Het sociaal, economisch en fiscaal recht in BelgiĂŤ Een beknopte geschiedenis
Het sociaal, economisch en fiscaal recht in BelgiĂŤ Een beknopte geschiedenis
DIRK HEIRBAUT Derde, herwerkte editie
Uitgeverij Academia Press Ampla House Coupure Rechts 88 9000 Gent België www.academiapress.be Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv.
ISBN 9789401454834 D/2019/45/492 NUR 820 Dirk Heirbaut Het sociaal, economisch en fiscaal recht in België. Een beknopte geschiedenis Gent, Academia Press, 2019, 177 p. Derde, herwerkte editie, 2019 Vormgeving cover: Keppie & Keppie
© Dirk Heirbaut & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Woord vooraf Traditioneel bekommeren rechtshistorici zich vooral om het privaatrecht in de enge zin (het klassieke burgerlijk recht, met inbegrip van het procesrecht en de gerechtelijke organisatie), het publiekrecht (vooral dan het grondwettelijk recht) en het strafrecht. De geschiedenis van het sociaal en economisch recht blijft grotendeels onderbelicht. In de negentiende eeuw was dit misschien nog gerechtvaardigd, maar nu valt dit niet langer te handhaven, gezien het enorme belang van het sociaal en het economisch recht. Deze cursus wil daarom een eerste verkenning leveren van de geschiedenis van deze twee grote terreinen van het recht. Een probleem is echter dat zij tot nog toe relatief weinig bestudeerd zijn. Dat blijkt bv. al uit de programma’s aan de universiteiten. Slechts één rechtenfaculteit bood tot nog toe een vak aan over de geschiedenis van het sociaal recht. Het economisch recht bleef zelfs geheel onderbelicht. Dit weerspiegelt ook de stand van zaken in het wetenschappelijk onderzoek. Voor het sociaal recht is toch al enig onderzoek gebeurd, zij het niet zozeer door rechtshistorici, dan wel door historici en sociologen, en er zijn enkele relatief goede overzichtsstudies, ook al zijn die ondertussen een beetje verouderd. Voor het economisch recht is de situatie veel slechter. Eigenlijk is de geschiedenis daarvan in België nog grotendeels onbestudeerd en goede overzichtswerken ontbreken. De rechtsgeschiedenis volgt daarbij de algemene geschiedenis, waarin het economische ook nog niet alle aandacht gekregen heeft dat het verdient. Het fiscaal recht is verhoudingsgewijze beter bedeeld, maar ook voor zijn geschiedenis is er nog genoeg werk aan de winkel. Omdat dit boekje de huidige stand van zaken weergeeft, is het allerminst definitief. Nieuw onderzoek zal zeker leiden tot aanpassingen. Meer nog, het is de hoop van de auteur dat dit werk zal bijdragen tot meer onderzoek. Dit boek is overigens op de eerste plaats geschreven voor juristen, niet voor historici. De historische context komt daarom slechts in beperkte mate aan bod, niet omdat hij niet belangrijk zou zijn, maar omdat hij nu eenmaal minder relevant is voor juristen. Aanbevolen literatuur, niet enkel voor historici, maar ook voor juristen, is dan ook: A. Grauwels, D. Luyten, F. Caestecker, P. Scholliers en E. Vanhaute, Hedendaagse economische geschiedenis van België, een inleiding, Gent, Academia press, 2011.
5
Nog een andere waarschuwing past bij dit korte overzicht. Het bleek dat het moeilijk, zo niet onmogelijk, is om te schrijven over de geschiedenis van het sociaal en economisch recht zonder een standpunt in te nemen. Ik vraag daarom met aandrang dat de lezer de hiernavolgende pagina’s met een kritisch oog beschouwt en, waar hij het niet eens is, hierover zoveel mogelijk in discussie treedt of, beter nog, eigen onderzoek voert. Het aangenaamste deel van een voorwoord is dat de auteur de kans krijgt zijn vrienden te danken voor hun hulp. Op de eerste plaats wil ik Gerard Sinnaeve vermelden omdat hij reeds vele jaren mijn teksten grondig doorneemt. Eenzelfde dank ben ik ook verschuldigd aan mijn medewerkers Bruno Debaenst, Bram Van Dael, Bart Quintelier, Maarten Vankeersbilck, Stefan Huygebaert en Matthias Van der Haegen die eveneens stukken van deze tekst gelezen hebben. Vooral Bruno is daarbij ook een belangrijke discussiepartner geweest. Een ander klankbord was Georges Martyn, de beste collega die een rechtshistoricus zich kan inbeelden. De Tilburgse en Brusselse rechtshistoricus Dave De ruysscher ben ik ook dankbaar voor zijn kritische opmerkingen. Veel hulp heb ik gekregen van enkele collega’s uit de Gentse faculteit rechtsgeleerdheid: Patrick Humblet, Willy Van Eeckhoutte, Marc De Vos, Alexander De Becker, Yves Jorens, Michel Tison, Reinhard Steennot, Diederik Bruloot en Kris Bernauw. Ik hoop dat ik hun recht, het weze sociaal, economisch of fiscaal, met dit boekje over de geschiedenis ervan, toch al een beetje de aandacht geef dat het van de rechtshistorici verdient. Heel in het bijzonder wil ik hier nog eens mijn vroegere medestudent en huidige collega Hans De Wulf vermelden. De hedendaagse gesofisticeerde financiële instrumenten vormen een wondere, maar ook weinig toegankelijke wereld. Als dit boek desondanks toch de laatste ontwikkelingen op dit vlak kan behandelen, dan is dat zijn verdienste, waarvoor ik hem niet genoeg dankbaar kan zijn en ik hoop dat hij het mij niet al te kwalijk zal nemen als ik hier en daar zijn fascinerende opmerkingen op mijn manuscript ten behoeve van de lezer (hopelijk zonder fouten) vereenvoudigd heb. Evenzeer schatplichtig ben ik aan Bart Peeters die zo vriendelijk was het deel over de fiscaliteit met een kritische blik grondig door te lichten. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat de laatste pagina’s van het hoofdstuk over de fiscaliteit dankzij hem zo fundamenteel herschreven zijn dat hij, althans toch voor de goede delen ervan, eerder een co-auteur dan een adviseur was. Last but not least, past hier een dankwoord aan de Gentse rechtenstudenten. Hun enthousiasme en ook hun opmerkingen hebben dit boek mogelijk gemaakt. Hamme, 3 mei 2019 Dirk Heirbaut
6
Inhoudstafel Woord vooraf ....................................................................................................... 5 Inhoudstafel.......................................................................................................... 7 Sociaal recht ....................................................................................................... 13 A. Achtergrond ............................................................................................. 15 I. De industrialisering in de kinderschoenen (eerste helft negentiende eeuw) .......................................................................................................... 15 II. De industrialisering op dreef (1850-1914) ............................................ 17 III. Wereldoorlogen en crisis (1914-1944) ................................................. 18 IV. De uitbouw van de welvaartsstaat (1944-1976) ................................... 20 V. De welvaartsstaat op de sukkel (1976-1999)......................................... 21 VI. Nieuwe uitdagingen (1999-) ............................................................... 22 B. Arbeidsrecht ............................................................................................. 25 I. Chronologie ............................................................................................ 25 II. Collectief arbeidsrecht ........................................................................... 26 a. Romeinen........................................................................................... 26 b. Middeleeuwen en moderne tijden ..................................................... 26 c. De Franse Revolutie .......................................................................... 27 d. Van 1810 tot 1867 ............................................................................. 28 e. Het strafwetboek van 1867 en het verdwijnen van het coalitieverbod ........................................................................................ 28 f. De integratie in het ‘systeem’ na Wereldoorlog II ............................. 30 f.1. Collectieve arbeidsovereenkomsten ........................................... 31 f.2. De instellingen van het collectief overleg .................................. 31 f.2.a. Paritaire comités ................................................................. 32 f.2.b. De Nationale Arbeidsraad .................................................. 32 f.2.c. Vakbondsafvaardiging en ondernemingsraad ..................... 33 III. Arbeidsovereenkomstenrecht ............................................................... 34 a. Romeinen........................................................................................... 34 b. Middeleeuwen en moderne tijden ..................................................... 34 c. Het Burgerlijk Wetboek van 1804 ..................................................... 34 d. De negentiende eeuw en het werkboekje .......................................... 35 e. De opkomst van de arbeidsovereenkomstenwetgeving in de twintigste eeuw...................................................................................... 37 f. Specifieke problemen ......................................................................... 38 f.1. Het loon ...................................................................................... 38 f.2. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst ............................. 41
7
- Inhoudstafel ____________________________________________________________ IV. Arbeidsbeschermingsrecht ................................................................... 41 a. Vrouwen- en kinderarbeid ................................................................. 41 b. De algemene arbeidsbescherming ..................................................... 44 b.1. Arbeidsduur ............................................................................... 44 b.2. Arbeidsomstandigheden ............................................................ 46 b.2.a. Het arbeidsreglement van de onderneming ........................ 46 b.2.b. De arbeidsveiligheid .......................................................... 47 b.2.c. Psychosociale risico’s ........................................................ 48 V. De werkrechtersraden en de arbeidsrechtbanken .................................. 48 a. De napoleontische werkrechtersraad ................................................. 48 b. De paritaire werkrechtersraad ........................................................... 49 c. Het Gerechtelijk Wetboek van 1967: arbeidsrechtbank in de plaats van eenheidsrechtbank .......................................................................... 51 C. Socialezekerheidsrecht............................................................................. 53 I. Historische evolutie ................................................................................ 53 a. De Romeinse annona (graantoevoer)................................................. 53 b. Het ancien régime: broodzetting, liefdadigheid en ambachtelijke solidariteit .............................................................................................. 54 c. De Franse Revolutie: het oude verdwijnt, maar wordt niet vervangen .............................................................................................. 55 d. De eerste helft van de negentiende eeuw: sociale onzekerheid ......... 56 e. 1850-1940: gesubsidieerde vrijheid ................................................... 56 f. Het interbellum: de opkomst van de verplichte verzekering .............. 57 g. De grote doorbraak: de besluitwet van 28 december 1944................ 58 g.1. De besluitwet betekende niet de geboorte van de sociale zekerheid .......................................................................................... 58 g.2. Andere mythes ontkracht ........................................................... 60 h. De naoorlogse sociale zekerheid ....................................................... 60 II. De diverse sectoren ............................................................................... 63 a. Arbeidsongevallen ............................................................................. 63 b. Beroepsziekten .................................................................................. 65 c. Ziekte- en invaliditeitsverzekering .................................................... 65 d. Werkloosheidsverzekering ................................................................ 68 e. Pensioenen ......................................................................................... 71 f. Gezinsbijslag ...................................................................................... 74 g. Zelfstandigen ..................................................................................... 76 h. Ambtenaren ....................................................................................... 76 Economisch recht............................................................................................... 79 A. De geschiedenis van het ‘handelsrecht’ .................................................. 81 I. Het middeleeuwse ‘handelsrecht’ ........................................................... 81 II. Verwetenschappelijking en verschriftelijking in de moderne tijden ..... 82
8
- Inhoudstafel ____________________________________________________________ III. Het napoleontische Wetboek van Koophandel en zijn lotgevallen in België ......................................................................................................... 83 a. De lethargie van de beginperiode ...................................................... 85 b. De stapsgewijze herziening in de tweede helft van de negentiende eeuw (1855-1891) ................................................................................. 85 c. De stagnatie na 1891 ......................................................................... 86 d. Vanaf de jaren 60 van de twintigste eeuw: bewustzijn van de nood aan een nieuwe hervorming ................................................................... 87 e. De Generale-crisis van 1988: een pijnlijk ontwaken ......................... 88 f. Het Wetboek van Economisch Recht ................................................. 88 B. De Société Générale: de economische machthebber van België, of de NV België .............................................................................................. 91 I. De oprichting door Willem I (1822-1830) .............................................. 91 II. De gemengde bank als motor van de Belgische economie (1830-1934)................................................................................................ 92 III. De splitsing van de holding en de bank ................................................ 94 IV. De overname van de holding ............................................................... 95 C. Rechtspersonenrecht................................................................................ 99 I. Vennootschapsrecht ................................................................................ 99 a. De Romeinse societas ........................................................................ 99 b. De vennootschappen van de middeleeuwen en de moderne tijden . 100 b.1. De commanditaire vennootschap ............................................. 100 b.2. De vennootschap onder firma .................................................. 101 b.3. De vennootschap op aandelen ................................................. 101 c. De Franse Revolutie en het Wetboek van Koophandel van 1807.... 102 d. De wet van 1873 .............................................................................. 103 e. 1873-1945: de uitbouw van het vennootschapsrecht ....................... 104 f. 1945-1970: de achteruitgang van het contractuele aspect van het vennootschapsrecht ............................................................................. 105 g. 1970-begin jaren 90: de omzetting van Europees recht ................... 105 h. Na de Generale-crisis: van chaos naar het Wetboek van Vennootschappen ................................................................................ 106 i. De fundamentele hervorming van het vennootschapsrecht door minister Geens ..................................................................................... 107 II. De vereniging zonder winstoogmerk ................................................... 109 a. De collegia uit de oudheid ............................................................... 109 b. De dode hand van de middeleeuwse kloosters ................................ 109 c. De onteigening van de kerk en de vrees voor de terugkeer van de dode hand ............................................................................................ 110 d. De hervormingen van minister Geens ............................................. 112 D. Faillissement ........................................................................................... 113 I. De Romeinse voorloper ........................................................................ 113 II. Het middeleeuwse faillissementsrecht van de Italiaanse handelssteden ........................................................................................... 113 III. Het faillissementsrecht van de moderne tijden................................... 114
9
- Inhoudstafel ____________________________________________________________ IV. Het Wetboek van Koophandel van 1807 ........................................... 115 V. De faillissementswet van 1851 ............................................................ 116 VI. De wetten van 1997 op het faillissement en het gerechtelijk akkoord .................................................................................................... 117 VII. De hervorming van 2017 .................................................................. 118 E. De wisselbrief en de cheque ................................................................... 121 I. De middeleeuwse oorsprong ................................................................. 121 II. De transformatie tot de moderne wisselbrief in de zeventiende eeuw . 121 III. Van 1807 naar de zwanenzang van de wisselbrief ............................. 122 F. Bankwezen .............................................................................................. 123 I. De oudheid ............................................................................................ 123 II. De middeleeuwen en de moderne tijden.............................................. 123 III. Het moderne bankwezen .................................................................... 124 G. De beurs .................................................................................................. 129 I. Het middeleeuwse Brugge en het ontstaan van de beurs ...................... 129 II. De Antwerpse beurs in de moderne tijden........................................... 129 III. De slingerbewegingen van de Brusselse beurs vanaf 1807 ................ 130 H. Marktrecht ............................................................................................. 133 I. Het ancien rĂŠgime ................................................................................. 133 II. De Franse Revolutie en Napoleon ....................................................... 133 III. Van bescherming van de handelaar naar bescherming van de consument ................................................................................................ 134 IV. Het Wetboek van Economisch Recht, CESL en het Nieuw Burgerlijk Wetboek .................................................................................. 135 I. Verzekeringsrecht ................................................................................... 137 I. De late opkomst van de landverzekering .............................................. 137 II. De evolutie van de landverzekering .................................................... 138 a. De zeer late belangstelling van de wetgever voor het verzekeringsrecht ................................................................................ 138 b. De gespannen relatie van de private verzekeraars met de sociale zekerheid ............................................................................................. 140 c. De proliferatie van de verzekeringen ............................................... 141 J. Slot: staat en vrije markt, een voortdurend wisselend verhaal ........... 143 Fiscaal recht ..................................................................................................... 147 A. Het ancien rĂŠgime: de landbouw betaalt .............................................. 149 I. De goed ontwikkelde fiscaliteit van Rome ........................................... 149 II. De quasi afwezigheid van de fiscaliteit in de eerste middeleeuwen (476 tot ca. 1100) ..................................................................................... 149 III. De terugkeer van de overheidsfiscaliteit in de tweede middeleeuwen (ca. 1100-1500) ........................................................................................ 150
10
- Inhoudstafel ____________________________________________________________ IV. De ontwikkelde fiscaliteit van de moderne tijden (1500-1795): lage belastingen wegen zwaar door.......................................................... 151 a. De opkomst van permanente belastingen ........................................ 151 b. Het repartitiestelsel als uiting van een zwakke centrale staat .......... 152 c. De uiteindelijke lokale belastingen treffen de landbouw ................. 153 d. De zware last van een lage belasting ............................................... 153 B. De lange negentiende eeuw: de verbruiker betaalt.............................. 155 I. Het ideaal van de Franse Revolutie: de rechtvaardige belasting ........... 155 II. De realiteit: een relatief grote continuïteit met het verfoeide ancien régime ...................................................................................................... 156 III. De stabiliteit van 1822 tot 1913 ......................................................... 157 IV. De omgekeerde revolutie: het overwicht van de onrechtvaardige verbruiksbelastingen ................................................................................ 158 C. De twintigste en eenentwintigste eeuw: de loontrekkende betaalt ..... 161 I. De fiscale hervorming van 1919-1921: een mislukte poging om het draagkrachtbeginsel door te voeren.......................................................... 161 II. De ‘fiscale repressie’ na Wereldoorlog II: de overheid krijgt de smaak van de belastingheffing te pakken ................................................. 162 III. De hervorming van 1962: een nieuwe poging tot een rechtvaardige belasting ................................................................................................... 163 IV. De invoering van de Belasting over de Toegevoegde Waarde in 1971: de impact van europeanisering en globalisering ............................ 164 V. De wetten van 1988-1989 als antwoord op de fiscale ontsporingen van de jaren 70 en 80 ............................................................................... 164 VI. Het eindresultaat: een fiscaliteit die op de loontrekkenden rust ......... 166 VII. Een historische constante: de weg van de minste weerstand ............ 169 Beknopte beredeneerde bibliografie .............................................................. 171
11
Sociaal recht Gemakshalve het klassieke onderscheid: - arbeidsrecht: betreft de arbeid in ondergeschikt verband in de private sector. - socialezekerheidsrecht: betreft de dekking tegen sociale risico’s. Deze begrippen zelf zijn relatief nieuw (bv. 1819: eerste gebruik van de term ‘sociale zekerheid’ door de Latijns-Amerikaanse vrijheidsstrijder Simon Bolivar), maar dat verhindert niet dat er een langere voorgeschiedenis is, die echter maar beperkt aan bod zal komen omdat de Franse Revolutie hier een belangrijke breuklijn vormt. Het hiernavolgende overzicht van het sociaal recht betreft België in de negentiende en vooral de twintigste eeuw. Rechtsvergelijking blijft daarbij achterwege omdat die het bestek van een beknopte geschiedenis overstijgt. Op een belangrijk punt moet wel gewezen worden. De Belgische sociaalrechtelijke wetgeving is, in tegenstelling tot wat velen nog geloven, historisch gezien allerminst progressief geweest, zeker wanneer men rekening houdt met de vroege industrialisatie van het land. Meer algemeen geldt, dat de sociale verwezenlijkingen van de Belgische welvaartsstaat in Europees perspectief eerder tot het gemiddelde behoren en dat België, zeker vandaag, geenszins tot de koplopers hoort.
13
- Sociaal recht ____________________________________________________________
A. Achtergrond De geschiedenis van het sociaal recht kan uiteraard geschreven worden los van de algemene sociale context, maar het is toch beter de algemene ontwikkeling in dat licht te zien. Aangezien de nadruk in de volgende hoofdstukken ligt op de Belgische evolutie na de onafhankelijkheid, volgt daarom hierna een korte schets van de evolutie van de sociale (en in mindere mate economische) geschiedenis. De lezer weze wel gewaarschuwd dat het hier om een zeer elementair overzicht gaat.
I. De industrialisering in de kinderschoenen (eerste helft negentiende eeuw) In de achttiende eeuw was de armoede sterk toegenomen bij landbouwers en arbeiders door de snelle demografische groei, die ervoor zorgde dat de lonen laag bleven, terwijl de prijzen stegen. Het gevolg daarvan was dat er een belangrijke groep armen was die kon geronseld worden voor de fabrieken, die zowel onder het Franse als onder het Nederlandse regime de nodige aanmoediging kregen van de overheid (textielindustrie in Gent en Verviers, metaal in Luik en Henegouwen, steenkoolontginning in Wallonië etc.). De groep van fabrieksarbeiders was in 1830 al zo belangrijk, dat ze een rol kon spelen bij de Belgische onafhankelijkheidsstrijd (of wat daarvoor doorging) (omgekeerd, waren vooral onder de textielindustriëlen nogal wat aanhangers van Willem I te vinden die liever bij Nederland gebleven waren). De rol van dit proletariaat was echter al snel uitgespeeld. Het nieuwe België was geen echte democratie, daar in het systeem van cijnskiesrecht slechts een klein deel van de bevolking kon stemmen en een nog kleiner deel verkiesbaar was. Bijgevolg zetelden in het parlement vooral grootgrondbezitters en juristen. In dit klimaat is het begrijpelijk dat sociale maatregelen weinig aandacht kregen. Zo is, voor een groot deel van de negentiende eeuw het contrast groot tussen, aan de ene kant de bijzondere aandacht voor het economisch recht, en de geringe aandacht voor het sociale element aan de andere, hoewel de industrialisering daar ook aanpassingen vereiste. Opvallend daarbij is dat het onderscheid tussen katholieken en liberalen op dit vlak niet zoveel uitmaakte (zie verder over het Wetboek van Koophandel in de tweede helft van de negentiende eeuw). De Belgische industrialisering was het product van verschillende factoren: - kopiëren van technologie uit Engeland (België had in die periode niet meteen veel respect voor het intellectueel eigendomsrecht). - goede mechanismen voor het bijeenbrengen van kapitaal, inz. de vennootschapsstructuren (nv’s) en de actieve rol van de banken (Société Générale; Ban-
15
- Sociaal recht ____________________________________________________________ que de Belgique) die niet alleen leningen toestonden, maar ook participeerden in het kapitaal, wat later zou leiden tot de typisch Belgische holdings. Ze konden ook verschillende andere bedrijven overnemen. Er waren immers nogal wat faillissementen, maar door de nv-structuur bleven de verliezen beperkt. - de aanwezigheid van steenkool en ijzerertsen in Wallonië (de Limburgse steenkool was nog niet ontdekt) - goede transportmogelijkheden via de grote rivieren - een goede basis in de Waalse industrie al in de achttiende eeuw - goede uitvoermogelijkheden eerst dankzij de Franse en Nederlandse afzetmarkten en na 1830 door de neutraliteit van België en tolverdragen met de buurlanden. - een welwillende overheid, die o.a. voor voldoende infrastructuur zorgde (uitbouw spoorwegennet, met goedkope abonnementen vanaf 1869) en diverse economische activiteiten ondersteunde - de aanwezigheid van een grote groep aan goedkope arbeidskrachten. Tegenover een snel rijk wordende groep industriëlen die zich al vlug zou vermengen met de oude landadel, stond een zeer grote groep aan arbeiders die het niet al te breed had. In het midden van de negentiende eeuw bv. was meer dan een derde van hen behoeftig. Dit kwam door de zeer lage lonen, die gelijk gebleven waren ondanks de stijgende levensduurte. Deze lage lonen zorgden wel voor rijkdom voor de industriëlen, maar de arbeiders zagen de keerzijde ervan: - lange werkdagen: 12 u. per dag was eerder de norm dan de uitzondering (waarbij men ook de tocht naar en van het werk niet mag vergeten). - vrouwen- en kinderarbeid (die veel goedkoper was: een vrouw kreeg de helft, een kind een derde van het loon van een volwassen man) - slechte arbeidsomstandigheden - slechte leefomstandigheden - slechte voeding. (Dit werd voor een deel verholpen toen België uiteindelijk tot een vrijhandelspolitiek overging, waardoor graan goedkoop kon geïmporteerd worden.) - sommige arbeiders zochten hun heil in alcohol, al is het belang van het alcoholisme toen en later overdreven. Dit alles was maar mogelijk omdat er een enorm grote arbeidsreserve was, zelfs midden de negentiende eeuw leefde nog meer dan de helft van de bevolking van de landbouw (al was men vaak ook gedeeltelijk actief in thuisarbeid, bv. in de textiel) en de meesten van hen waren pachters of dagloners. Er was overigens een groot contrast tussen Vlaanderen en Wallonië. Dat laatste zette meer in op de nieuwe technologie, terwijl Vlaanderen daartegen probeerde te concurreren met nog goedkopere arbeid (de enige industriële kern was Gent). De voedselcrisis van de jaren 1840, die samenviel met een ruimere economische crisis, trof daarom vooral Vlaanderen, waar de traditionele textielsector in elkaar stortte. De houding
16
- Sociaal recht ____________________________________________________________ van de overheid is sprekend: de Nationale Bank van België werd opgericht om aan de economische aspecten van de crisis het hoofd te bieden, maar op sociaal vlak gebeurde weinig. Het heersende liberalisme (zogenaamde klassieke liberalisme met als kernpunt laissez faire, laissez passer; dit economisch liberalisme mag niet verward worden met het politieke liberalisme) betekende dus niet dat de overheid zich niet actief bekommerde om de economie, maar wel dat ze zich niet om het sociale bekommerde, al werd een en ander wel besproken. De overheersende mening was echter, dat de situatie van de arbeider niet diende te verbeteren door hogere lonen, maar door morele verheffing en sparen (cf. de oprichting van de Algemene spaarkas).
II. De industrialisering op dreef (1850-1914) De industrialisering kwam pas echt onder stoom in de tweede helft van de negentiende eeuw, de grote periode van het Belgische liberalisme, i.e. het laisser-faire, laisser-passer. Dat liberalisme was zoals voordien, vooral sociaal (Er waren echter bv. ook liberalen die zeer sterk pleitten voor een beter recht voor de arbeiders, zoals het tijdschrift L’Economiste belge.) en minder economisch. Bij dat laatste ging het vooral om het wegwerken van handelsbelemmeringen, zoals bv. de afkoop van de Scheldetol in 1863, maar ook bv. de oprichting van allerlei maatschappijen, zoals de NMBS. Algemeen zorgde de staat er in deze ‘liberale’ periode voor dat hij de controle verwierf over de transport- en communicatiemiddelen. Het parlement toonde in deze periode een zeer grote aandacht voor het economisch recht. De gevolgen waren navenant. Einde negentiende eeuw werkten meer Belgen in de industrie dan in de landbouw en omstreeks 1900 was België een grootmacht in de metaalindustrie, de machinebouw en de elektrische constructie (spoorwegen, trams e.d.), wat dan leidde tot de ontginning van de Kempense steenkool en de uitbreiding en modernisering van de havens. Vooral de export was zeer sterk toegenomen, evenals de investeringen in het buitenland. Het instrument voor deze expansie waren de holdings, nv’s in handen van de banken die zelf geen activiteiten hadden, maar wel aandelen bezaten in andere maatschappijen die ze controleerden. Deze maatschappijen hadden door hun financiële en economische macht ook veel politieke invloed. De industrialisering deinde nu ook uit naar Vlaanderen, maar de Waalse mijnen en metaalfabrieken stelden nog steeds meer dan de helft van de arbeiders tewerk. Het gevolg van de toegenomen internationalisering was, dat België veel gevoeliger werd voor de algemene economische evoluties. Zo trof de lange depressie van de periode 1873-1895 België zeer hard, maar zij zorgde niet zozeer voor een vermindering van de productie als voor lagere lonen. De algemene welvaart nam toe, maar de verdeling ervan werd ongelijker. Bovendien was er in bepaalde jaren ook veel werkloosheid.
17
- Sociaal recht ____________________________________________________________ Deze periode wordt dan ook gekenmerkt door een opkomende arbeidersbeweging, mede onder invloed van de in heel Europa opkomende socialistische beweging. Binnen de arbeidersbeweging in België groeien twee tendensen: - Gent: coöperatief model, nl. de Vooruit. De arbeiders zamelen geld in om eigen winkels en bedrijven op te richten, waarbij winst dient voor het verlagen van de prijzen. Werd een enorme financiële en economische macht. Was een model voor geheel Europa en dus ook voor Wallonië. Maar: houdt aanvaarding vrije markt in. Ander probleem: coöperatieven beconcurreren elkaar. Daarom: fusieoperaties rond 1900 wat neerkwam op de uitbouw van een rode zuil. - Wallonië: aanvankelijk meer anarchisme en strijdsyndicalisme, maar de stakingen hadden niet altijd resultaat (bv. mislukken stakingen voor algemeen enkelvoudig stemrecht), zodat men uiteindelijk ook in Wallonië kiest voor de weg door de instellingen, nl. via de strijd voor het stemrecht. De crisis van 1884-1885, en vooral de grote staking en oproeren daarna in Wallonië (uiteindelijk hardhandig onderdrukt door het leger), leidden tot het besef dat verandering nodig was. De arbeidersbeweging kon trouwens rekenen op de steun van de progressieve liberalen en van democratische elementen van de katholieke partij (en na de encycliek Rerum Novarum van 1891 ook de ontwikkeling van een door Rome gedoogde katholieke arbeidersbeweging die, naar socialistisch voorbeeld, haar eigen coöperaties uitbouwde en dus haar eigen zuil, maar die kaderde in een groter geheel dat meer naar harmonie dan naar confrontatie streefde en waarin ook bv. de boeren sterk stonden). Een en ander leidde tot een golf van sociale wetgeving vanaf 1887, die mede als doel had de arbeidersbeweging de wind uit de zeilen te nemen. Een probleem daarbij was wel dat vele sociale maatregelen geld kostten en dat men de belastingen niet wou verhogen, wat de staatsschuld deed stijgen. Een ander probleem was dat de werkgevers wel bereid waren om betere arbeidsomstandigheden toe te staan, maar vasthielden aan hun politiek van lage lonen, behalve dan in enkele sectoren, waarin een ‘arbeidersaristocratie’ ontstond. Vaak ging het daarbij om sectoren van de tweede industriële revolutie (elektriciteit, chemie, non-ferro). Toen Wereldoorlog I uitbrak was België de vijfde industriële natie ter wereld, maar niet iedereen had evenredig meegedeeld in de economische groei. Gedurende de oorlog stegen de prijzen en was er een enorme werkloosheid met alle gevolgen van dien, al brachten een nationaal comité (Francqui) en een Amerikaanse tegenhanger ervan (Hoover) enig soelaas.
III. Wereldoorlogen en crisis (1914-1944) Bij de wederopbouw na de oorlog sloeg men een nieuwe richting in. Om revolutionaire tendensen bij de arbeiders de kop in te drukken en ook omdat men inzag
18
- Sociaal recht ____________________________________________________________ dat het economisch herstel van het land de inzet van iedereen vergde, voerde men het algemeen stemrecht in en waren er ook enkele belangrijke sociale hervormingen (zie infra, over de achturige werkdag). Desondanks bleef de macht tijdens het interbellum nog steeds grotendeels berusten bij de traditionele machthebbers, al kwam er ook een paritair overleg op gang (zie infra). De oorlog had voor een grote inflatie gezorgd, en de jaren na de oorlog waren op economisch vlak zeer wisselvallig. Op het einde van de jaren 20 bloeide de economie echter opnieuw en bestond er quasi geen werkloosheid meer, maar enkel de geschoolde arbeiders en de bedienden gingen erop vooruit. In 1929 brak echter de grote economische crisis uit, waarvoor de Belgische economie, gezien haar internationaal karakter, zeer kwetsbaar was. Meerdere bedrijven en banken gingen failliet (en dit versterkte de tendens tot fusies en concentraties). De werkloosheid steeg enorm en ook voor wie nog werk had, daalde de levensstandaard. De arbeiders reageerden met stakingen, de regering met een deflatoire politiek die de problemen enkel vergrootte. De socialisten reageerden met een Plan van de Arbeid, opgesteld door Hendrik De Man dat de nadruk legde op planificatie en een gemengde economie, waarin bepaalde basissectoren genationaliseerd dienden te zijn. Veel daarvan werd in 1935 uitgevoerd door een regering van nationale unie die de munt devalueerde en investeerde in openbare werken. De verbeterende economie Ên een grote staking in 1936 leidden tot een nieuwe golf van sociale wetten, maar de ontevredenheid bleef groot en was een belangrijke voedingsbodem voor extremisme. Tijdens Wereldoorlog II verdwenen de onafhankelijke vakbonden, omdat ze plaats moesten maken voor een eenheidsvakbond onder controle van de bezetter, de Unie van Hand- en Geestesarbeiders. Ondertussen volgden de industriÍlen de Galopindoctrine. De industrie moest verder blijven draaien, zodat ze onder Belgische controle kon blijven, werkloosheid kon vermeden worden en de bezetter niet zou overgaan tot verplichte tewerkstelling in Duitsland. In de realiteit kwam dit erop neer dat de Belgische industrie de Duitse oorlogsinspanningen ondersteunde, terwijl er toch Belgen in Duitsland dienden te gaan werken. Van de Galopindoctrine profiteerden dus vooral de nazi’s en de holdings, al moet dat laatste enigszins gerelativeerd worden. De bevolking leed vooral schaarste die tot uiting kwam in rantsoenering en het gebruik van ersatzproducten, maar die ook leidde tot heel veel recyclage, smokkel en een succesvolle zwarte markt. Mede daardoor liep de inflatie hoog op, terwijl de lonen gelijk bleven.
19
- Sociaal recht ____________________________________________________________
IV. De uitbouw van de welvaartsstaat (1944-1976) In het verzet tegen de Duitsers hadden werkgevers en werknemers elkaar gevonden gedurende de oorlog en dat leidde in 1944 tot het Sociaal Pact, dat ‘de basis legde’ van de moderne sociale zekerheid (zie daarover meer uitgebreid infra). Dezelfde geest van samenwerking leidde ook tot de invoering van allerlei overlegstructuren. Dit was mede mogelijk doordat de Belgische economie de oorlog zonder al te veel kleerscheuren doorstaan had (ondanks of misschien juist dankzij de operatie Gutt, die de te grote hoeveelheid bankbiljetten uit de oorlog verminderde door een verplichte inlevering, waarbij men maar voor een deel nieuwe bankbiljetten kreeg; de rest werd geblokkeerd en men verkreeg die als staatsobligaties), waardoor België een voorsprong had op de buurlanden. Dat laatste is overigens achteraf een nadeel gebleken, omdat andere landen meer kregen uit het Amerikaanse Marshallplan en hun industrie grondig konden vernieuwen. België verloor dan ook al vlug de aanvankelijke voorsprong, mede omdat de Belgische ondernemers weinig creatief en dynamisch waren. In de jaren 50 heerste daarom nog veel werkloosheid en doken de eerste grote problemen op met de Waalse mijnen en de Vlaamse textielindustrie. Omdat de politiek van lage lonen verdween, steeg echter de welvaart, behalve voor de (relatief talrijke) werklozen. Dit zorgde ervoor dat het eigen huis met de vrouw aan de haard (omdat haar arbeid niet langer nodig was om te overleven) een ideaal werd (met alle gevolgen van dien voor het milieu). Door een gebrek aan dynamiek verkeerde de Belgische economie in de jaren 50 en de vroege jaren 60 in crisis, maar dat was aanvankelijk niet merkbaar omdat de gestegen welvaart de interne vraag aangezwengeld had. De ‘crisissituatie’ leidde tot belangrijke transformaties: - de problemen waren vooral groot in de Waalse mijnen en metaalfabrieken. De holdings lieten deze aan hun lot over, terwijl ze zelf hun activiteiten vooral op het financiële richtten. De overheid mocht nog proberen met subsidies redding te brengen, maar veel haalde dat niet uit. Nieuwe (buitenlandse) investeringen gingen vooral naar Vlaanderen omdat het havens had, de lonen er lager lagen en de vakbonden er veel minder op confrontatie uit waren. Het gevolg hiervan was dat, na het midden van de jaren 60, Vlaanderen Wallonië voorbijstak en het aantal werklozen er voor het eerst lager lag dan in Wallonië. Merkwaardig genoeg leidde dit tot een vraag naar economische autonomie vanuit Wallonië (de gewesten). - de crisis leidde tot het voorstel van de zogenaamde Eenheidswet in 1960, die neerkwam op een begroting met hogere belastingen en lagere uitgaven. Vooral uit Waals-socialistische hoek rees daartegen verzet met de zogenaamde Winterstaking. Die mislukte echter en midden de jaren 60 werd de socialistische vakbond kleiner dan de meer verzoeningsgerichte katholieke tegenhanger.
20