Alles komt goed, altijd
K athleen Vereecken
met illustraties van
Charlotte Peys
1 H
et was het mooiste cadeau van de wereld, en we hadden het zomaar gekregen.
Het was de wereld zelf. Een bol van blik, groot als een voetbal, met alle landen erop. ‘Wat is al dat blauw?’ vroeg Clara. ‘Dat is de zee’, zei Rosa. ‘Zoveel zee.’ Het klonk als een zucht. Ik schudde met de bol. Er rammelde iets binnenin. Ik trok en kneep.
Maar mijn handen waren te klein om de twee helften van elkaar te krijgen, mijn vingers niet sterk genoeg. Ik gleed uit over Rusland en Afrika.
9
Gelukkig waren er de handen van mijn vader. Groot, sterk, ruw en zacht. De handen van een timmerman. Hij greep de bol met beide handen vast en draaide. Stevig en voorzichtig, precies zoals hij alles deed. Precies zoals hij was. ‘Snoepjes!’ gilde Clara. We mochten er alle vijf eentje kiezen. Eerst Clara, met haar vijf jaar de jongste van de bende. Daarna Jules. En ik. En ten slotte Rosa. Grote, slimme, brave Rosa. Clara droeg een halve wereld vol snoep naar Oscar, die aan de keukentafel zat. Hij las de krant, die rond de lap gezouten spek zat. Hij las veel, Oscar. Clara trok aan zijn mouw. ‘Snoepje?’ Oscar schudde zijn hoofd en glimlachte. Hij haalde een pakje tabak en sigarettenblaadjes uit zijn broekzak. Met zijn ogen schuin op Clara gericht vormde hij een bruin worstje op het papier. Hij rolde tabak en papier op, likte snel, en hield de sigaret voor Clara’s neus. ‘Dat is een snoepje voor grote jongens van zeventien’, zei hij, en hij knipoogde. ‘Ik mag straks ook’, zei Jules. Op zijn wang zat een dikke bobbel. De bobbel verdween en verscheen op zijn andere wang. ‘Eerst twaalf jaar worden, en dan zien we wel’, zei mijn vader. ‘Eerst werken, zoals ik’, zei Oscar, die mijn vader hielp in de timmerwerkplaats.
10
‘Het stinkt’, zei Clara. Oscar stak de sigaret tussen zijn lippen en hield er een brandende lucifer onder. ‘En toch is het lekker.’ ‘Dat kan niet.’ ‘Lekker als een rijpe kaas’, hield Oscar vol. ‘Die stinkt ook.’ Ik was blij dat de bol weer dichtging en de wereld heel werd. Want ik wilde kijken en weten. Ik draaide de bol om en om. En eindelijk vond ik een klein geel stipje dat België heette. Ik drukte er het topje van mijn wijsvinger op, totdat je er niets meer van zag. ‘Hier wonen wij.’ ‘Dat kan niet, dat is veel te klein’, zei Clara. ‘En toch is het zo.’ ‘Nederland is net zo klein’, wees Rosa. ‘Maar kijk eens hoe groot Duitsland is. En Frankrijk.’ ‘Fransland’, zei Clara. ‘Wat zeg je?’ ‘Duitsland, Fransland.’ ‘Ze heeft gelijk’, zei Jules. ‘En hier, in de zee, ligt Engeland’, ging Rosa door. Clara keek en schudde haar blonde hoofd. Haar lippen werden dik van koppigheid. ‘Engeland ligt in de hemel.’
11
Er klonk zacht gelach achter ons. Clara stak haar armen omhoog en mijn moeder tilde haar op en drukte haar tegen zich aan. ‘Vertel me, Clara,’ zei ze zachtjes in Clara’s oor, ‘vertel me waarom Engeland in de hemel ligt.’ ‘Omdat er engelen wonen.’ We lachten allemaal. We lachten te hard, want Clara drukte haar gezicht in de hals van mijn moeder. Ik zag nog net een oorlel en een stukje wang die rood kleurden. ‘Niet wenen, Clara.’ Rosa wreef zachtjes over haar rug. ‘Ik ween niet, ik ben kwaad!’ klonk het gesmoord. Maar ik, ik had nog steeds de blikken bol in mijn handen. Ik draaide hem om en om, telkens weer, en kon er mijn ogen niet vanaf houden. ‘Kijk toch, Clara’, zei ik. ‘Kijk naar al die kleuren. Kijk hoe mooi de wereld is.’
13
2 D
e lucht was warm en zacht, en iedereen wist wat dat betekende. De processie kwam eraan. De grote stoet, met jongens in het
zwart en meisjes in het wit, als prinsessen. We zouden bidden, natuurlijk. Bidden voor wie ons lief was. Bidden voor wie ziek was. Bidden voor wie arm was. Bidden voor iedereen die het nodig had. Soms lukte het niet goed, omdat ik tijdens het bidden aan andere dingen begon te denken. Aan de worst met appelmoes die we straks zouden eten. Aan hoe Jules zijn tong kon laten krullen en ik niet. Aan de grote moedervlek op de bovenlip van de slagersvrouw en hoe die mee bewoog wanneer ze sprak. Ze sprak veel, en snel, dus die vlek wipte alle kanten uit. Maar het meest van al dacht ik aan dat andere waar we naar uitkeken. Aan de markt, die groter en mooier
15
was dan elke andere markt in de streek. Maar vooral, ja, vooral aan de kermis. Johanna en ik spraken er al weken over. Straks als het kermis is, zeiden we dan. Elke dag. We hoefden de zin niet eens af te maken om te weten wat de ander dacht. We lachten naar elkaar alsof we een geheim hadden. Zij heel stil en zonder haar tanden te tonen, ik met al mijn tanden bloot. En soms wrong mijn lach zich naar buiten. Heel kort, als een piep van een muis. Ik kon dat alleen maar met Johanna, op die manier kijken en lachen en zwijgen. Alleen beste vriendinnen kunnen dat. Op de kast stond een spaarpot. Al wekenlang verzamelden we elke cent die we konden missen. We zouden feesten en blij zijn. En terwijl we toch bezig waren, deden we ook een gebedje voor de zon. We waren vrolijk. Maar misschien is dat niet helemaal waar. We deden vrolijk. We lachten te hard, praatten te luid. Zodat we niet zouden horen wat iedereen dacht. Zodat we niet zouden nadenken over wat ons bang maakte. Ik wist het, ook al mocht ik het niet weten. Ik hoorde het in de sterke verhalen van de oudere jongens uit onze straat. In het zwijgen van Oscar wanneer hij stopte met lezen. In de plotselinge stilte van mijn ouders, telkens wanneer ik de kamer binnenkwam. Het was een stilte die de lucht zwaar maakte. Een stilte die meer woog dan een rugzak vol stenen.
16
Natuurlijk kwam ik nooit zomaar binnen. Ik leerde te sluipen, te wachten, te luisteren naar de zachte stemmen van mijn ouders. Ook al zeiden ze dingen die mijn hart sneller lieten slaan en mijn mond droog maakten. Vooral dat ene woord, dat keer op keer terugkwam: oorlog. Paulus van de bakker wist hoe het zat, beweerde hij. Er was een moord gepleegd. Niet één, maar twee mensen waren vermoord in een land hier ver vandaan. En daarom werd het oorlog. Wat is oorlog, wilde iedereen weten. Wat doen ze dan? Vechten, vertelde hij. Huizen in brand steken. Bommen gooien. En mensen doodschieten. Maar ik wilde alleen weten waarom. Want echt, eerlijk waar, ik begreep er niets van. Ik nam mijn blikken wereldbol, draaide hem om en om. Maar ik zag het nergens, dat verre land. Pas veel later zou mijn vader het mij aanwijzen. Een paars stipje. Een onnozel paars stipje, niet eens groter dan België. En niet meer dan een duim van ons vandaan. Een duim van Clara nog wel.
18
3 T
oen Tantanna kwam veranderde alles. Voor even toch. ‘Tante Anna, twéé woorden’, zei Rosa.
Elk jaar zei ze hetzelfde. En elk jaar lachten wij haar uit en vroegen:
‘Tan Tanna?’ We hadden Rosa niet zo erg moeten plagen. Niet haar. Maar het was ook zo moeilijk geweest om dat niet te doen. Rosa was altijd zo ernstig. En wij, we wilden alleen maar spelen. Lachen om alles wat ernstig was. Zo ging dat soms in mijn hoofd. Ernstige dingen deden me lachen. Ik weet niet waarom. Het gebeurde gewoon. Als de meester heel boos was en een lange stilte liet vallen, waarin hij me aankeek. Als iemand me vertelde dat zijn oma dood was en daarbij heel serieus keek. Als iemand viel en snel weer overeind krabbelde,
19
Dit boek kwam tot stand met steun van het Vlaams Fonds voor de Letteren.
www.lannoo.com Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. ISBN 978 94 014 5528 2 D/2018/45/542 NUR 283/284 Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 Illustraties cover en binnenwerk Charlotte Peys Omslagontwerp en vormgeving binnenwerk Studio Lannoo (Mieke Verloigne) Inhoudelijke revisie Piet Chielens