MIET SMET Ik kijk alleen vooruit Mijn leven als politica Opgetekend door Frieda Joris
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagontwerp en vormgeving: Studio Lannoo, Banananas Foto’s: privécollectie Miet Smet tenzij anders vermeld; Foto front cover: © KU Leuven – Rob Stevens; Foto back cover: © Fotoarchief EVP © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 en Miet Smet D/2018/45/642 – ISBN 978 94 014 5501 5– NUR /7 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Inhoudstafel
7
Proloog
Weer u scherp De verstandigsten onder u zullen wel begrijpen Een politica die feministe werd Het traditionele rolpatroon is voorbijgestreefd In het kiekenkot van Dehaene De alternatieve aanpak Een smerige pijp Bemba uit Ghana, mijn eerste vluchteling Gezinsplanning in het Klein Kasteeltje Tsjernobyl laat me niet los All my lovers Stel dat papa niet meer verkozen wordt Een internationale conventie opblazen? Mevrouw de minister, dat doe je toch niet! Wereldwonderen en een modderbad Europa, mijn nieuwe werkterrein Ik werd moe. Het was mooi geweest De arts die in Oost-Congo vrouwen herstelt Een passionele en liefdevolle relatie
9 19 25 33 47 63 69 79 89 97 105 115
Epiloog: Brief aan Wilfried
185
Inhoudstafel  
121 139 145 157 165 173
5
Dankwoord Biografie Bronnen Namenregister
6
M iet Smet
189 191 195 197
Proloog
Ik kijk alleen vooruit. Vraag me niet naar gisteren of eergisteren, laat staan naar veertig jaar geleden. Mij interesseert vooral de toekomst, niet het verleden. Hoogst eigenaardig misschien voor een vrouw die als meisje archeologe wilde worden. ‘Dat is toch niets voor jou, met een schop en een borsteltje in de ondergrond zitten ploeteren’, zei mijn vader. Hij kende me toen beter dan ikzelf, gelukkig maar. Ik heb nooit al mijn gedachten, ervaringen, ontmoetingen en emoties opgeschreven voor het nageslacht. ‘Brave meisjes pennen dagboeken vol. Stoute meisjes hebben daar geen tijd voor’, zei actrice Tallulah Bankhead terecht. Zo stout ben ik niet, maar mijn dagen zijn altijd te kort geweest. Pas nu, met dit boek, besef ik dat ik toch best veel gedaan heb. Ik ben op zoveel kansen ingegaan, heb zo dikwijls ook zonder valnet durven springen. Gewoon omdat het kon, omdat ik de kans kreeg iets te verwezenlijken en omdat ik vertrouwen had. In de anderen, en ook in mezelf. Het is nooit mijn idee geweest een boek te schrijven. Professor Steven Van Hecke, die ik vaak ontmoet in het kader van het KU Leuven Wilfried Martens Fonds, is de man die me, nu ik 75 jaar ben geworden, eindelijk zo ver heeft gekregen. De herinneringen die we hier hebben gebundeld, zijn het resultaat van de gezamenlijke inspanning van velen. Gelukkig kon ik rekenen op vroegere medewerkers die een goed geheugen hebben voor al wat in mijn ogen ‘passé’ is. Dit is echter een verre van volledig overzicht van mijn leven en werk, maar ik hoop hiermee de lezers een idee te geven van het reilen en zeilen in en vlak naast
Proloog
7
de politiek. Tegelijkertijd besef ik maar al te goed dat het verleden niet voorbij is. Als ik de krant lees of naar het journaal kijk, bekruipt me alle dagen een déjà-vugevoel. Of het nu over de opvang van vluchtelingen, de Antwerpse verkeersknoop, de Europese eenmaking, onveilige kerncentrales, vervuilende auto’s, brugpensioen, vrouwenbesnijdenis, abortus of de MeToobeweging gaat: het zijn gelijkaardige problemen waar de politici van twintig en dertig jaar geleden over gebogen zaten. Het is aan elke nieuwe generatie om er op haar manier mee om te gaan. Ik kijk nooit achteruit. Nooit, behalve naar de vijf jaar die ik getrouwd was met Wilfried Martens. De periode tussen 27 september 2008 en zijn dood op 9 oktober 2013 is de gelukkigste van mijn leven geweest. Wilfried duikt in dit boek geregeld op. Als collega, als vriend, als politicus, als premier, als mijn grote liefde en uiteindelijk ook als echtgenoot. Dat stukje gezamenlijk verleden houdt helaas geen toekomst meer in. Maar Wilfried blijft mijn heden, zolang ik vooruit kan kijken.
8
M iet Smet
Weer u scherp
‘Misschien ga je beter eerst nog rechten studeren’, zei Wilfried Martens me toen hij voorzitter was van het CVP-jongerenbureau. Hij was gefascineerd door het federalisme en de Belgische staatsstructuren en hij begreep maar niet dat de andere leden van ons zogenaamde Wonderbureau zich daar niet met evenveel passie in vastbeten. Waarschijnlijk zag hij in mij een mogelijke bondgenoot, maar ik heb zijn goedbedoelde voorstel handig afgewimpeld. Ik was al volop bezig met sociale politiek, leefmilieu en vrouwenemancipatie en geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht weer te beginnen te blokken. Trouwens, ik had al een diploma. ‘Wilfried, alsjeblieft… Terug studeren, dat zie ik niet zitten’, sputterde ik tegen. Want ik bijt me graag vast in een dossier en ik heb er veel gemaakt in mijn leven, maar aan mijn studietijd denk ik niet met onverdeeld genoegen terug. In de lagere school in Lokeren was ik een van de uitblinkers, maar mijn humaniora in Sint-Niklaas was een periode van bloed, zweet, tranen en geregeld slechte punten. Pas in de sociale school vond ik weer mijn draai, met gelukkig betere resultaten als gevolg. Ik zag mezelf ineens weer zitten op dat wankele stoeltje in de klas in Lokeren. Twaalf jaar was ik, één brok energie. Mijn ouders hadden me naar de afdeling Handel van Onze-LieveVrouw-Presentatie gestuurd. Ik zat er welgeteld één week toen deken Bauwens bij mijn ouders thuis aanbelde en verontwaardigd zei: ‘Miet was primus perpetuus in de lagere school. Ze
Weer u scherp
9
moet humaniora volgen!’ Voor zowel mijn moeder als mijn vader was dat een hele stap, want hoe verstandig die mensen ook waren, zij hadden zelf nooit de mogelijkheid gekregen om verder te studeren. Vader Albert Smet had een diploma technisch onderwijs behaald in de Sint-Antoniusschool in Sint-Niklaas, waarmee hij, voor hij in de politiek stapte, werktuigkundige was bij Ford Zwijndrecht. Moeder Irma Ivens had snit en naad gevolgd in Berkenboom en naaide mijn jurkjes tot in de perfectie. Ze lette er ook op dat ik mijn huiswerk zonder doorhalingen of vlekken af kon geven. We schreven toen nog met een pen die in de inktpot gedompeld werd en ongelukjes waren legio. Een schande die ma wegwiste met veel geduld en een druppel bleekwater. Bij Wilfried hoorde ik een gelijkaardig verhaal. Hij kon naar het college van Eeklo dankzij de onderpastoor van Sleidinge, die zijn moeder ervan overtuigde haar zoon te laten doorleren. We waren allebei oorlogskinderen, maar Wilfried zat al op de schoolbanken toen ik op 5 april 1943 geboren werd. Een memorabele en heel dramatische dag. Terwijl ik mijn eerste kreet slaakte, stierven in Mortsel 258 kinderen en 678 volwassenen toen de Amerikanen er de Erlafabrieken wilden bombarderen maar vooral een woonwijk in Oude God troffen. De vreugde van mijn ouders om de geboorte van hun dochter ging gepaard met het massale verdriet om het zwaarste bombardement dat de Benelux ooit gekend heeft. Aan die schokkende gebeurtenis denk ik dan ook elke verjaardag onwillekeurig terug. Twee jaar later en vlak na de Tweede Wereldoorlog kwam zus Krie erbij, gevolgd door Lieve, Rob en Leen. Ik was dus, net als Wilfried, het oudste kind in een gezin van vijf. Een verantwoordelijke positie, waarvan we ons allebei bewust waren.
10
M iet Smet
Omdat er in Lokeren geen katholieke school was waar ik klassieke humaniora kon volgen, stuurden mijn ouders me op internaat naar Onze-Lieve-Vrouw-Presentatie in Sint-Niklaas. Ik huilde telkens als ze me kwamen bezoeken en weer naar huis gingen, zo erg vond ik het. Ik kwam uit een beschermd milieu, miste mijn thuis en voelde me een vreemde tussen al die meisjes die ik niet kende en die mij ook niet konden plaatsen. Vergeet niet, in Lokeren was ik de dochter van politicus Albert Smet. Vader was gekozen in de gemeenteraad, was voorzitter van de Commissie van Openbare Onderstand (nu OCMW) en zat in alle mogelijke organisaties. Twee keer per jaar gingen we met het hele gezin op uitstap naar de kliniek en bij de koffietafel kregen we van de zusters allemaal een gehaakt doekje. Ik heb er nog altijd een op mijn tafel liggen. De kinderen uit het weeshuis kwamen af en toe bij ons thuis op bezoek en werden door mijn moeder met veel warmte ontvangen. Het oude mannenen vrouwengesticht, het weeshuis, de kliniek: toen ik een jaar of zes was, dacht ik zelfs dat het allemaal ‘van onze papa’ was. Veel mensen in Lokeren kenden vader en zijn gezin en in Sint-Niklaas werd ik plots een leerling als alle andere. Een meisje dat in niets uitzonderlijk was en opging in de menigte. Het was een enorme aanpassing en een harde leerschool, maar ik heb er wel een serieuze dosis zelfstandigheid verworven. Ik volgde eerst Latijn-Grieks en schakelde daarna over op LatijnWetenschappen. Een vreemde wereld voor ma en pa, die nooit klassieke talen hadden geleerd en me dus niet konden helpen. Wilfried en ik kregen de gelegenheid om het verder te brengen dan onze ouders, maar we moesten ons zonder hulp van thuis een weg door de leerboeken banen. Wij moesten het alleen doen, en bij de toen veel meer gemotiveerde en ernstige Wilfried lukte dat beter dan bij mij. In het begin mocht ik maar
Weer u scherp
11
om de veertien dagen of drie weken naar huis, later om de week. Als ik een slecht rapport moest laten tekenen, maakte ik die treinrit naar Lokeren ook nog met een bang hartje. Ik wist immers dat ik van mijn vader een lap rond mijn oren kon verwachten. Pa, die in feite een lieve man was, had altijd onmiddellijk spijt van zijn uithaal. Om het goed te maken, schonk hij me telkens een jeneverke in. Elke maandag vertrok ik weer in mijn grijs uniformpje naar het station, met loden schoenen en een koffer vol gewassen en gesteven blouses. Ik stelde mijn vertrek tot het laatste moment uit, liet de stoomtrein eerst voorbij ons huis denderen, zette dan een stevige spurt in en haalde hem nog net op tijd. Elke minuut langer in de Nijverheidsstraat in Lokeren telde driedubbel. In de vijfde Latijnse heb ik in het openbaar leren spreken met mijn klasgenoten als publiek. Mijn eerste spreekbeurt ging over Albrecht Rodenbach. Waarom ik uitgerekend die toen al oubollige schrijver koos, weet ik niet meer. Ik had mijn tekst gebaseerd op de Vlaamse Filmpjes, die jeugdboekjes van uitgeverij Averbode, en ik eindigde mijn betoog met Rodenbachs woorden en het nodige pathos: ‘Kameraad. Nicht raisonieren. Weer u scherp en eind als een soldaat.’ Het moet indruk hebben gemaakt, want de ganse klas veerde recht en ik kreeg een staande ovatie. Overdreven, zowel mijn tekst als die reactie, maar ik besefte tot mijn eigen verrassing meteen dat ik kon spreken, en een gehoor kon boeien. Het bleek later niet alleen mijn verdienste, maar voor een stukje ook die van Rodenbach. Want mijn tweede spreekbeurt werd geen succes. Mijn vriendinnen zeiden dat er niets mis was met mijn optreden, maar dat ik gewoon de verkeerde man had uitgekozen. Ik hield namelijk een betoog over de Amerikaanse presidentskandidaat Richard Nixon en ze hadden veel liever een voordracht over de fotoge12
Miet Smet
nieke John Kennedy gehad. Hoewel ook mijn pa achter Kennedy stond, vond ik die knappe publiekslieveling te oppervlakkig en ik geloofde meer in zijn tegenstrever. Jaren later bleek dat ik gelijk had en dat Kennedy inderdaad te licht woog. Dat Nixon aan het einde van de rit een bedrieger bleek, kon ik natuurlijk niet vermoeden. In de klas was ik geen doetje en ik maakte van mijn neus als me iets niet zinde. De leraar Grieks mocht dat ondervinden toen hij op zekere dag ‘de politiekers’ ervanlangs gaf. De man had op mijn hart getrapt, het voelde aan alsof hij mijn vader attaqueerde en dat nam ik niet. Ik heb hem uitgescholden en ben woedend de klas uit gelopen. Ook bij de Vrouwelijke Katholieke Studerende Jeugd (VKSJ) was ik een tamelijk lastige klant. We waren heel solidair, maar we vonden dat de leiding niet deugde en ik stak dat niet onder stoelen of banken. Ik was nu eenmaal een voortrekker, verantwoordelijkheid opnemen zat er duidelijk al vroeg in. Mijn mooiste herinnering aan die tijd was ons bezoek aan de wereldtentoonstelling in 1958 in Brussel. Ik was onder de indruk van het Amerikaans paviljoen en gaf mijn ogen de kost, terwijl Wilfried Martens als voorzitter van het jeugdcomité er ondertussen met veel tamtam protesteerde tegen de miskenning van het Nederlands. Hij haalde zijn slag thuis want er kwam een Vlaamse en een Waalse dag, maar mij is dat ontgaan. De jonge Wilfried was immers zeven jaar ouder en stond al op de barricaden terwijl ik nog verblind werd door het Atomium en mijn eerste Coca Cola dronk. Tussen een jongeman van 22 jaar en een meisje van 15 ligt een wereld van verschil.
Weer u scherp
13
Vlaggenzwaaien, niks voor mij Wilfried was aangesloten bij de Katholieke Studentenactie (KSA) en zag die jeugdbeweging als een deel van zijn vorming. Net als voor Jean-Luc Dehaene diende dat engagement als een voorbereiding op zijn latere leven en het kwam zeker van pas in de politiek. Bij de meisjes werden die jongerenorganisaties veel minder ernstig genomen. Het ging er daar veel lichtvoetiger aan toe. Voor mij betekende de VKSJ plezier maken en niets meer. Het wakkerde mijn flamingantisme niet aan en te veel katholieke plichtplegingen lagen me ook al niet. Ik ben met mijn vader maar één keer naar de IJzerbedevaart geweest, daarna nooit meer. Zo’n massabijeenkomst en al dat vlaggenzwaaien, dat was en is niks voor mij. Ook die manifestaties op de Heizel in de grote dagen van het ACW zegden me weinig. Het deed me aan de jaren 1930 denken, aan het gevaar van massahysterie. Eerlijk gezegd, kerk en school hebben nooit veel invloed op mij gehad. Niet dat ik me tegen die instituten verzette, maar ik vond vooral wat mijn ouders dachten belangrijk. Bij de verkiezingen van 1 juni 1958, vlak na de tweede schoolstrijd, kreeg het linkse kabinet flink op zijn donder en behaalde de CVP een klinkende overwinning. Mijn vader stond op de senaatslijst voor het arrondissement Dendermonde-SintNiklaas en werd met glans verkozen. Ik was op dat moment vijftien en moest bij de schooldirectrice komen. ‘Vanaf nu moet ge u gedragen als de dochter van een senator’, zei ze. Tja, wat moest ik me daarbij voorstellen? Thuis was het feest toen vader in de Senaat mocht zetelen. De harmonie van Lokeren kwam pa een serenade geven en ma zette hapjes en drankjes op tafel. Vader werd als een held ingehaald, een senator genoot in die tijd heel wat meer aanzien dan nu. Er werd een telefoon geïn14
Miet Smet
stalleerd, het werkinstrument en tevens symbool voor wie het gemaakt had. Moeder gaf de nodige instructies over hoe we te werk moesten gaan. ‘Ge neemt de hoorn op en zegt: Het is hier met het huis van senator Smet.’ Ach, ze was zo trots… Met de telefoon was de vooruitgang ingezet en kwam er ook een televisietoestel in huis. We keken naar Toni Corsari, Toon Hermans en Mies Bouwman. Mijn ma was een groot operaliefhebber, vandaar misschien dat we alle vijf ‘solfège’ moesten leren en een instrument moesten bespelen. De vier meisjes piano, de jongen viool. Om te kunnen oefenen ging ik met mijn vader mee naar zijn werk bij het ACV in het Gildenhuis, waar achter het decor een piano stond. Later hebben mijn ouders er zelf een gekocht en plaatsten ze een borstbeeldje van Beethoven met zijn wilde haren op de bovenklep. Beethoven is altijd mijn lievelingscomponist geweest, maar ik denk niet dat er aan mij een groot muzikaal talent verloren is gegaan. Eens in de politiek heb ik nooit meer gespeeld. Ik mis het niet, het zegt me niks meer. Alleen mijn jongste zus Leen heeft doorgezet en haalt een behoorlijk niveau. Mijn schooltijd was in zekere zin een harde periode, waar ik niet met nostalgie aan terugdenk. Ik geloof dat ik het middelbaar ‘met voldoening’ heb beëindigd, niet zo schitterend dus. De Katholieke Sociale Hogeschool in Gent ben ik met een onderscheiding buitengestapt en voor mijn ouders was dat heel wat. Mijn pa was zo fier als een gieter want al wie binnen het ACW een hoge functie bekleedde, had dat diploma op zak. ‘Nu je afgestudeerd bent, mag je een groot geschenk kiezen’, zei vader. Ik kocht een bureaulamp en hij was teleurgesteld dat het dat maar was. Hij was het ook die me die studies ingefluisterd had, want ik wilde in eerste instantie naar de universiteit gaan om geschiedenis te studeren en later archeologie. Dat bleek
Weer u scherp
15
echter te duur voor mijn ouders die ook hun vier andere kinderen een opleiding wilden geven en dat begreep ik. Het werd dus de sociale school, en daar heb ik nooit spijt van gehad. Ik heb er trouwens ook een aantal goede vriendinnen aan overgehouden die me nu nog dierbaar zijn.
‘Zwaar maar skoon’, zei Fabiola De buitenwereld onderschat die sociale studies. Ze zijn heel interessant maar vrij zwaar. Wie dat wel besefte was koningin Fabiola. Nadat ze in december 1960 met koning Boudewijn getrouwd was, werden de parlementsleden uitgenodigd op een receptie en ze mochten hun partner en oudste kinderen meebrengen. Ik vergezelde mijn ouders en de bruid vroeg me, met een zwaar Spaans accent: ‘Wat doet u?’ Ik antwoordde: ‘Ik studeer voor sociaal assistente, mevrouw’. ‘Dat is zwaar, maar skoon’, oordeelde ze. Ik heb Fabiola verschillende keren ontmoet en herinner me nog levendig dat er in juli 1995 een reis naar China gepland stond. De koningin moest er als voorzitster van de Internationale Stuurgroep voor de Economische Bevordering van Plattelandsvrouwen van de VN een speech houden. Haar toespraak moest gedekt worden door de regering en ze nodigde me als minister uit om er op het paleis samen naar te kijken. Terwijl ik de tekst aan het lezen was, die ik trouwens bijzonder goed vond, was de koningin met haar bediende Hilaire aan het onderhandelen over de begrafenis van haar broer Jaime Mora y Aragon. Die flamboyante bon vivant genoot heel zijn leven een nogal pijnlijke reputatie als playboy en fuifbeest en bracht meer dan eens zijn streng katholieke familie in verlegenheid. Het contrast tussen een broer en een zus kon niet groter 16
Miet Smet
zijn. Hij, de koning van nachtelijk Marbella; zij de roomse en gedisciplineerde koningin van België. ‘Hoe ga ik dat oplossen?’ vroeg Fabiola. ‘Ik krijg het niet over mijn hart mijn broer in de steek te laten, maar ik wil natuurlijk ook niet te veel met hem geassocieerd worden.’ Ik verstond dat. Voor haar was dat zwarte schaap een probleem. We hebben toen ook een lange discussie gehad over het gebruik van condooms. We waren het niet met elkaar eens want Fabiola was gekant tegen voorbehoedsmiddelen, maar dat neemt niet weg dat ik een grote waardering voor de koningin had. Want hoewel men soms een ander beeld van haar heeft, vond ik Fabiola in bepaalde zaken wél vooruitstrevend. De vrouwenconferentie die in Peking werd gehouden, betekende een doorbraak omdat het er voor de eerste keer echt over vrouwenrechten ging. Het internationale gezelschap werd ditmaal gedomineerd door vrouwen die hun machtspositie zelf veroverd hadden en niet zomaar de ‘echtgenotes van’ waren: de Ierse president Mary Robinson, haar collega Vigdís Finnbogadóttir uit IJsland, de vrouwelijke premiers Benazir Bhutto, Khaleda Zia en Gro Harlem Brundtland, en een resem vrouwelijke ministers. Fabiola en ik hebben daar allebei onze toespraak gehouden, ik over het feit dat vrouwen nog altijd minder betaald werden dan mannen en dat hun medezeggenschap op alle domeinen van de samenleving beperkt bleef. ‘We moeten ons lot in eigen handen nemen en er zijn concrete acties nodig om het dagelijkse leven van vrouwen te verbeteren’, zei ik. ’s Avonds toonde de Chinese televisie beelden van mijn toespraak met daaronder de vermelding: ‘Queen Fabiola of Belgium’. Naast het officiële luik was er ook een ‘officieuze’ bijeenkomst met ngo's, waar de koningin en ik toch naartoe gingen, hoewel de Chinese overheid
Weer u scherp
17
dat niet bepaald aanmoedigde. Die bijeenkomst vond plaats in tenten in het modderige Huairou, waar Fabiola onder haar Chanel-tailleur basketsloefjes droeg. Ze zat op de eerste rij, geflankeerd door een resem donkerhuidige koninginnen. Toen er vrijwilligers gevraagd werden om te dansen, stuurde zij zonder aarzelen Jacques van Ypersele de Strihou het podium op. De gewezen kabinetschef van Boudewijn huppelde er in opdracht rond, uitgedost met een strooien rokje. Ongewoon, zal ik maar zeggen. Maar koningin Fabiola was dan ook een speciale.
18 
Miet Smet
De verstandigsten onder u zullen wel begrijpen
‘De borsten van Gina’, zo noemden ze de plaats waar de E17 onder de Schelde duikt. Naar Gina Lollobrigida, de rondborstige Italiaanse actrice en fotografe die in 1999 op de lijst voor de Europese verkiezingen stond. Verkozen is ze nooit, maar telkens als ik ter hoogte van Zwijndrecht de tunnel inrijd, denk ik aan haar. Een goeie manier om mijn humeur niet te laten vergallen door de file die daar altijd staat. En zeggen dat ik indertijd heb geijverd om die Antwerpse verkeersknoop op te lossen. Hoewel socialist Freddy Willockx en ik twee concurrenten waren uit hetzelfde Waasland, hebben we samen onze schouders gezet onder een plan om de Krijgsbaan door te trekken zodat men alle zware vrachtverkeer daarlangs kon omleiden. De landbouwers waren kwaad omdat ze wat grond moesten afstaan en mijn partijgenoot en senator Ferdinand De Bondt, die de boeren vertegenwoordigde, werd onze grootste tegenstander. Ook van de burgemeester van Beveren, eveneens een CVP'er, kregen we de wind van voren omdat hij al dat verkeer niet op zijn grondgebied wilde. Freddy Willockx vond dat protest niet zo erg maar voor mij lag dat anders: die boeren waren mijn kiezers. Toch heb ik me, misschien nog meer dan Willockx, echt ingezet om die verkeersoverlast op te lossen. Maar niemand anders durfde dat meer dan dertig jaar geleden grondig aan te pakken, en van ons plan is er dus niets gekomen.
De verstandigsten onder u zullen wel begrijpen  
19
Het is wel aan mij te danken dat we nu over de Waaslandtunnel en de Kallosluis spreken. De sinjoren hadden het met enige grootheidswaanzin vroeger over ‘Linkeroever’, maar die term bestaat officieel niet meer en is door een wet van mij ‘Waasland’ geworden. Die wet heb ik niet als minister maar als parlementair kunnen doordrukken en dat is op zich al een zeldzaamheid, temeer omdat de Antwerpenaar Hugo Schiltz in de regering zat en daar eigenlijk tegen was. Maar ik heb toch mijn zin gekregen. Ik heb Antwerpen wat kleiner gemaakt. Ruimtelijke ordening is altijd mijn passie geweest, een gevolg van de zeven jaar die ik bij Mens en Ruimte heb gewerkt. Voor 1962 bestond het hele land uit potentiële bouwgrond. De eerste wet op de ruimtelijke ordening moest een einde maken aan de ongecontroleerde bouwwoede en Mens en Ruimte was een van de studiegroepen die belast werden met de uitwerking van de gewestplannen. Voorzitter Jozef Zwaenepoel was een van mijn leraren op de Hogeschool voor Maatschappelijk werk in Gent en hij vroeg me in 1964 om in Brussel bij hem te komen werken. Ik moest voor Mens en Ruimte het veldwerk doen in de Kempen. Met mijn eerste autootje, een Fiat 600, tufte ik van Hoogstraten tot Turnhout, van Wuustwezel tot Mol en noteerde waar er huizen stonden en in welke staat ze verkeerden. Aan de hand van mijn notities tekende een aantal grafici de eerste regionale en gewestplannen. Ik heb die job met veel plezier gedaan. Ik voelde me een vrije vogel, zocht mijn weg met de wegenkaart op mijn schoot en ontdekte zelfs de kleinste en de meest pittoreske dorpen. Niet alleen Mens en Ruimte maar ook de politiek heeft me op zo veel plaatsen gebracht dat ik ook vandaag nog in een groot stuk Vlaanderen zonder gps mijn weg vind. Zeker in het Waasland ken ik alle hoeken en kanten. Ik kan het grondplan van mijn roots tekenen met mijn ogen dicht. 20
Miet Smet
Het stadhuis van Sint-Niklaas zat nokvol toen ik er voor de eerste keer voor Mens en Ruimte een uiteenzetting over ruimtelijke ordening moest geven. Mijn debuut voor een zaal met burgemeesters en andere vooraanstaanden uit de toen nog 28 gemeenten die het Waasland rijk was. Nu had ik van thuis een gezonde dosis zelfvertrouwen meegekregen, maar ik was er toch niet honderd procent gerust in. De meeste politici krijgen niet voor niets een cursus ‘spreken in het openbaar’, maar ik werd op mijn 23ste onvoorbereid voor de leeuwen geworpen. Mijn baas Jozef Zwaenepoel gaf me maar één raad: ‘Je begint je betoog met de woorden: “De verstandigsten onder u zullen wel begrijpen…” Ze zullen allemaal knikken want uiteraard vinden ze van zichzelf dat ze verstandig zijn.’ Ik luisterde braaf en sprak die – dacht ik – wijze woorden, en meteen schoot heel de zaal in een bulderende lach. Ik heb die magische formule later nooit meer gebruikt en merkte dat er ook zo wel naar me werd geluisterd.
Lokeren gaat ontwikkelen Bij Mens en Ruimte heb ik een bagage opgebouwd die me later als staatssecretaris voor Leefmilieu goed van pas kwam. We werkten er met een kleine ploeg van een twintigtal mensen. Ik heb er hoogoplopende conflicten meegemaakt. Grote discussies in gemeentehuizen over welk stuk grond landbouwzone of groengebied werd en waar er huizen mochten komen. De ruilverkavelingen waren dikwijls een ingewikkelde affaire. Mensen moesten een lap grond afstaan en kregen er een ander stuk voor in de plaats. De onderhandelingen duurden soms lang, maar meestal kwam het wel in orde. Meestal maar niet altijd, want ei-
De verstandigsten onder u zullen wel begrijpen
21
genaars die eisten dat hun grond toch bouwgrond werd, waren niet snel tevreden te stellen. Hoewel dat nu door het gewestplan geregeld is, blijft dat soms nog problemen geven. Ik volg dat allemaal op de voet, al die moeilijkheden waar huidig minister Joke Schauvliege van wakker ligt. Ze heeft geen gemakkelijke job, ik heb dat ook aan den lijve ondervonden. De groepen die haar aanvallen, hebben niet altijd gelijk. Ik mag dat zeggen, ik heb tenslotte een van de eerste milieubewegingen in Vlaanderen mee opgericht: de vzw Durme. Ik heb altijd aan de oever van die rivier gewoond. Zij zit in mijn binnenzak, zou Johan Verminnen zingen. Mijn engagement voerde me stroomafwaarts naar Linkeroever, waar ik voorzitter werd van een leefmilieuvereniging die ik ook heb vormgegeven: Actiecomité Beveiliging Leefmilieu Linkeroever (ABLLO). Dat was dringend nodig, want daar vestigde zich in die tijd het ene chemisch bedrijf na het andere, er werden dokken uitgegraven en er kwamen stortplaatsen en verbrandingsovens. De twee verenigingen zijn later lid geworden van de Bond Beter Leefmilieu, waarvan ik ook een van de stichters was. Ik leerde er nieuwe mensen kennen en appreciëren: landbouwers, natuurbeschermers, vogelliefhebbers. Stuk voor stuk inwoners met een hart voor hun streek. Ik heb bij Mens en Ruimte ook de noden van oudere mensen leren kennen. De generatie van voor de oorlog zorgde nog thuis voor zijn bejaarde ouders, maar dat was intussen veranderd. Ik moest een studie maken over bejaardenwoningen in Temse, sprak met de mensen die daarvoor in aanmerking kwamen en hoorde dat ze droomden van een eigen site waar ze samen konden wonen. Ik besef dat ik nu zelf tot die leeftijdscategorie behoor. Vroeger woonde ik in een herenhuis met veel trappen, maar toen mijn man Wilfried ziek werd, hebben we 22
Miet Smet