Skip to main content

9789401454780

Page 1

DE EXPO58 MOORDEN ANN VAN LOOCK


www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Coverontwerp | Wil Immink Design Coverfoto | BELGA Auteursfoto | Koen Broos Zetwerk | Banananas Als u opmerkingen of vragen hebt, dan kunt u contact opnemen met onze redactie: fictie@lannoo.com D/2018/45/383 | NUR 332 ISBN 978 94 014 5478 0 Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2018 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Wenn du lange in einen Abgrund blickst, blickt der Abgrund auch in dich hinein. Friedrich Nietzsche


Proloog

D

e geur van ontbinding zou wel verdwijnen. Zeker met het spiksplinternieuwe wat hem omringde. Ze konden alleen maar hopen. Ze hadden heel lang moeten wachten voordat ze eindelijk in actie konden komen. ‘Merde, wat zitten we hier nu onze tijd te verdoen. En dan te weten dat er zoveel gemakkelijkere dumpplekken zijn dan hier. In de Noordwijk alleen al…’ Een harde vuist op het dashboard had zijn zin afgebroken. ‘Wanneer ga jij eens gewoon leren te doen wat ons gevraagd is?’ ‘Ja maar, ik…’ Ook zonder te kijken wist hij dat het norse hoofd naast hem afkeurend begon te schudden. ‘Jansen en Janssen luisteren en voeren uit. Niet meer, niet minder.’ ‘Dit is geen Kuifjeavontuur en wij zijn toch geen stripfiguren…’ Een moordzuchtige blik was het antwoord geweest. Hij wist dat ze met hun donkere pakken en bolhoeden inwisselbaar waren, al was de een zwart en de ander blond. Ook qua lichaamsbouw waren ze beiden even groot en stevig. Zo hadden ze daar braaf zitten wachten in een naburige laan tot alle drukte rond het gevaarte was weggeëbd. De klok op het dashboard had onbarmhartig verder getikt. Het was koud geworden. En al was het ondertussen april en hadden ze enkele mooie lentedagen gekend, de nachten waren nog fris. Te fris om in een auto te zitten met een lijk in de kofferbak.

7


‘Als we te lang treuzelen, is hij al stijf.’ Hij kon de stilte in de benauwde ruimte moeilijk verdragen. De ander haalde onverschillig de schouders op. ‘Dat maakt toch niets uit. Het is alleen te hopen dat we er op tijd bij zijn en het beton nog niet volledig hard geworden is.’ Gefocust had hij voor zich uit gestaard door de bewasemde voorruit. ‘Toch wel straf dat ze nu nog een extra betonneke aan het gieten zijn. Dat spel gaat hier toch morgenvroeg open?’ Hij zuchtte. ‘Blijkbaar was er iets mis met het bestaande vloertje en moesten de plannen op het allerlaatste moment nog herzien worden. Alles voor de veiligheid.’ Hij draaide het raampje van de auto open. Een frisse bries vulde onmiddellijk hun kooi. ‘Je mag er niet aan denken wat er met die negen bollen zou gebeuren, mocht de ondergrond niet stabiel genoeg zijn.’ De man naast hem lachte ondeugend. ‘Baf, zo’n bol op onze koning. Zou dat iets verhelpen aan zijn verstand?’ ‘Het zou in ieder geval wel extra cachet geven aan zijn openingsspeech!’ ‘Amai, de kranten zouden er nogal een kluif aan hebben. Belgische koning geveld op de eerste dag van Expo door bouwsel dat veel te veel geld gekost heeft.’ Hij stak zijn zoveelste sigaret op om de tijd te doden. ‘Wat kan het mij schelen wat ze hier neerplanten? Een Heizeltoren of die stomme bollen van Waterkeyn. De tweede of de eerste prijs van die wedstrijd, het zal mij worst wezen. Zolang wij ons lijk maar kwijtraken.’ De aluminiumconstructie blonk veel te veel in het maanlicht. Hij maakte zich terecht zorgen over hun zichtbaarheid. Voor de zoveelste keer vervloekte hij die nacht de opdracht die hun in de

8


schoenen geschoven was. Als professionele misdadigers streek dit volledig tegen hun beroepseer in. Maar… de baas had het bevolen en ze wisten beiden dat je hem maar beter niet kon tegenspreken. Toen eindelijk het laatste busje uit het zicht verdwenen was, konden ze zichzelf uit hun tijdelijke cel bevrijden. De kofferbak kraakte vervaarlijk in de nachtelijke stilte. Even bevroor hij in zijn bewegingen, daarna ging hij weer verder. Zijn partner had gelijk. De rigor mortis had al ingezet. Over lijken hoefde niemand hem nog wat te leren. Ze hadden lang genoeg gewacht tot het bloeden gestopt was. Er was geen druppel bloed meer van het zeildoek gesijpeld in de kofferbak. De kogelgaten in borst en hoofd waren al mooi dichtgeschroeid. Als dit geen klassieke handtekening van de onderwereld was, wist hij het ook niet meer. Dit gemeenteraadslid met zijn vlekkeloos witte overhemd zou geen politieke potten meer breken. Zoveel was zeker. Hij had hem al in de kranten zien staan voordat ze deze opdracht gekregen hadden. Blijkbaar was hun slachtoffer een mogelijke kandidaat voor het komende burgemeesterschap van Brussel. Het had hun niet veel moeite gekost om hem koud te maken. Als een lam was hij naar de slachtbank geleid, mak in hun auto gestapt, had zich braaf laten afmaken. ‘Zeg’, zei zijn maat zuchtend. ‘Help eens wat meer.’ Hij dreigde bijna te bezwijken onder het gewicht van het lijk, dat grotendeels op zijn armen rustte. ‘Sorry.’ Zijn handen grepen de benen iets hoger vast. Daar ging zijn poging om de bevuilde broek te vermijden. Moorden was en bleef een gore klus. Hij had nog geen enkel lijk meegemaakt dat het niet in zijn broek deed. Hij wist dat ze snel moesten zijn. De wacht was net op zijn nachtelijke patrouille gepasseerd. Exact tweeëntwintig minu-

9


ten hadden ze voordat de bewakingsagent weer zou passeren. De deur van de constructie stond open. Een gunst van een van de bevriende bouwheren, die het nieuwe betonvloertje gegoten had. Zacht probeerde hij de deur achter zich dicht te laten vallen, terwijl de andere Jansen al uitweek naar de trap naar beneden. Op voorhand hadden ze de plattegronden van het Atomium goed bestudeerd. Er viel geen tijd te verliezen. Overal hing de geur van nieuw en vers. Deze constructie zou het paradepaardje van de tentoonstelling worden. Ook al zou de vondst van dit lijk wellicht een laagje van het glanzende blazoen doen afschilferen… De roltrap werkte nog niet. Natuurlijk niet. Alleen een noodlampje wees hun de weg. De man woog zwaarder dan ze dachten. Gelukkig kwam hij met de benen in zijn handen als laatste op de trap en ging het dankzij de zwaartekracht allemaal veel vlotter. Hij hoorde zijn maat puffen en hijgen. Het zou hem leren zo denigrerend op hem te reageren. Alsof hij lager in rang was. Jansen en Janssen stonden toch ook op gelijke voet, niet? Zijn maat slaakte een zucht van opluchting. ‘Ja, ik zie het vloertje.’ Gauw de last afschudden en dan als de bliksem maken dat ze wegkwamen. Maar dat was buiten het perfectionisme van zijn maat gerekend. ‘Wacht, we moesten hem op zijn rug leggen. De instructies waren duidelijk.’ Met een gênante plof kwakten ze het lijk in het harder wordende beton, nadat ze het in de lucht hadden gezwierd, alsof ze hem in een zwembad gooiden. Ze hadden echt niet veel tijd meer om hem mooi neer te leggen. ‘Kom, we zijn weg.’ ‘Nee, wacht.’

10


Een diepe zucht ontsnapte hem. Wat nu weer? ‘Geef me je jasje.’ ‘Wat?’ Eerst aarzelde hij, maar dan gehoorzaamde hij toch. ‘Zo.’ Zijn mond viel open van verbazing. ‘Wat doe je nu?’ Het jasje was ondertussen al mooi weggezakt in de betonmassa onder het hoofd van het lijk. ‘Ze hadden toch gezegd dat zijn gezicht goed zichtbaar moest zijn? Et voilà.’ Hij zuchtte. Dit was wel de vreemdste opdracht die ze ooit hadden moeten uitvoeren. Met zijn zaklamp overschouwde hij het toneel. Hij knikte tevreden. En nu moesten ze weg, liefst zo snel mogelijk. Hun handschoenen zouden geen sporen achterlaten. In zijn jasje zat niets wat hem kon identificeren. Als hij een opdracht had, liet hij zijn portefeuille altijd thuis. Ze zouden hem nooit kunnen betrappen op een fout. De buitenlucht deed deugd. In de verte hoorden ze een auto aankomen. Ze zouden toch niet betrapt worden? Nee, hij kwam niet in hun straat. Toen ze bij de auto aankwamen, knikten ze tevreden naar elkaar. Alweer hadden ze het klaargespeeld, een klus tot grote tevredenheid vervuld. Ze hadden voor een spectaculair begin van de zevenentwintigste editie van de wereldexpositie gezorgd. Zoveel was zeker.

11


1 De nacht van 16 april

H

ij had de hele nacht gereden. Waarom liet hij zich altijd zo misleiden door die afstand van Parijs naar Brussel? Waarom was hij niet eerder vertrokken, in de middag of zo? Dan had hij nog alle tijd gehad om ’s avonds zijn lessen voor donderdag te bekijken. Maar hij wist heel goed dat hij de volgende keer zijn goede voornemens weer in de wind zou slaan. De gesprekken in zijn lievelingscafé waren altijd iets te interessant, en iedere keer wanneer hij zijn jas al in de hand had, klaar om te vertrekken, kwam er nog wel een boeiend iemand binnen. Hij bekeek zichzelf in de autospiegel. Was het de slechte verlichting of hadden de wallen onder zijn blauwgrijze ogen ongekende proporties aangenomen? ‘Dat heb je weer goed gedaan, Jo Van Zweeveld’, sprak hij zichzelf aanmoedigend toe. Hij streelde even het dashboard van zijn nieuwe auto. Volgens Wilfried, zijn beste vriend, een eerste teken van die midlifecrisis die zich automatisch bij een vijfenveertigste verjaardag aankondigt. ‘Een Engelse sportwagen, kan het nog duidelijker?’ Hij had voor de donkerblauwe lak gekozen, en niet voor het felrood. Dat gaf, volgens Wilfried, nog enige kans op genezing. Hij had zijn vriend verder laten leuteren. Jo hield van schoonheid, ook bij auto’s, en een MGA benaderde volgens hem die perfectie. Ook al moest Jo zich met zijn één meter tachtig in en uit het voer-

12


tuig wringen. Hij had Wilfried trouwens niet horen klagen tijdens hun eerste ritje met open dak door het Zoniënwoud. De frisse lucht stroomde binnen toen hij het autoportier opende. Het was een zalige nacht, een waarop de sterren hem de hele rit begeleid hadden. Toen hij Brussel binnengereden was, had hij slechts een sporadische nachtraaf ontmoet. Alleen in het café op de hoek had nog volk gezeten, goed zichtbaar in het grote raam, dat net op een etalage leek. Het deed hem elke keer weer aan dat beroemde schilderij van Hopper denken dat hij vorig jaar in Chicago had gezien. Hij had meer genoten van zijn stiekeme bezoek aan het museum waar die Nighthawks hing dan van dat hele congres waar zijn universiteit hem naartoe gestuurd had. Een hoogmis voor opgeblazen pauwen die dachten dat zij de zin van het leven konden doorgronden. Alsof de Tweede Wereldoorlog hun niets geleerd had. Jo zuchtte en nam zijn weekendtas van de miniachterbank. Had het nog wel zin om te gaan slapen? Hij rekende het uit in zijn hoofd. Om halfnegen moest hij op Campus Solbosch zijn voor zijn cursus ‘Moraalfilosofie voor beginners’. Dat laatste voegde hij er als prof altijd zelf stiekem aan toe. Bij de eerstejaars kon hij immers niet echt doorbomen zoals hij wilde. Dat werd morgen dus weer lesgeven met de spreekwoordelijke vingers in de neus. Simpel dus. Wat had hij zich daarnet nog verwijten gemaakt dat hij vroeger had moeten vertrekken? De les van morgen kon hij zelfs met het grootste gemak doceren. Dat maakte hij zichzelf tenminste even wijs. Hij wist ook wel dat elke les voor hem belangrijk was en degelijk voorbereid moest zijn. Zo was hij nu eenmaal. De straat waarin hij woonde, lag er volledig verlaten bij. Alleen even verderop hoorde hij lawaai. Was dat bij dat affreuze bouwsel dat hij het laatste jaar vanuit zijn woonkamererker had zien opdoemen? De zilverkleurige bollen glansden ook nu in het maanlicht. Ging de Expo morgen, of beter gezegd vanochtend, niet of-

13


ficieel open? Even aarzelde hij om een kijkje te gaan nemen. Het kon toch niet dat ze nu nog aan het werk waren? Maar dan keerde hij op zijn schreden terug. Zijn huis én zijn hond wachtten op hem. Elke keer wanneer hij weg geweest was, voelde hij zich wat ongemakkelijk bij het betreden van zijn ouderlijke woning. Ook al waren zijn ouders nu veertien jaar dood, nog altijd voelde hij af en toe hun aanwezigheid. Alsof ze ook nu weer op hem zouden zitten wachten. Zij aan de keukentafel in een ongemakkelijke slaaphouding. Hij in zijn stoel bij de haard, die met zijn art-decotegels dé trots was van het gezin. Zijn vader had er alles aan gedaan om het huis van zijn ouders intact te houden. Jo zag het als zijn plicht de missie van zijn vader voort te zetten, ook al had de art-decovilla soms ongemakken. De sleutel in het krakende slot, en daar was weer die vertrouwde geur van boenwas en verschaalde sigarettenrook. Jo zette zijn weekendtas onder de grote spiegel en bekeek zichzelf even keurend. Die zwarte rolkraagtrui was aan vervanging toe en die grijsblonde krullen van hem zaten net iets te slordig. Misschien toch eens een bezoek aan de kapper inplannen? Maar toen kreeg Jo geen kans meer om zichzelf te inspecteren. ‘Freddie!’ Een geweld van poten en een likkende tong overweldigde hem en hij dreigde even het evenwicht te verliezen. Hier was een van de redenen waarom hij wel nog graag naar huis kwam: zijn Ierse setter, die hem ook deze keer met een hartelijkheid verwelkomde die hij bij weinig mensen had meegemaakt. Hij grinnikte. Gelukkig maar. Hij zag al een aantal vrienden zoals Anna, Lucien of François hem zo begroeten. Het zou mooie scènes opleveren. ‘En heeft de buurvrouw goed voor jou gezorgd?’ Zijn blinkende ogen zeiden genoeg. De tijdelijke opvang was prima verlopen, maar hij was vooral blij nu het baasje weer thuis was.

14


Verwachtingsvol ging hij bij de voordeur zitten, wachtend op het moment dat Jo de verlossende woorden ‘nu wandelen’ zou spreken. ‘Nee, Friedrich jongen’, zei Jo lachend. ‘Het is te laat. Of te vroeg. Straks.’ Voor de zoveelste keer die nacht vroeg hij zich af of hij op het aanbod van de Sorbonne kon ingaan en die gastleerstoel filosofie kon aanvaarden. Zag hij zichzelf al met Freddie door de Parijse straten struinen? Wat bond hem aan Brussel? Net als zijn hond schudde hij de muizenissen van zich af en liep naar het souterrain, waar de keuken zich bevond. Even volhardde Freddie in zijn positie, toen volgde hij gedwee, terwijl hij zijn snuit in Jo’s hand duwde. ‘Het is al goed, Friedrich Nietzsche.’ De hond was de enige die wist dat hij vernoemd was naar de lievelingsfilosoof van Jo. Ze zouden hem op de faculteit uitlachen om deze kinderlijke adoratie van de grote filosoof. Maar hij wist zeker dat de wijsgeer zelf zich niet in zijn graf zou omdraaien als hij over het bestaan van zijn naamgenoot zou horen. Waren in zijn Zarathustraverhalen de dieren niet de wezens met de meeste wijsheid? Op de keukentafel lagen een stapeltje post en een briefje van de buurvrouw, die altijd zo goed voor Freddie zorgde. ‘Dat heeft Yvette weer mooi geregeld, Freddie.’ Freddie gewandeld. Goed gegeten van mijn stoofvlees. Er staat ook voor jou een bord in de Smeg. Kusjes. Freddie keek hem aan, zich van geen kwaad bewust. ‘Dus jij hebt alweer van Yvettes beroemde stoofvlees geproefd, ouwe snoeperd.’ Hij opende zijn koelkast en zette een pannetje op het vuur. Hoelang was het al geleden dat hij voor het laatst gegeten had? Te lang.

15


De geur van Yvettes specialiteit vulde al snel de keuken en activeerde ook de neus van Freddie. Jo lachte. ‘Jij hebt al gehad, maat. Eerst de post checken.’ Met een bord naast hem en een snee vers bruinbrood, ook geregeld door de buurvrouw, snuffelde hij in het stapeltje post. Hij had alweer een folder van de Expo gekregen, met alweer dezelfde tips om het de bezoekers zo aangenaam mogelijk te maken, zijn plicht als inwoner van Brussel. Wees klaar voor 58. Leer talen. Daar was het nu op de vooravond wel iets te laat voor. En Jo bedacht dat het met die talenkennis van hem wel snor zat. Als echte Brusselaar had zijn vader hem tweetalig opgevoed en ook zijn Engels was niet slecht. Handboek voor conversatie. Spreekt iedereen aan. Brochure af te halen in het informatiepaviljoen aan het Place de la Brouckère. Jo grinnikte. Dat zou hij zeker doen. Zijn Swahili en Italiaans mochten wel wat opgefrist worden. ‘Unafanyaje?’ ‘Come stai?’ Vooral op dat eerste zinnetje had hij zich te pletter geoefend. Dat was – toegegeven – zowat het enige wat hij zich nog herinnerde van de gastprofessoren aan de ULB. Misschien was dat wel genoeg als gespreksopener wanneer een internationale gast zou langskomen in zijn straat. Hij bladerde verder in zijn post. Rekeningen. Die legde hij nonchalant opzij. Dat zou iets voor morgen of overmorgen worden. En dan een officiële envelop met het logo van de stad Brussel. Toch geen boete met zijn MG?

16


Maar toen zag hij op de achterkant het bekende handschrift van zijn vriend François. Dat herinnerde hem direct aan een belofte die hij zijn oude collegemakker had gedaan. Ze zouden deze week een avond bijkletsen in hun stamcafé. François had heel wat politieke perikelen op zijn lever en wilde Jo – zoals altijd – als luisterend oor gebruiken. Eerste voornemen van de dag: François bellen en sito presto afspreken. De roomkleurige brief uit de envelop voelde zacht aan. Er waren geen kosten gespaard. Uitnodiging viering 25 jaar politicus Door Dhr. François Vanderlinden Jo keek naar de datum en de locatie. Binnen twee weken. In een zaal van het stadhuis. Jo floot bewonderend. Dat zou geen simpele bedoening zijn, daar was hij zeker van. François en zijn Eva zouden alles wel tot in de puntjes geregeld hebben. Zo waren ze nu eenmaal. Jo was soms stiekem jaloers op dat perfecte gezinnetje met drie kinderen en hun huis, waar het steeds een va-et-vient was van vrienden en familie. Wat een contrast met zijn stille herenhuis. Vijfentwintig jaar… Was zijn vriend al zo lang bezig? Het confronteerde Jo nog maar eens met de vluchtigheid van zijn eigen leven. Het leek alsof het gisteren was dat François hem en hun gemeenschappelijke vriend Lucien zijn besluit had meegedeeld om zijn kans in de slangenkuil te wagen. Na de aankondiging van Lucien dat hij zou meedoen aan de examens voor politie-inspecteur, had Jo zich bijzonder sullig gevoeld in de beschutte werkplaats die de universiteit toch eigenlijk was. Zijn vrienden gingen de wereld redden of althans een poging wagen. En wat deed hij? Filosoferen op een veilige afstand. Hij bestudeerde de uitnodiging. Moest hij ergens bevestigen dat hij kwam? Want één ding was zeker, hij zou erbij zijn.

17


Indien niet aanwezig: bel… Dit is een uitnodiging met partner. Jo zuchtte even. Mét partner. Wie zou hij deze keer meevragen? Altijd moeilijk. Eén keer had hij Wilfried meegenomen naar zo’n feest en waren alle roddels volledig losgeslagen. Hij had bij iedereen het ongeloof in de ogen gezien toen hij Wilfried voorstelde als zijn assistent van de universiteit. Alsof niet iedereen doorhad dat de prof zijn speeltje van de week had meegebracht. Wat kon het Jo schelen dat Wilfried vriendjes als scalpen verzamelde? Hij vreesde alleen maar dat Wilfried in de problemen zou komen op zijn vele tripjes naar Londen, waar homoseksualiteit nog altijd strafbaar was. Nee, Wilfried was geen optie als partner. Hij bladerde verder door zijn post. Een prentkaartje. Van Anna. Waar zat zij nu weer? Vluchtig bestudeerde hij de afbeelding. Een reusachtige zeilboot op een azuurblauwe achtergrond met in de verte een spitse berg. Jo draaide het kaartje om. ‘Greece’. En dan in haar grote hanenpoten: In de touwen gehangen. Dag en nacht… Wish you were here. Nog eens afspreken? Jo lachte hardop. Als de nieuwsgierige postbode dat maar niet gelezen had. Of las Jo nu zelf een beetje te veel in deze boodschap? Hij wist uit ervaring dat Anna openstond voor stoute nachtelijke avonturen. Al dan niet op een zeilboot. Bij de herinnering ging er even een rilling van genot door zijn lichaam. Anna, zijn vriendin met net dat beetje meer. Hij besefte dat iedereen in zijn omgeving zat te wachten op de aankondiging van hun verloving, maar Jo was er zeker van dat er nooit een bruiloft zou volgen, ook al kon

18


hij haar niet missen in zijn leven. Kon hij eigenlijk ooit nog wel een soulmate hebben na de oorlog? Hij zuchtte. Ze zat dus weer op een zeilboot, waarschijnlijk weer van een van de vriendjes van de papa. Hoe vaak was hij met haar al niet uitgenodigd op die decadente feestjes in het wereldje van de bouwondernemers? Liefst op exotische plaatsen en met de duurste cocktails. Nog een reden om niet met Anna in dat spreekwoordelijke bootje te stappen. Hij grinnikte even bij zichzelf om zijn stomme woordspeling. Maar hij had al lang door dat de vader van Anna niet gediend zou zijn met een linkse prof aan een vrijzinnige universiteit als schoonzoon. En ook al was ze dan geen traditionele schoonheid, haar flamboyante levensstijl zou hij nooit kunnen bijbenen. Hij zette de prentbriefkaart tegen een verdwaalde vaas die nog van zijn moeder was geweest. Afspreken? Misschien wel op dat feest van Franรงois. Niemand zou vervelende vragen stellen, zij zou stralen in het grijze politieke wereldje. Ook dan zou hij de mensen horen denken: daar is de gekke professor met zijn tien jaar jongere speeltje, maar jammer genoeg zou er geen afkeurende blik op volgen zoals bij Wilfried. Hij zuchtte opnieuw, zoveel te regelen, zoveel te doen. Alles om vooral niet na te denken over die kans in Parijs. Zijn fluitketel floot. Een kop koffie en zijn favoriete krant, dat zou soelaas bieden. Dan even zich verfrissen en hop naar de universiteit. Nadat hij zich genesteld had in zijn lievelingsstoel in de erker, met Freddie aan zijn voeten, duurde het niet lang voordat de krant half gelezen op zijn schoot belandde. Blijkbaar waren de laatste nieuwtjes over de Expo aan zijn voordeur toch niet zo boeiend. De zwaartekracht in zijn lichaam won, ondanks de koffie. Zijn hoofd werd een rollercoaster van beelden en emoties.

19


Een lachende Anna in weinig verhullende veren, al dansend met hem als Fred Astaire in Swing Time. Om dan te belanden in de cinema, met naast hem zijn vader, die zijn knuistje in zijn grote hand hield alsof hij hem nooit meer los wilde laten. Om dan weer over te schakelen naar Anna, die een voor een de veren voor haar mooie lichaam liet zakken, tergend langzaam, en daarna naar hem wees. Hij stond volledig naakt in het auditorium, met zijn studenten als publiek. Gelukkig, de bel ging. De les was af­ gelopen. Nog even de ogen gesloten houden. Even de wereld buitensluiten. Hij zou zijn broek en hemd straks wel vinden… Maar het bellen bleef aanhouden en ging vergezeld van een hardnekkig kloppen. Het duurde een tijdje voordat Jo besefte waar hij was. In zijn erker, met voor hem iemand die wanhopig op zijn raam bonkte. Het was al licht aan het worden. Hoelang had hij hier gezeten? Verdwaasd wreef hij in zijn ogen. Welke gek stond hier nu te kloppen? Lucien? Het uniform klopte, ja, het was Lucien. Hij sprong op, geschrokken door de wanhopige blik in de ogen van zijn vriend. Die zou nooit zomaar bij dageraad binnenvallen. Nog voordat de voordeur volledig open was, stormde Lucien naar binnen. ‘Jo, je bent thuis!’ Freddie voelde de spanning van het moment en hield zich intuïtief in. Geen enthousiaste sprong als verwelkoming, zoals hij bij Lucien altijd deed. ‘Lucien. Zo vroeg. Wat…’ Maar Jo kreeg niet de kans zijn zin af te maken. ‘Ik moet het aan iemand kwijt. Jo, François, hij…’ En Jo hoefde de rest niet meer te horen om te weten dat dit bijzonder slecht nieuws was.

20


2 17 april

F

rançois zou nooit meer een speech houden. Zoveel was duidelijk. Ook als Jo de ogen sloot, zag hij het verschrikkelijke beeld van zijn vriend voor zich. Nadat Lucien lijkbleek bij hem was binnengestapt, had hij eerst geprobeerd hem te kalmeren. De politieofficier had over zijn hele lichaam gebeefd. ‘Lucien. Kom. Zet u. Thee? Koffie?’ Hij had zijn vriend naar de keuken geleid en die was willoos gevolgd, de blik op oneindig. Wat had hij gezegd? Jo kon het zich nauwelijks herinneren, al was het maar enkele seconden geleden gezegd. Alsof de hersenen van Jo weigerden op gang te komen. Maar toen Freddie hem zachtjes tegen de hand stootte, leek Lucien plots weer te ontwaken en te beseffen waarom hij bij Jo had aangeklopt. Hij weerde het kopje af dat Jo hem aanreikte. ‘Nee!’ Hij draaide zich weer om, wilde naar de hal lopen, keek geërgerd om toen hij merkte dat Jo hem niet volgde. ‘Wat zou ik hier nu koffie gaan drinken, terwijl…’ Het leek wel alsof de woorden in zijn keel bleven steken. Alsof ze door ze uit te spreken ook echt leken te worden. Zijn blik was dwingend. Jo volgde gehoorzaam, ook al wist hij niet wat hij moest verwachten. Waar gingen ze heen? Had Lucien nu iets over François gezegd? In de hal gooide Lucien zijn jasje, dat aan de haak hing, naar Jo.

21


‘Het is nog fris.’ Jo voelde het onmiddellijk toen hij buitenkwam. Hij had geen idee hoe laat of hoe vroeg het was, maar de ochtenddauw legde zich als een film op zijn wimpers en wenkbrauwen. Hij stapte naar de politiecombi die even verderop stond, maar Lucien trok hem de andere kant op. ‘We komen er wel te voet.’ Voor de rest volgde er geen woord van uitleg. Jo kon amper de snelle tred van Lucien bijhouden, hoewel die een forse buik moest meetorsen. Lucien nam zich elke nieuwjaarsdag voor op dieet te gaan. Op elke tweede januari was hij dat weer vergeten. Vergiste hij zich nu of liep Lucien naar het Expoterrein? De bedrijvigheid voorafgaand aan de openingsdag begon toe te nemen. Het zou niet lang meer duren of een mensenzee zou deze nieuw aangelegde tuinen en paviljoenen overrompelen. Als hij de kranten mocht geloven, verwachtten ze meer dan dertig miljoen mensen. Gekkenwerk voor een stad die zo al uit haar voegen barstte. ‘Kom.’ Lucien knikte naar een politieagent die discreet bij een ingang van het Atomium op wacht stond. Even zag Jo een vragende blik in zijn richting, maar Lucien ontsloeg hem met één besliste hoofdknik van een mogelijke verantwoordelijkheid. Jo keek even om zich heen. Dit was nu het inner sanctum van het bouwsel dat hij al maanden vanuit zijn huis had zien groeien. Hét discussiepunt in vele gesprekken. Dat het geld veel beter besteed had kunnen worden. Dat het een mooi symbool was van hun nationale trots, de staalbouw. Dat het een affreuze monstruositeit was die het best, zodra de Expo afgelopen was, onmiddellijk met de grond gelijkgemaakt moest worden. Dat het een voorspellend teken was van de kernenergie, die de redding zou vormen voor hun welvaartsmaatschappij.

22


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401454780 by Uitgeverij Lannoo - Issuu