Skip to main content

9789401455633

Page 1

Liesbet De Visscher

Het meisje dat niet kon kiezen


www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagbeeld | Guido Belcanto - Liesbet De Visscher Auteursportret | Koen Broos Omslagontwerp | Studio Lannoo zetwerk | Mediactief Elke gelijkenis met bestaande gebeurtenissen en/of personen berust op louter toeval. Als u opmerkingen of vragen hebt, dan kunt u contact opnemen met onze redactie: redactielifestyle@lannoo.com © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 D/2018/45/651 – NUR 301 ISBN: 978 94 014 5563 3 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Aan de grote liefdes uit mijn leven, het was niet zomaar Aan mijn kinderen, we groeien samen verder Aan wie ik ooit nog lief zal hebben, het wordt een mooie tijd Laat ons de liefde

5


PROLOOG

I

k herinnerde me de eerste dagen na de geboorte van Dageraad alsof het gisteren was. Ik had gedurende vier nachten in de gangen van het ziekenhuis rondgedoold, met op de arm mijn uiterste schattige blètkopje, steeds zachtjes schuddend. Op dat moment was voor mij eender welke oplossing goed, zolang ik maar even verlost kon worden van het onophoudelijke babygekrijs in mijn oren. Er was geen haar op mijn hoofd dat eraan gedacht had haar mond dicht te plakken met plakband en dat een tik op de bepoederde billetjes ook niet zou helpen, had ik ook wel begrepen. Gelukkig kwam de oplossing die dag als bij wonder uit de comakamer op de vierde verdieping. Daar lag een vrouw in het halfduister te slapen, in een bed waar ze al twee jaar lag. Ze heette Saskia Blue en ze was al veel te lang bewegingloos. De deur stond op een kier. Ik stapte stil naar binnen, hoewel de stilte relatief was, want Dageraad krijste onophoudelijk verder. Daarbovenop was er ook een luxueus gamma aan piepende machientjes, die het lichaam van Saskia Blue beademden en controleerden. Nooit eerder had ik zo’n weerloos vrouwmens gezien. Ik zette me neer op het voeteinde van het bed. Heel even vroeg ik me af of ze nog leefde, want ze lag zo ijzig stil in dat bed; een lijk was er niks tegen. Ik voelde even ter hoogte van haar hart en wanneer ik vaststelde dat haar kloppingen zo’n traag en rustgevend gevoel bij mij teweegbrachten, legde ik Dageraad met haar oortje te luisteren op de borst van Saskia Blue. Als bij wonder hield mijn baby op met huilen. Netjes legde ik het lakentje over haar heen en de fopspeen aan de kant.

7


Eindelijk rust, dacht ik, nu heb ik wel een blik cola verdiend. Dat ging ik halen in de automaat op het gelijkvloers en ik liet mijn baby onbewaakt achter bij het comateuze lichaam van Saskia Blue. Ik nam het overheerlijke bruisvocht met gulzige teugen tot mij en stapte even naar buiten – op frisse lucht heeft ieder mens immers recht. Misschien had mijn babygeweld er geen nood aan, maar ik des te meer, nog niet het minst omdat Dageraad de laatste resten energie uit mij had gezogen en de zon mij misschien van wat nieuwe kon voorzien. Veel verder dan de parking was ik niet gelopen, maar het was ver genoeg om de boel te laten exploderen en de trilling tot ver daarbuiten te voelen. Door een wild aanstormende auto en een halve cowboy die daaruit sprong en me bijna omver liep, begreep ik dat er opeens iets gaande moest zijn binnen de muren van het ziekenhuis. Ik leefde enigszins mee met de roekeloze cowboy die de deur van zijn auto niet eens dichtgeslagen had. Zou er wat met zijn geliefde gebeurd zijn? vroeg ik me af. Misschien heeft hij zojuist een telefoon ontvangen dat ze haar laatste zucht gegeven heeft of dat weldra zou gaan doen. Zoiets misschien. ‘Ik begrijp dat u gehaast bent, meneer, maar wat een roekeloze belhamel bent u!’ riep ik naar hem. ‘Een losgeslagen paard bent u! Een lomperd!’ maar horen deed hij mij niet, want zijn kwalitatieve sportschoenen brachten hem razendsnel de trap op naar de vierde verdieping. Daar trof hij zijn lief aan. Saskia Blue was ontwaakt uit een coma die naar zijn mening veel te lang geduurd had. Het kloppen van het onschuldige babyhart had haar wakker geschud, kracht gegeven om het leven terug in de ogen te kijken. Het oergegeven van de moederlijke zorg had haar doen beseffen dat haar taak op aarde nog niet volbracht was. En daarom was haar onbewuste zelve terug tekenen van leven beginnen te geven aan de hand van alarmsysteempjes die opeens over de rooie gingen. ‘Uw geliefde, meneer!’ had de verpleegster van dienst meteen aan de telefoon gezegd tegen hem, Johnny. ‘Neen’, schreeuwde hij, waarop hij de telefoon haast wilde inhaken, want haar woorden wilde hij niet horen. 8


‘Uw geliefde…’ probeerde de verpleegster opnieuw. ‘Neen, ze mag nog niet dood. Ik moet nog met haar trouwen, haar zeggen dat ze de mijne is en dat voor altijd blijven zal.’ ‘Wel ja, meneer, dan is de tijd gekomen om dat te doen. Ze is zonet wakker geworden.’ Het strakke trainingsschema dat hij iedere dag als een volleerd neuroot wist te volgen, onderbrak hij nu even onverwacht als Saskia Blue haar coma.

9


DEEL 1: BLIXIE

11


1. k ben Ingeborg De Wezemael en ik heb mijn vader nooit gekend. Er had ooit weleens iemand aan de voordeur gestaan met een cadeautje op de dag dat ik tien werd. De man had een bakje aardbeien voor me meegebracht, doorheen het papier had ik dat kunnen ruiken. ‘Jij moet Ingeborg zijn. Gefeliciteerd met je verjaardag. Ik heb wat voor je’, zei hij. Als gevolg van haar nachtelijke slapeloosheid lag mijn moeder nog te bed en hoorde bijgevolg niet wat er gaande was, welke schelm er zich in ons huis naar binnen wurmde. ‘Wie ben jij eigenlijk?’ vroeg ik. ‘Misschien lust je dit wel?’ vroeg hij lief, terwijl hij rozekleurig geschenkpapier onder mijn neus hield. ‘Maar wie ben je, vroeg ik?’ ‘Een oude vriend van je moeder’, had hij geantwoord. Aangezien mijn moeder altijd gastvrij was tegenover haar vrienden van vroeger, die tevens bij de vleet over de vloer kwamen, zei ik oprecht: ‘Een oude vriend van mijn moeder? Kom dan maar binnen.’ Ik had zijn gedrag wel wat eigenaardig gevonden toen hij passioneel snoof aan een bloemensjaaltje aan de kapstok. ‘Waarom doet u dat, meneer?’ vroeg ik hem. ‘Bloemensjaaltjes ruiken meestal lekker’, had hij geantwoord. Hij had het in zijn zak gestoken, terwijl ik een glas water voor hem gaan halen was in de keuken. ‘Waarom bestudeert u onze fotokadertjes zo aandachtig, meneer?’ vroeg ik toen ik hem daarop betrapte en hem het glas aanreikte. ‘Stoort dat?’ vroeg hij. Ik had het niet zo begrepen op mensen die vragen beantwoordden met vragen. Zo’n mensen willen de boel in handen hebben en daar hield ik niet van. Zijn glas dronk hij in één teug leeg. ‘Bent u altijd zo gulzig, meneer? Mijn moeder zegt dat zoiets onbeleefd is.’ ‘Alleen onwetenden geloven wat hun moeder zegt’, mompelde hij, maar ik had hem wel gehoord. ‘Waarom antwoordt u niet op mijn vragen, meneer?’ Hij maakte me nerveus, later zou blijken dat hij dat ook met mijn moeder deed,

I

13


vroeger, toen zij samen amoureuze momenten beleefden en zelfs nog praatten over de toekomst, wanneer ze samen oud zouden zijn. ‘Waarom is het gezicht van deze man met zwarte alcoholstift ingekleurd?’ vroeg hij, wijzend naar een familiefoto met gelukkige mensen, die geforceerd, hoewel ook trots, poseerden naast mij, baby Ingeborg, vier weken oud, mijn doopfeest. ‘Mijn moeder zegt dat sommige mensen niet meer dan zwarte vlekken uit het verleden zijn.’ Toen ging hij in de zetel zitten en overhandigde me het verjaardagsgeschenk. ‘U heeft mijn naam fout geschreven, meneer’, zei ik. ‘Er staat “voor Ingedorg” en ik wees het aan met een zelfzekere wijsvinger. ‘Ik heet Ingeborg, niet Ingedorg.’ ‘Jij bent een eigenwijs meisje’, zei de onbekende, maar waarschijnlijk schaamde hij zich voor zijn gebrekkige schrijfkunde. Pas veel later zou ik te horen krijgen dat zijn leven een aaneenrijging van schaamtevolle momenten was. ‘U kunt van mij denken wat u wilt, meneer, maar ik weet best hoe mijn naam geschreven wordt. Ingeborg, niet Ingedorg. Hoe heet u eigenlijk?’ ‘Dolf’, zei hij. Ondertussen keek hij nerveus het huis rond. Ik dacht dat hij naar ons behangpapier keek, misschien wilde hij dat ook wel voor zijn living. Dolf droeg bretellen, dat had ik nooit eerder gezien. De mannen die ik kende, droegen losse T-shirts met bijvoorbeeld doodshoofden, vaak ook met zangers en meestal in het zwart. Ze droegen geen broeken in velours, wel jeansbroeken, vaak met gaten in. Dolf stak zijn duimen achter het rekkende gedeelte en die houding maakte hem al helemaal debiel. ‘Jij gedraagt je vreemd voor een meisje van negen’, zei Dolf. ‘Tien. Waarom dan?’ ‘Er staat ondertussen al vijf minuten een cadeautje op je schoot en je opent het niet eens’, zei hij. Ondertussen glimlachte hij naar mij, maar ik zeker niet naar hem. ‘Ik hou van onopgeloste nieuwsgierigheid’, zei ik. 14


‘Zo’n uitspraak heb ik nog nooit gehoord uit de mond van een tienjarige.’ ‘Tien, Dolf. Ik word tien vandaag.’ ‘Neen hoor, het is negen jaar geleden.’ ‘Neem nu maar van me aan dat ik vandaag tien word.’ ‘Je bent zeer vrijpostig, juffrouw Ingeborg’, zei hij. ‘Eigenwijs, vreemd, vrijpostig. Heeft u eventueel ook iets positiefs over mij te vertellen op mijn verjaardag?’ Nog één ding heeft hij mogen vragen, of ik in de klas ook zo tegendraads durfde te doen, maar dat volstond voor mij en ik heb hem de deur gewezen. Gelukkig volgde hij me zonder tegenstribbelen. ‘Ik lust trouwens geen aardbeien, neem maar mee’, en ruw duwde ik het doosje, nog steeds verpakt, terug in zijn handen. ‘Je bent ondankbaar’, zei hij. ‘Ook dat nog!’ riep ik. Ik stak mijn tong naar hem uit, teleurgesteld vertrok hij. Toen ik zag hoe hij zijn mankend been meesleepte in een vaart die eigenlijk te snel voor hem was en daardoor bijna struikelde, werd ik overvallen door een overmatig gevoel van medelijden. Ik kreeg last van een plotseling opkomend en verwerpelijk gevoel van wroeging: ik had toch minstens zijn cadeautje kunnen openen. Dat het de schuld was van mijn moeder, constateerde ik. Van haar had ik die grote bek geërfd. Van haar had ik geleerd dat het zo moest, zo en niet anders. Ik liep naar de kreupele toe: ‘Bent u de man van de foto, de zwarte, de ingekleurde?’ vroeg ik, maar hij keek me niet meer aan. Ik kwam achterwaarts voor hem lopen, botste als gevolg daarvan tegen een vuilnisbak, een verlichtingspaal en een dame met een pekinees aan de leiband. Het Wezel-Putse straatvolk bekeek me, maar van Dolf kreeg ik geen blik meer. ‘Bent u misschien mijn vader, meneer?’ vroeg ik dan. Beiden zweetten we, als gevolg van de snelheid die we maakten en de spanning tussen ons, het onwetende meisje en de volwassen man. ‘Waarom zo’n haast, meneer? We kunnen toch wat praten?’ smeekte ik toen. Ik greep hem vast bij de arm en hoopte hem zo te kunnen stoppen, maar het werkte niet, zelfs niet toen ik zei dat aardbeien me wel smaken met slagroom erbovenop. Dan kon ik er wel honderd eten, maar 15


voor ik dat goed en wel duidelijk gemaakt had, hadden we het station bereikt. Daar was manke Dolf haastig op een trein gesprongen, misschien wist hij zelf niet waar die heen ging. Alles was beter dan in mijn buurt te blijven. Ik was de nagel aan zijn tien jaar geleden getimmerde doodskist. ‘Meneer, u bent mijn vader!’ riep ik nog vele keren, maar de trein nam toe in snelheid en ik bleef verweesd achter op het perron. ‘Straks staat hij hier terug’, suste de vrouw met de pekinees, die ondertussen ook het station bereikt had, maar dat geloofde ik niet en gelijk had ik.

16


2. Ooit was ik getrouwd. Mijn man aanbad me, zou zijn leven voor mij opgegeven hebben. Stralend mooi vond hij mij, zelfs toen ik net ontwaakte en mijn wallen niet om aan te zien waren. Vetrollen had ik niet, vond hij. Ik had gehoopt om af en toe nog eens te bellen met hem. Dat we een poging konden ondernemen om te praten over banale dingen zoals hete zomerdagen, een lekkend koffiezetapparaat of vage kennissen uit ons ooit rooskleurige verleden. Dat we probeerden om nog steeds vrienden te zijn, omdat we dat ooit aan elkaar beloofd hadden. Maar van dat alles was geen sprake meer. Mensen raken uitgepraat; zoiets hoeft geen wereldramp te zijn. ‘Het is welletjes geweest’, had ik hem ijzig zelfzeker gezegd op een ochtend in het echtelijke bed, lang geleden, toen ik was wakker geworden met meer moed dan andere dagen. Het had al enige tijd op mijn lippen liggen broeden, maar het luidop zeggen, vroeg te veel van mij. Tijd voor brokken was er nooit geweest, maar die dag wel. ‘Wat bedoel je?’ vroeg Blixie De Groot, mijn man. Hij sliep nog half en legde sloom zijn handen op mijn blote bil. ‘Ik verdoe mijn tijd met jou’, ging ik verder. Toen sprong hij met­ een rechtop, van snoezen was geen sprake meer. Hij vond niks binnen handbereik om mee in het rond te slaan en wanneer hij dat toch deed met zijn hoofdkussen, maakte dat geen indruk. Het kwam zielig over. Net daarom dumpte ik mijn echtgenoot, omdat hij een zielenpoot was en te veel liefde nodig had. Alle affectie die ik in me droeg, slorpte hij op en alle lieflijke gevoelens die in ons huis woonden, kwamen hem toe, vond hij. Onophoudelijk diende hij gered te worden van onverdraaglijke, vaak ingebeelde eenzaamheid. Dat ik op die manier haast geen liefde voor mezelf overhield, was nooit bij hem opgekomen. Uiteindelijk was ik zijn niet eens slecht bedoelde machtsspel nog meer beu dan het platduwen van petflessen. Ik was mijn koffers beginnen maken, terwijl de vulling van het hoofdkussen in pluisvorm door de kamer vloog. Soms bleef Blixie De Groot hangen in zijn verdriet, kreeg geen zuurstof meer binnen en werd helemaal paars. Dan moest ik op zijn rug gaan kloppen. Daarna 17


deed ik kranig verder met het vouwen van mijn kleren, terwijl hij lag te rillen op de restanten van ons huwelijksbed. ‘De rest kom ik later weleens halen’, zei ik. Toen ik mijn koffer ter hand nam en aanstalten maakte onze stulp voorgoed te verlaten, liep hij bliksemsnel de badkamer in, plunderde het medicijnkastje en stopte alle mogelijke pillen die hij vinden kon in zijn mond, ondoordacht, alweer zielig. Weerom eiste hij mijn affectie op, weerom dat verdomde machtsspel. Eerst keek ik gewoon toe, zoals ik al veel langer onze onevenwichtige situatie had aanschouwd. Toen hij triomfantelijk voor mij was komen staan met zijn handen in zijn zij, zijn kin in de lucht en het gif dat weldra zou beginnen branden in zijn maag, liet ik mijn koffer vallen, kon niet anders dan hem vastgrijpen en mijn vingers diep in zijn keel steken. Terwijl ik zijn hoofd in de richting van de wc-pot duwde, keek hij mij dankbaar aan. Ze blijft, dacht hij en zo was het, althans tijdelijk.

18


3. Zeven jaar geleden zette ik een meisje ter wereld. Ikzelf was slechts gedeeltelijk verdrietig geweest toen mijn kind, ik noemde haar Dageraad en ze had schattige oorlelletjes, bij haar verwekker zou gaan wonen toen ze vijftien maanden oud was. Ik had het zelf zo gewild – er restte me geen andere keuze – en catalogeerde dit feit onder het verzachtende denkbeeld van de dingen des levens, het is maar hoe je ermee omgaat. Ondanks het feit dat het levenssap van Blixie er voor geen milliliter tussen zat, vond hij het niet minder dan zijn plicht om mee te zorgen voor mijn lief, klein nakomelingetje. Wat was hij veel van haar gaan houden. Na het vertrek van Dageraad vlijde hij zich neer in haar leegstaande ledikantje, wreef het lakentje dat nog naar haar rook onder zijn neus en zo bleef hij dan de hele dag liggen; kreunend, kermend. Zijn lijden om het afscheid was voor hem te hard om dragen en maakte van hem een rouwende ellendeling, mateloos bang en moedeloos om de volgende dag te lijf te gaan. Dageraad rook altijd naar een rozige baby, zelfs na een lange boswandeling of een bezoek aan de supermarkt. Ze had een snoepjesgeur, zelfs als ze koorts maakte of net overgegeven had. Haar allereerste glimlachje was naar Blixie geweest. Dan zei hij: ‘Niemand kan me dat moment afnemen’, en dat idee maakte hem gelukkig. Af en toe gaf Blixie haar een bad net voor het slapengaan. ‘Kleine deugniet’, fluisterde hij haar dan als zachte pseudovaderfiguur in het oor, wat water op de blote babybuik druppelend met een washandje. Toen Dageraad niet langer in ons huis woonde, liet hij vele tranen vallen op haar speelgoed in de living, want daar zat hij dan middenin, te wachten tot de smart zou minderen. De overstroming binnenin zijn hoofd was van het kaliber van een wilde tsunami. Ik reikte hem onophoudelijk zakdoeken aan. De dag daarna zou ik vertrekken. Voorgoed, althans dat was de bedoeling.

19


Ik was zwanger geraakt op de dag dat de varkensziekte in Wezel-Putte was losgebarsten. Op vrijdagavonden, omstreeks tweeëntwintig uur, vogelde de Italiaanse Erasmusstudent waarmee ik destijds vrolijke onderonsjes regelde, me op de rug van de lederen canapé in zijn studentenkot. Ondertussen volgde ik aandachtig het journaal van de regionale zender, want zin om het seksuele spel actief te beleven, had ik zelden of nooit. ‘Het lijkt serieus te zijn’, sprak ik tot hij die parelend zweette boven op mijn rug. Maar de Nederlandse taal verstond hij niet, dus pompte hij gezapig verder. Ik wees naar het scherm. ‘Zie daar: alle… varkens… dood!’ riep ik paniekerig tussen zijn harde stoten door. Een besmettelijke vruchtbaarheidsziekte onder de zeugen was losgebarsten in een Wezel-Putse varkensstal. Een team van dierenartsen en onderzoekers sprak over een ramp waarvan de schade onoverzienbaar was en deed niets anders dan heen en weer pendelen tussen varkensstallen en laboratoria, stalen nemen en afwachten, want zo’n eigenaardigheid hadden ze binnen wetenschappelijke kringen nog niet vaak meegemaakt. Er waren zelfs nooit voorspellingen geweest in die richting. En terwijl er zich in onze streken een aanzienlijk probleem ontwikkelde wat betrof de voortplanting van het ras der varkens, werd ik moeiteloos, maar bovenal ongewild bevrucht, door het zaad van een twintigjarige Italiaan met wie ik enkel via gebarentaal communiceerde. Onze voorzorgen waren ondermaats geweest. Rubber verduurt, dat weet nochtans het kleinste kind. Enkele weken later ontmoette ik Blixie. Terwijl ik stond te sukkelen aan de benzinepomp langsheen de E40 schoot hij me te hulp en de liefdespijlen waren meteen in het rond beginnen vliegen. Ik had geprobeerd een zelfzekere indruk te geven, en zeker geen labiele. Ik meende zelfs vrij intelligent te klinken wanneer ik banale dingen zei, zoals: ‘Ik durf te wedden dat die vrachtwagen van jou diesel met tientallen liters tegelijk slurpt en zo draag ook jij bij tot de verontreiniging van onze dierbare leefomgeving, maar ach, een mens kan dat wereldprobleem

20


toch niet in z’n eentje opgelost krijgen, dus kun je er maar beter de voordelen van plukken.’ Blixie De Groot was zodanig onder de indruk van mijn verschijning, mijn donkerblonde krullen en mijn treffende woorden, dat hij mij tijdens onze tweede ontmoeting een verzoek deed tot het beginnen van een relatie. Voor altijd wilde hij aan mijn zijde staan, maar ik biechtte hem eerlijkheidshalve op: ‘Verdoe geen tijd met mij: ik draag reeds de vrucht van een ander man, helaas.’ Maar hij trok zijn schouders op en zei: ‘Juffrouw Ingeborg, ik vind het heus niet erg om samen met jou dat onschuldige jong groot te brengen.’ Dat vond ik best aardig van hem. Hij zag het probleem niet en dat maakte van hem een ongelooflijk charmante snuiter. ‘Maar ik kan niet voor dat kind zorgen!’ riep ik huilend, toen Blixie me een week later op de wc betrapte met een breinaald in mijn hand. Ik gebruikte het primitieve moordwapen om hem te bedreigen en poogde zijn rechteroog uit te steken. ‘Oké, lieverd, als jij dat kind niet wilt, dan is dat ook goed voor mij. Laat ons dan morgen bij de dokter langsgaan; een breinaald is nogal bruut.’ Zo graag zag hij mij en ook mijn schommelingen aanvaardde hij probleemloos, de schlemiel. Blixie De Groot vertelde me ooit dat hij enorm werd aangetrokken door onevenwichtige vrouwen. Ooit was hij verliefd geworden op een meisje dat colablikjes verknipte en zichzelf kerfde met de metalen scherven ervan. Nog wat later ontmoette hij een meisje met acute zelfmoordneigingen in de gang van de instelling waar zijn moeder verbleef, maar iets moois had er niet kunnen bloeien, want toen hij haar op een zekere dag het hof wilde gaan maken, kreeg hij te horen dat haar zestiende poging gelukt was. Maandenlang was hij er het hart van in geweest. Zijn attractiviteit naar de menselijke labiliteit komt hoogstwaarschijnlijk voort uit de wankele gezondheidstoestand van zijn moeder. 21


Het mens had het zelf ook anders gewild, maar haar geest had op zeer regelmatige basis last van onregelmatigheden en wilde uitspattingen. Hij had haar nooit anders gekend.

22


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401455633 by Uitgeverij Lannoo - Issuu