Skip to main content

9789401456623

Page 1

ESTHER QUATFASS

ELANDS OOG


‘Er is niet meer nodig dan afstand om ons te zien zoals we zijn.’ RUNA SVETLIKOVA


I De telescoop lag als een wapen in Christians handen. Het instrument zou in een winkel minstens achtduizend Zweedse kronen kosten, had hij van zijn beste vriend Totte gehoord. Maar Christian had er niets voor betaald. Hij had de telescoop gevonden op de voorstoel van een auto, vlak bij het tankstation in het dorp waar hij woonde: Älgberg. Tien kilometer van de plek vandaan waar hij nu zat. De eigenaar van de auto was naar de kiosk gegaan om af te rekenen, of iets te kopen, of het toilet te bezoeken. Camera’s hingen er niet in het dorp. Het was zo gepiept geweest en niemand had het opgemerkt. Normaal blijven doen was de boodschap. Niet rennen, om je heen kijken, of je op een andere manier opvallend gedragen, maar in een ontspannen toestand vlotjes de handelingen verrichten die verricht moesten worden. Hij was er best goed in, al zei hij het zelf. Door de lens keek hij naar het glooiende stuk heuvelland zo’n twee kilometer verderop. Als een watercreatuur rees het op uit het meer Älgträsk. Het meer had de vorm van een elandenkop in profiel en het eiland heette Älgöga, wat elandsoog betekende, want van bovenaf leek het stukje land op het oog in een elandenkop. Rotsen aan de noordkant, een strandje in het zuidoosten en bos in het westen; daar op Älgöga kende hij elke dennennaald, iedere grasspriet en

7


zandkorrel. Hij wist waar bastbeschadigingen zich met hars hadden gevuld, die hij er met de punt van zijn zakmes had uitgepeuterd en onder gedroogde takjes op plukken baardmos had gelegd om een kampvuur te maken. De dennenappels drukten er masserend door zijn dunne sportschoenzolen tegen de onderkant van zijn voeten. Hij miste het prettige gevoel. Hier op de landtong aan de zuidkant van het langgerekte meer groeiden alleen maar struiken. Zijn been bewoog ongeduldig op en neer terwijl hij de lens langs een bord ‘privéterrein’ op het eiland liet glijden, en zijn vinger ging naar een denkbeeldige trekker aan de onderkant van de telescoop. Toen de blokhut werd gebouwd, lapte hij de boodschap dat Älgöga niet meer vrij toegankelijk was, vaak aan zijn laars en struinde als vanouds op het eiland rond. In de avonden, als de bouwvakkers naar huis waren. Ook nu de blokhut bewoond was, durfde hij ernaartoe te peddelen op zijn vlot. Als de bewoners weg waren. Vandaag zou hij dat weer doen. Hij kende de vaste dagen en tijden waarop ze weggingen. Nog even en dan zouden ze vertrekken. Hij draaide het door de zon opgewarmde metaal naar een blauwe wimpel met een geel kruis en herinnerde zich hoe hij die op zijn tenen staand aan de gekromde tak van de grove den langs de waterkant had opgehangen. Jaren geleden, toen hij veel kleiner was geweest. Nu was hij bijna achttien en kon hij er gemakkelijk bij. De wimpel wapperde in de zachte, warme wind. Hij stelde het apparaat scherp en zag nu ook de scheur die er twee jaar geleden in was gekomen. Op de dag dat het zó hard had gewaaid dat het vlot was afgedreven. Hij had een heel eind in het ijskoude water moeten zwemmen om het vaartuig terug aan land te krijgen. De anderen hadden hem vanaf de kant toegejuicht: Totte, Hideo, Konrad en nog twee jongens en een meisje. Toen was alles geweest zoals het hoorde. De schuilhut die tegen twee dikke boomstammen aanleunde. Ervoor het kampvuur met het afdak erboven. Hij had het vlot met een dubbele paalsteek vastgebonden

8


aan de zitbank onder het afdak en zich bij het brandende vuur gewarmd en gedroogd. Maar alles was kapot gegaan. Niet alleen de wimpel. Na de storm had hij zich voorgenomen een nieuw vlaggetje op te hangen, maar om de een of andere reden was hij daar niet aan toegekomen. Misschien was de scheur een voorbode geweest, dacht hij nu, en niet slechts een beschadiging in het lapje stof. Misschien had de harde wind van die dag het einde van zijn droom ingeluid, want een paar weken later mochten ze van de ene dag op de andere niet meer op Älgöga komen. Het eiland had een eigenaar gekregen. Alles waar hij om gaf was uit zijn leven weggerukt. Het kampvuur en de schuilhut waren vernietigd. Zijn veilige haven en toevluchtsoord waren los getrokken van de werkelijkheid. Alleen het vlot had hij kunnen redden. Wat niet veel waard was, want een erg goed vlot was het niet. Telkens als hij door de telescoop de wimpel zag, speet het hem dat hij geen nieuwe had opgehangen. Misschien had dat alles kunnen tegenhouden. Die gedachte was natuurlijk absurd. Dat zag hij heus wel in. Toch voelde het soms zo. In ieder geval zou hij het vandaag alsnog doen. Ook al was het mosterd na de maaltijd. Het nieuwe vlaggetje gloeide al de hele dag in zijn broekzak, als een kooltje onder een laag as van verbrand hout. ‘Hé, Christian’, riep Totte. Christian wapperde met zijn hand, ten teken dat hij niet gestoord wilde worden, maar Totte had blijkbaar iets belangrijks te vertellen, want hij kwam door het struikgewas dichterbij en tikte hem even later op de rug. ‘Wat?’ zei Christian geërgerd, ergens in zijn binnenste beseffend dat hij vroeger nooit zo afwijzend op Totte had gereageerd. Maar Totte besteedde zoals gewoonlijk geen aandacht aan zijn bui. ‘Twee kilo op zijn minst, wat denk jij?’ Met tegenzin trok Christian zijn oog los van de lens en streek een paar keer schielijk door zijn haren. Toen keek hij naar de spartelende

9


vis in Tottes vingers. De buik was oranje en de rug grijs met lichte spikkels. Het was een middelgrote zalmforel. ‘Zoiets, ja’, mompelde hij, waarna hij zijn ene oog weer dichtkneep en met het andere door de lens keek. Maar nu zijn beste vriend naast hem stond, kon hij zich niet meer op het eiland concentreren. Hij voelde Tottes hand op zijn schouder, warmte en een baken van rust. ‘Ik maak hem wel schoon,’ beloofde Totte, ‘en dan gaan we eten. Ik roep je als ik klaar ben.’ Toen hij eindelijk afdroop, had Christian spijt van zijn gedrag. Misschien verdiende hij Tottes vriendschap niet meer nu hij alleen nog maar chagrijnig kon zijn. Maar hij kon er niets aan doen. Het overkwam hem telkens weer. Sinds hij het eiland was kwijtgeraakt, had hij het aanhoudende gevoel dat als het leven een knop had om het snel vooruit te spoelen, hij die zou gebruiken. Echt dood wilde hij niet, maar wat was de tijd eigenlijk nog waard zonder Älgöga? Zijn lichaam prikkelde van de onrust en hij hield het niet meer vol om geknield bij de telescoop te zitten. Dus veerde hij op, rekte zich uit en liep bij de waterkant heen en weer, tot hij opeens bleef staan om met zijn vuisten boksbewegingen te maken in de richting van het eiland; zonder vergrotingslens een groene bult in het golvende wateroppervlak. Straks kreeg zijn moeder nog gelijk dat hij er nooit in zou slagen iets van zichzelf te maken en dezelfde mislukkeling zou worden die zijn vader was geweest. Dat hij net als zijn pa zou zwichten voor het snelle geld, voor de liflafjes die drugsbaronnen in de streek om zich heen strooiden en risicovolle klussen op zich zou nemen. Iets afleveren hier, de troep opruimen daar, wat bij zijn vader tot de dood had geleid. Het kwam allemaal door de Baardaap, de bewoner van de luxe blokhut op Älgöga. Hij liep weer naar de telescoop, keek er doorheen en zag de man in de keuken staan. Als hij hem toch eens van de aardbodem kon laten verdwijnen. De blokhut stond iets van het meer af. Half verscholen achter vier

10


dennenbomen. Muren van boomstammen en een met mos bedekt dak. Een door mensen gecreëerde werkelijkheid die haast naadloos overging in de omringende natuur. Ze hadden het mooi voor elkaar, dat moest hij toegeven. Al stak de metalen brug die achter de blokhut naar het vasteland leidde, er vloekend bij af. Hij snapte het ook niet. Wie liet er nu zo’n lelijke brug bouwen? Hij en zijn vrienden waren altijd op het vlot heen en weer gegaan. En in de winter waren ze over het ijs gelopen, soms ploeterend door de zware, nat geworden sneeuw. Hij miste die avonturen. De landtong was gewoon per fiets te bereiken, wat toch een stuk minder leuk was. Overal in de blokhut brandden lampen, terwijl de zon in dit jaargetij bijna niet onder ging. Blijkbaar maakte het de Baardaap niet uit hoe hoog de elektriciteitsrekening was, iets waar Christians moeder altijd over klaagde. De vriendin van de Baardaap stond op de eerste verdieping in de badkamer mooi te wezen, zag Christian. Opgedoft voor hun wekelijkse uitje. Goed zo. Nog even en ze zouden vertrekken. Dan kon hij gaan. Elke woensdag gingen ze uit eten in het hotel verderop. Vanavond zou hij die tijd gebruiken om de nieuwe wimpel aan de boom op zíjn eiland te hangen.

11


II Ivan stond in de keuken door de deur van gepantserd glas te kijken naar het zacht golvende water van het meer Älgträsk. Het moment waarop hij besloten had hier op het eiland een huis te bouwen, had hij gedacht dat het water hem rust zou geven. Maar dat was niet zo. Waar ook op het eiland, overal bestond het uitzicht uit water met daarachter bos en heuvels. Slechts af en toe liet zich een teken van leven zien op de uiterst rustige asfaltstrook langs het meer. Als een zonnebadende adder gleed de weg op de vele zonnige dagen die het Zweedse klimaat kende, glinsterend langs de oever. Nu zwart en in de winter wit door een laag ijs. Het water rondom het eiland maakte het de vijand onmogelijk ongezien aan land te komen. Zelfs in duikuitrusting, want Ivan had de hele kustlijn voorzien van bewakingscamera’s. Nauwelijks zichtbaar hingen ze in bomen, zaten ze tussen rotsblokken geklemd, of waren ze weggewerkt in de buitenverlichting rond de blokhut. Ivan had er zelfs een aantal in kleine holen in de aarde laten plaatsen en tussen boomwortels. ‘Niet de handigste plek’, had de man van het beveiligingsbedrijf hem gezegd. ‘Die holen kunnen instorten. Bijvoorbeeld tijdens een regenbui. En tussen boomwortels kunnen de camera’s bedekt raken met aangroeiend mos, of met naalden en bladeren die van de takken vallen.’

12


Maar Ivan controleerde via een computerscherm minstens twee keer per dag of alle camera’s nog beeld gaven, dus zag hij dat probleem niet zo. Als het nodig was, liep hij er zo heen en maakte de lens vrij. Voor in de winter was hij van plan zich een paar waakhonden aan te schaffen. En hij wilde het eiland laten omheinen. De enige reden waarom dat nog niet gebeurd was, was Zahra. ‘Maar dan kijken we de hele tijd tegen een stel hekken aan. Dat wil ik niet’, had ze gezegd, dus had hij het uitgesteld. In ieder geval werkte het camerasysteem goed. Dat wist hij uit ervaring, want een van de jongens die het eiland vroeger als bivakplaats hadden gebruikt, waagde zich geregeld op een vlot hiernaartoe. Bijna elke camera had hem een paar keer geregistreerd. Peddelend, lopend, klimmend en het huis inspecterend had Ivan de jongen op het computerscherm voorbij zien komen. Christian Nilsson heette hij. Hij was een van de velen in de streek die hem haatte, maar in Christians geval was dat om iets wat Ivan niet had gedaan. Ivan had meerdere vaders uit gezinnen weggerukt, maar toevallig niet die van Christian Nilsson. Het feit dat de jongen hem ervan verdacht, zei hem dat Christians vader loyaal was geweest aan Ivans vader, zijn opdrachtgever. Hij had geen details gedeeld met zijn gezin. Daardoor hadden ze over zijn dood de verkeerde conclusie getrokken. In zekere zin waren de bezoeken van de jongen een welkome test geweest, maar zijn komst had ook nog iets anders teweeggebracht. Ivans illusie was tenietgedaan. Hij kon zich niet van de wereld terugtrekken op het eiland. ‘Heb jij mijn rode oorbellen gezien?’ riep Zahra vanaf de bovenverdieping langs de open trap naar beneden. Hij draaide zich om. Het duurde even voor hij besefte wie zich daar op de bovenverdieping bevond. Hij liet de vraag op zich inwerken. ‘Nee,’ riep hij ten slotte terug, ‘geen idee.’

13


Hij bleef naar de trap staan kijken, hopend op een pauze van de wervelende stroom argwanende gedachten die hem non-stop afleidden van het hier en nu. Al snel begon zijn brein echter weer te ratelen en in kringetjes rond te draaien. Als vanzelf keerde zijn blik terug naar de rook die vanaf de landtong opsteeg. Niet alleen de jongen, maar ook de rook liet Ivan weten dat hij hier niet alleen was. Een paar kilometer van het eiland vandaan zaten ze door een telescoop naar hem en Zahra te loeren. Drie jongens uit het nabijgelegen Älgberg. Onbelangrijke jongens en als het ooit ergens voor nodig was, kon Ivan hen gemakkelijk laten verdwijnen. Al was hij dat niet van plan. Het moorden was een dichtgeslagen boek in zijn leven. Maar het feit dat hij ertoe in staat was, stelde hem toch op een bepaalde manier gerust. Hij keek door de keukendeur van driedubbel glas met kogelvrije buitenlaag en zag de walm op de wind naar hem toe drijven. Helemaal tot aan zijn eiland. Als een grauw laken schoof het over zijn hoofd heen, over het dak van de blokhut. Hij zag er vormen van geesten in ontstaan en moest denken aan de doden die hem zo vaak in zijn hoofd achtervolgden. De rij met vijanden was lang. Bij elke afrekening had hij zich voorgesteld dat de ziel uit het lichaam dreef en hem nog even aankeek alvorens naar andere oorden te verdwijnen. Naar het hiernamaals, de hel, of de hemel. In ieder geval was er íéts na de dood, want die verrekte zielen bleven hem lastigvallen. Ook zijn vader kon hij niet van zich afschudden. Terwijl Gunnar de enige persoon was geweest die hij uit eigen beweging een kogel door het hoofd had gejaagd. Alle andere moorden had hij op bevel van zijn vader gepleegd. ‘Ik ben bijna klaar’, riep Zahra. Eerst bleef haar stem achter hem in de lucht hangen, wachtend tot hij zich van zijn bezorgdheden losmaakte. Toen liet ze een glimlach om zijn mond verschijnen.

14


Zahra was zijn licht in de duisternis. Al was het soms moeilijk om dat licht te zien, want het geheim dat tussen hen in lag, was groot en donker. Het kostte hem steeds meer moeite eroverheen te klimmen om bij haar te komen. Het liefste zou hij haar alles vertellen. Geen geheimen meer. Misschien zou hij dat ooit doen. Als ze twintig jaar getrouwd waren bijvoorbeeld. Maar niet nu. Nu was het te gevaarlijk. ‘Geen haast’, riep hij terug, waarna hij toch weer naar de rook keek en in gedachte het verbrande hout zag. Het kampvuur met de jongens eromheen. Ze zaten daar te dichtbij. Die rook was er steeds. Onwillekeurig schudde hij zijn hoofd en schonk spuitwater in een glas met een schijfje citroen. Hij moest nog rijden. De zon stond laag, maar gaf veel licht. Zomers licht dat ’s nachts nooit helemaal verdween. Ook in het donkerste van de nacht liet de zon nog een deel van haar licht over de horizon vloeien en dekte de wereld toe met een schemerige gloed. Je kon er zonder problemen een boek bij lezen. Maar daar had hij de rust nooit voor. Zahra’s hakken tikten druk op de houten vloer boven hem. Toen ze de trap afkwam lieten de gedachten hem eindelijk los. Hij kon zelfs even bij het onbezorgde gevoel komen dat hij als kind had gehad, voordat zijn vader hem had gedwongen de schaduwkant van zichzelf te leven. ‘Ik ben klaar, kom je?’ riep Zahra vanuit de hal. Werktuiglijk zette hij zijn glas neer, griste zijn sleutels van het aanrecht en liep naar haar toe. Ze zag er fantastisch uit. Hij zei het haar. Ze hoorde het graag en de waarheid mocht gezegd worden. Hij omhelsde haar. Ze gaf hem een zoen, maakte zich uit zijn armen los en trok de kraag van zijn overhemd recht. Ze legde haar warme handen op zijn borst. Handen die altijd iets helends hadden. Vooral omdat ze zijn aandacht van andere dingen lostrokken. ‘Ik heb zo’n zin in Björns nieuwe gerecht’, zei ze. ‘Ik baal nog steeds dat ik vorige week ziek was.’

15


Hij glimlachte, sloot de deur af en liep met haar naar zijn auto. Voorbij de schuur reden ze door een bosschage en daarachter de brug op. Hij drukte alvast op een knop van de afstandsbediening om het stalen paneel in het midden van de brug in zeventien seconden te laten neerklappen. Zodra ze eroverheen waren gereden, drukte hij op een andere knop en het paneel kwam terug omhoog. Weer in zeventien seconden. Hij volgde het proces in zijn achteruitkijkspiegel. Het godsvermogen aan techniek was betaald met de verkoop van zijn vaders appartement in Griekenland, een plek waar hij toch nooit naartoe ging. ‘Waren het nou bruschetta met sardientjes, of garnaaltjes?’ vroeg Zahra. Ivan kon zich niet herinneren wat zijn chef-kok Björn voor nieuw gerecht in elkaar had gestoken, dus zweeg hij en luisterde naar het grint op de onverharde weg langs het meer, dat onder de wielen knisperde en tegen de wielkasten ketste. Bij de asfaltweg sloeg hij links af.

16


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401456623 by Uitgeverij Lannoo - Issuu