Skip to main content

9789401455336

Page 1

Leo Bormans

geluk met illustraties van Sebastiaan Van Doninck

voor kinderen

Warme verhalen om van het leven een feest te maken


ONTDEK WA AR JE GOED IN BENT

Trochi Trochi zit stil op een dunne tak. Hij kijkt naar de rode bloemen voor zich. Mmm. Daar zit veel nectar in. Dat is lekker. Hij wil zijn scherpe, lange tong tussen de blaadjes van de bloemen steken. Maar de bloemen hebben hun blaadjes dichtgevouwen. Trochi kan er niet meer in. Hij kijkt naar boven. Tegen een hoge boom van het regenwoud slingert een liaan traag naar de wolken. Ze gaat op zoek naar licht van de zon. Hier bij de rode bloemen is geen zon te zien. Alleen maar regen. Al vele dagen regen. Regen. Regen. Dan blijven de bloemen dicht. Trochi heeft honger. Tegen de bomen achter hem kleven dunne nesten van mos. Daarin schuilen zijn papa, mama, broertjes en zusjes voor de regen. Ze zijn helemaal nat. De takken zijn nat. Het mos is nat. Hun veren zijn nat. De lange, kromme snavels van heel zijn familie steken uit het nest. Met die snavels kunnen ze heel goed in het hart van de bloemen komen. Maar die blijven dicht. Overal ziet Trochi doorweekte nesten hangen vol kleine vogels die stilaan hun kleur verliezen. Overal hoor je zwak gepiep. De meeste vogels zijn ziek geworden. Ze vinden nergens eten. Trochi kijkt naar de donkere wolken. Ze zitten vol nieuwe regen. Soms ziet hij een andere vogel. Die vliegt met de wolken en de wind mee. Als we de zon willen vinden, zullen we de andere kant op moeten. Tegen de wolken en de wind in, denkt Trochi. We kunnen hier toch niet langer blijven wachten tot we allemaal dood zijn? Trochi waaiert zijn kleine vleugels uit. Ze flapperen wel honderd keer op en neer. Hij wil vertrekken. Nu. Helemaal de andere kant op. Hij vraagt aan zijn vriendjes in de andere bomen of ze meevliegen. Naar de zon en de bloemen. ‘Dat gaat niet. We krijgen te veel regen in ons gezicht!’ zuchten de vogels. ‘Dan vliegen we toch achteruit’, roept Trochi. ‘Wij zijn kolibries. Wij kunnen achteruit vliegen.’ Zijn vriendjes lachen. Daar hadden ze nog niet aan gedacht. Ze draaien hun blauwe en groene staarten de andere kant op. Hun vleugels draaien als de wieken van een helikopter.

13


Trochi kijkt naar zijn doorregende familie in hun slappe nest. ‘Vooruit’, zegt hij. ‘Nee’, lachen zijn vrienden. ‘Achteruit!’ Zzzzzzm. Er stijgt een zacht gezoem op uit het regenwoud. Zzzzzzm. Daar hangen honderd kleine vogeltjes klaar om te vertrekken. Geel, groen, rood, blauw. Zzzzm. Ze vliegen allemaal samen achteruit tegen de wind in. En dat gaat snel. Heel snel! Zoef! Hun kleine vleugels klapperen in de wind. Zoef! Een luiaard die in de bomen hangt, schrikt zich rot als de brigade kolibries voorbijflitst. Zo snel gaan ze. Het blijft regenen. Regenen. Regenen. ‘We moeten even rusten’, roept Trochi. De kolibries strijken neer onder grote bananenbladeren. Hier is het droog. In het bananenbos houden de bladeren als grote paraplu’s de regen tegen. ‘Daar! Een zonnestraal!’ roept Trochi. De vogels kijken naar boven. Er priemt een zonnestraal dwars door de wolken en de bananenbladeren. En nog een. In de struiken rondom de vogels gaan de grote oranje bloemen langzaam open. Zij hebben in de regen lang op de zon gewacht. De kolibries rollen hun lange, dunne tong uit hun bek. Slurp. Slurp. Ze halen met grote teugen nectar uit de bloeiende bloemen. Die stoppen ze in het kleine rugzakje in hun nek. Genoeg voor de hele familie. Als de zakjes vol nectar zitten, stijgen ze met z’n allen op, loodrecht de lucht in. Met hun spitse bekken vooruit zoeven ze als honderd pijltjes door de lucht. Recht naar huis. Daar landen honderd helikoptervogels in de regen. Ze hebben allemaal een zakje vol nectar op hun schouders. Alle vogels steken hun snavel uit hun natte nesten. Er is nectar voor iedereen. ‘Dank je’, kwetteren ze. ‘Dank je.’ ‘Straks komt de zon’, zegt Trochi. ‘Straks! We hebben haar al gezien! Ze komt. Na regen komt zonneschijn. Altijd.’ ‘Maar daar moet je niet altijd op zitten wachten’, lachen zijn vrienden, terwijl hun vleugels klapperen van plezier. Straks heeft iedereen weer eten. De nestjes zullen drogen. En de rode bloemen zullen zich openen als feestelijke fonteinen. Trochi stijgt als een helikopter recht omhoog tot in de kruinen van de hoogste bomen van het regenwoud. De wolken blijven donker. Heel ver weg ziet hij een klein straaltje zon. Dan laat hij zijn kleine vleugels even rusten. ‘Straks’, lacht hij. ‘Straks komt de zon.’

Alles gehoord?

Nu jij!

•

Wat eet Trochi graag?

•

Trochi wil in de bloemen, maar hij kan dat niet. Wat wil jij soms dat je nog niet kunt?

•

Waarom heeft iedereen honger?

•

Hoe weet je dat Trochi dapper is? Wanneer ben jij wel eens dapper?

•

Wat kan een kolibrie dat andere

•

Trochi zoekt niet alleen eten voor zichzelf. Wanneer doe jij wel eens iets voor een ander?

vogels niet kunnen?

•

Wat betekent ‘Na regen komt zonneschijn’?

•

Waar vinden ze toch open bloemen?

•

Hoe helpen Trochi en zijn vrienden hun familie?

Welk voorbeeld uit je eigen leven kun je daarvan geven? •

De kolibrie is het officiële symbool van het onderzoek naar diabetes. Weet jij wat diabetes is? Zoek het eens op.

16


‘Straks komt de zon!’

ONTDEK WAAR JE GOED IN BENT 0 We weten nog altijd niet precies hoe het komt dat

alleen moet kijken naar wat slecht gaat. Iedereen heeft

zo’n kleine kolibrie zoveel kan. Hij toont ons dat er meer

een kracht die hij kan inzetten om zijn doel te bereiken.

mogelijk is dan we soms denken. We noemen hem een

Na regen komt zonneschijn. Al kan dat soms lang duren.

‘optimist’ omdat hij zo snel recht omhoog kan vliegen

0 Voor de voorlezer: Wanneer ging het jou wel eens moeilijk

en altijd alle richtingen uit kan. Trochi leert ons dat je niet

in het leven? Wat heb je toen gedaan? Vertel erover.

Wie is Trochi? •

De familie van Trochi heet in het Latijn Trochilidae. Het zijn kolibries. Dat zijn

Doen! •

In het Engels heten kolibries humming birds

de kleinste vogeltjes ter wereld. Sommige kolibries zijn slechts zo groot als

omdat hun klapperende vleugeltjes zoemen

een bij. Met hun lange snavel en tong kunnen ze de nectar diep tussen de

zoals wij neuriën. Neurie een liedje. De anderen

bloemblaadjes vandaan halen. Ze kunnen heel snel vliegen. Soms wel 100 km

moeten raden welk liedje het is.

per uur. Het is de enige vogelsoort die ook recht naar boven en naar beneden

•

Kolibries kunnen achteruit vliegen. Speel dit

en achteruit kan vliegen, net als een helikopter. De regen is hun ergste vijand.

spelletje met twee. Stel wat hindernissen op.

Als het regent blijven de bloemen dicht. Dan kunnen ze niet bij de nectar die ze

Doe je ogen dicht en loop voorzichtig achteruit.

nodig hebben om te overleven. Elke kolibrie heeft een klein zakje nectar in

De ander moet je goede raad geven zodat je

zijn nek. Daardoor blijft hij ook in evenwicht terwijl hij eet. Kolibries kunnen

nergens tegenaan loopt. Wees voorzichtig!

vijftien jaar oud worden. Bekijk samen eens een filmpje over de dans van de kolibrie. Je gelooft je ogen niet!

17


WEES NIET BANG

Turdus ‘Tsjink. Tsjink. Tsjink’, roept zijn mama. Turdus weet dat hij dan onmiddellijk in de struiken moet duiken. Hij kijkt voorzichtig om zich heen. ‘Tsjink. Tsjink. Tsjink.’ Mama ratelt hard en scherp door het bos. Ze is bang. Mama is eigenlijk de hele dag bang. ‘Kijk uit! Die grote vogel gaat je opeten! Pas op! Die bessen zijn giftig! Niet bewegen. Stilzitten.’ Turdus is niet bang. Hij steekt zijn gele bek in de lucht en vliegt laag over de struiken. Vliegen vindt hij fijn. Hij zweeft op en neer door de lucht, zoals golven in het water. Steeds verder vliegt hij. Hij landt in de top van een boom. Zijn staart wipt even omhoog. Dan begint hij vrolijk te fluiten. Iedereen mag horen hoe blij hij is. Aan de rand van het bos staan huizen. Daar wonen mensen. ‘Tsjink. Tsjink’, schettert zijn mama als hij daarover vertelt. ‘Daar moet je wegblijven. Ze eten je op!’ Maar Turdus heeft in de tuin van de mensen een voederbak vol zaden ontdekt. Lekker! Aan de struiken van de mensentuin groeien bessen die hij nog nooit had geproefd. Lekker. Lekker! De man van de tuin maait het gras. Turdus begint te zingen van plezier. Als de man weg is, duikt Turdus naar het groene grasveld. Hij tikt met zijn gele snavel op de grond. Daar komt al een warme worm tevoorschijn piepen. Hap! En nog een. En nog een. Hij hakt en harkt in de grond terwijl hij wippend wormen eet. ‘Je mag geen wormen eten. Je moet bessen eten. Blauwe bessen’, zegt zijn mama altijd. De man van de tuin komt terug. Turdus wipt gewoon verder. ‘Tsrrie’, zegt Turdus met een rollende ‘r’. ‘Tsrrie.’ Dat wil zeggen: ‘Ik voel me goed en ben niet bang.’ Hij vliegt naar de nok van het dak. Daar zingt hij zijn mooiste lied. De kinderen van het huis komen naar buiten. Een mevrouw met een gele jas fietst voorbij en zoekt de zanger op het dak. Iedereen wordt er vrolijk van. ‘Tsjink. Tsjink. Tsjink! Kom onmiddellijk naar huis!’ De mama van Turdus is tot in de hoge boom aan de rand van het bos gevlogen. Ze trilt. ‘De mensen eten je op!’ roept ze.

18


Turdus stopt snel een groene en een rode bes in zijn bek. Dan vliegt hij golvend naar de boom van zijn mama. Hij landt met zijn staart in de lucht bij de wortels van de boom. Hij hakt en harkt in het zand en plant er de rode en de groene bes. Daarna gaat hij boven in de boom naast zijn mama zitten. ‘Je moet niet zo bang zijn’, zegt Turdus. ‘De mensen eten mij niet op. Ze strooien brood en zaadjes. En in het gras springen de dikste wormen zomaar in je bek.’ ‘Je moet bessen eten’, schettert mama. ‘Blauwe bessen. Alleen maar blauwe bessen.’ ‘Je moet de groene en de rode bessen zelf eens proeven’, zegt Turdus. ‘Ik kom ze voor jou planten, onder aan deze boom. Dan hoef je het bos niet uit om ze volgend jaar op te eten.’ Mama schudt haar kop, bek en veren. Door de gele ringen rond haar ogen lijkt ze wel een knipperlicht dat overal gevaar ziet. ‘Al die nieuwe dingen zijn niks voor mij’, zegt ze, terwijl ze haar kop schuin houdt om te zien of alles veilig is. ‘Vlieg je met me mee naar de mensentuin?’ vraagt Turdus. Hij wacht niet eens op het antwoord. Weg is hij. Als een surfer op de wind strijkt hij neer bij de groene en rode bessen, de zaadjes en de dikke wormen. Hij hakt en hij harkt. Hij fluit en hij zingt. Vanaf het dak van het huis kijkt hij naar zijn mama in de hoge boom aan de rand van het bos. Ze draaien allebei hun kop een beetje schuin. Hun gele oogringen vormen nu één rechte lijn. Ze kijken elkaar strak in de ogen. ‘Tsrrie’, rolt Turdus. Hij wacht. Dan klinkt vanuit de hoge boom een voorzichtig ‘Tsrrie’ terug. ‘Eén, twee, tsrrie’, fluit Turdus. Het is het begin van een heel mooi lied dat hij samen met zijn mama zingt. Tussen blij en bang en boos. Tussen het bos, de bomen en de tuin.

Alles gehoord? Welk geluid maakt de mama van Turdus? Wat wil ze daarmee

•

Wanneer maakt jouw papa of mama jou een beetje bang?

zeggen?

•

Wanneer luister jij niet naar wat papa of mama zegt?

•

Hoe vangt Turdus wormen?

•

Wat doe jij als je bang bent? En als je vrolijk bent?

•

Hoe weet je dat Turdus een goede tuinman is?

•

Zorg jij ook goed voor de natuur? Hoe doe je dat?

•

Wat eet Turdus?

•

Maak jij soms ruzie met papa of mama? Wat kunnen jullie doen

•

Waarom plant hij zaden onder aan de boom?

•

20

Nu jij!

om elkaar beter te begrijpen?


‘Vlieg je mee naar de mensentuin?’

WEES NIET BANG 0 Je moet voorzichtig zijn maar niet bang. Anders leer je

het volgende jaar. Dat is slim. Soms moet je kleine

nooit nieuwe dingen. Je kunt enkel nieuwe vrienden

stapjes zetten en wachten tot je er resultaat van ziet.

maken als je naar hen toe gaat. Merels zijn voorzichtig

Niets komt zomaar vanzelf.

uit het bos naar de mensen toe gekomen. Zo ontdekten

0 Voor de voorlezer: Wanneer was jij wel eens bang terwijl

ze wat tuinen zijn en hoeveel lekkers daarin voor hen

dat niet nodig was? Wat heb je van die ervaring geleerd?

bijeen te rapen is. Door met hun snavel te harken, helpen

Vertel erover.

ze op hun beurt de mensen. Ze planten zaadjes voor

Wie is Turdus? •

Turdus is een merel van de familie Turdus merula. Merels kunnen heel goed zingen. Vroeger woonden ze bang in het bos. Bij elk teken van gevaar waarschuwden ze alle bosbewoners. Sommige merels leven nog altijd zo. Maar de meeste zijn in de richting van de mens getrokken. Ze wonen nu in steden, parken en tuinen. Ze hebben een eigen taal. Het scherpe ‘Tsjink’

Doen! •

Maak samen (met volwassenen) een kort nieuw

wijst op gevaar. Met het rollende ‘Tsrrie’ leggen ze contact. Hun gezang maakt

liedje over ‘niet bang zijn’. Zing het samen.

ons vrolijk. Ze hebben veel nieuwe dingen leren eten, zowel wormen en insecten

Begin met één, twee, tsrrie …

als vruchten en zaden. Het zijn goede tuinmannen. Door hun gehark om wormen te vangen, komt er lucht in het gras. Daardoor groeit het gras beter. De zaden

•

Wat kunnen jullie nu planten of zaaien dat later uitkomt?

die ze niet verteerd krijgen, nemen ze in kleine braakballen mee in hun bek. Die planten ze soms kilometers verderop. Ook dat is goed voor henzelf én voor de natuur.

21


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401455336 by Uitgeverij Lannoo - Issuu