P H I LI P VA N O U T R I V E
D E A LLE R L A AT S T E
GETUIGEN VAN WO I
INHOUD
Vooraf · 07 Waarom het oorlog werd · 12 Het einde van een kommerloze zomer · 16 De Westhoek: blijven of vluchten? · 33 Ronddolen achter het front · 48 In Frankrijk · 56 De Gentenaren tussen 12.000 Duitsers · 70 Overleven in een Etappenstad · 81 Maatjes met de Duitsers… · 91 Een leeg bord is zwaar om dragen · 111 Baarle en de dodendraad: een grensgeval · 122 De neutraliteit van Nederland: een vergiftigd geschenk · 131 Belgenkampen in Nederland · 140 Vreemde vogels · 152 Smokkel en spionage · 166 De dood met de kogel · 179 Bij ons in Duitsland: de krijgsgevangenen · 188 Ziekten lieten meer doden achter dan bommen en granaten · 198 De Heer zij geloofd · 211 En toen zwegen de wapens · 217 Altijd iemands vader, altijd iemands kind · 226 150.000 ‘uilskuikens’ aan de IJzer · 239 Thuis wachtte de wederopbouw · 250 Dodelijk schroot · 260 Gekwetste levens · 269 Dankwoord · 277 Geraadpleegde literatuur · 281
5
VOORAF
ZO IS HET BEGONNEN Gedurende een jaar, vanaf de lente van 2009, bezocht een team van de vrt een honderdtal hoogbejaarde Vlamingen, die als kind de Eerste Wereldoorlog van dichtbij hadden meegemaakt, en registreerde hun herinneringen. Ik genoot het voorrecht om de dvd’s met deze getuigenissen te bekijken en te beluisteren. Op mijn beurt sprak ik met ruim zestig van deze oorlogskinderen om nog dieper in hun geheugen te graven. Na het bezoek van de vrt-ploeg was hun nog ‘van alles te binnengeschoten’, zeiden veel getuigen. Sommigen hadden deze herinneringen zelfs netjes genoteerd. Het trof mij dat deze hoogbejaarden met vreugde naar mijn komst hadden uitgekeken. Ik werd ‘verwacht’ door kwieke oudjes: netjes geklede heren en opgetutte dames met pas gecoiffeerd kapsel. Zoals het vroeger hoorde, als er volk werd verwacht. Een half jaar later – ik maakte de interviews tussen eind oktober 2009 en mei 2010 – was ik de bezitter van de allerlaatste ‘levende’ getuigenissen van de Eerste Wereldoorlog. Ze zijn tevens bijzonder omdat de gebeurtenissen werden gezien door een kinderbril. Kinderen beleefden de zwartste periode van de twintigste eeuw anders dan hun ouders. Het was trouwens frappant om te constateren dat alle getuigen de Eerste Wereldoorlog schrikwekkender vonden en heviger hadden ervaren dan die ‘andere’ oorlog, zoals ze de Tweede Wereldoorlog noemden. Ondanks het feit dat ze die tweede oorlog als volwassenen veel bewuster en intenser hadden beleefd.
7
DE GETUIGENISSEN Na een moeilijke selectie kregen 43 hoogbejaarde maar kranige mannen en vrouwen in De allerlaatste getuigen een stem: op levendige wijze vertellen ze over hun ervaringen en belevenissen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Niet alleen de weerzinwekkende anekdotes over dood en vernieling komen ter sprake, ook ontroerende en grappige verhalen kunnen ze zich nog levendig voor de geest halen. Voor de een was het een mooie tijd – er gebeurde eindelijk eens wat! Voor de ander spatten de kinderdromen als een ontploffende granaat uiteen. De zonovergoten zomer van 1914 beloofde nochtans een kommerloze tijd te worden. Zelfs toen de mobilisatie een feit was, scheen er nog geen oorlogsvuiltje aan de lucht te bespeuren. Germaine De Koninck zocht op haar wereldbol de vreemde landen op, waarvan de grote mensen de mond vol hadden. Enkele dagen eerder had ze haar papa uitgezwaaid, die beloofd had om over drie weken weer thuis te zullen zijn. Vanuit alle hoeken van het land voegden dienstplichtige vaders, zonen en broers zich bij hun eenheid. Toen Philemond Van den Eynde tijdens een ritje op de wagen van een bierhandelaar in Sint-Katelijne-Waver tussen paniekerige vluchtelingen en Belgische troepen verzeild raakte, was de oorlog reeds volop uitgebarsten. Enkele weken later borg Philemond zijn kinderdromen voorgoed op. Het zesjarige ventje was een van de weinige getuigen van de executie van twee Belgische soldaten. Elk jaar, op de dag van de vrede, denkt Philemond terug aan hen. Eerder vielen rond de forten van Luik en Namen, reeds veel gesneuvelden te betreuren. De vaders van Marcel Seré en Jacques Meekers werden er krijgsgevangen genomen. In Duitsland wist Jacques’ vader de strenge kampregels meermaals behendig te omzeilen. Andere Belgische militairen vluchtten de Nederlandse grens over waar ze tot hun verbazing werden ontwapend. De oudste broers van Valère De Corte en de vaders van onder anderen Anna D’Haese en Jeanne Clapdorp zouden de rest van de oorlog in Nederlandse interneringskampen verblijven. Jeannes moeder wachtte het juiste moment af om vader Clapdorp achterna te reizen. In Visé en Dinant hadden de Duitsers reeds een spoor van dood en vernieling achter zich gelaten. Ook in Leuven schoten ze onschuldige burgers dood. Marie Dewit was een van de laatste Leuvenaars die Leon Schreurs in
8
levende lijve had gezien, alvorens de ‘laatste verdediger’ van haar stad onder een Duitse kogelregen neerzeeg. In de Westhoek waren de bewoners er gerust op: zolang er vluchtelingen passeerden die onverstaanbare dialecten praatten, speelde de oorlog zich elders af. Tot de dag dat ook de Westhoekers halsoverkop de benen moesten nemen. Germaine Borreman en Jan Vanderkeulen – om er maar enkelen te noemen – trokken de ‘schreve’ over en overleefden de oorlog in Frankrijk. Al met al viel het leven ‘in den vreemde’ nog mee. Virginie Janssens en Gerard Acke logeerden zelfs even in een echt Frans château. Maar naarmate de oorlog vorderde werden veel Belgische vluchtelingen uitgemaakt voor sales boches, die het werk inpikten van de Franse zonen en vaders die ondertussen en masse aan de Somme en in Verdun sneuvelden. En Rachel Cael uit Wervik worstelt nog steeds met de vernederingen, die ze als klein meisje in Limburg over zich heen kreeg. Gerard Bossaert en André Room en hun familie bleven ronddolen in het smalle, onbezette strookje vaderland in de Westhoek. De achtergebleven bewoners wisten zich uit de slag te trekken. Van de Britse soldaten kregen ze bolle bief, marmelade en kaas. De aanwezigheid van de Britten bracht bovendien een flinke stuiver op. De vader van Maurice Catrycke had altijd een tonnetje bier achter de hand… In het bezette binnenland hadden de bewoners het minder makkelijk. Vooral voor de Gentenaren was het niet eenvoudig om tussen 12.000 Duitse militairen te overleven. De vijand zwaaide er de scepter met strenge regels. Als achtjarig meisje moest Yvonne De Vetter een kroostrijk gezin mee helpen bestieren. Ook op het platteland was inventiviteit nodig om de lege magen te vullen. Het bord met de plakjes gestold bloed van de kippen zouden wij van ons weg schuiven. Gebakken met een uitje vond Maria Peeters dit maal overheerlijk. De oorlogsjaren kwelden Yvonne De Vetter tot in haar laatste levensuur. Ook andere oorlogskinderen voelden zich gekwetst voor de rest van hun leven. Niet door lichamelijke schade, zoals Madeleine De Meulemeester die een wijsvinger verloor – ze werd het slachtoffer van een blindganger, maar velen moesten leren leven met het verlies van vader, moeder of een andere geliefde. Joanna Sips en haar familie zochten tevergeefs naar Nellis, toen het restant van zijn eenheid in Antwerpen Centraal van de trein stapte. Joanna’s broer sneuvelde twee weken voor de wapenstilstand. En ik hoor nog steeds de
9
schreeuw van een wenende Bertha Kempeneers. Al het verdriet om de zes broers en zussen die ze door de Spaanse griep verloor, lag in die ene doordringende kreet samengebald. Niet alle verhalen van deze 43 mannen en vrouwen zijn doordrenkt met dood, kommer en kwel. De oorlogskinderen werden vaak goede maatjes met Otto, Fritz of Hans. Jules Colpaert vraagt zich nog wel eens af hoe het met Otto zou zijn afgelopen. Ontelbare keren stapte Yvonne Steenwinckel aan de hand van soldaat Wilhelm mee naar de Duitse veldkeuken. Vaak leerden de volwassenen en de Duitse soldaten elkaar te verdragen. Ze zaten nu eenmaal met elkaar opgescheept en maakten er het beste van. Dina vanden Heuvel en haar jeugdvriendin, Lieza Huybrechts woonden in Baarle, op de lappendeken van de Belgische enclaves in Nederland. Nadat de Duitsers de ‘dodendraad’ geïnstalleerd hadden, woonde Lieza plots in het neutrale Nederland. Aan de Nederlandse grens werd flink gesmokkeld. Daarover vertellen de Meetjeslanders Johannes Valckx, Alina De Smet en Ester De Mey. Alle middelen werden aangewend om te smokkelen of vrijwilligers door de elektrische draadversperring te loodsen. Voor veel kinderen leek de oorlog een attractie: volle zeugen en reuzengrote sigaren zweefden tegen het zwerk. Ook beneden zagen ze voor het eerst vreemde vogels: mannen met rokjes of ‘zwart van vel’. ‘Voor de Tsjings waren we doodsbenauwd, ze liepen op stelten en stonken naar look’, vertelt Valère De Corte. Dit is maar een greep uit de getuigenissen van deze 43 bijzondere mannen en vrouwen van wie de verhalen elkaar kruisen en worden aangevuld met historische informatie.
DE BELOFTE De gastvrijheid en de warmte waarmee al deze dames en heren mij ontvingen, putten ze niet uit het verlangen of de trots om eens op televisie te komen, of in een boek geciteerd te worden. Allen bedankten mij uitvoerig bij het afscheid. ‘Omdat ge naar mij hebt willen luisteren’, klonk het telkens expliciet. Dat hun oorlogsherinneringen in een boek zouden worden gebundeld, stemde hen gerust.
10
Deze oorlog en zijn slachtoffers mogen na de talrijk geplande nationale en plaatselijke herdenkingsinitiatieven in 2014-2018 niet in de vergetelheid geraken. Dat zijn we verschuldigd aan al de allerlaatste getuigen van de Grote Oorlog.
11
HET EINDE VAN EEN KOMMERLOZE ZOMER
Voor veel Belgische onderdanen viel er aan de diepblauwe zomerlucht nog geen oorlogsvuiltje te bespeuren, toen de regering op vrijdag 31 juli 1914 het leger in staat van oorlogsvoet zette. Twee dagen eerder al was de staat van versterkte vredesvoet afgekondigd en had de legerleiding de verloven van de militairen ingetrokken. De jongste klassen reservisten werden opgeroepen om zich bij het veldleger te voegen. Geleidelijk aan druppelde de werkelijkheid door: het werd oorlog. Alleen… zulke verschrikkingen van de Duitsers had niemand zich kunnen voorstellen. Germaine De Koninck was vijf en een half jaar oud in de zomer van 1914. ‘De grote mensen begonnen over dingen te praten die ik niet kende: Duitsland, Engeland en Frankrijk waren magische woorden die ik voorheen nooit had gehoord. Ik was leergierig en had daarom van mijn moeder een kleine wereldbol gekregen. Die was gemaakt van blik en je kon de beide helften van elkaar halen. Binnenin zaten snoepjes maar het waren eerder de felle kleuren en de grillige vormen op de bol die mij het meest interesseerden. De wereld was dus rond, begreep ik, en die vreemde woorden waar de grote mensen plots de mond van vol hadden, bleken de namen van andere landen te zijn. Maar waren die landen dan ook even rond als de wereld en hoe pasten die bolle landen dan op de ronde wereld, vroeg ik me af. Engeland wás toch geen land, dacht ik: engelen leven immers in de hemel en niet op het land. In Duitsland woonden waarschijnlijk arme mensen die slechts een enkele duit bezaten en de rijken woonden dan weer in Frankrijk, nam ik me voor. Dat hield me als klein meisje bezig.’ Uit de gesprekken die ze tussen haar ouders opving, begreep Germaine dat haar vader als soldaat naar de oorlog zou moeten gaan. In 1907 had hij als
16
achttienjarige in het Belgische leger gediend, om de Franse taal te leren. De kennis van het Frans was onontbeerlijk voor wie aan de onzekerheid van het werk op het platteland of aan de uitzichtloze arbeid in de fabriek wilde ontsnappen. Papa De Koninck had het inmiddels tot spoorwegbeambte geschopt. Oorlog en soldaat waren ook van die woorden die Germaine voor het eerst in de oren klonken en waar ze zich niks bij kon voorstellen. ‘Het betekende weinig goeds vermoedde ik, want telkens als het woord oorlog viel, raakte moeder van de wijs en was ze uit haar gewone doen. Vader probeerde haar telkens gerust te stellen en ik denk dat hij meende wat hij toen maar bleef herhalen: “Ik blijf maar enkele dagen weg, hooguit drie weken, langer zal het niet duren voor ik weer thuis ben.” Zo was het in die andere oorlog (Frans-Pruisische oorlog – pvo) ook gegaan, wist hij van horen Tot over zeggen. We woonden in Dendermonde en vader was gaan werken aan drie weken, de ijzeren weg, toen de veldwachter in de namiddag aanklopte met het riep vader oproepingsbevel. Iemand is vader gaan waarschuwen. Thuis heeft lachend. hij nog opgewekt zelf zijn boterhammen voor onderweg gesmeerd en zijn uniform van treinwachter aangetrokken.’ Zoals voor veel inderhaast opgeroepen mannen, had het gebrekkig georganiseerde Belgische leger ook voor vader De Koninck nauwelijks een geschikt uniform voorhanden. In het gunstigste geval droegen de gemobiliseerde militairen ouderwetse, opvallende en onhandige uniformen. Infanteristen, Jagers te paard en te voet droegen een sjako op het hoofd, een soort kepie met een rode kwast. Grenadiers waren getooid met een 70 centimeter hoge berenmuts. De lange geweren waren niet meer efficiënt en bovendien onpraktisch als de 25 centimeter lange bajonet er ook nog eens werd opgeschoven. Bij het afscheid buiten aan de voordeur sprak Germaines vader lieve en geruststellende woorden. Moeders verdriet morste tranen op het gezichtje van de baby die ze tegen zich aanklemde. Het leek of Henriette, het kleine zusje van Germaine, in stilte meeweende. ‘Ikzelf beet me op de lippen’, overpeinst Germaine. ‘Ik begreep het allemaal nog niet echt maar een ding snapte ik maar al te goed: vader vertrok voor onbepaalde tijd naar een onzekere bestemming. Ik zie hem nog de straat uitstappen en alvorens in een zijstraatje te verdwijnen draaide hij zich om, zwaaide manhaftig en riep lachend: “Tot over drie weken.”’ Bijna vijf jaar later zou vader De Koninck zijn dochter Germaine en haar zusje Henriette opnieuw in de armen kunnen sluiten.
17
In Leuven had de vader van Virginie Janssens minder vertrouwen in de ontwikkelingen. ‘Ik was met mijn pa naar de kermis in de parochie van Sint-Jacob gegaan. Voor hem was dat eens een gelegenheid om met kennissen bij een pint wat bij te praten. Hier en daar dook tussen het vele volk geroezemoes op. Dat de oorlog was begonnen, klonk het luider en luider. De mensen begonnen af te druipen en ook wij keerden terug naar huis. De volgende dag ging vader zoals gewoonlijk toch naar zijn werk. Hij verdiende de kost als molenaar en monteur in de molens langs het kanaal Leuven-Dijle. De directeur, een onberispelijke Duitser, bleek aangehouden en meegevoerd te zijn door de gendarmes.’ Onder meer in Brussel en in Gent moesten de ramen van eethuizen en winkels met Duits klinkende namen het ontgelden. Duitse handelaars pakten hun koffers en keerden onverrichter zake naar de heimat terug. ‘Vader had er geen vertrouwen in en stelde voor om twee weken weg te gaan en ondertussen de verdere gebeurtenissen af te wachten. Eduard, mijn broer, en ik moesten onze zondagse kleren aantrekken. Het leek dus meer op een onverwacht vakantiereisje dan op een overhaaste vlucht. Ik weet nog dat ik niet goedgezind was, ik moest mijn beste schoenen aandoen en had echter veel liever mijn botinnes aangetrokken. Achteraf bekeken zou dat ook veel comfortabeler zijn geweest.’ Ook in de Oost-Vlaamse hoofdstad Gent, genoten de inwoners van een heerlijke en zorgeloze zomer. Op 29 juli maakte de schrijfster Virginie Loveling met haar familie nog een autotoer door het mooie Vlaanderen. Met de woorden die op deze openingszin volgden, zinspeelde Loveling op het naderende onheil – ze zette ze evenwel op papier toen de oorlog reeds was begonnen: (…) door de geschoren velden die, onwetend van wat hen te wachten stond, genoten van den zonneschijn en de frisheid der zomerbries (…) de kerktorentjes der snel doorrende dorpen stonden daar in diepe rust, alsof de alarmklok er niet weldra uit bengelen zou om vaders en zonen in koortsachtige haast te midden van den nacht uit hun haardsteden te verjagen naar de grenzen en den dood. Ten huize van Eleonora Nicasens ging alles zijn gewone gangetje. Eleonora woonde met haar ouders op de Visserij. Haar accent verraadt dat ze een geboren en getogen Gentenaar is maar ze praat uiterst voornaam, wikt en weegt haar woorden en voor mijn bezoek heeft ze zich stijlvol gekleed.
18
‘Mijn vader werkte als ajusteur (paswerker) op het Arsenaal in de centrale werkplaats van de toenmalige Staatsspoorwegen te Gentbrugge’, zegt Eleonora met een fijne en zachte stem. ‘Vader wilde graag meer verdienen en had een contract getekend bij L’ Union Minière du Haut-Katanga. De Kongolese provincie Haut-Katanga barstte van de ertsen – onder andere werden er koper en kobalt gewonnen – en vader zou er gedurende drie jaar in de mijnen gaan werken. Zijn vertrek was voorzien in juli 1914. Vader las de kranten, maar ook hem moeten de internationale spanningen in Europa geen zorgen hebben gebaard aangezien we ergens in de eerste helft van juli met zijn drieën op de trein naar Antwerpen zijn gestapt. Vader ging aan boord van een groot passagiersschip van de Compagnie Belge Maritieme du Congo, dat hem naar BelgischVele weken Kongo en een nieuwe toekomst moest voeren. Het was een prachtige later arriveerde zomerdag waartegen de droefenis van het afscheid schril afstak. Drie vaders eerste jaar zonder vader, het leek wel een eeuwigheid te zullen duren.’ en meteen ook Vanaf de kade heeft Eleonora haar vader uitgewuifd. Zo lang, tot laatste brief. zijn silhouet als een onbeduidend stipje verzwolg in het overbelichte wit van de pakketboot. ‘Moeder en ik zijn zwijgzaam naar Gent teruggekeerd. Vele weken later arriveerde vaders eerste en meteen ook laatste brief uit Kongo. Via de havenstad Boma, de toenmalige hoofdstad van Belgisch-Kongo, en een lange reis door het binnenland was hij behouden aangekomen in de stad Kambove. In zijn brief sprak hij zich verbaasd uit over de vele oorlogsschepen die hij op de oceaan gezien had. In België was de oorlog ondertussen uitgebroken maar wij in Gent, hadden er buiten de aanwezigheid van Belgische en Engelse soldaten, nog niet veel van gemerkt.’ Zelfs nadat de Duitse troepen België waren binnengevallen, gaf het merendeel van de bevolking zich nog geen rekenschap van de naderende en langdurige rampspoed. In de derde week van augustus 1914 hield soldaat Ernest Claes de wacht op de steenweg van het Waalse Champion naar Namen. Zelfs hij en zijn wapenbroeders waren er op dat moment nog gerust op. Wij zijn aan dit opwacht-staan nu al drie weken gewend en de enige onaangename kant ervan is dat de nachten tamelijk koud zijn en men wel eens vergeet ons eten te brengen (…) Van gevaar of gevechten weten we nog niets en we geloven er ook niet aan. We geloven zelfs maar half dat men rond Luik aan ’t vechten is.
19