birdie
Laure Van Laure Van den Broeck Laure Van den Broeck den Broeck
DANSEN birdie DANSEN DANSEN IN DIEP ININ DIEP DIEP WATER WATER WATER
Overleven doe je ven niet alleen eOverleven je een doe je niet alleen
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Coverbeeld: © Kristy Campbell, Arcangel Omslagontwerp: Studio Lannoo (Aurélie Matthys) Opmaak: Mieke Smalle © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2012 (hardcover, eerste druk), 2019 (paperbackeditie) D/2019/45/126 nur 285/301 isbn 978 90 014 5561 9
Voor mama
DEEL EEN:
DE STAD
DONDERDAG Alweer was een bedompte donderdagmiddag langzaam aan het verwelken op St. Hilda’s Church of England High School. Mevrouw Simmons, de lerares geschiedenis, was in een toestand van bedwelming gebracht door het duistere weer en een stevige portie boerenworst met frietjes tijdens de lunch. Haar leerlingen, een klas van twintig, hadden als tieners gezamenlijk last van een verstoord bioritme en waren weggezonken in de vredige sluimer die zich doorgaans tot ver in de ochtend en een deel van de middag uitstrekte. Er was maar één lichaam in de klas dat rood opgloeide door een hartslag die steeds sneller en sneller en sneller ging: dat van Beatrice Munday, vijftien jaar oud. Onder normale omstandigheden was Beatrice, of Birdie (dat was het koosnaampje dat haar vader haar had gegeven toen ze nog een peuter was), net zo slaperig geweest als alle anderen, ze had poppetjes zitten tekenen en zitten geeuwen in de warme klas, waar net niet voldoende zuurstof was, en ze was zich niet bewust geweest van de wegsijpelende minuten en uren: oceanen van tijd, voor altijd verloren. Vanmiddag was anders. Vanmiddag moest ze een spreekbeurt houden, en ze was misselijk van angst. 6
Het was donker buiten, alsof iemand de late vlinder oktober had gevangen en achteloos had losgelaten in de diepvries van het ijzige, doodse november. De tl-verlichting brandde, met een nauwelijks waarneembaar geflikker, en Birdie vroeg zich af of ze erdoor zou gaan hyperventileren en stuiptrekkend op de grond vallen. De klok aan de wand gaf één minuut voor drie aan. Birdies hart klopte sneller. Het klopte zó hard dat ze amper verstond wat mevrouw Simmons aan het zeggen was tegen Florence Marmaduke, het meisje vooraan dat vragen moest beantwoorden over de zeventiende-eeuwse jakobieten en het Huis Stuart. Birdie besloot om het hele tafereel te negeren en zich in plaats daarvan te concentreren op Timmy Robbins vlak voor haar, die tekstberichtjes verstuurde. Timmy kon dat volkomen ongemerkt doen. Hij zat roerloos en staarde strak voor zich uit terwijl hij complete cryptische gesprekken voerde met de boefjes buiten. Hij kon het urenlang volhouden, bijna plichtsbewust, en zonder zijn arm zelfs maar te laten trillen. Birdie bewonderde hem er bijna om, zoals je mensen bewondert die braille kunnen lezen. Ze knipperde met haar ogen, en gedurende een fractie van een seconde zag ze helemaal niks. Haar zintuigen lieten haar in de steek, ze sloegen op tilt en een rood zwaailicht floepte aan in haar hoofd. Ze knipperde weer, en Florence doemde weer op in haar gezichtsveld. Florence was lang en buitengewoon stuurs voor een meisje van haar leeftijd. Geen enkele vraag over de schimmige, schimmelige jakobieten kon Florence van haar stuk brengen. Ze zag er zelfs verveeld uit, minstens zo verveeld als de rest van de klas, inclusief mevrouw Simmons, die Florence ondervroeg en met geveinsde interesse haar intens saaie en sloom geformuleerde antwoorden aanhoorde. 7
Florence en de lerares neuzelden zich knikkebollend naar het einde, en Birdie versteende. Straks zou ze moeten opstaan en Florences plaats innemen. Ze voelde haar benen niet, laat staan dat ze ze zou kunnen gebruiken. Uit haar ooghoek zag ze hoe mevrouw Simmons haar potlood oppakte en een aantekening maakte, en hoe Florence haar papieren verzamelde om terug te keren naar haar plaats. ‘Beatrice?’ Birdies ingewanden krompen in elkaar, als de voelsprieten van een slak die waren aangeraakt door een vinger, en haar hart sprong van een draf in een wilde galop. Ze slikte, maar behalve haar verschrompelde tong was er niets in haar mond om door te slikken. Mevrouw Simmons sloeg haar vermoeide blik op van de lijst waar ze net Florences cijfer had genoteerd, en liet hem scannend door de klas glijden. Birdie bevroor en antwoordde niet. Dat irriteerde mevrouw Simmons, en ze fronste toen ze Birdie eindelijk vond. ‘Kom op, jij bent aan de beurt.’ Mevrouw Simmons keek op haar horloge, zette haar bril af en knipperde behoedzaam de klas vol dagslapers in. Nog eentje te gaan, nog één houterige puber om naar te luisteren, en dan volgde de lange rit naar huis, waar ze werd opgewacht door een avondmaal van opgewarmde macaroni, een fles merlot en de laatste Twilight-dvd. Blind, lam en sprakeloos grabbelde Birdie naar de papieren op haar lessenaar, stond op, verloor bijna haar evenwicht, vond het terug en kwam in beweging. Lopen voelde vreemd trekkerig. Ze werd zeeziek van het bloed dat in haar lijf klotste, en ze beeldde zich in dat ze een gewond spoor achterliet dat haar klasgenoten zouden ruiken. Tegen de tijd dat ze voor in de klas stond, zouden ze wakker en alert zijn als kannibalen. Mevrouw Simmons zou 8
het niet kunnen laten om de verveling van haar les te verjagen met bijtend sarcastische opmerkingen. Nog één stap en ze was er. Het zou haar weken kosten om dit te boven te komen. Er werd kort en luid op de deur geklopt. Nog half verdwaasd van doodsangst staarde Birdie niet-begrijpend naar de deuropening, waar meneer Pratchett, de directeur, was opgedoken. Meneer Pratchett had iets van een inktvis, met kleine oogjes die waakzaam in zijn brede gezicht stonden, zijn mond die schuilging achter een grote snor en zijn gewoonte om zich in donkere hoekjes op te houden en zich uit het niets op ondeugende leerlingen te storten. Op zijn beurt staarde hij naar Birdie, fronsend, want de gang was donker en de klas felverlicht. Zonder iets te zeggen gaf hij mevrouw Simmons een teken en verdween weer in de schaduwen. Terwijl ze weg waren, deed Birdie alsof ze in de ban was van de regen die in beekjes langs het raam liep. Opluchting en wanhoop grepen haar om beurten naar de keel. Haar klasgenoten werden wakker, begonnen te kletsen, kraakten met hun vingers. Een wild gegiechel verspreidde zich over de achterste rij. Alfie Cumford had zijn kauwgom opgeblazen en probeerde hem weer in te slikken terwijl de reusachtige roze ballon van alle kanten werd bestookt met propjes papier. Mevrouw Simmons kwam de klas weer binnen, zag Alfie, rolde met haar ogen en zei: ‘Hou daarmee op, Cumford. Of wil je de directeur even spreken? Hij staat hier namelijk naast me.’ Alfie viste de roze prop met twee vingers uit zijn open mond en antwoordde, zonder een spier te vertrekken: ‘U mag me weer Jennings noemen, mevrouw. Mijn pa is weer thuis.’
9
Mevrouw Simmons negeerde de hilariteit en de triomfantelijk grijnzende Alfie en richtte zich tot Birdie, het verschrikte wezen bij het raam. ‘Beatrice? Wil je even meegaan met meneer Pratchett, alsjeblieft? Neem je spullen maar mee.’ Birdie deed ontsteld wat haar werd gevraagd. Ze had vaag de indruk dat haar verwijdering uit de les iets te maken moest hebben met haar spreekbeurt, alsof ze brutale, ongepaste dingen had verkondigd, maar ze was nog niet eens begonnen. Met haar hoofd naar beneden pakte ze snel haar tas. Iemand fluisterde: ‘Je hebt geluk, trut.’ Het volgende moment deed ze haar best om meneer Pratchett bij te houden. Hij neuriede, met een brommend geluid dat ietwat dreigend klonk, alsof zich diep in de spelonken van zijn massieve lichaam een op zijn beurt naar overtredingen spiedend wezen schuilhield. Hij leek zich niet van Birdie bewust. Meneer Pratchett geloofde heilig in de stelling dat je beter geen belangrijke zaken kon meedelen tijdens het wandelen. Ze kwamen aan bij zijn kantoor en hij hield met een ruk stil, zodat Birdie bijna tegen hem aanbotste. ‘Sorry’, mompelde ze, en ze drukte haar tas wat dichter tegen zich aan. ‘Na u, juffrouw.’ Hij zwaaide de deur open en wuifde haar naar binnen. Birdie had niet verwacht dat er iemand in het kantoor zou zijn, en ze schrok toen dat wel zo bleek. De persoon was haar moeder, die op haar beurt schrok toen ze binnenkwam. Net een ouderwets toneelstuk, dacht Birdie. Deuren die opengaan en mensen die opspringen. Haar moeder keek schuldbewust. Ze had postgevat bij het gigantische bureau van de directeur en lachte nerveus. 10
Meneer Pratchetts ernstige gelaatstrekken zakten nu onherroepelijk naar beneden. Birdie dacht dat ze wel kon raden waarom. Haar moeder had een kort denim rokje aan, ze droeg grote ronde oorbellen en een hippe zwarte trui met paarse cirkels en vleermuismouwen. Misschien was meneer Pratchett bang dat de geest van een leerlinge uit 1984 was teruggekomen om hem te kwellen. Hij herstelde zich, liep naar Felicity toe en stak een hand uit. ‘Mevrouw Munday? Pratchett. Aangenaam.’ Felicity glimlachte. ‘Prettig om kennis te maken, meneer Pratchett.’ Voordat ze zijn hand kon schudden, moest ze eerst de presse-papier kwijtraken die ze achter haar rug verborgen had gehouden. Het was een lelijk glazen ding met een gedroogde bloem binnenin, en het maakte een dof geluid toen ze het terugzette op het bureau. Birdie dook inwendig in elkaar. Haar moeder gaf meneer Pratchett een stralende glimlach. ‘Noem me maar Felicity.’ Ze gebaarde verontschuldigend in de richting van de presse-papier. ‘Een slechte rokersgewoonte. Ik moet altijd ergens aan friemelen.’ Meneer Pratchett geloofde heilig in nog een stelling, namelijk dat het het beste was om slechte gewoonten die hem terloops werden toevertrouwd, streng te negeren. Zo kregen zijn gesprekspartners nooit de indruk dat hij verwerpelijkheden als roken door de vingers kon zien. Zonder commentaar te geven liep hij naar zijn bureau en ging zitten. Zijn stilte was doordrongen van afkeuring. ‘Gaat u alsjeblieft zitten, mevrouw Munday. Beatrice.’ Hij maakte een afwezig gebaar naar twee stoelen, zijn blik gericht op de voorkant van een dossier dat voor hem in het midden van zijn bureau lag. Het was onmetelijk, dit bureau, een mastodont onder de bureaus, gemaakt van donker glanzend hout, en het deed denken aan het soort meubel waar een president aan zit als 11
hij foto’s laat maken. Het was ook helemaal leeg, op een pen, de lelijke presse-papier, een telefoon en het dossier na. Birdies dossier. Meneer Pratchett opende het, en zijn handen weerspiegelden in het glanzende oppervlak van zijn bureau. Felicity hield geboeid en met grote ronde ogen de weerspiegeling in de gaten. ‘Zo.’ Felicity keek op. ‘De kwestie is de volgende. U vraagt of Birdie op maandagmiddagen eerder van school weg mag. En mag ík vragen wat de reden daarvoor is?’ Birdie keek naar haar moeder, die elegant iets naar voren ging zitten en de directeur recht in de ogen blikte. ‘Wel, het gaat over Birdies sessies met dokter Anderson, de kinderpsychotherapeut in het Kingswood Health Centre. Dat is een aardig eindje buiten de stad, dus ik breng haar daarheen, maar dat komt me het beste uit op…’ Felicity praatte maar door. Birdie liet haar gedachten afdwalen. Ze vroeg zich af hoe de les geschiedenis verder was gegaan nadat ze zo plotseling was verdwenen. Mevrouw Simmons was er vast niet blij mee geweest. En ze zou de spreekbeurt een andere keer moeten houden. Felicity stootte Birdie aan. ‘Is het niet, lieverd?’ ‘Ja.’ Birdie knikte. Ze had niet opgelet, dus trok ze een mouw van haar trui over haar pols, keek met een lichte frons naar beneden en liet haar haren voor haar gezicht vallen. Meneer Pratchett zweeg. Er werd op de deur geroffeld en een spichtige schoolsecretaresse kwam door de deur gepriemd. Ze verontschuldigde zich en hield meneer Pratchett een papier voor, dat hij uit haar handen trok, zonder het te lezen ondertekende en haar teruggaf. De secretaresse schoot weer naar de deur, als een schichtig stekelbaarsje. 12
Meneer Pratchett richtte zijn ogen weer op Felicity en pufte vervaarlijk. ‘Is er geen andere oplossing? Een leerlinge toestemming geven om elke week lessen over te slaan, dat is geen lichtzinnige beslissing. En als zíj het mag, dan mag iedereen het.’ Felicity hield zijn blik geconcentreerd vast en haar ogen vernauwden zich lichtjes – een kat die haar baasje naar de koelkast probeert te sturen. ‘Maandag is de enige dag waarop het me lukt om haar te brengen. Ik werk tijdens het weekend, en ze kan er niet alleen naartoe. Het is te ver.’ ‘Kunt u niet…’ Meneer Pratchett zwol merkbaar op. ‘Kunt u uw dienst niet ruilen met een collega, mevrouw Munday? Sorry, ik ben vergeten wat u precies doet.’ Felicity’s ogen veranderden van kleur. Het had een waarschuwing voor meneer Pratchett moeten zijn, maar volgens Birdie merkte hij zulke subtiele dingen niet op. Aan zijn verbolgen gezichtsuitdrukking veranderde in elk geval niets toen Felicity, enigszins gepikeerd, verklaarde: ‘Ik ben visagiste en schoonheidsspecialiste. Ik heb de leiding over een drukke salon. In het weekend worden we overspoeld. Op maandag zijn we gesloten.’ Meneer Pratchett was niet onder de indruk. ‘Is er geen familielid dat Birdie kan brengen? Wie is er bij haar tijdens de weekends?’ Felicity liet haar hoofd zakken en keek enigszins verbitterd. ‘We hebben geen familie in de buurt. Birdie let gewoonlijk op zichzelf.’ Meneer Pratchett richtte zich naar Birdie. ‘Wat denk jij ervan?’ Hij keek haar onderzoekend aan over het glimmende bureau. ‘Denk je dat het eerlijk is tegenover de anderen als ik je zomaar toestemming geef? En hoe denk je je achterstand in te halen? Je cijfers liggen hier voor me.’ Hij ging met zijn dikke vinger langs een kolom. ‘Je haalt voor sommige vakken amper voldoendes. 13
Voor andere lig je boven het gemiddelde. Dat betekent dat er ruimte is voor verbetering. Geen enkele leerling is ooit beter gaan presteren door afwezigheid.’ Birdie staarde hem aan, niet goed wetend wat ze moest zeggen. Het leek haar dat hij een punt had, en haar moeder ook, dus trok ze een gepijnigd gezicht. Een gezichtsuitdrukking zei soms meer dan woorden. Misschien moest ze te kennen geven dat haar sessies met dokter Anderson niet haar eigen keuze waren. Dat ze naar hem toe ging omdat haar moeder dat een goed idee vond. Felicity daarentegen wist precies wat ze moest zeggen. ‘Dit is niet eerlijk tegenover Birdie, meneer Pratchett. Wat als ze invalide was geweest en naar een fysiotherapeut had gemoeten? Zijn lichaam en geest niet even belangrijk? Trouwens, haar therapie is de sleutel tot het behalen van goede schoolresultaten. Dokter Anderson zegt het zelf.’ Meneer Pratchett pakte de eenzame pen en tikte ermee op het dossier. Hij keek Birdie lang aan, met een zeldzaam vleugje sympathie in zijn blik. De stilte betekende een opening voor Felicity, en ze zette door. ‘Twee uurtjes gym zijn vast niet moeilijk in te halen. Ze kan na school blijven, of wanneer u maar wilt. En het is vast maar voor een paar maanden, tot ze helemaal beter is.’ ‘De gym kan me gestolen worden’, zei meneer Pratchett. ‘Dat begrijpt u toch wel. Het gaat erom dat ik geen… buitenschoolse… activiteiten…’ Hij werd rood. ‘Als ik die dingen tussen de leerlingen en hun lesrooster laat komen, dan ben ik mijn werk niet waard.’ Felicity, die netjes rechtop zat, haar glimlach helder en onvervaard, schudde langzaam haar hoofd toen ze de onhandige woorden ‘buitenschools’ en ‘activiteiten’ hoorde. De directeur had zich ondanks zijn jarenlange ervaring op het gladde ijs van 14
trauma’s, therapeuten en de strijd van alleenstaande werkende moeders laten lokken. Birdie wist dat haar moeder had gewonnen, nog voordat meneer Pratchett plotseling met een moorddadige blik in zijn ogen zei: ‘Goed, je krijgt toestemming.’ Hij griste een papier uit een la en krabbelde er nijdig iets op. ‘U hebt ons erg geholpen, meneer Pratchett.’ Toen ze het kantoor verlieten, groette meneer Pratchett Felicity nauwelijks, maar hij keek Birdie strak aan, met iets van teleurstelling in zijn koude vissenogen. Birdie zat alleen in de auto, die tegen de regels in bij de bushalte was geparkeerd. Felicity was snel even de winkel binnengegaan om wat spullen voor het avondeten te kopen. Het oorverdovende lawaai van de regen op het dak werkte kalmerend. Het verdreef trommelend de gedachten uit Birdies hoofd en masseerde een nare schooldag weg. Door het water dat over de voorruit gutste, voelde ze zich op een rare manier nat en droog tegelijk. De regen plensde zó hard dat ze maar een paar meter voor de auto uit kon kijken. Ze kon aan de buitenkant van het bushokje nog net een groot affiche voor een griezelfilm zien. Er stond een doodsbleek meisje op dat van die zwarte victoriaanse kleren droeg, een jurk die tot haar hals was dichtgeknoopt en een strenge scheiding in haar haren. Ze had een glazige blik in haar ogen. Haar gezicht was zichtbaar tussen de golven regenwater door, en het was net alsof ze op de bodem van een ondiep riviertje lag te wachten tot er iemand op de oever verscheen die ze kon grijpen en onder water sleuren. Birdie las de zin onder aan het affiche. Kun jij raden wat er mis is met dit meisje? Ze dacht diep na. Ze kon niks verzinnen. 15
Een van de achterportieren ging open en Felicity dumpte een plastic tas met boodschappen op de achterbank. Er zaten eieren in, melk, champignons, een pot bolognaisesaus en een fles frambozenwodka. En een pakje sigaretten. ‘Jezus.’ Felicity stapte in, smeet het portier dicht en vervloekte de regen. Met haar mouw probeerde ze de druppels weg te vegen die uit haar haren rolden en die als tranen over haar gezicht liepen. Ze greep boven zich en sloeg de zonneklep neer om in het spiegeltje te kijken. ‘Jezus, kijk mij nou. Ik had net zo goed met al m’n kleren aan in de douche kunnen stappen. Zo nat ben ik.’ Ze draaide de sleutel om in het contact en snoof geringschattend. ‘Godvers land. We hebben amper twee dagen zomer gehad, en nu verzuipt de herfst. Ik wilde dat we de boel konden verkopen en naar Spanje verhuizen.’ Het woord ‘Spanje’ was de laatste tijd wel vaker gevallen. Birdie stelde zich haar moeder voor, languit over een ligstoel gedrapeerd, wuivend naar iemand (Birdie?) om haar een drankje te brengen. Felicity knikte, alsof een onzichtbare derde aanwezige haar om meer uitleg had gevraagd. ‘O ja. Spanje. Ik heb laatst nog een artikel gelezen waarin stond dat de zon goed voor je is. De vitamine D uit zonlicht beschermt je tegen kanker. Maar je moet goed smeren, dat spreekt voor zich, en genoeg ketchup eten. Anders krijg je rimpels.’ Het drukke verkeer schoof langzaam verder de ringweg af tot het de snelweg op kon. De stortregen werd intenser, en Felicity moest haar stem verheffen om zich verstaanbaar te maken. ‘Die Pratchett liet je niet zomaar gaan, hè? Wat een droogstoppel. Typisch zo’n saaie onderwijzer. Niks kan tussen hen en hun dierbare lesrooster komen. Ik háátte school toen ik jouw leeftijd had.’ De verkeerslichten waren op oranje gesprongen en Felicity 16
remde. De auto kwam tot stilstand in een riviertje dat door het midden van de straat liep. ‘Ik ook’, zei Birdie. ‘Ik haat het ook.’ Felicity beet op haar lip en schudde haar hoofd. ‘Eerlijk gezegd, lieveling, heb je de school niet echt nodig. Waarom zou je al die tijd verspillen met leren als je gewoon kunt werken? Neem mij nou. Ik heb een fijne baan en niemand hoeft me iets te vertellen. En je vader was net hetzelfde. Ik zie niet in waarom jij anders zou zijn.’ Het was een tikkeltje vreemd wat Felicity zei, dat vond zelfs Birdie, aangezien haar vader in de gevangenis was gestorven toen ze tien was. Maar hij was geen misdadiger geweest. Hij had gewoon erg veel pech gehad. Toen het pas was gebeurd, maakte Felicity een korte, hevige rouwperiode door waarin ze alles behalve haar eigen verdriet uit het oog verloor. Ze sloot zichzelf op in de badkamer met haar sigaretten en een fles wijn. Birdie, ziek van ongerustheid, hield buiten de wacht met één oor tegen de deur gedrukt. Het zachte geklots van haar moeder in het warme water kalmeerde haar, maar soms werd het helemaal stil, en alles wat Birdie dan nog hoorde was zacht gesnik, tot ze besefte dat het geen gesnik was maar het regelmatige drup-drup-drup van de kraan en ineens was ze roerloos van angst, ervan overtuigd dat Felicity in het bad was verdronken. Ze sloot haar ogen en probeerde uit alle macht om niet weg te rennen en beet op haar tanden en verplichtte zichzelf om op de deur te kloppen en te vragen of Felicity een kopje thee wilde. En elke keer deed ze het bijna in haar broek van opluchting als Felicity antwoordde, met een dikke, slaperige stem. ‘Wat een dinosaurus, die Pratchett. Ik durf te wedden dat hij liever zou willen dat je in een hoekje verslaafd zit te raken 17
aan pilletjes tegen depressie dan dat je naar therapie gaat. Ik wil heus niet beweren dat alle pillen slecht zijn, maar dokter Anderson waarschuwt altijd tegen pillen. En wie weet het beter? Een verslodderde ouwe schooldirecteur met een verlopen snor of een gediplomeerde psychotherapeut?’ Birdie gaf geen antwoord. Felicity trok haar wenkbrauwen op. ‘Precies. Dokter Anderson is een groot man. Een wijze man. Niet iemand die maar zit af te bladderen in een muffe school. Voor een vent van zijn leeftijd ziet dokter Anderson er nog heel goed uit.’ Er viel een korte stilte en Birdie dacht aan dokter Anderson, die een grote, opzichtige zegelring droeg, die hij alsmaar ronddraaide aan zijn vinger. ‘Wat is er met dit verkeer aan de hand? Waarom staan we stil?’ De file kroop naar de lichten, die van rood op oranje sprongen, en Felicity gaf gas. Uit het niets kwam plotseling een fietser die nog snel wilde oversteken. ‘Pas op, mam.’ ‘Stomme idioot!’ Felicity zwenkte vervaarlijk uit en ontweek de fietser op het nippertje. ‘Dat scheelde een haar. Fietsen is gekkenwerk. Raak nooit een fiets aan, hoor je, tenzij je zelfmoordplannen hebt.’ Ze reden in stilte verder, tot ze hun eigen smalle straat in draaiden, een straat zoals er duizend straten waren, met allemaal kleine, identieke huizen. Sommige huisjes waren behoorlijk verwaarloosd. Felicity parkeerde en zette de motor af, maar ze stapten niet meteen uit. Ze strekte haar armen en geeuwde. ‘Hier zijn we weer.’ Birdie rilde. De klamme kou was in haar kleren gaan zitten, zeker nu de verwarming in de auto uit was. 18
‘Heb je het koud, schat?’ Felicity’s mascara was uitgelopen, maar ze glimlachte. ‘Kom, we gaan gauw naar binnen.’ Ze pakte haar handtas, maar keek toen weer naar Birdie, met een peinzende blik. ‘Je ziet er zo verloren uit, lieverd. Ik kan er niet tegen.’ Birdie probeerde te glimlachen. Ze voelde zich helemaal niet verloren. Alleen koud. ‘Je bent zo stil. Ik weet echt niet van wie je dat hebt.’
19