HERMAN DE CROO Geworteld in het leven
Mijn autobiografie
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Coverbeeld: Wouter Rawoens Vormgeving: Studio Lannoo i.s.m. Banananas Redactie en vertaling: Emmanuel Brutsaert, Doreen Espeel, Philippe Le Royet, Luc Pareyn, Walter Prevenier © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 en Herman De Croo d/2018/45/626 – isbn 978 94 014 5518 3 – NUR 740/697 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Inhoud
Inhoud
5
Nog maar eens memoires!
9
Een man van vele werelden
13 14 21 28 34 43
Mijn familiegeschiedenis Het Saint-Stanislascollege Student aan de ULB Met een beurs naar Chicago Soldaat, advocaat en docent
51 52 62 74
Mijn eerste politieke veldtochten
Burgemeester van Michelbeke Van Michelbeke naar Brakel In het nationale parlement
Terug naar de Kamer
90 121
Minister van Pensioenen
123
Op het ministerie van Verkeerswezen
Minister van Verkeerswezen en PTT Minister van Verkeerswezen en Buitenlandse Handel Terug naar de Kamer
134 135 179 189
In de Senaat
193
Voorzitter van onze partij
208 208
Minister van Onderwijs
Een lange tocht door de woestijn
Inhoud  
5
België, een land dat je zou moeten uitvinden als het niet bestond Over mijn diepe overtuigingen
228 228 236
Het voorzitterschap van de Kamer
245
Over parlementaire diplomatie
272
27 parlementaire missies
290
Over België en mijn diepste overtuigingen
In het ingewikkelde Oosten
Israël-Palestina: een mars voor de vrede Iran: de mysterieuze Perzische Egypte: in het middelpunt van alle problemen Algerije en Marokko: een verdeelde Maghreb Libanon, Syrië: vazal en suzerein Libië: Kadhafi, de terugkeer van de paria Turkije: de moeilijke weg naar Europa Over de Emiraten en de Indische Oceaan
Saudi-Arabië: rijkdom, moderniteit en feodalisme? Koeweit: tussen verrassing en vragen Jemen: het arme broertje in de regio De drie grote en een land daartussenin
China, Tibet en het Rijk van het Midden Rusland: een delegatie in een overgangsperiode Washington: de dossiers die onze relatie vergiftigen Mongolië, een ontdekking De Balkanlanden
Kroatië: naar een renaissance? Macedonië: een land op zoek naar legitimiteit Albanië: een heel bijzonder klimaat Over de Kaukasus en Centraal-Azië
Armenië, hier en ginder Georgië: tussen droom en werkelijkheid?
6
GEWORTELD IN HET LEVEN
291 292 292 298 308 317 321 325 333 333 337 340 345 345 353 360 369 372 374 378 383 387 388 389
Azerbeidzjan, een aangename verrassing Kazachstan: het Brasilia van de steppen
390 392
De gewezen Oostbloklanden
394 396 401
Polen: het gewicht van de geschiedenis Roemenië en Bulgarije, zo dichtbij en zo verschillend
404 405
De keerzijde van de medaille
Marokko: de rechten en de situatie van de vrouwen
409
Een verloren dynamiek Het voorzitterschap van de Kamer (vervolg)
410
België en Congo
De Belgen en Congo Van Mobutu tot Kabila De DRC vandaag… en morgen De dag van de transitie November 2017, terug naar Kinshasa De plundering van Afrika en van de DRC
424 424 439 452 452 461 477
Van het federale naar het Vlaamse parlement
489
Overleeft onze wereld dit?
Poetin, Europa, de wereld Afrika, een demografische tijdbom
506 506 514
Epiloog
525
Biografie
533
Namenregister
541
Inhoud
7
8 
Nog maar eens memoires!
Toen ik de kaap van 50 jaar rechtstreeks verkozen volksvertegenwoordiger in het parlement passeerde, hebben bekende uitgevers mij benaderd en gepoogd elkaar te overtroeven met aanlokkelijke argumenten opdat ik mijn memoires zou schrijven. Een gegarandeerde bestseller, zo luidde hun overtuigde pronostiek! Ik herinner mij de waarschuwing die mijn eerste minister Leo Tindemans mij op zekere dag gaf: ‘Herman, let op als je later je memoires zult schrijven: als je ze te vroeg publiceert, riskeer je veel vrienden te verliezen, en als je te lang wacht, verlies je wellicht veel lezers.’ Zou ik nu op het moment zijn gekomen waarop ik geen van beide riskeer? Ik heb sterk getwijfeld tussen academische ‘gedictionariseerde’ memoires, om een ‘decrooïsme’ te gebruiken, met een massa voetnota’s, referenties, citaten, kritische aantekeningen in de marge… Sommige collega’s, politieke vrienden of tegenstanders die ik gedurende de voorbije decennia frequenteerde, hebben voor deze formule gekozen, in sommige gevallen met de hulp van een (voltijds!) gespecialiseerd wetenschappelijk team. Ik zou Herman De Croo niet zijn als ik het niet anders zou aanpakken. In het woord ‘memoires’ hoor je vooral ‘mémoire’, geheugen. Mijn geheugen functioneert, ondanks mijn leeftijd, nog behoorlijk goed. Ik heb dus gedacht: ‘Laat me de lezer uitnodigen om zijn geheugen te confronteren met het mijne.’ Al bijna 60 jaar heb ik een verslaving, althans: zo zouden psychologen het wellicht noemen. Elke dag, bijna elk uur, spreek ik gedurende lange of korte tijd met mijn… dictafoon, dat kleine apparaat dat ik bij wijze van naamsverwisseling ‘dictorel’ doopte, een merknaam. Ik heb dictafoons gekend op draad, plaat, ‘manchons’ en nu met kleine opnamecassetjes. Al decennialang bevolken deze efficiënte werktuigjes mijn bureaus, mijn auto, mijn zakken. Slagvaardige secretaressen hebben met de voet op de pedaal en een koptelefoon op het hoofd al meer dan 40 jaar lang vorm en leesbaarheid gegeven aan deze soms onsamenhangende, spontane woordenstroom, doorspekt met vele neologismen…
Nog maar eens memoires!
9
Dat is ook zo gegaan voor deze memoires, een tekstuele samenvatting van wat ik heb beleefd en beleef, van wat ik heb gedacht en denk. Het omgekeerde van het vers uit het evangelie volgens Johannes ‘verbum caro factum est’: hier is het vlees woord geworden, wat ik heb meegemaakt werd tekst. Ik heb dus werk gemaakt van het dicteren van mijn memoires… uit het hoofd: een wandeling door een heel leven, over de paden van het geheugen en het woord. Woorden en zinnen, die vaak te lang en te gecompliceerd waren, hebben zich opgestapeld in een pensum waar ik soms zelf niet meer volledig wijs uit raakte. Met mijn balpen heb ik geschrapt, gecorrigeerd, toegevoegd, herschreven, honderden bladen vol, overal waar ik kon: aan mijn bureau, in het parlement (dat de democratie mij moge vergeven…) of in de auto. Daarna heeft een getalenteerde ontcijferaar mij assistentie verleend – wat niet eenvoudig was, gezien mijn handschrift als ex-linkshandige – om het manuscript bij te werken en aan te passen. En zo is beetje bij beetje dit lijvige boek tot stand gekomen, mijn persoonlijke opus magnum, dat van begin tot einde in de eerste persoon is geschreven, en waarvoor ik gebruik heb gemaakt van kostbare documenten uit het Liberaal Archief, dit mooie initiatief dat ik mee heb helpen opzetten in Gent, iets waar ik trots op ben. Een wandeling door mijn geheugen, van bij het prille begin van mijn loopbaan als spreker en van mijn openbare leven, met mijn eerste officiële speech op een podium op het St.-Sebastiaansplein in Michelbeke, een klein dorp in de Vlaamse Ardennen, te midden van wat ik het Toscane van Vlaanderen noem, genesteld in de Zwalmvallei. Ik was 10 jaar oud. Het was een woord van dank voor mijn vader, die opnieuw verkozen was als burgemeester van de gemeente, deze gemeente waar mijn familie al eeuwenlang woont. Ik dankte hem voor de mooie stoet en het mooie feest, een traditie die hij bij zijn inhuldiging nieuw leven had ingeblazen. Michelbeke, met links van de kerktoren onze familiegrafkelder, waarop al sinds 1987 mijn naam en mijn geboortedatum staan! De Zwalm, waarin ik heb leren zwemmen en waarvan de kronkelige loop het landschap vormde van mijn ochtendglorens en mijn avondschemeringen. Reik mij de hand en laat mij woorden in uw oor fluisteren, want ik wil u laten kennismaken met enkele personages uit mijn streek, maar veel meer uit de gehele wereld, en met hun verhalen: feiten en mensen uit mijn hyperactieve leven. Het is in deze teelaarde dat mijn onverzettelijke engagement is ontsproten en zich heeft ontwikkeld, engagement voor de vroegtijdige scolarisatie van kinderen, voor de verlenging van de activiteit van ouderen, voor een hoogstnoodza-
10
G EWORTELD IN HET LEVEN
kelijk evenwicht tussen openbare stabiliteit en risicodynamiek in de grote organisaties en ministerschappen waarvoor ik verantwoordelijk ben geweest, voor de emancipatie van de vrouw en haar gelijkheid aan de man, voor de bescherming van het individu en van zijn privacy tegenover een maatschappij die omnipresent is, die alles onderzoekt en alles weet, dit alles vanuit het onvoorwaardelijke respect voor de vox populi. Na mijn jaren als scholier in de gemeenteschool werd ik leerling aan het jezuïetencollege Saint-Stanislas in Bergen. Ik was daar de jongste en de ziekelijkste, vandaar mijn bijnaam ‘Microbe’, maar 7 jaar later zou ik er weggaan als eerste van de klas. Daarna volgde een bifurcatie naar de vrije en vrijzinnige ULB (Université libre de Bruxelles), die het vrij onderzoek voorstaat en verdedigt. Ik zou er met telkenjare de grote onderscheiding de diploma’s rechten en politieke wetenschappen behalen, om daarna via een soort brede parttime in de politiek te gaan, wat de liefde en de passie van mijn leven is gebleven. Ik ben afkomstig uit twee culturen, en ik behoor tegelijkertijd tot verschillende werelden: in casu het noorden en het zuiden van mijn land, waar de taalgrens de ritssluiting is die twee werelden verenigt, al zit de rits af en toe vast. Ik genoot een brede vorming, gevolgd door een lang verblijf in de Verenigde Staten, en ik maakte talrijke reizen over de hele wereld, in het bijzonder op het Afrikaanse continent. Ik ontmoette en zag mythische personages en plaatsen, die even inspirerend als angstwekkend konden zijn. U zult mijn waarschuwingen lezen, en mijn alarmkreten horen met het oog op het verschrikkelijke, dreigende gevaar van zelfvernietiging van de mooiste verworvenheden uit onze geschiedenis: de democratie gebaseerd op het principe van gelijkheid, de welvaart, de bescherming van de mensenrechten, de vrouwenemancipatie, de rechtsstaat, de vrijheid van bewegen, van denken en van spreken… die kostbare schat die op wereldschaal nog zeldzaam en misschien ook vergankelijk is. Misschien ben ik nu eens te breedvoerig en dan weer te beknopt geweest. Ik heb zeker niet alles gezegd, verre van dat. Er zitten nog verborgen cassettes diep weggestoken in de intieme plekjes van mijn geheugen en van mijn hart. Ik heb soms gedacht dat ik het allerergste meemaakte en oog in oog stond met de grootste gevaren. Ik heb dit alles niet verdrongen, maar het heeft me ook niet levenslang getekend. Ik heb ook momenten van opperste geluk gezien en gekend, en die blijf ik wel mijn hele verdere leven meedragen.
Nog maar eens memoires!
11
Ik ben te bescheiden om te denken dat ik vooruitgang of verandering breng of heb gebracht, maar ik heb genoeg karakter en moed om, bij gelegenheid, het lot een beetje naar mijn hand te hebben gezet. Als u bij de laatste regels bent aanbeland van wat mijn geheugen aan woorden heeft gespuid, laat mij dan weten, mentaal of op een andere manier, of ik erin ben geslaagd om u te raken met een of andere kwaliteit van mijn hart of geest, met mijn nooit bevredigde, onverzadigbare nieuwsgierigheid naar alles, en met mijn dankbaarheid voor alles wat het leven mij schonk. Brakel, 12 augustus 2018, mijn verjaardag
12 
GEWORTELD IN HET LEVEN
Een man van vele werelden
Ik zeg en herhaal graag dat ik tot meerdere werelden behoor. Het gebeurt dat ik begin te tellen in het Engels, om verder te gaan in het Frans en te eindigen in het Nederlands. Ik kan ook dromen in die verschillende talen. Behalve het linguïstische aspect heb ik door elk van die talen een specifiek historisch en cultureel erfgoed meegekregen. Ik ben altijd voorstander geweest van een tolerante wereld. Ik liep school in een jezuïetencollege en ik word daar nog steeds uitgenodigd op festiviteiten. Van mijn kiezers wordt aangenomen dat ze min of meer katholiek zijn, maar dan wel minder en minder praktiserend. En hoewel ik ongelovig ben, ken ik het evangelie en de Bijbel beter dan veel van mijn christelijke vrienden. Als minister van Onderwijs heb ik subsidies toegekend voor de renovatie van mijn gewezen college, maar ik heb tijdens dat mandaat meer gemeenschapsscholen laten bouwen dan wat er in de twee voorgaande decennia was gebeurd. Ik heb de kerk van mijn dorp laten restaureren, en de bisschop van het diocees heeft mij toevertrouwd dat als alle katholieke burgemeesters hetzelfde zouden doen, er geen problemen zouden zijn om dat erfgoed te onderhouden. Ik heb heel veel vrienden die vrijmetselaars zijn. De grootoom van mijn vrouw, dokter Desguin, was achtbare meester van Les Amis Philanthropes in Brussel. Hij drong erop aan dat ik mij zou laten inwijden. Ik heb toen geantwoord: ‘Ik heb geen kerk verlaten om een kapel binnen te treden’ Ik had dat nooit mogen zeggen, want die man was een groot intellectueel en de tolerantie zelve, een echte maçon. Aan de ULB was ik achtereenvolgens student en docent. Ik voelde mij thuis in deze instelling waarvan het devies luidt: ‘Het denken mag zich nooit onderwerpen, noch aan een dogma, noch aan een partij, noch aan een hartstocht, noch aan een belang, noch aan een vooroordeel, noch aan een om het even wat, maar uitsluitend aan de feiten zelf, want zich onderwerpen betekent het einde van alle denken’, om Henri Poincaré te citeren. Als niet-gelovige in een samenleving waar interreligieuze dialoog nood zakelijk is, heb ik geprobeerd een brug te vormen tussen deze werelden, door te spreken met meerdere belangrijke personen uit het kartel van de monotheïsten. Zowel met de grootmoefti van Istanboel en met de patriarch van de Russisch-
Een man van vele werelden
13
orthodoxe kerk Alexis, als met mijn vrienden hier: priesters, bisschoppen, kardinalen, dominees, rabbijnen of imams. Door mijn sociaal dienstbetoon ging ik om met heel eenvoudige mensen en kende ik de realiteit van het dagelijkse leven, maar dankzij mijn functies kon ik ook kunstenaars, intellectuelen, ondernemers, tot zelfs belangrijke historische figuren ontmoeten. Ze hebben mij allemaal iets bijgebracht en ze droegen allemaal bij tot mijn geestelijke verrijking. Ik heb het geluk gehad enige tijd in de Verenigde Staten te kunnen verblijven en daar les te geven aan de University of Chicago Law School, een van de belangrijkste universiteiten van het land. Door mijn ministeriële functies, vooral op Buitenlandse Handel, reisde ik de wereld rond. Vaak kwam ik meerdere keren in hetzelfde land en ontdekte er culturen, tradities, filosofieën en waarden die afwijkend maar ook bijzonder verrijkend waren. Ik ben gehecht gebleven aan mijn wortels, aan het platteland waar ik vandaan kom. Dat ik vaak in paleizen en machtscentra kwam, heeft nooit mijn wereldbeeld veranderd, noch mijn streven om altijd en overal het algemeen belang te laten primeren. Zoals talrijke Belgen heb ook ik een hechte band met Afrika, en dan vooral, na Zaïre, met de huidige Democratische Republiek Congo. Het Westen, Amerika, Afrika, het platteland en de stad,… ik behoor tot en voel me verbonden met al die schijnbaar zeer uiteenlopende en zelfs tegenstrijdige werelden. Mijn gedachten en mijn daden ‘wortelen’ in al die universums, in deze heel vruchtbare intellectuele en menselijke kweekvijver, die het mogelijk maakt om jezelf voortdurend in vraag te stellen en toch richting te geven aan je leven.
Mijn familiegeschiedenis Mijn voorouders streken in de jaren 1600 neer in het dorpje Michelbeke, in Oost-Vlaanderen, juist ten noorden van de zogenoemde taalgrens. De naam De Croo zou afkomstig zijn van het woord ‘kruis’ (-croi, croix). Minstens twee eeuwen lang vestigden mensen met die naam zich in de straat waar ik ben geboren en nog altijd woon: de Lepelstraat. Die lepel heeft echter niets te maken met het gelijknamige eetgerei, maar verwijst in het lokale dialect naar de bek van de eenden of de ganzen die men op die plek uitliet. Mijn zoon Alexander, nu vicepremier in de federale regering, woont 200 meter verder, in het omgebouwde huis van zijn betovergrootouders. Een kruis op de muur herinnert aan de dood van een van onze voorouders, die in 1864 overleed na een val van zijn paard. Om maar te zeggen dat wij diep geworteld zijn in dit kleine stukje Belgisch platteland.
14
Geworteld in het leven
Een familietraditie, die misschien geïnspireerd is op de burgerij en de adel, wilde dat een van de kinderen van het mannelijke geslacht in het huwelijk trad, dat een ander toetrad tot de geestelijke stand en dat een derde ongetrouwd bleef. Een van de meisjes moest trouwen met een boer en een ander moest in het klooster gaan. Door deze ongeschreven regels kon het erfgoed min of meer binnen de familie blijven of groter worden. Mijn vader zei: ‘Je moet altijd de buur kopen als die gelegenheid zich voordoet, want misschien krijg je nooit meer de kans om dat perceel grond te verwerven.’ In onze familie waren er dus ook enkele religieuzen, maar er was altijd wel een mannelijke telg om het geslacht voort te zetten. Tot de familie behoorden ook enkele zonderlinge figuren. Jean-Baptiste De Croo bijvoorbeeld, de broer van mijn overgrootvader van vaderszijde. Hij was geen geestelijke, maar in die tijd reisde hij vijf keer naar het Heilig Land, met de boot vanaf Brindisi. In de jaren 1860, toen de Kerkelijke Staat in gevaar was, zochten de bisschoppen in hun diocesen godvruchtige, jonge en ongehuwde mannen die voldoende bestaansmiddelen hadden, want ze zouden alleen worden vergoed met een zegen of aflaten. En zo nam Jean-Baptiste dienst bij de pauselijke zoeaven. Het bataljon, dat in 1867 een regiment werd, bestond uit vrijwilligers, hoofdzakelijk Fransen, Belgen en Nederlanders. Zij kwamen de Kerkelijke Staat verdedigen toen die werd bedreigd door de Italiaanse eenmaking. Het regiment zou worden ontbonden in 1870, bij de verdwijning van de Kerkelijke Staat, en de zoeaven werden teruggestuurd naar hun land. Mijn grootoom was priester. Hij heette Alfons en mijn grootvader zou diezelfde naam kiezen voor mijn vader. Het was ook deze priester die mijn vader doopte in 1902, zoals hij dat in 1937 met mij zou doen. Toen de man met pensioen was, kwam hij in het dorp wonen, in een huis in uitbreiding van het onze. Het is ongetwijfeld Alfons die zijn broers ertoe heeft aangezet om twee glas-in-loodramen te financieren voor de dorpskerk. Twee of drie andere families hebben dat ook gedaan. Daarom hadden zij in de kerk bidstoelen die waren overtrokken met rood fluweel, in tegenstelling tot de andere parochianen, die genoegen moesten nemen met biezen stoelen. Mijn oom-pastoor stond heel dicht bij zijn bisschop, en deze laatste vertrouwde hem een missie toe om orde op zaken te stellen in de parochie Meerbeke, bij Ninove. Aangezien mijn oom maar één neef had, was het mijn vader die hem daarbij vergezelde te paard. Tijdens die ‘uitstapjes’ leerde mijn vader de jongste dochter van een grote boer kennen, Germaine Wauters. Zij zou mijn moeder worden. Mijn ouders volgden humaniora in de colleges in de streek. Ze deden dat in het Frans, hoewel ze Vlaming waren. Mijn moeder zat bij de Dames de Marie in
Een man van vele werelden
15
Aalst, mijn vader in Oudenaarde. Ze spraken dus beide talen en ze hadden ook enige noties van Latijn. Alleen daardoor al werden ze in het dorp beschouwd als prominente figuren. Mijn moeder had vooruitstrevender ideeën dan mijn vader. Een van haar broers was procuratiehouder bij de Generale Maatschappij van België, een onderneming die ouder was dan het koninkrijk zelf. Een andere broer woonde in Katanga. Zij zorgde voor wat vernieuwing in deze vrij conventionele familie; ze bracht een bepaalde vorm van discipline, maar ook een zekere artistieke wind. Het was een intelligente vrouw. Ze speelde piano en bracht leven tijdens de dorpsfeesten; ze deed ook aan toneel en zong graag. Mijn vader was enige zoon. Hij reed goed te paard en hij dronk graag een glas bier. Vóór zijn huwelijk leefde hij er een beetje op los. Mijn familie bezat drie kleine boerderijen, en vroeger ook een brouwerij en een watermolen. Het is mijn moeder die op het idee kwam om de gronden die ze in eigendom hadden, te verpachten. In die tijd telde de gemeente nog een veertigtal landbouwexploitaties. Vandaag zijn dat er nog maar twee. In haar familie hadden ze een grote boerderij en een melkbedrijf, en zij zette mijn vader ertoe aan om hetzelfde te doen, met als eerste leveranciers en klanten de boeren en dorpsbewoners uit het omliggende. Mijn ouders waren ‘gegoede burgers’ en ze hadden ‘hun schaapjes op het droge’, zoals de uitdrukking luidt. Als ze een zeker vermogen hebben vergaard en bewaard, dan is dat zeker dankzij mijn moeder. Ik zou mij daar pas veel later rekenschap van geven, want ik werd opgevoed als alle andere kinderen in het dorp. Getekend door de twee wereldoorlogen
Zelf was ik nog te jong om mij veel te herinneren van de bezetting: ik heb vooral de getuigenissen van mijn vader en grootoom onthouden. Die mannen hebben beide wereldoorlogen meegemaakt en waren, net als hun tijdgenoten, door die gebeurtenissen getekend. Uit die tijd zijn mij als kind toch enkele herinneringen bijgebleven. Ik zal bijvoorbeeld nooit de vliegtuigen vergeten die een duikvlucht maakten op dorpen of op stations om de naam van de plek te lezen en die vervolgens over te brengen op hun landkaarten. Zo wisten ze waar ze zich precies bevonden. Mijn vader werd gemobiliseerd tijdens de schemeroorlog van september 1939 tot mei 1940. Hij moest mee een brug bewaken in de buurt van Geraardsbergen. Na achttien dagen van gevechten zou Leopold III de capitulatie van België af-
16
Geworteld in het leven
kondigen. Het land werd bezet en we zouden die hele tijd onder een militair en niet onder een burgerlijk regime leven, met alles wat daarbij hoort: systematische controles, willekeurige arrestaties, de jacht op verzetslui en op Joden, deportaties. Op het platteland waren wij ons minder bewust van de ontberingen die de stadsbewoners leden, tot op het moment waarop de autoriteiten beslisten om een deel van de productie te vorderen. In de aanloop naar die moeilijke tijd had mijn moeder tientallen kilo’s koffie, suiker, bloem, pasta en liters olie gekocht. Mijn vader beheerde als burgemeester het deel van de oogst dat de boeren moesten afstaan aan de Duitsers. Hij spaarde daarvan een zekere hoeveelheid en verdeelde dat dan onder de armste mensen in het dorp. Als het enigszins mogelijk was, liet hij vis komen van de kust; ik weet nog steeds niet via welke kanalen. De verkoop gebeurde voor mijn ouderlijk huis en ik herinner mij nog altijd die typische geur van viswinkels of van visstalletjes zoals op de markt. We woonden in een huis met een gele gevel, waarvan de hekken in het zwart waren geschilderd, en mijn moeder had rode tulpen geplant, zodat ons huis gedurende de hele bezetting de Belgische kleuren tentoonspreidde. Er was altijd goede wijn in huis. In ‘14-‘18 en tijdens de Tweede Wereldoorlog verborgen mijn grootouders hun beste flessen in de schuren onder de grond en lieten ze de gewone wijnen in de kelder liggen, waar de Duitse officieren ze zouden komen vorderen. Toen mijn vader in de jaren 1950 de bodem van die schuren liet betonneren, zei mijn grootoom van negentig: ‘Je had dat beter niet gedaan, Alfons, wat ga je nu doen als het weer oorlog wordt?’ Al bij het begin van de bezetting vorderden de Duitsers al het materiaal van het nieuwe melkbedrijf van mijn ouders op. Er mocht er maar één zijn per gemeente, en ook één enkele brouwerij, dus waren mijn ouders van de ene dag op de andere hun werkinstrument kwijt en hadden ze een veel lager inkomen, want ze konden de gronden die ze in pacht hadden gegeven, niet terugeisen. Al het materiaal werd verdeeld onder de concurrentie. Gelukkig hadden wij veel populieren staan. We hebben de volgroeide bomen na de oorlog omgehakt en zo konden we een nieuwe activiteit starten. Mijn grootoom, de broer van mijn grootvader, was burgemeester van Michelbeke. Hij zou al tijdens de eerste dagen van de bezetting door de Duitsers uit zijn functie worden ontzet omdat hij meer dan 65 jaar was! Het was mijn vader die hem opvolgde. Die was nog maar 38 jaar oud en de vriendelijkheid en de goedheid zelf. Hij was heel vrijgevig. In het dorp zegden de mensen: ‘Heb je een hemd nodig? Of een paar schoenen? Ga naar de burgemeester.’ Hij was een van de zeldzame oorlogsburgemeesters die na de oorlog opnieuw mochten opkomen: ze zijn op de vingers van één hand te tellen. Uit behoedzaamheid werd
Een man van vele werelden
17
elke kandidatuur onder de loep genomen door een zuiveringscomité. Hij stond heel dicht bij de Witte Brigade, waarvan de rol en de verzetsdaden misschien wat in de vergetelheid zijn geraakt1. Mijn ouders gaven tijdens deze periode blijk van een soort rustige heldenmoed. Op zekere avond kwamen Duitse officieren naar ons huis om mijn vader de lijst te geven van mannen die als dwangarbeiders naar Duitsland moesten vertrekken. Hij trok een fles schnaps open, schonk de glazen vol (en dronk zelf goed mee) tot de Duitsers flink beschonken waren, en begon toen met luide stem de namen van de betrokken mannen voor te lezen, één voor één. Naast ons huis woonde een goede mens die voor mijn ouders werkte. Die avond hield hij mijn moeder gezelschap. In het donker, achter de deur, noteerde zij op een stuk papier alle namen die mijn vader citeerde, en toen de Duitsers vertrokken waren, ging zij midden in de pikdonkere nacht samen met die arbeider door de sneeuw op stap om iedereen te waarschuwen. Toen de Duitsers de volgende dag terugkwamen om met de naamlijst in de hand hun sinistere werk te doen, was er niemand meer. Mijn vader heeft naderhand nog een lastig gesprek gehad met de militairen, maar gelukkig waren het legerofficieren en niet de Gestapo. In de lente van 1942 werd door een Duitse verordening dwangarbeid ingevoerd op Belgisch grondgebied en in het noorden van Frankrijk. In juli 1943 maakte de zending Claudius-Tybalt, een initiatief van de Belgische regering in ballingschap in Londen, een efficiëntere financiering mogelijk van de hulp aan werkweigeraars. Dat gebeurde via het netwerk Socrates, een clandestiene organisatie die de deportatie kon verhinderen van meer dan 40.000 jonge Belgische arbeiders. Sommige categorieën waren vrijgesteld van deze verplichte arbeid, zoals mijnwerkers of spoorwegarbeiders van de NMBS2. Dat was voor onze regio heel belangrijk, omdat de mijnen vanouds met Vlaamse arbeiders werkten, zowel in La Louvière als in Charleroi en de Borinage.
1
Deze organisatie werd opgericht door Marcel Louette, die werd opgepakt en naar een concentratiekamp gestuurd. Hij overleefde dat en zou pas sterven in 1978. De Witte Brigade organiseerde vaderlandslievende manifestaties op belangrijke data, zoals 21 juli of 11 november, en gaf tijdens de bezetting een clandestien blad uit, Steeds verenigd – Unis Toujours. De brigade won militaire informatie in over de haven van Antwerpen en over de Duitse plannen voor een eventuele invasie van Engeland. Zij stond ook in voor de repatriëring van geallieerde piloten naar Engeland. Veel van haar leden waren politiemensen. 2 Het aantal Belgen die tussen 1939 en 1945 dwangarbeid moesten verrichten, ligt volgens een Duitse studie tussen 350.000 en 400.000. De Militärverwaltung sprak van 586.746 mensen en de Rijksdienst voor Arbeidsbemiddelling telde 501.667 vertrekkenden.
18
Geworteld in het leven
Van cactussen en andere verzetsdaden
Mijn vader had voor zichzelf gezworen, en hij maakte er een punt van eer van, dat geen enkele inwoner van zijn gemeente zou worden gedeporteerd. Plots was er dan toch een man die naar Griekenland werd gestuurd om daar dwangarbeid te verrichten. Ik weet niet waarom hij per se naar dat land moest, maar mijn vader liet een (vals) huwelijk afkondigen en verzekerde de bezetter ervan dat de betrokken inwoner na zijn echtverbintenis naar Griekenland zou terugkeren, vergezeld van zijn echtgenote. Natuurlijk verdween de man spoorloos na zijn aankomst in het dorp. Trouwen deed hij veel later, na de oorlog. Van mijn twee ooms van moederszijde was Charles Wauters veeleer het conformisme in eigen persoon, terwijl Frans een geboren avonturier was. Deze laatste verbleef decennialang in Belgisch-Congo, maar toen hij uiteindelijk met pensioen was, bracht hij vaak een bezoek aan mijn moeder, die negentien jaar jonger was dan hijzelf. Toen Frans in 1914 werd gemobiliseerd, zonden zijn oversten hem uit als luisterpost, omdat hij Duits sprak. Hij moest ’s nachts zo dicht mogelijk bij de vijandige linies komen om op te vangen wat de Duitsers zegden. Dat vergde heel veel moed. Na de oorlog werd hij onderscheiden omdat hij ‘1000 luisterposten’ had gedaan. Frans Wauters vertrok vervolgens naar Belgisch-Congo. Hij zou bijna 25 jaar lang bij het Comité spécial du Katanga werken, om deze immense provincie te doorkruisen en in kaart te brengen, gewoonlijk in zijn eentje als blanke, alleen vergezeld door zijn zwarte dragers. Hij en mijn tante Marthe hadden op de grote baan in Denderleeuw, bij Aalst, een grote villa in art-decostijl, met erkers. Zij had een echte passie: haar collectie cactussen. Dat kan extravagant lijken in ons klimaat, want ze had er minstens vierhonderd. Het was een geëngageerde en heel godvruchtige vrouw, met een aangeboren zin voor zelfopoffering. Ze bood opvang aan Britse piloten die zich met hun parachute hadden weten te redden nadat hun vliegtuig was geraakt door de Duitse luchtafweer. De piloten kregen bij haar onderdak tot aan hun repatriëring naar Groot-Brittannië door de netwerken van het verzet. En het is hier dat het belang van de cactussen duidelijk wordt: naargelang hun grootte en vorm, en in functie van het raam waar zij ze had neergezet, verstuurde mijn tante boodschappen. Zij was lid van het befaamde netwerk van de Witte Brigade. Ze werd meer dan eens gecontroleerd door de Duitsers, zoals die keer toen ze in Brussel op de tram zat met een wapen, dat ze nog net kon wegstoppen in de cape van een vrouw die de tram verliet. De passagiers die in de wagon waren gebleven, werden gecontroleerd en gefouilleerd. Was het een gelukkig toeval dat
Een man van vele werelden
19
de operatie werd uitgevoerd door de Wehrmacht en niet door de Gestapo? Hoe dan ook, ze lieten haar ongemoeid. Ze zou na de oorlog worden onderscheiden door Winston Churchill. Toen het weer vrede was, hebben we een beetje het land bereisd. Ik herinner me het eerste weekend dat ik bij mijn oom Charles verbleef, samen met mijn zuster. Hij woonde in Brussel, in de Ernest Salustraat. ’s Ochtends vroeg werd ik gewekt door een angstaanjagend geluid dat ik helemaal niet kende: de tram die voorbijkwam. Toen ik veel later bijna acht jaar lang minister van Verkeerswezen was, dacht ik daar nog aan terug. Veel mannen uit mijn streek hebben in de mijnen gewerkt, dankzij de trein waarmee ze de Borinage konden bereiken. Het station van Nederbrakel, tegenwoordig Brakel, een gemeente waarvan ik lange tijd burgemeester was, telde toen voor de regio meer dan tweeduizend treinabonnees: Vlaamse kompels uit het hele zuiden van mijn provincie. Na de oorlog gingen we een keer in de maand sanatoria bezoeken, op zondag. Mijn vader heeft nooit met de auto gereden, het was dus mijn moeder die achter het stuur zat. We zagen jonge mensen die leden aan miltvuur en die stervende waren, in zalen van twintig tot dertig bedden. Het was een van de eerste keren in mijn leven dat ik menselijk en sociaal diep werd geschokt. Ik zou het nooit vergeten. Mijn jaren in de dorpsschool
Het maakte deel uit van onze familietraditie dat ik de eerste jaren van mijn schoolgaande jeugd zou doorbrengen op de dorpsschool. Omdat gemengd onderwijs toen nog ondenkbaar was, werden de meisjes naar het Michelbeekse kloosterpensionaat gestuurd: Stella matutina, ‘ochtendster’, dat werd gerund door zusters franciscanessen. Op een gegeven moment waren er niet meer genoeg leerlingen in onze gemeenteschool, maar mijn vader-burgemeester wilde het koste wat het kost dat die zou blijven bestaan. Hij stapte naar de veldwachter en naar andere gezinsvaders met de boodschap: ‘Uw kinderen en de mijne zullen naar de gemeenteschool gaan!’ Zoals dat tot op vandaag het geval is in sommige landelijke gebieden in Frankrijk, waren er niet meer dan twee klassen. Ik was ver op mijn leeftijd vooruit en uiteindelijk ben ik van het vierde leerjaar overgegaan naar het zesde. Ik moest daarvoor niet van klas veranderen: alle leerjaren zaten samen in hetzelfde lokaal. Drie schooljaren doen in één keer was toen niet zo moeilijk, maar ik ben er niet zeker van of dit vandaag nog mogelijk
20
Geworteld in het leven
zou zijn, met alle administratieve rompslomp. Op zekere dag is mijn onderwijzer aan mijn vader komen zeggen: ‘Mijnheer de burgemeester, ik weet niet meer wat te doen met uw zoon, hij heeft de drie leerjaren van de tweede graad doorlopen in één jaar.’ En zo ben ik op het jezuïetencollege van Saint-Stanislas beland, in Mons, de hoofdstad van Henegouwen en van de Borinage. Dat was toen nog een heel welvarende stad. Ik had, toen ik jong was, last van ernstige longinfecties. Ik heb gedurende mijn hele lagereschooltijd de gevolgen daarvan moeten dragen, en het betekende vaak dat ik helemaal niet naar school kon. Toen er plots een crisis opkwam, werd ik steeds geholpen door een dokter die in een naburige gemeente woonde, in Nederbrakel, en die ‘oorlogsburgemeester’ was en dat dankzij de telefoon. In die tijd was er nog maar één dergelijk toestel per gemeente, meer bepaald in het huis van de burgemeester, bij hem en ons thuis dus. Zo kon mijn moeder de dokter altijd bereiken, en dat heeft mij waarschijnlijk meermaals het leven gered. Op mijn eerste ministerpost moest ik vaak terugdenken aan die tijd: het kleuter- en lager onderwijs hebben altijd tot mijn belangrijkste onderwijskundige bezorgdheden behoord.
Het Saint-Stanislascollege Bij de jezuïeten op school
Ik had naar Doornik – Tournai – kunnen gaan, minder dan 40 kilometer van mijn dorp in Vlaanderen, maar mijn ouders gaven de voorkeur aan het jezuïetencollege van Bergen – Mons. Toen ik 10 jaar oud was, kwam ik dus terecht in Saint-Stanislas, een volledig Franstalig college ongeveer 60 kilometer van ons ouderlijke huis. Het was een instelling waar meerdere jezuïeten uit het fameuze Sint-Michielscollege in Brussel enkele jaren vertoefden, als een soort 'ballingen in een gulden kooi'. ‘Ballingschap’, want net als de directeurs van grote ondernemingen vandaag pasten de jezuïeten toen een vorm van turn-over toe, wat mogelijk was dankzij hun sterke numerieke aanwezigheid in het onderwijs. Een lesgever bleef nooit langer dan vijf of zes jaar in hetzelfde college. Ik was interne leerling, net als mijn zus in een nonnenschool 3 kilometer van huis. Zij kon elk weekend naar huis, ik slechts om de drie tot vier weken. Om naar Bergen te gaan nam ik de kompeltrein, in derde klasse, met houten banken. De wagon eerste klasse waarvoor mijn ouders een abonnement hadden betaald, negeerde ik.
Een man van vele werelden
21