Het ellendige eerste boek
Het verderfelijke vierde boek vertaald door Huberte Vriesendorp met tekeningen van Brett Helquist
www.lannoo.com Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveel voudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 ISBN 978 94 014 5558 9 D/2018/45/555 NUR 282/283 Oorspronkelijke titel A Series of Unfortunate Events – The Miserable Mill © Oorspronkelijke uitgever HarperCollins, 2000 Tekst copyright © Daniel Handler, onder het pseudoniem Lemony Snicket, 2000 Illustraties copyright © Brett Helquist, 2000 en 2018 (omslagsilhouet) Vormgeving: Studio Lannoo (Nele Reyniers) en Mieke Smalle © Nederlandse editie Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 © Vertaling Huberte Vriesendorp
Voor Beatrice – Mijn liefde vloog als een vlinder op Maar de dood dook als een vleermuis neer Zoals dichteres Emma Montana McElroy zei: ‘Dit is het eind en dan niets meer.’
et zal je in je leven weleens overkomen – al heel gauw zelfs – dat je een boek aan het lezen bent. Misschien valt het je dan op dat je vaak al aan de eerste regel van een boek kunt zien wat voor verhaal in het boek staat. Als een boek bijvoorbeeld begint met de zin: ‘Er woonde eens een familie reuzeslimme eekhoorntjes in een holle boom’, dan volgt er waarschijnlijk een verhaal vol sprekende dieren die allerlei kattenkwaad uithalen. In een boek dat begint met de zin: ‘Emmie ging zitten en keek naar de stapel pannenkoeken die haar moeder voor haar had gebakken, maar ze was zo zenuwachtig over Kamp Boompjes dat ze geen hap door haar keel kon krijgen’, staat waarschijnlijk een verhaal vol giechelige meisjes die dolle pret hebben. En in een boek dat begint met
9
de zin: ‘Gerard rook het leer van zijn splinternieuwe voetbal en wachtte ongeduldig tot zijn beste vriend Lars de hoek om kwam’, staat waarschijnlijk een verhaal vol zwetende jongens die een of andere trofee winnen. En als je houdt van kattenkwaad, dolle pret of trofeeën, dan weet je meteen welk boek je moet lezen en kun je de rest weggooien. Maar dit boek begint met de zin: ‘De Baudelairewezen keken uit het vuile raam van de trein naar het sombere zwart van het Warse Woud, en vroegen zich af of het ooit nog de goede kant op zou gaan met hun leven’, en dus zou je moeten weten dat het verhaal dat daarop volgt heel anders wordt dan het verhaal van Gerard of Emmie of de familie reuze slimme eekhoorntjes. En dat om de eenvoudige reden dat het leven van Violet, Claus en Roosje Baudelaire heel anders is dan het leven van de meeste mensen, met als voornaamste verschil de hoeveelheid ongeluk, ellende en wanhoop. De drie kinderen hebben geen tijd voor kattenkwaad omdat het ongeluk hen achtervolgt, waar ze ook heen gaan. Ze hebben geen dolle pret meer gehad sinds hun ouders de dood vonden in een verschrikkelijke brand. En de enige trofee die zij zouden kunnen winnen,
10
zou een Eerste Prijs voor Kommer en Kwel zijn. Het is natuurlijk schandelijk onrechtvaardig dat de Baudelaires zoveel moeilijkheden hebben, maar zo gaat het verhaal nu eenmaal. Nu weet je dus dat de eerste zin wordt: ‘De Baudelaire-wezen keken uit het vuile raam van de trein naar het sombere zwart van het Warse Woud, en vroegen zich af of het ooit nog de goede kant op zou gaan met hun leven.’ Als je geen zin hebt in een heel onplezierig verhaal, dan kun je dit boek maar beter wegleggen. De Baudelaire-wezen keken uit het vuile raam van de trein naar het sombere zwart van het Warse Woud, en vroegen zich af of het ooit nog de goede kant op zou gaan met hun leven. Zonet had een stem door de krakende luidspreker meegedeeld dat ze over een paar minuten zouden aankomen in het stadje Prutseradeel, waar hun nieuwe voogd woonde, en ze konden er niets aan doen dat ze zich afvroegen wie ter wereld in zo’n duister, spookachtig landschap zou willen wonen. Violet, die met veertien de oudste Baudelaire was, keek naar buiten naar de bomen van het woud, die heel lang waren en haast geen zijtakken hadden, waardoor
11
ze meer op metalen pijpen leken dan op bomen. Violet was uitvinder, en in haar hoofd was ze altijd bezig met het ontwerpen van machines en toestellen. Ze bond dan altijd haar haren bijeen met een lint om haar te helpen denken. En terwijl ze zo naar buiten naar de bomen keek, dacht ze na over een mechanisch hulpmiddel waarmee je naar de top van elke boom kon klimmen, hoe kaal hij ook was. Claus, die twaalf was, keek neer op de bosgrond die bedekt was met bruine plekken mos. Claus deed niets liever dan lezen en hij probeerde zich te herinneren wat hij over de Prutseradeelse mossen had gelezen en of er ook eetbare soorten bij waren. En Roosje, die nog maar een baby was, keek naar de rookgrijze hemel die over het woud hing als een natte trui. Roosje had vier scherpe tanden en was vooral geĂŻnteresseerd in dingen om in te bijten, dus ze wilde graag weten waar ze in deze streek in zou kunnen bijten. Maar terwijl Violet haar uitvinding begon uit te werken en Claus aan zijn mosonderzoek dacht en Roosje haar mond open- en dichtdeed als een soort voorbereiding op het bijten, zag het Warse Woud er zo weinig inspirerend uit dat ze er niets aan konden doen dat ze zich afvroegen of het wel prettig wonen zou zijn in hun nieuwe woonplaats.
12
‘Wat een prachtig bos!’ zei meneer Poe en hij hoestte in een witte zakdoek. Meneer Poe was een bankier die sinds de brand belast was met de Baudelaire-zaken, en ik moet zeggen dat hij er niet veel van terechtbracht. Zijn twee voornaamste taken waren de weeskinderen goed onderbrengen en het grote fortuin beschermen dat hun ouders de kinderen hadden nagelaten, maar tot dusver waren alle plaatsen waar hij de Baudelaires had ondergebracht catastrofaal geweest – een woord dat hier betekent: rampzalig door tragische gebeurtenissen, bedrog en graaf Olaf. Graaf Olaf was een verschrikkelijke man die het Baudelaire-fortuin voor zichzelf wilde hebben en die het probeerde te stelen met alle walgelijke plannetjes die hij maar kon bedenken. Keer op keer was hij daar bijna in geslaagd, keer op keer hadden de Baudelaires zijn plannen verijdeld, en keer op keer had hij weten te ontsnappen. En het enige wat meneer Poe had gedaan, was hoesten. Nu vergezelde hij de kinderen naar Prutseradeel, en het spijt me vreselijk dat ik je moet vertellen dat graaf Olaf opnieuw zal verschijnen met een nieuw walgelijk plan, en dat meneer Poe opnieuw niets zal doen waar ze iets aan hebben. ‘Wat een prachtig bos!’ zei meneer Poe nog eens,
13
toen hij uitgehoest was. ‘Hier zullen jullie vast een goed thuis vinden. Dat hoop ik in elk geval, want ik heb zojuist promotie gemaakt bij Frisbees Financiën. Ik ben voortaan Vicepresident belast met de Munten en ik zal het drukker krijgen dan ooit. Als hier iets misgaat met jullie, zal ik jullie naar een kostschool moeten sturen tot ik tijd heb om een ander thuis voor jullie te zoeken, dus denk erom dat jullie je goed gedragen.’ ‘Ja, natuurlijk, meneer Poe’, zei Violet. Ze zei er maar niet bij dat zij en haar broer en zusje zich altijd goed hadden gedragen, maar dat ze daar nooit veel mee waren opgeschoten. ‘Hoe heet onze nieuwe voogd?’ vroeg Claus. ‘Dat hebt u ons niet verteld.’ Meneer Poe haalde een velletje papier uit zijn zak en bekeek het. ‘Zijn naam is meneer Wuz… meneer Qui… Ik kan het niet uitspreken. Het is heel lang en moeilijk.’ ‘Mag ik eens kijken?’ vroeg Claus ‘Misschien kan ik erachter komen hoe je het uit moet spreken.’ ‘Nee, nee’, zei meneer Poe en hij stopte het papiertje weg. ‘Als het voor een volwassen mens al te moeilijk is, dan kan een kind het zeker niet.’
14
‘Ghand!’ krijste Roosje. Zoals veel baby’s praatte Roosje in geluiden die niet altijd even gemakkelijk te vertalen waren. Dit keer bedoelde ze waarschijnlijk zoveel als: ‘Maar Claus leest heel veel moeilijke boeken!’ ‘Hij zal jullie wel vertellen hoe jullie hem moeten noemen’, vervolgde meneer Poe, alsof Roosje niets had gezegd. ‘Jullie zullen hem vinden in het hoofdkantoor van de Goed Geluk Zagerij, die naar het schijnt maar een klein eindje lopen van het station af is.’ ‘Gaat u niet met ons mee?’ vroeg Violet. ‘Nee’, zei meneer Poe en hij hoestte weer in zijn zakdoek. ‘De trein stopt maar één keer per dag in Prutseradeel, dus als ik uit zou stappen, zou ik er de nacht moeten doorbrengen en dan mis ik nog een dag op de bank. Ik zet jullie gewoon af en ga dan meteen terug naar de stad.’ De Baudelaire-wezen keken bezorgd uit het raam. Ze vonden het niet erg plezierig om gewoon ergens afgezet te worden, alsof ze een pizza waren die bezorgd werd, in plaats van drie kinderen die helemaal alleen op de wereld waren. ‘En als graaf Olaf weer opduikt?’ vroeg Claus zachtjes. ‘Hij heeft gezworen dat hij ons weer zou vinden.’
15
‘Ik heb meneer Bek… meneer Duy… Ik heb jullie nieuwe verzorger een volledige beschrijving van graaf Olaf gegeven’, zei meneer Poe. ‘Dus mocht het onwaarschijnlijke geval zich voordoen dat hij in Prutseradeel verschijnt, dan zal meneer Sjo… meneer Gek… de politie daarvan in kennis stellen.’ ‘Maar graaf Olaf vermomt zich altijd’, zei Violet. ‘Hij is vaak heel moeilijk te herkennen. Bijna het enige waar je hem aan kunt herkennen, is het oog dat op zijn enkel getatoeëerd is.’ ‘Ik heb de tatoeage opgenomen in mijn beschrijving’, zei meneer Poe ongeduldig. ‘En hoe zit het met de assistenten van graaf Olaf?’ vroeg Claus. ‘Hij heeft er meestal minstens eentje bij zich om hem te helpen bij zijn bedriegerijen.’ ‘Ik heb ze allemaal beschreven voor meneer… voor de eigenaar van de houtzagerij’, zei meneer Poe en hij stak een vinger op voor elke afschuwelijke makker van graaf Olaf. ‘De man met haken in plaats van handen. De kale man met de lange neus. Twee vrouwen met wit poeder over hun hele gezicht. En die dikke die niet op een vrouw en niet op een man lijkt. Jullie nieuwe voogd weet alles van ze af en als er problemen zijn, kunnen jullie altijd contact
16
opnemen met mij of met een van mijn collega’s bij Frisbees Financiën.’ ‘Casca’, zei Roosje somber. Ze bedoelde waarschijnlijk zoveel als: ‘Dat is geen grote geruststelling’, maar niemand hoorde haar door het gefluit waarmee de trein bij het station van Prutseradeel aankwam. ‘We zijn er’, zei meneer Poe, en voor de kinderen er erg in hadden, stonden ze op het perron en zagen ze de trein weer verdwijnen tussen de donkere bomen van het Warse Woud. Het gerommel van de locomotief klonk zachter en zachter toen de trein met grote vaart uit het zicht verdween, en algauw waren de drie weeskinderen totaal verlaten en alleen. ‘Kom mee’, zei Violet. Ze pakte het tasje met hun weinige kleren. ‘Laten we de Goed Geluk Zagerij gaan zoeken. Dan kunnen we kennismaken met onze nieuwe voogd.’ ‘Of in elk geval achter zijn naam komen’, zei Claus somber en hij pakte Roosjes hand. Als je ooit eens vakantieplannen maakt, zul je misschien iets hebben aan een reisgids, een boek waarin een lijst staat van interessante en mooie plekjes die je moet zien en met handige tips over wat je moet doen als je daar aankomt. Prutseradeel staat
17
in geen enkele reisgids, en toen de Baudelaire-wezen de enige straat van Prutseradeel af liepen, zagen ze meteen waarom niet. Er waren een paar winkeltjes aan weerszijden van de straat, maar ze hadden geen ramen. Er was een postkantoortje, maar in plaats van een vlag bengelde er een oude schoen aan de top van de vlaggenstok, en aan de overkant van het postkantoor stond een hoge houten schutting die helemaal doorliep tot aan het einde van de straat. In het midden van de schutting zat een hoge deur, ook van hout, met de woorden ‘Goed Geluk Zagerij’ erop, geschreven met letters die er hobbelig en slijmerig uitzagen. Langs de stoep, waar een rij bomen had kunnen staan, stonden torenhoge stapels oude kranten. Kortom, alles wat een plaats interessant of mooi zou kunnen maken, was hier saai en lelijk. Als Prutseradeel in een reisgids had gestaan, zou dit de enige nuttige tip zijn over wat je moest doen als je er aankwam: ‘Meteen vertrekken!’ Maar dat konden de Baudelaires natuurlijk niet doen, dus nam Violet de jongere kinderen met een zucht mee naar de houten deur. Ze wilde net aankloppen toen Claus haar schouder aanraakte en zei: ‘Kijk.’
18
‘Ik zie het’, zei ze. Violet dacht dat hij het had over de letters van ‘Goed Geluk Zagerij’. Nu ze voor de deur stonden, zagen de kinderen waarom de letters er zo hobbelig en slijmerig uitzagen: ze waren gemaakt van grote plakkaten uitgekauwde kauwgum, die op de deur waren gedrukt in de vorm van letters. Afgezien van een bord dat ik een keer heb gezien met ‘Pas op’ erop in letters gemaakt van dode apen, was het opschrift ‘Goed Geluk Zagerij’ het walgelijkste ter wereld. Daarom dacht Violet dat haar broer dat bedoelde. Maar toen ze zich omdraaide om te zeggen hoe smerig ze het vond, zag ze dat hij niet naar de letters keek, maar naar het einde van de straat. ‘Kijk’, zei Claus nog eens, maar Violet had al gezien waar hij naar keek. Ze stonden naast elkaar zonder iets te zeggen en staarden naar een gebouw aan het einde van de enige straat van Prutseradeel. Roosje stond de tandafdrukken in de kauwgum te bestuderen, maar toen haar broer en zus zwegen, keek ze op en zag het ook. Een paar seconden keken de Baudelaire-wezen alleen maar. ‘Het moet toeval zijn’, zei Violet na een lange pauze. ‘Ja natuurlijk’, zei Claus zenuwachtig. ‘Toeval.’
19
‘Varni’, zei Roosje instemmend, maar ze geloofde er niets van. Dat deden de weeskinderen geen van allen. Aangekomen bij de zagerij, was hun oog gevallen op een gebouwtje aan het uiteinde van de straat. Net als de andere huizen in het dorp had het geen ramen, alleen een ronde deur in het midden. Maar het waren de vorm van het gebouw en de kleur waarin het geverfd was die ervoor zorgden dat de Baudelaires hun ogen er niet van af konden houden. Het gebouwtje had een soort ovale vorm en langs de bovenrand staken gebogen zwarte stokken uit. Het grootste deel van het ovaal was bruin geverfd met een grote witte cirkel in het midden, en in de witte cirkel zat een kleinere groene cirkel met een paar zwarte treetjes naar een rond zwart deurtje, dat eruitzag als een nog kleinere cirkel binnen in de groene. Het huis was gebouwd in de vorm van een oog. De kinderen keken naar elkaar en daarna naar het gebouw en daarna weer naar elkaar. Ze schudden hun hoofd. Hoe ze ook hun best deden, ze konden gewoonweg niet geloven dat het toeval was dat in het dorp waar zij gingen wonen een gebouw stond dat een sprekende gelijkenis vertoonde met de tatoeage van graaf Olaf.
20