Skip to main content

9789401456180

Page 1

Stijn Streuvels & Antoon Coolen

EEN ALTIJD WEER VERNIEUWD

GELUK Briefwisseling bezorgd door Stijn Vanclooster


Dit boek is opgedragen aan mijn moeder Agnes Peene (1944-2017).

Uitgegeven met de steun van het Vlaams Fonds voor de Letteren

www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Coverbeeld: Letterenhuis Coverontwerp: Studio Lannoo Vormgeving: Keppie & Keppie © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 en Stijn Vanclooster d/2018/45/632 – isbn 978 94 014 5618 0 – nur 322 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


INHOUD

Woord vooraf

‘Een krachtig en telkens vernieuwd geluk’ — De briefwisseling tussen Stijn Streuvels en Antoon Coolen 13

— Erik Vlaminck 7

Brieven

19

Bijlagen

361

Verantwoording

375

Register

383


WOORD VOORAF ERIK VLAMINCK

Westmeerbeek, mei 2018 Waarde Stijn Streuvels, Mij werd gevraagd om een inleiding te schrijven bij de boekuitgave van de briefwisseling die gij decennialang gevoerd hebt met de heer Antoon Coolen. Om redenen zoals gij er in uw schrijversleven ook wel gekend zult hebben, kon ik niet ‘neen’ zeggen op de vraag en zit ik opgezadeld met een opdracht die me afhoudt van mijn eigenlijke werk, het schrijven van een nieuwe roman. Toen me op een blauwe maandag het enorme pak papier werd bezorgd dat ik moest doornemen ten einde een min of meer relevante inleiding te schrijven, kon alleen een goed glas wijn mij beletten om mistroostig te worden. Nochtans ben ik een groot liefhebber van uw proza. Vooral Het leven en de dood in den ast vind ik een meesterwerk. De novelle verkreeg terecht een prominente plaats in de ’dynamische canon van de Nederlandstalige literatuur’ die door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde wordt gepresenteerd. Die Academie is u wel bekend, want gij waart maar liefst 58 jaar lang lid van die florissante club en dat is een absoluut record dat wellicht nooit zal worden verbroken. Als docent bij de SchrijversAcademie (dat is een school voor mensen die schrijver willen worden en ja, ik weet dat gij bij het vernemen van het bestaan van zo’n instituut meewarig zoudt grinniken) gebruikte ik het astboek als voorbeeldtekst. Een van de opmerkelijke facetten van de vertelling is dat ze integraal in de tegenwoordige tijd werd geschreven. Wellicht is het een van de eerste Nederlandstalige prozawerken waarin de obligate verleden verteltijd radicaal overboord werd gegooid. Het zou zelfs wel eens kunnen dat Het leven en de dood in den ast net daarom, bijna honderd jaar na verschijnen, nog altijd als hedendaags wordt beschouwd.

Woord vooraf

7


De kritiek die gij Antoon Coolen onverbloemd bezorgde in een van uw brieven verwondert mij dan ook ten zeerste. Ik citeer uw woorden over De schoone voleinding van Coolen: ‘Een bezwaar is de vorm waarin Uwe volzinnen zijn gesteld, “tegenwoordige tijd” heet dat, geloof ik? Dat geeft een soort eentonigheid, …’ Meneer Streuvels, ik denk dat ge vierkant ongelijk hebt. Herlees uw eigen novelle maar eens en besef ook dat die novelle alstublieft in 1926 werd gepubliceerd, terwijl uw kritiek aan Antoon Coolen van 1932 dateert. Gij klopt uw eigen ruiten in. Ook over zijn boek Kerstmis in de Kempen geeft ge uw vriend Coolen flink op zijn brood. Ge verwijt hem o.a. dat hij geen algemeen Nederlands gebruikt. ‘Een ander bezwaar heb ik tegen de taal: of dat dialect nu precies wel noodig is om de stemming weer te geven en of ge niet een contraire effect bekomt met te schrijven “zee” voor “zegde” of “zei”…’ Enkele lijnen verder voegt ge er aan toe: ‘Ik redeneer zoo: kleur, sappigheid in regionale literatuur, goed-en-wel, maar dat alles verliest volkomen zijn effect voor den lezer die met het dialect onbekend is…’ Hewel, daar valt mijn mond van open. Uw eigen prachtige boeken bulken van het dialect. Daarenboven staan er ook tientallen woorden in die ge zelf hebt gefabriceerd. De authentieke streektaal (die de mijne niet is) en het gebruik van uw eigen stem vormen, volgens vele lezers en geleerden, net een meerwaarde in uw werk; waarom verwijt ge een collega dan dat hij geen algemeen Nederlands gebruikt? Ik durf u hier zo open en bloot tegen te spreken en u op inconsequenties te wijzen omdat gij in uw brieven ook geen blad voor de mond neemt en net dat maakt het lezen van de correspondentie zo aangenaam. Want mijn weerstand tegen het lezen van uw briefwisseling met de heer Coolen was snel weggeëbd. U beider openheid van spreken, zowel over de merites van de schrijverij als over privé-besognes, zorgt ervoor dat de bundel leest als een roman. Bovendien zijn de meeste van de volzinnen in de tegenwoordige tijd gesteld… Daarnaast zit er ook zo veel herkenbare stof in de tekst. In oktober 1952 meldt gij bijvoorbeeld aan Antoon Coolen: ‘Ik maak soms van die perioden door met weerzin voor brieven schrijven — bzl. als er veel liggen te wachten — dan kom ik er niet toe, tenzij eindelijk het zelfverwijt de tegenzin overwint en ineens het karwei afgewerkt wordt.’ Ik ken bij momenten exact dezelfde degout wanneer ik met e-mailbergen worstel. Ge zult niet weten wat e-mailbergen zijn en ik ga het u ook niet proberen uit te leggen want ik wil u de walging besparen. De meest ontroerende passages in uw brieven hebben betrekking op de manier waarop ge omgaat met het ouder worden. Het is hoopvol voor elk mens om te lezen dat het mogelijk is om gelukkig ‘te leren leven met het overschot’.

8  Een altijd weer vernieuwd geluk


Om dat te mogen lezen ben ik dank verschuldigd aan de mensen die mij vroegen om een inleiding te schrijven bij uw correspondentie. Nog meer dank ben ik u verschuldigd. Omwille van veel wijsheid. Omwille van veel relativeren. Het maakt korte dagen langer en lange nachten korter. Met de meeste hoogachting, Erik Vlaminck PS1: Onlangs had ik het genoegen een uitnodiging te ontvangen om een lezing te mogen geven in uw Lijsternest. Ge zoudt verschieten mocht ge daar nog eens komen. Er is daar nu, betaald met subsidiegeld, meer personeel dan toen gij het huis bewoonde. Het is spijtig dat gij uw mening over een dergelijke kwestie niet meer kenbaar kunt maken. Ik zou smullen van de woorden, al dan niet in dialect, die gij daarbij zoudt gebruiken. PS2: Ik heb recent nogal wat centenproblemen gehad met een Nederlandse uitgeverij die ik hier niet bij naam ga noemen. Na kolossaal veel gedoe is de kwestie nu eindelijk geregeld. Ik overweeg die mensen nu een kaart te sturen waarop ik uw tekst van 16 februari 1948 letterlijk zoek over te nemen: ‘Alles is juust! Alle schulden zijn vereffend — geen verdere schuldenaren in Nederland! De vogeltjes fluiten de lente in! Met minzamen groet,…’

Woord vooraf

9


Westmeerbeek, mei 2018 Waarde Antoon Coolen, Om alle misverstanden te voorkomen: nooit heb ik een boek van u gelezen. Wellicht was ik vooringenomen. Uw boeken krijgen in literaire overzichten wel een plek, maar ze worden steevast als ‘katholieke Brabantse streekromans’ bestempeld. Het is, hoewel ik weet dat een mens voorzichtig moet zijn met de etiketten die critici en schriftgeleerden op schrijvers plakken, een kwalificatie die mij niet meteen tot lezen aanzet. Ook de eerste brieven die ik van u terugvind in het boek waarin uw integrale briefwisseling met Stijn Streuvels wordt uitgegeven, stoten me tegen de borst. De idolate adoratie voor de schrijver van De Vlaschaard die uit die brieven spreekt gaat me te ver. U schrijft Streuvels: ‘Ik eer in U met àlle oprechtheid Vlaanderen’s & Grootnederland’s grootsten en zuiversten schrijver.’ Het zijn superlatieven waarbij me meteen het Vlaamse woord ‘mouwvegerij’ te binnen schiet. Het is ‘de weg erover’ uit het gedicht van Bertus Aafjes. Hij noemt dat ‘pluimstrijkerij.’ Gaandeweg zie ik wel nuance ontstaan in de berichten die u naar Het Lijsternest stuurde en zie ik vooral een oprechte wederzijdse vriendschap groeien. Maar toen ik de brief las die u op 22 mei 1945 aan Streuvels zond, toen ging ik op het puntje van mijn stoel zitten. De oorlog had een gat van vijf jaar in de correspondentie geslagen, maar u weet in uw eerste schrijven na het vredesbestand wel met de deur in huis te vallen. Amai. Uw sereen maar kordaat gestelde vraag aan Stijn Streuvels of de geruchten klopten dat hij zich bezondigd had aan meeheulen met het naziregime is een toonbeeld van rechtlijnigheid. Alle respect daarvoor! U weet de heikele vraag dan ook nog zo te formuleren dat ze op geen enkele manier als kwetsend kan worden ervaren. Schrijfmanskunst! Ook het antwoord van Streuvels mag er zijn. Hij draait niet rond de pot en geeft meteen duidelijke en geloofwaardige repliek op aantijgingen die men hem dertig jaar na zijn dood opnieuw voor de voeten zou gooien. Mocht u dezelfde gezegende leeftijd als Streuvels hebben bereikt, dan had u dat bizarre en bedroevende biografensteekspel van verdachtmakingen nog kunnen meemaken. Maar u hebt die leeftijd niet bereikt want op 11 oktober 1961 viel u tussen Waardenburg en Zaltbommel plompweg vanuit een rijdende trein op het grind naast de spoorrails. Een maand later, op 9 november, overleed u aan de gevolgen van die val.

10  Een altijd weer vernieuwd geluk


Net zoals het oorlogsverleden van uw Vlaamse vriend zorgt de calamiteit die uw dood veroorzaakte voor veel gissingen. Sommige biografen beschouwen uw val uit een rijdende trein als een ongeval. Anderen hebben het boudweg over moord. De aanhangers van het moordcomplot suggereren dat een en ander te maken zou hebben met uw onderzoek naar de houding van de DAF-directie tijdens de oorlog. Wanneer ik in uw brieven lees hoe u een voor u belangrijke vriendschap op de weegschaal legt omwille van principes, dan vind ik dat moordcomplot plausibel. Want het werd me al lezend gaandeweg duidelijk dat u niet kiest voor ‘de weg er over’. U kiest, als het moet, voor ‘de weg ertegen, de weg dwars tegen alle wegen in’. Ik ga op zoek naar uw boeken. Ik hoop Peelwerkers te vinden. En Herberg In ’t Misverstand. Ik zal u op het Oude Kerkhof in Waalre komen vertellen wat ik ervan vond. Intussen groet ik u met de meeste hoogachting, Erik Vlaminck

Erik Vlaminck schrijft proza, theater en columns. Hij is lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde en voorzitter van PEN-Vlaanderen.

Woord vooraf

11


BRIEVEN

Brieven 

19


30 december 1929 Antoon Coolen aan Stijn Streuvels

30 December 1929 Hoog Geachte Stijn Streuvels, Het is mij een groote vreugde U met dezelfde post een exemplaar van de tweede druk van mijn boek Kinderen van ons volk1 toe te zenden. Ik vind hiertoe krachtige aansporing in de groote liefde die ik steeds voor Uw schoon werk heb gehad. Op dertienjarigen leeftijd las ik de bloemlezing van dr Nijland uit Uw werk: de gedeelten uit Oogst uit Kinderzieltje en Doodendans gaven mij een geestdrift die me nàchten wakker hield.2 Bij al Uw boeken tot deze tijd toe is die liefde voor Uw werk onaangetast gebleven en steeds verdiept. — De karaktereologie van Uw Vlaamsche volk heeft merkwaardige en treffende vergelijkpunten met die van het volk onzer Brabantsche Kempen. Het laatst las ik van U Kerstwake3. Ik eer in U met àlle oprechtheid Vlaanderens & Groot-Nederlands grootsten en zuiversten schrijver. Hàrtelijk Uw Antoon Coolen

1

Met het enorm succesvolle Kinderen van ons volk (Hilversum, Paul Brand’s Uitgeversbedrijf, 1928) vestigde Coolen zijn naam definitief. De tweede druk zou officieel in 1930 verschijnen, maar kwam al eind 1929 van de pers.

2

In 1906 verscheen bij Veen Bloemlezing uit de werken van Stijn Streuvels, door Aleida Nijland samengesteld ‘vooral met het oog op jongeren’ (p. VII). De 278 bladzijden tellende anthologie bevat verhalen of fragmenten uit bijna alle boeken die Streuvels toen al had gepubliceerd: ‘Een Speeldag’ en ‘Noorsche liederen’ uit Doodendans (1901), ‘De witte zandweg’, ‘In den voorwinter’, ‘Lente’ (fragment) en ‘’s Zondags’ uit Lenteleven (1899), ‘Groeikracht’ uit Zomerland (1900), ‘Oogst’ (fragment) en ‘Zomerzondag’ uit Zonnetij (1900), een fragment uit Langs de wegen (1902), ‘Naar buiten’ uit Dagen (1902), ‘Zomerboodschap’ en ‘In de Wonnegaarde’ uit Minnehandel (1903), ‘Bertken en de moordenaars alle twaalf’ en ‘Kinderzieltje’ uit Dorpsgeheimen (1904) en ‘Jeugd’ uit Openlucht (1905). Bij De Nederlandsche Boekhandel te Antwerpen verscheen een identieke uitgave, met een kort voorwoord door Prosper van Langendonck.

3

Stijn Streuvels, Kerstwake. Gepubliceerd in Van Munster’s Kerstboek 1928 (p. 3-20), afzonderlijk verschenen in 1928 (Antwerpen, Opdebeek in coproductie met Amsterdam, Veen). Later opgenomen in Kerstvertellingen (Brugge, Wiek Op, in coproductie met Amsterdam, Veen, 1939, p. 115-147).

Brieven

21


8 januari 1930 Stijn Streuvels aan Antoon Coolen

Ingoyghem den 8 Januari 1930 Waarde Vriend, Uw brief heeft mij vreugde meegebracht, — buiten de banale loftuiting en hooghartige beoordeeling, gebeurt het zoo zelden dat men eene stem verneemt waaraan men deugd heeft. Een schrijver schrijft zijn werk toch maar voor een half dozijn menschen die hem begrijpen en met hem meevoelen! Maar Uw boek heeft me nog veel meer vreugde gebracht — het was mij eene… openbaring! Sedert den oorlog is er van de jonge mannen uit Holland (uit Vlaanderen evenmin) niet veel merkwaardigs verschenen, — buiten de bekende moderne acrobatie (afgekeken meestal uit den vreemde) veel getheoretiseer en zwaarwichtig-doenerij was het niet veel zaaks. En nu krijg ik daar een boek dat me onder alle opzichten ten hoogste voldoet (en dàt gebeurt me maar heel zelden!). In ’t begin doet het een beetje mozaïek-achtig aan, die drie motieven door elkaar geslingerd, maar achteraf overziet men de constructie en het schoon, harmonisch synthetiek geheel, dat “het Levende Leven” is. Als détail is het perfect en in eene gezonde, frissche taal geschreven. Daarenboven is het ethisch hoogstaande kunst, verheffend en zedelijk, zonder tendenz — wat was ik bang dat de notaris zich zou bekeerd hebben!! Gelukkig is hij konsekwent gebleven. De Pastoor is een heerlijk figuur, en de anderen allemaal, doch bij-zonder: het meisje tusschen de twee mannen — dàt is het drama — de tragiek die men voor-voelt dat ze komen moet, — en ze verloopt gelukkiglijk, heel sober als het Noodlot in ’s menschen Leven.4

4

De drie motieven die Streuvels bedoelt, zijn de driehoeksverhouding tussen Marie Verberne, Giel Slegers en Godefridus van den Breemortel (die uiteindelijk uitdraait op een moord), de vriendschap tussen pastoor Vogels en de vrijzinnige notaris Van Heyste, en het reilen en zeilen van het grote gezin van de brave timmerman Doruske Timmer. Via het verhaal van de vriendschap tussen de notaris en de pastoor — die de mensen in het dorp niet goed begrijpen — brengt Coolen diepgaande en humoristische passages over de betekenis van het geloof en de zin van het leven, thema’s die ook de beide andere verhalen doortrekken: de vraag naar de toekomstmogelijkheden van het kroostrijke gezin van Doruske en bij uitbreiding van de Peel en vooral de vraag naar het lot van Marie, wier man naar de gevangenis moet terwijl zij zwanger is. In Streuvels’ evaluatie licht een kernpunt uit zijn poëtica op: Coolens boek is in de eerste plaats een stuk leven — een kernwoord in een visie op literatuur die de West-Vlaamse auteur vele jaren eerder had verbonden met Van Nu en Straks. (Zie daarover mijn proefschrift ‘Stijn Streuvels en het proza (van het fin de siècle). Aspecten van zijn poëtica’. Onuitgegeven doctoraatsverhandeling, KULeuven, 2013.)

22  Een altijd weer vernieuwd geluk


Ik wensch U hartelijk geluk met Uw “Kinderen van Ons Volk” . Ik begroet in U een echten rasschrijver naar mijn hart. Nu ga ik dadelijk aanpakken: Het Donkere Licht5. Met genegen groet Uw Stijn Streuvels

11 februari 1930 Antoon Coolen aan Stijn Streuvels

11 Februari 1930 Goede Stijn Streuvels, Wat was ik blij met Uwen brief, dien Gij mij schreef, nadat ik U Kinderen van ons volk had gezonden. Ik had gauw willen antwoorden, maar ik ben geruimen tijd buiten alle werk gezet door een oogoperatie gevolgd door langdurige gedwongen rust, en daarna moest ik weer zoo hard aanpakken, dat er niets anders opzat dan de correspondentie door mijn vrouw6 te laten doen, maar U moest ik zelf terugschrijven. Nu kwam er nog bij het nazien der proeven voor de tweede druk van Het donkere licht7, dat ik op sommige punten gewijzigd en aangevuld heb. Vanavond schrijf ik weer brieven, de allereerste is aan U. De eerste blijdschap, nadat ik U Kinderen van ons volk zond, was de verrassing van Uw boek Kerstvertelsel met de wàrme opdracht8. Gij zult beseffen, dat zooiets een oogenblik is. Ik was bang geweest, U ook maar in iets te vleien, bang, dat mijn bedoeling zou kùnnen worden misverstaan, want ik had immers zoo echt van Uw werk gehouden. Ik schreef U, dat, toen ik op dertienjarigen leeftijd de bloemlezing van dr. Alida [sic] Nijland las, dit een vreugde en een begeestering waren, waarvan ik ’s nachts niet sliep! In De Prins9 stond

5 Coolen, Het donkere licht (Rotterdam, Nijgh & Van Ditmar, 1929). 6

Gerarda (Gerda) Petronella de Jong (1901-1964), echtgenote van Coolen.

7

De tweede druk van Het donkere licht verscheen in 1930 bij Nijgh & Van Ditmar.

8

Streuvels stuurde zijn ‘Kerstvertelsel’ naar Coolen, met volgende opdracht: ‘Aan Antoon Coolen / met warmen Kerstgroet / van Stijn Streuvels / Dec. ’29’. (Met dank aan Johan Vercruysse.)

9

De Prins der Geïllustreerde Bladen (gemeenzaam afgekort tot ‘De Prins’) werd uitgegeven tussen 1901 en 1948 door uitgeverij N.J. Boon te Amsterdam. In het rijkelijk met foto’s geïllustreerde tijdschrift stonden verhalen en recensies, alsook personalia en overlijdensberichten van belangrijke personen. De aflevering van 20 mei 1911 had een foto van Stijn Streuvels op het omslag.

Brieven

23


toen een portret van U, dit knipte ik uit en plakte ik op een groot vel teekenpapier en hing het op mijn kamertje op de eereplaats, een middel om aan mijn bewondering uitdrukking te geven. Mijn liefde voor Uw werk en mijn krachtige geloof erìn namen met de jaren toe — nu stond ik met Uw kerstvertelsel als een geschenk van U in mijn handen! En later Uw brief, met het hartelijke opschrift Waarde Vriend. Zoo weinig als de ijdelheid van banale loftuiting is, zooveel, dunkt mij, moet het toch zijn, de neerslag te zien van een liefde die door Uw werk is gevormd. Wat Uw boeken voor mij geweest zijn, Gij kunt het nauwelijks begrijpen, ieder werk opnieuw werd mij tot een bezit van krachtig en telkens vernieuwd geluk, ik heb geen reserve in mijn bewondering. Een liefde als deze voor het werk van een schrijver heeft recht zich aan den schrijver uit te spreken, maar veel neiging tot banale loftuiting bemoeilijkt voor den schrijver het verstaan. Ik ben zoo blij, dat Gij mijn brief naar de oprechtheid van zijn bedoeling verstaan hebt en er geen poging tot loftuiting en in ’t gevlei komen in gezien hebt, die voor U en voor mij allebei onwaardig zou zijn geweest. Binnen enkele weken zal ik U de tweede druk van Het donkere licht sturen, — dit is op een paar essentieele punten, waar verbetering mij noodzakelijk leek, aangevuld.10 Aan de tweede druk geef ik voorkeur boven den eerste. Een betrekking, noodzakelijk voor het bestaan, houdt mij in Hilversum.11 Ik zou zoo graag gauw naar Brabant terug willen. Uw werk heeft in Holland een breeden kring van begrijpende getrouwen — snellere reputaties uit Vlaanderen hebben het daaruit niet verdrongen. De letterkundige voorhoede schiet alle doelen voorbij door zwaarwichtige, van intelligentie zware theorieën over de continuïteit van de litteratuur, die, zooals het hier eens kernachtig uitgedrukt werd, “den groenen levensboom in grauwe

10

De erg talrijke wijzigingen die Coolen in de tweede druk van Het donkere licht heeft aangebracht, zijn er onder meer op gericht om de val van Marie te verklaren en aannemelijk te maken. (Slegers, p. 180; met dank aan Jan Kerkhof.)

11

Coolen was op 10 november 1920 naar Hilversum verhuisd, om er te werken voor De Gooische Post, waarvoor hij schreef over de plaatselijke politiek en muziek- en toneelvoorstellingen besprak. Hij schreef ook vaste cursiefjes en elk jaar een of meerdere kerstverhalen. In Hilversum zou hij dertien jaar (tot april 1933) blijven, maar er zouden nauwelijks sporen van in zijn literaire werk achterblijven. De plaats boeide hem niet en de beleving van het katholicisme was er veel strenger dan in Brabant, waar hij zijn jeugd had doorgebracht. Ook de onaangename persoonlijkheid van zijn hoofdredacteur Clemens Aleven vergalde zijn verblijf in Hilversum in grote mate. Toch ging Coolen in Hilversum, nadat vernietigende kritiek hem een tijd had ontmoedigd, opnieuw schrijven, onder invloed van het uit Brabant stammende tijdschrift Roeping, ‘in herinnering aan wat ik in mijn jeugd in de Brabantse Peelstreek zo krachtig geabsorbeerd had, en door de herinnering zelf en op den afstand min of meer vermooid en verdichtelijkt gezien’ (Coolen, De Glimlach van het Gooi, 1953, p. 10.) In Hilversum zou Coolen bijna al zijn Peelromans schrijven. Hij woonde er achtereenvolgens in de Koningstraat 37, Asterstraat 65, Taludweg 69, Vaartweg 68a, Gijsbrecht van Amstelstraat 23, Boschdrift 76 en de Oude Amersfoortseweg 102. (Adresgegevens naar Slegers.)

24  Een altijd weer vernieuwd geluk


wazen hullen”.12 De veel omstreden continuïteit zal ten slotte over het geëxperimenteer heen en daardoor niet gestoord — want het is steriel — worden voortgedragen door den grondvasten creatieven kunstenaar, die zijn gaven aan de bron van het leven, de liefde, drenkt en loutert — de liefde die Gij in Uw schoon werk zoo schóón bezit en die gestalte gaf aan kinderzieltje Alientje zoowel als aan Genoveva, zoowel ook als aan Jan uit Langs de wegen en aan de Werkmenschen13, aan heel die bevolkte wereld die Gij gaf en die onder een noodlot gaat, waaronder het hart van Uw lezer, dat gij grijpt, schreiend meegaat. Goede Stijn Streuvels — allebei mijn dankbare handen, ik ben zoo blij met U! Antoon Coolen

17 april 1930 Antoon Coolen aan Stijn Streuvels

17 April 1930 Mijn goede Stijn Streuvels, Met groote blijdschap stuur ik U de nieuwe uitgave van Het donkere licht toe, die ik U beloofde. Pas nog heb ik Uw pràchtige “Werkmenschen” ten geschenke gekregen, waarmee ik zoo hartelijk blij was. Van gànscher harte de allerbeste groeten Uw Antoon Coolen

12

Coolen duidt hier uiteraard het universele conflict aan tussen de traditie en de avant-garde. In de literatuurgeschiedenis worden de ‘progressieven’ vaak in verband gebracht met een meer intellectualistische of cerebrale schriftuur. Eind jaren twintig, begin jaren dertig wordt Coolen beroemd, waarbij zijn werk al gauw het etiket ‘regionale literatuur’ meekrijgt. Marsman velt in de zomer van 1932 als een der eersten een geringschattend oordeel over schrijvers van streekromans, waarbij hij Antoon Coolen, Herman de Man en Theun de Vries in het vizier heeft en hun regionale realisme als ‘provincialistisch’ kwalificeert. Het conflict, dat de geschiedenis ingaat als het regionalismedebat, zal even later op de spits worden gedreven door de groep rond het tijdschrift Forum, die het genre van de regionale literatuur minderwaardig aanslaat — een oordeel dat rond die tijd overigens buiten dit blad door geen toonaangevende recensent wordt gedeeld.

13

Alientje is een personage uit het verhaal ‘Kinderzieltje’ uit de bundel Dorpsgeheimen (1904); Genoveva: Genoveva van Brabant (1919-1920); Jan (Vindevogel) is de hoofdfiguur uit Langs de wegen (1902); ten slotte verwijst Coolen naar de bundel Werkmenschen (1926).

Brieven

25


18 juni 1930 Stijn Streuvels aan Antoon Coolen

18 Juni ’30 Vereerde Ant. Coolen, Uw boek “Het Donkere Licht” ligt hier nog altijd op mijn tafel en ik wachtte met de “bedanking” tot ik het met de noodige rust zou kunnen lezen en vooral vergelijken met de eerste uitgaaf. Maar nu kreeg ik gister van een onbekende uit Brussel ’t Nr van vrijdag 13den v.d. Maasbode — met ’t interview onderstreept — dat me tevens het heugelijke nieuws brengt van de bekroning!14 Dat heeft me veel, veel genoegen gedaan en ik haast me U mijn welgemeenden en hartelijken gelukwensch te sturen! Dàt is nu eene bekroning die wèl besteed is en waar de jury alle eer af haalt! Ik hoop dat die prijs U geluk meebrengen zal voor ’t scheppen van nieuw werk. Ik ben tegenwoordig hard aan de bezigheid en ’t zal me genoegen doen — als ’t kind eene voorspoedige geboorte heeft, U dat nieuwe product te kunnen sturen15. Intusschen met genegen groet Uw Stijn Streuvels

14

Bekroning van de roman Het donkere licht met de C.W. van der Hoogt-prijs, een aanmoedigingsprijs van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden ter waarde van 1000 gulden. In de Commissie voor Schoone Letteren had o.a. Lodewijk van Deyssel zitting. Volgens het commissieverslag, dat in De Maasbode van 11 juni 1930 werd gepubliceerd, was Coolen opgevallen door zijn ongekunstelde en warme toon en de grote liefde voor het land waarover hij schrijft. Vele kranten besteedden uitgebreid aandacht aan de bekroning. De Maasbode zou Coolen drie dagen lang in het licht zetten: de dag na het verslag publiceerde de krant een lange recensie van het prijswinnende boek: ‘Coolen bekroond. Het donkere licht: een roman over het lot van het fabrieksmeisje in de grote moderne grootindustrie’, terwijl nog een dag later een interview met Coolen werd afgedrukt: ‘Bij Antoon Coolen. Van Nick Carter-verslinder tot romanschrijver.’

15

Streuvels is bezig aan de roman Alma met de Vlassen haren (Leuven, Davidsfonds, 1931), waarvan hij een exemplaar naar Coolen zal sturen, met de opdracht: ‘Aan Antoon Coolen / met vriendelijken / groet, dees nieuwe / meisje / van / Stijn Streuvels / Juni 1931’. (Met dank aan Johan Vercruysse.)

26  Een altijd weer vernieuwd geluk


Stijn Streuvels aan zijn schrijftafel voor het beroemde raam in het Lijsternest, juni 1932. (Collectie Letterenhuis)

Antoon Coolen ca. 1930.


Eerste brief van Stijn Streuvels aan Antoon Coolen.

Jan Toorop tekende Streuvels in 1913.

(Collectie Letterenhuis) >


Opdracht in Das Christkind (1932).

Coolen en zijn drie oudste zonen, ca. 1940.

Het gezin Streuvels in de jaren dertig.


Kaart van Streuvels en Coolen aan Hendrik Wiegersma, verstuurd uit Athene.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401456180 by Uitgeverij Lannoo - Issuu