kolf. Zes stuks. De kamer was leeg, zoals het hoorde. Zes kogels waren meer dan genoeg. Ze plaatste de houder terug en sloot het bureau. Buiten rende ze over de veranda naar haar duikschoenen. Die trok ze aan. Ze snelde naar de zwemvliezen, de bril en het zuurstof apparaat op de platte steen bij het water. Het materiaal droeg ze mee naar de strook bos tussen de open plek bij de blokhut en de oever van het meer. De kuil, die ze op de luchtfoto’s had gezien, bevond zich achter een uitzonderlijk brede boom. Mogelijke schuilplaats, had ze op de
51
print geschreven en ze was blij dat ze de camera in het vogelhuisje had vernietigd, want daardoor was de kuil veilig gebied geworden, wat nu verrassend goed van pas kwam. Ze legde haar spullen in de met mos begroeide ruimte, kroop er zelf bij en positioneerde het vuurwapen zรณ dat ze de open ruimte voor de blokhut in het vizier had. Op hetzelfde moment hoorde ze in de verte stemmen.
52
X ‘Luister, Zahra,’ zei Ivan, ‘ik hou van je. Verdomme, ik hou van je.’ Hij wist niet precies wat het betekende, maar toch zei hij het. Het idee dat Zahra bij hem weg zou gaan, voelde afschuwelijk aan en ze stond op het punt dat te doen. Ze hoefde het niet eens te zeggen, hij las het van haar gezicht af, zag het aan haar stugge bewegingen en kon het haar haast horen denken. Geritsel rond haar hoofd. Hij wilde niet zonder haar achterblijven. De gedachte alleen al. Dat hij zich er zo slecht bij voelde, moest wel betekenen dat hij van haar hield. Zahra haalde haar neus op. ‘Ik begrijp het niet’, zei ze. ‘Ineens staat er een broer van je voor mijn neus. Ik heb nooit iets over hem gehoord. Waarom niet?’ ‘Hij is niet mijn echte broer’, probeerde Ivan. ‘Dan nog. Je moet niet net doen alsof een adoptiebroer het vernoemen niet waard is.’ ‘Nee, oké, ik had het kunnen zeggen, maar Matthias en ik hebben verder geen contact meer met elkaar.’ Ze keek hem aan. ‘Waarom niet?’ Hij trok zijn schouders op. ‘We liggen elkaar niet. We zijn erg verschillend.’ Voorzichtig pakte hij haar hand vast, en het maakte hem blij dat ze het toeliet. ‘Ik kan niet op al je vragen antwoord geven. Ik weet dat je dat wilt en dat verdien je ook. Openheid van zaken. Jij vertelt altijd alles aan
53
me. Ik weet zo veel over je familie en verleden. Ook intieme dingen. En jij weet niet veel van mij. Dat besef ik. Echt waar. Heel goed.’ Hij wachtte even. Ze knipperde haar tranen weg. Het was niet zijn bedoeling om haar pijn te doen, maar ze moest ermee leren omgaan. Het zou niet veranderen. Dat wilde hij haar duidelijk maken. Hij kon haar niet in vertrouwen nemen. ‘Wat ik voor jou voel, heb ik nooit eerder voor een vrouw gevoeld’, ging hij verder. ‘Het is allemaal nieuw voor me. Er is nog nooit iemand in mijn leven geweest die zo veel van me wilde weten. Uit liefde bedoel ik. Maar er is iets wat je moet begrijpen. Ik kan niet alles met je delen.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Hoezo niet? Dat is toch gewoon een kwestie van het te vertellen?’ Hij liet haar hand los en staarde door de voorruit. ‘Was het maar zo eenvoudig’, mompelde hij. ‘Wat kan er dan gebeuren?’ Hij sloot zijn ogen en dacht aan het ergste: dat zijn grootste en gevaarlijkste geheim uit zou komen. Alleen hij wist hoe Gunnar aan zijn einde was gekomen. Alleen hij wist waar zijn lichaam was. Als iemand erachter kwam, zou er een klopjacht worden ge opend. Ook Zahra was haar leven dan niet zeker. Niemand in zijn buurt zou dan nog veilig zijn. Hoe kon hij tot haar doordringen zonder haar bang te maken? In ieder geval moest hij iets van openheid laten zien. Al was het maar een beetje. Een kleine rimpeling in een glad wateroppervlak. Een transparant wolkje dat voor de zon langs dreef. Ja, hij zou haar iets geven. Met nieuwe moed keek hij haar aan. ‘Weet je, mijn leven is niet zo warm en liefdevol geweest als dat van jou, Zahra. Was dat maar zo. Aan jou zie ik hoe mooi een mens daarvan wordt. Maar mijn vader...’ Hij wachtte even, had een aanloop nodig om verder te gaan. Het was niet eenvoudig om de dingen hardop uit te spreken. ‘Hij was een gewelddadige man.’
54
De uitdrukking op haar gezicht werd milder en hij voelde hoop. Misschien werkte dit wel. ‘Wat bedoel je. Sloeg hij je?’ De hoop verdween meteen weer. Ze had werkelijk geen idee. Ergere dingen dan een diefstal en wat uit de hand gelopen emoties kende ze niet. Dat moord en doodslag tot iemands dagelijkse bestaan konden horen, kwam niet in haar op. ‘Laten we het daarop houden’, antwoordde hij. ‘Neem in ieder geval van me aan dat het zó erg was dat ik er niets over kan zeggen. En dat is ook om jou te beschermen.’ Ze kneep haar ogen tot spleetjes. ‘Mij te beschermen? Dat snap ik niet. Je vader leeft niet meer, dus wat bedoel je daarmee?’ Ze klonk gestrest. Wat moest hij zeggen? ‘Heb je weleens met iemand gepraat?’ vroeg ze. ‘Een professionele therapeut bedoel ik.’ Hij beet zijn kiezen op elkaar. Ze bedoelde het goed, daar moest hij op focussen, ook al had hij niets aan haar voorstel en voelde hij zich er zelfs wat door beledigd. ‘Zullen we het hierbij laten?’ stelde hij voor. ‘Ik heb zin om naar huis te gaan, op de bank tegen elkaar aan te kruipen. We kunnen een film kijken, met een glaasje wijn erbij en ik kan de koude pastasalade maken die je zo lekker vindt.’ Hij zag twijfel in haar blik, maar ook iets van warmte. Een kleine glinstering in haar ogen. Hij nam de proef op de som en streelde haar wang. Ze liet het toe, dus bewoog hij zijn hand naar haar nek, naar het plekje waar ze zo graag werd aangeraakt, wat onder de lakens een vertederend gekreun teweegbracht en het begin van haar opwinding. Ze bleef stil, maar schoof wel dichter naar hem toe en legde een hand op zijn knie. ‘O, Zahra’, mompelde hij. ‘Ik wil alleen maar van je houden. Is dat niet genoeg? Wat er is gebeurd, ligt achter me, het doet er niet meer toe. Er is alleen de toekomst. Onze toekomst.’
55
XI ‘Lopen jullie maar vast door. Ik doe eerst de vlag’, zei Christian, want Konrad vond het vlag-gebeuren toch niet interessant. Maar Totte besloot: ‘Ik ga met jou mee. Ik wil niet naar de blokhut.’ ‘Ook goed’, vond Konrad, die in zijn eentje snel doorliep over het smalle pad tussen de bomen. ‘Als we je niet meer zien: over een kwartier terug bij het vlot!’ riep Totte hem nog na. Konrads hand ging omhoog en weer naar beneden. Alle paden op het eiland waren gevormd door Christians voeten en die van de anderen in de jaren dat ze er heen en weer hadden gelopen, maar ze waren al aan het vervagen, zag hij. Uit de hard samengepakte grond groeiden jonge bessenstruikjes. Het zou niet lang duren of er was niets meer te zien van het netwerk dat het strandje met de kloof en enkele goede visplekken langs de kust verbond. Blijkbaar vertoefden de Baardaap en zijn vrouw alleen maar in en rond de blokhut, wat hij wel een prettig idee vond. Zo was het alsof de rest van het eiland toch een beetje van hem bleef, ook al mocht hij er niet meer komen. Hij ging voorop. Bij de stenige oever dribbelde hij snel en behendig over de uitstekende rotsen. Het water trok zich in een rustig tempo terug en zwol weer aan, als een dier dat diep in- en uitadem-
56
de in zijn slaap. Zacht kabbelend klotste het tegen de stenen. Op de natte stenen lette hij goed op, want die waren glad. Op de droge, ruwe stenen maakte het niet zo veel uit, daarop had hij meer grip. Hij haalde hard zijn neus op, draaide zijn hoofd opzij en spuugde een klodder met een ruime boog in het water. Konrad moest al bijna bij het huis zijn, schatte hij. En een eind achter zich hoorde hij Totte, die liep altijd langzamer. Naast de grote rots die op een berenkop keek, met twee ronde uitsteeksels als oren, kon hij de den met het vlaggetje zien staan. Zijn kromme stam viel op tussen de andere, kaarsrechte bomen. Hij was te snel gegroeid voor het klimaat en lang en dun opgeschoten, waardoor hij ’s winters het gewicht van de sneeuw niet had kunnen dragen en was doorgebogen, had Christians vader over krom gegroeide bomen uitgelegd. Zijn vader. Terwijl hij naar het gescheurde lapje stof keek, gebeurde alles opnieuw. De zoekactie van de politie. Ook op de vijfde dag na zijn verdwijning stond er nog geen Suzuki voor de deur van het appartementencomplex. Hoelang hij ook door het raam naar buiten tuurde, de auto bleef weg en er klonken geen voetstappen in de hal. Geen stevige arm om de hals van zijn moeder, of een zoen op haar mond. Ineens hadden ze hem toch gevonden. Op dat verlaten industrieterrein. En daarna de schreeuw van zijn moeder die het huis vulde. Totte kwam achter hem staan en de herinnering verbrokkelde. Christian concentreerde zich weer op de wimpel. Het gele kruis en de blauwe achtergrond waren vaal geworden en de stof hing er rafelig bij. Het met zand en stof doordrenkte touwtje was hard geworden. Hij kreeg de knoop niet los. Zijn hand ging naar zijn broeksband, maar het mes en de leren houder zaten er niet. Stom, dacht hij. Normaal hing het mes er altijd, maar hij had de houder bij de telescoop afgedaan, omdat die vervelend in zijn been prikte als hij geknield naar het eiland zat te kijken. Daar moest ook het mes nog liggen.
57
Totte zei niets, maar Christian hoorde hem ademen. Met zijn vingers wrikte hij aan het touwtje en hij probeerde er met zijn nagels grip op te krijgen. Hij kneep en trok hard waardoor zijn duimnagel brak. Vloekend stak hij zijn duim in zijn mond. ‘Moet ik het proberen?’ stelde Totte voor. Hij schudde zijn hoofd. De pijn zakte alweer. Hij probeerde het nog eens en had plotseling een beginnetje. Daarna was het snel voor elkaar. Het oude vlaggetje stopte hij in zijn zak en van het nieuwe wikkelde hij het touwtje losjes om de tak. Hij wilde aan de platte knoop beginnen, toen hij dacht aan de allereerste keer dat hij naar het eiland was gezwommen. Er was nog geen vlot geweest. Samen met Totte was hij het dorp uit gefietst. Weg van zijn moeder en zijn rommelige leven. Ze kenden het eiland al lang, maar waren nog nooit op het idee gekomen ernaartoe te gaan. Die dag wel. Christian had het voorgesteld. Het was warm en Totte zag een zwempartijtje wel zitten. Het gevoel van opluchting was reusachtig geweest toen ze, afgekoeld door het koude water, het eiland bedwongen. Bomen, rotsen en verder helemaal niets. Nergens een teken van menselijk leven. Nergens lege flessen wodka, gevloek of gehuil van zijn moeder. Diezelfde zomer nog hadden ze het vlot en de kampvuurplek gebouwd. En de anderen hadden zich bij hen aangesloten. In de lucht klonk het gekrijs van een zeevogel. De Noorse kust was hier niet ver vandaan. In vogelvlucht een kilometer of tweehonderd. Hij volgde het klapwieken van de vleugels, tot het geluid werd overstemd door een luide knal die tussen de bomen door joeg en wegschoot over het water. In een reflex dook hij in elkaar. Achter hem deed Totte hetzelfde, waardoor diens hoofd tegen zijn rug aan bonkte. Ze maakten hun lichaam klein als bolletjes en bleven zitten tot de echo van de knal was weggeëbd. Vlak naast hem was het vlaggetje op het zand beland, waar het zich volzoog met water dat eroverheen gleed.
58
Langzaam kwamen ze overeind. Ze staarden elkaar met grote ogen aan. ‘Wat was dat?’ vroeg Totte. Er lag paniek in zijn blik. Christian wilde hem vastpakken, maar beheerste zich. Dat zou zijn vriend niet fijn vinden. Hij zou zeggen dat hij dat heus niet nodig had. ‘Een schot’, fluisterde hij. ‘Denk ik. Wat denk jij?’ Totte knikte alleen maar. Zijn gezicht was wit weggetrokken. Ze moesten hier zo snel mogelijk weg. ‘Jij gaat terug naar het vlot, oké?’ zei Christian zacht. ‘Ik ga kijken waar Konrad is. Als ik over vijf minuten niet ook bij het vlot ben, roei dan naar de overkant. Laat het vlot daar achter en ga naar de landtong. Of naar huis.’ ‘Wat? Maar jullie dan?’ ‘Konrad en ik kunnen zwemmen als het moet.’ ‘Maar…’ Hij greep Tottes bovenarmen vast en keek hem boos aan. ‘Totte, doe gewoon wat ik zeg!’ Totte knipperde met zijn ogen. Christian liet hem los en zijn vriend liep weg. Een angstig gevoel was als een bom in hem afgegaan en breidde zich nog steeds uit. Zwetend en met een bonkend hart rende hij langs de oever naar het strandje bij de blokhut. Ondertussen probeerde hij na te denken, maar hij ademde nu ook snel en er raasden warrige gedachten door zijn hoofd. Niets van structuur, een doel of een logische stap om te zetten. Hij wilde Konrad roepen, maar bedacht zich. Konrad riep zelf ook niet. Hij wist zeker dat hij nergens zijn stem had gehoord. Dat was vreemd, gezien die knal. Konrad moest hem ook hebben gehoord en zich net als Christian afvragen waar hij vandaan kwam. Waar zat Konrad? De angst nam toe. Waarom had hij per se hiernaartoe willen komen? Hij had naar Totte moeten luisteren. Het eiland was tenslotte van de Baardaap.
59
Het was een stom plan geweest. Maar de Baardaap was hier nu niet. Toch? Hij had de auto zien wegrijden. Ja, dat was zo. Al wist hij het opeens niet meer zeker. Toch ging hij bij het strandje tussen de bomen door naar de blokhut. Het was of zijn luchtpijp bij elke slag van zijn hart werd dichtgesnoerd. Hij trok aan het kraagje van zijn T-shirt om meer lucht te krijgen. De blokhut pronkte op zijn natuurstenen fundering boven aan het strandje. Hij stopte met rennen. Zijn handen beefden en waren klam. Hij veegde ze af aan zijn spijkerbroek. In de verte hoorde hij iets. Hij spitste zijn oren en herkende het geluid van een auto. Shit. Op het volume en de richting afgaand bevond die zich aan het begin van de onverharde weg langs het meer. Oh, nee. Net als vorige week. Toen waren ze ook ineens teruggekomen. Veel te vroeg, ze konden nog niet hebben gegeten. Verdorie. Vorige week was de vrouw op bed gaan liggen. Hij had haar door de telescoop gezien. Ziek misschien. Waarom kwamen ze nu alweer zo vroeg thuis? Of was een van hen al die tijd al hier geweest, waren ze niet samen weggegaan? Hij dook weg achter een boom, maar besloot toen toch dat er niemand thuis kon zijn, kwam weer tevoorschijn en rende het open terrein bij de blokhut op. Hij zag Konrad meteen. Zijn vriend lag op zijn buik met een arm onder zijn lichaam. Zijn andere arm was in een rare houding naar buiten gedraaid, waardoor hij op een lappenpop leek. Hij lag helemaal aan de zijkant van de open plek, tegen de begroeiing aan. Zijn gezicht afgewend. Zijn benen iets uit elkaar. Op zijn achterhoofd zat een natte plek. Christian riep zijn naam, maar er kwam geen reactie. Toen hij bij Konrad was, knielde hij neer en legde zijn vingers tegen zijn hals, drukte op de huid, voelde, bewoog zijn vingers naar beneden en opzij, maar vond nergens een hartslag. Konrad adem-
60
de ook niet. Hij lag daar maar stil en slap en verloor bloed uit zijn hoofd. Toen hij zich afduwde om op te staan, voelde hij iets onder zijn hand. Nu pas zag hij het wapen liggen, vlak achter Konrads rug. Dat hij het niet direct had gezien. Hij keek om zich heen, maar zag niemand. De deur van de blokhut was dicht. Nergens hoorde hij iets, behalve de auto die nu op de brug reed. Het ratelende staal. Hij moest maken dat hij wegkwam.
61
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Auteursportret: Koen Broos Omslagbeeld: Imageselect Omslagontwerp: Studio Lannoo Zetwerk en stramien: Studio Lannoo Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen berust op louter toeval. Als u opmerkingen of vragen hebt, dan kunt u contact opnemen met onze redactie: fictie@lannoo.com Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 D/2019/45/8 — NUR 330, 332 ISBN: 978 94 014 5662 3 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.