Sociologie, een hedendaagse inleiding
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 1
08-08-18 17:14
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 2
08-08-18 17:14
III
SOCIOLOGIE, EEN HEDENDAAGSE INLEIDING Piet Bracke Bart Van de Putte Mieke Van Houtte Hans Vermeersch
Editie 2018
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 3
08-08-18 17:14
ECAMPUS LEARN Beschikbaar vanaf academiejaar 2018-2019 Surf naar www.ecampuslearn.com. Geef de volgende unieke code in: Veel succes!
Vijfde druk: juni 2018 Vierde druk: september 2017 Tweede druk: maart 2016 Derde druk: december 2016 D/2015/45/186 – ISBN 978 94 014 2640 4 – NUR 807
© Uitgeverij omslag: Academia Press& Keppie Vormgeving Keppie Vormgeving Ampla Housebinnenwerk: Jurgen Leemans Coupure Rechts 88
© Filip Lievens & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2015.
9000 Gent
Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en België multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv.
Alle rechten voorbehouden. www.academiapress.be Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, Uitgeverij Academia maakt deel uitook, vanzonder Lannoo Uitgeverij, microfilm, of op welkePress andere wijze dan voorafgaande toestemming van de uitgever. de boeken- enschriftelijke multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Uitgeverij LannooCampUs OpmaakrUeLensvest en vormgeving: Twin erasme 179 bUs 101 Media bv, Culemborg 3001 LeUven Fotomateriaal: www.imageglobe.be, www.shutterstock.be BeLgië
Piet Bracke, Bart Van de Putte, Mieke Van Houtte & Hans Vermeersch www.lannoocampus.be Sociologie Een hedendaagse inleiding Gent, Academia Press, 2018, XI + 342 pp.
ISBN 978 94 014 5396 7 D/2018/45/314 NUR 756 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgeverij.
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 4
08-08-18 17:14
VOORWOORD Waarom zijn sommige mensen rijk en andere mensen arm? Hoe komt het dat sommige mensen misdrijven plegen? Waarom geloofden mensen vroeger dat de wereld rondom hen ‘bezeten’ was door bovennatuurlijke krachten, en nu niet meer? Verandert de wereld zo snel door de overwinning van het kapitalisme? Dit zijn maar enkele van de vele vragen waarop de sociologie een antwoord tracht te geven. Het uitgangspunt van de sociologie hierbij is dat het menselijk gedrag – zoals het plegen van misdrijven – en menselijke kenmerken en levensomstandigheden – zoals rijk of arm zijn – tot op zekere hoogte bepaald worden door de samenleving. Hoe het ons vergaat, is het gevolg van individuele keuzes die we maken en wordt bepaald door erfelijke eigenschappen, maar ook door de wijze waarop wij samenleven met anderen. Deze anderen dat zijn onze dichte familieleden en vrienden, maar ook leden van sportverenigingen, werknemers, managers en eigenaars van bedrijven, overheden, … en de rest van de wereld. Met dit handboek stellen we ons daarom tot doel toe te lichten hoe de samenleving werkt. We bespreken theorieën en begrippen die ons kunnen helpen bij het begrijpen van deze maatschappelijke werkelijkheid. Het vertrekpunt is de studie van de structuur en de cultuur van de samenleving (hoofdstuk 1, 2 en 3). De structuur verwijst naar de verschillende posities die mensen innemen – zoals het onderscheid tussen bezitters en bezitslozen en het onderscheid tussen mannen en vrouwen. De cultuur verwijst naar de gedeelde ideeën en waarden van mensen. Een tweede stap (hoofdstuk 4) betreft de studie van twee processen die de maatschappelijke werking ondersteunen: institutionalisatie of de vorming van geijkte procedures in het menselijke handelen – zoals de regeling van de voortplanting via het instituut van het huwelijk – en socialisatie of het aanleren van die procedures aan elke nieuwe generatie. Deze inzichten worden toegepast op een aantal deeldomeinen van de sociologie, zoals de studie van afwijkend gedrag, sociale ongelijkheid en religie (hoofdstuk 5, 6 en 7). In hoofdstuk 8 gebruiken we deze inzichten om de grote maatschappelijke veranderingen doorheen de tijd te begrijpen, van het ontstaan van de landbouwsamenleving tot de hedendaagse globalisering. Ten slotte bespreken we de sociologische benaderingswijzen op een meer formele manier en staan we stil bij de bijdragen van de klassieke grondleggers van de sociologie (hoofdstuk 9 en 10). In dit handboek streven we ernaar om de abstracte wetenschappelijke begrippen die nodig zijn om het menselijk gedrag te duiden concreet te illustreren aan de hand van sprekende en vaak actuele voorbeelden. Dit is niet zonder reden. Dit handboek is namelijk in de eerste plaats gericht op iedereen die zonder schoolse voorkennis van de sociologie zin heeft in het ontwikkelen van meer inzicht in de samenleving rondom ons. We denken hierbij aan studenten sociologie, maar uitdrukkelijk ook aan studenten uit de andere mens- en maatschappijwetenschappen, aan mensen actief in het socio-cultureel vormingswerk én aan zij die gedreven door hun intellectuele nieuwsgierigheid op een meer diepgaande wijze de sociale werkelijkheid willen begrijpen.
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 5
08-08-18 17:14
Dit boek is het gezamenlijke werk van lesgevers uit de vakgroep sociologie en is de vrucht van een jarenlange ervaring in het doceren van een inleidende cursus sociologie. Dit handboek is een herwerking en aanvulling van de handboeken die eerder door prof. John Vincke en prof. Herman Brutsaert werden uitgegeven. Van hun tijd, energie en visie zijn er nog talrijke sporen in dit handboek aanwezig. Piet Bracke, Bart Van de Putte, Mieke Van Houtte, Hans Vermeersch, augustus 2018
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 6
08-08-18 17:14
INHOUD 1
SOCIOLOGIE, EEN EERSTE KENNISMAKING
1
Doelstelling 1.1 Inleiding: niet iedereen leeft even lang 1.2 De sociologische verbeelding 1.3 Van gedrag tot samenleving 1.3.1 Gedrag 1.3.2 Sociaal handelen 1.3.3 Interactie 1.3.4 Vormen van interactie 1.3.5 De stolling van interactie in cultuur en structuur 1.3.6 De context 1.4 De sociologie en haar aanverwante disciplines 1.5 Basisregels bij de uitvoering van sociologisch onderzoek 1.5.1 Objectiviteit 1.5.2 Concepten 1.5.3 Generalisatie 1.5.4 Empirisch materiaal 1.5.5 Cumulativiteit 1.5.6 Verifieerbare rapportering 1.6 Kwantitatief of kwalitatief? 1.6.1 De kwantitatieve benadering: het positivisme 1.6.2 De kwalitatieve benadering: nadruk op betekenis 1.7 De plaats van de socioloog in de maatschappij 1.8 Slotbeschouwing Zelftoets
1 2 4 6 6 7 11 12 14 16 17 22 22 22 23 23 24 25 26 27 30 33 36 37
2
CULTUUR 39
Doelstelling 2.1 Inhoud van het georganiseerd samenleven: cultuur 2.1.1 Inleiding 2.1.2 Is cultuur een specifiek menselijke eigenschap? 2.1.3 Symbolen, tekens en taal 2.1.4 De componenten van cultuur 2.1.5 Kenmerken die culturen van elkaar onderscheiden 2.1.6 Ontstaan van cultuur 2.1.7 Cultuur als lens 2.1.8 Cultuur en etniciteit 2.2 Slotbeschouwing Zelftoets
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 7
39 40 40 42 44 46 48 50 53 53 56 57
08-08-18 17:14
3
SOCIALE STRUCTUUR
59
Doelstelling 3.1 Groepen 3.1.1 Basiskenmerken van groepen 3.1.2 Soorten groepen 3.1.3 Het probleem van samenwerken binnen sociale groepen 3.2 Sociale relaties 3.2.1 Macht 3.2.2 Sociale status en rol 3.2.3 Rolproblemen 3.2.4 Statusproblemen 3.3 Formele organisaties 3.3.1 De bureaucratie 3.3.2 De organisatie in de praktijk 3.4 Structurele effecten 3.4 Slotbeschouwing Zelftoets
59 60 60 61 62 64 65 66 68 70 73 74 76 78 80 81
4
INSTITUTIONALISATIE EN SOCIALISATIE
83
Doelstelling 4.1 Institutionalisatie 4.1.1 Omschrijving 4.1.2 Ontstaan van instituties 4.1.3 De voortzetting in de tijd van instituties 4.2 Socialisatie 4.2.1 Omschrijving 4.2.2 De belangrijkste socialisatietheorieën 4.2.2.1 George Herbert Mead (1863-1931) 4.2.2.2 Jean Piaget (1896-1980) 4.2.2.3 Sigmund Freud (1856-1939) 4.2.2.4 Margaret Mead (1901-1978) 4.2.3 Identiteit en zelfbeeld 4.2.4 Emoties 4.2.5 Kinderculturen: ‘peergroups’ en socialisatie 4.2.6 Rolsocialisatie 4.2.7 Socialisatie en structuren 4.2.7.1 De structuur van het gezin 4.2.7.2 Het gezin binnen de sociale structuur 4.2.7.3 Referentiegroeptheorie 4.3 Slotbeschouwing Zelftoets
83 84 84 85 89 91 91 92 92 98 99 100 102 104 107 109 112 112 114 116 119 120
5
121
SOCIALE CONTROLE EN DEVIANTIE
Doelstelling 5.1 Sociale controle 5.1.1 De morele orde: het ontstaan en de internalisatie van normen en waarden 5.1.2 De politieke orde 5.2 Sociologische verklaringen voor deviantie 5.2.1 Het relatieve en normale karakter van deviantie 5.2.2 Ontregeling of anomie
121 122 122 126 127 127 128
VIII
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 8
08-08-18 17:14
IX
5.2.2.1 Anomie volgens Durkheim 5.2.2.2 Anomie volgens Merton 5.2.2.3 Merton en Durkheim vergeleken 5.2.3 Vervreemding 5.2.4 Differentiële associatie 5.2.5 De delinquente subcultuur 5.2.6 De vraag op haar kop: waarom is iemand niet deviant? 5.2.7 Het etiketteerperspectief 5.3 Slotbeschouwing Zelftoets
128 130 134 135 137 138 140 141 142 143
6
SOCIALE STRATIFICATIE
145
Doelstelling Het ontstaan van sociale stratificatie Stratificatie in landbouwsamenlevingen3 6.2.1 Slavernij 6.2.2 Kasten 6.2.3 Standen Stratificatie in industriële samenlevingen: klasse 6.3.1 Marx (1818-1883) 6.3.2 Weber (1864-1920) 6.3.3 Marx en Weber vergeleken 6.3.4 De uitbreiding van de marxistische en weberiaanse visie: Dahrendorf 6.3.5 Bourdieu (1930-2002) Sociale mobiliteit Hoe worden economische klassen sociale klassen? Is sociale stratificatie noodzakelijk? Sociale ongelijkheid op basis van geslacht Slotbeschouwing Zelftoets
145 146 147 148 149 152 155 155 157 159 160 163 165 167 169 171 176 178
6.1 6.2
6.3
6.4 6.5 6.6 6.7 6.8
7
7.1 7.2
7.3
7.4 7.5
RELIGIE 179
Doelstelling Inleiding Omschrijving 7.2.1 Vroege pogingen tot afbakening 7.2.1.1 Het animisme 7.2.1.2 Durkheims omschrijving van godsdienst 7.2.2 Hedendaagse, functionalistische en substantiële definities van religie 7.2.2.1 Functionalistische omschrijvingen van godsdienst: Yinger 7.2.2.2 Substantiële omschrijvingen: geloofsideeën, geloofspraktijken en geloofsgemeenschappen Het secularisatiedebat 7.3.1 De klassieke secularisatiethese 7.3.2 Economische theorieën van religieuze betrokkenheid Religieus fundamentalisme Algemeen besluit Zelftoets
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 9
179 180 181 181 181 182 187 187 188 191 193 196 200 202 203
08-08-18 17:14
8
SOCIALE VERANDERING
205
Doelstelling 205 8.1 De classificatie van samenlevingen: inleiding 206 8.2 Niveaus van maatschappelijke organisatie 207 8.2.1 Horde 207 8.2.2 Stam 209 8.2.3 Stam met opperste gezag 211 8.2.4 Staat 213 8.2.5 Wereldrijken 214 8.2.6 Besluit 215 8.3 Sociale verandering 216 8.3.1 Inleiding 216 8.3.2 Theorieën van sociale verandering 218 8.3.2.1 Materialistische verklaringen: technologische theorieën 219 8.3.2.1.1 Drie fases van maatschappelijke transformatie volgens Rose (1967) 220 8.3.2.1.2 Technologische evolutie en ‘cultural lag’ 220 8.3.2.1.3 Voorbeelden van technologische theorieën van sociale verandering 222 8.3.2.2 Idealistische theorieën: cultuur als motor van sociale verandering 229 8.3.2.2.1 De cyclische theorie van Pitirim Sorokin 229 8.3.2.2.2 De postmodernisatietheorie van Ronald Inglehart 232 8.3.3 Culturele diffusietheorieën 235 8.3.4 De wereldsysteemtheorie van I. Wallerstein 240 8.3.5 Theorie van de sociale hervormingsbeweging 242 8.4 Slotbeschouwing 249 Zelftoets 250 9
SOCIOLOGISCHE BENADERINGSWIJZEN
Doelstelling 9.1 Inhoudelijke richtingen 9.1.1 Structuralisme 9.1.1.1 Oorsprong: Emile Durkheim (1858-1917) 9.1.1.2 Basisveronderstellingen 9.1.1.3. De analyse van de sociale structuur: integratie en differentiatie binnen een samenleving 9.1.2 Sociologie van het sociaal handelen 9.1.2.1 Grondlegger: Max Weber (1864-1920) 9.1.2.2 Algemene kenmerken 9.1.3 Symbolisch interactionisme 9.1.3.1 Oorsprong: Universiteit van Chicago 9.1.3.2 Basisveronderstellingen 9.1.4 Interactionele richting 9.1.4.1 Oorsprong: Georg Simmel (1858-1918) 9.1.4.2 Algemene kenmerken
251
251 252 252 252 253 255 259 259 260 264 264 265 268 268 268
X
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 10
08-08-18 17:14
XI
9.2 Methodologische richtingen 9.2.1 Functionalisme 9.2.1.1 Oorsprong: Britse cultuurantropologie 9.2.1.2 Basisveronderstellingen 9.2.1.3 Kritieken op het functionalisme 9.3 Besluit Zelftoets 10
274 274 274 276 278 280 282
KORTE HISTORISCHE ACHTERGROND VAN DE SOCIOLOGIE 283
Doelstelling 10.1 De ontstaansvoorwaarden 10.2 De pioniers 10.2.1 Auguste Comte (1798-1857) 10.2.2 Adolphe Quetelet (1796-1874) 10.2.3 Herbert Spencer (1820-1903) 10.3 De klassieke sociologen 10.3.1 Inleiding 10.3.2 Karl Marx (1818-1883) 10.3.3 Emile Durkheim (1857-1917) 10.3.4 Max Weber (1864-1920) 10.3.5 Georg Simmel (1858-1918) 10.4 Ontstaan van de Amerikaanse (toegepaste) sociologie 10.5 Slotbeschouwing
283 284 287 287 288 289 291 291 291 293 294 296 297 298
KERNWOORDEN 301 BIBLIOGRAFIE 333
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 11
08-08-18 17:14
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 12
08-08-18 17:14
sociale psychologie sociobiologie biosociale verklaring concepten theories of the middle range empirisch secundairemateriaal gegevens kwantitatieve gegevens kwalitatieve gegevens literatuuronderzoek peer review causale adequaatheid zinof subjectiefadequaat covariantie theoretisch model causaliteitsbepaling statistische analyse Naturwissenschaften Geisteswissenschaften verstehende sociologie waarderingsvrij waardegebonden vrouwenstudies Frankfurter Schule radical sociology sociologische verbeelding sociale handelings typologie instrumenteel rationeel handelen waarde rationeel handelen affectief handelen traditioneel handelen refl exiefmotieven handelen ‘opdat’ ‘omdat’ motieven conformiteit samenwerking conflict
1 SOCIOLOGIE,
operationaliseren
EEN EERSTE KENNISMAKING ruil cultuur
structuur sociale orde sociale verandering geschiedschrijving culturele antropologie biologie psychologie sociale psychologie sociobiologie biosociale conceptenverklaring
theories of the middle range empirisch materiaal
secundaire gegevens kwantitatieve gegevens kwalitatieve gegevens literatuuronderzoek peer review causale adequaatheid zinof subjectiefadequaat covariantie DOELSTELLING theoretisch model operationaliseren causaliteitsbepaling statistische analyse Omschrijven van de sociologische zienswijze aan Naturwissenschaften de hand van een toelichting van de ‘sociologische Geisteswissenschaften verstehende sociologie verbeelding’ en een conceptuele analyse van waarderingsvrij waardegebonden gedrag, sociaal handelen, interactie en context. vrouwenstudies Frankfurter Schule Het voorstellen van de sociologie als wetenschapradical sociology sociologisch probleem pelijke werkwijze, met bijzondere aandacht voor sociaal probleem klinische sociologie het verschil tussen kwantitatief en kwalitatief sociologische verbeelding sociale handelings typologie onderzoek. Een eerste afbakening maken tussen instrumenteel rationeel handelen sociologie en andere wetenschappen, zoals de waarde rationeel handelen affectief handelen
traditioneel reflexief handelen handelen
psychologie en de biologie.
‘opdat’ motieven ‘omdat’ motieven conformiteit samenwerking confl ict ruil cultuur structuur sociale orde sociale verandering geschiedschrijving culturele antropologie biologie psychologie sociale psychologie sociobiologie biosociale verklaring concepten theories ofmateriaal the middle range empirisch secundaire gegevens kwantitatieve gegevens kwalitatieve gegevens literatuuronderzoek peer review causale adequaatheid zin- of subjectiefadequaat 20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 1
08-08-18 17:14
1.1 INLEIDING: NIET IEDEREEN LEEFT EVEN LANG Meestal gaan we ervan uit dat ziekte, leven en dood gewone biologische fenomenen zijn. Niet alle mensen zijn even krachtig. Wat betekent dat laatste echter? Worden mensen geboren als krachtige of minder krachtige wezens of zijn er ook kenmerken uit de samenleving die ertoe leiden dat sommige mensen meer ziek worden dan anderen? Zijn er ook krachten in de samenleving die ervoor zorgen dat sommige mensen minder lang leven dan anderen? Levensverwachting naar opleidingsniveau, mannen en vrouwen van 25 jaar, 2001
65 mannen vrouwen
60
55
50
45
40
hoger onderwijs
hoger secundair
lager secundair
lager onderwijs
geen diploma
P. Deboosere, S. Gadeyne, H. Van Oyen, 2011, De evolutie van sociale ongelijkheid in levensverwachting, in: Herman Van Oyen, Patrick Deboosere, Vincent Lorant, Rana Charafeddine, (Eds.), Sociale ongelijkheden in gezondheid in België, Gent: Academia Press.
Kijken we even naar de bovenstaande grafiek. In die grafiek hebben we de levensverwachting op 25 jaar uitgezet volgens geslacht en diploma. Twee elementen vallen heel duidelijk op. Vrouwen hebben een hogere levensverwachting dan mannen. Maar we Gezonde levensverwachting naar opleidingsniveau, mannen en vrouwen van 25 jaar, 2004
50 mannen vrouwen
45
40
35
30
25
hoger onderwijs
hoger secundair
lager secundair
lager onderwijs
geen diploma
H. Van Oyen, Rana Charafeddine, P. Deboosere, B. Cox, V. Lorant, S. Demarest, 2011, De evolutie van sociale ongelijkheid in gezonde levensverwachting, in: Herman Van Oyen, Patrick Deboosere, Vincent Lorant, Rana Charafeddine, (Eds.), Sociale ongelijkheden in gezondheid in België, Gent: Academia Press. 2
HOOFDSTUK 1
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 2
08-08-18 17:14
SOCIOLOGIE, EEN EERSTE KENNISMAKING
3
stellen ook vast dat zowel mannen als vrouwen met een diploma hoger onderwijs een hogere levensverwachting hebben dan zij met een lager onderwijsniveau. We kijken ook even naar de volgende grafiek. Die voorstelling geeft de gezonde levensverwachting weer. Dit kan je interpreteren als het aantal jaren dat een gemiddeld persoon mag verwachten te leven in goede gezondheid. We zien ook hier weer dat, naarmate mensen een hoger diploma behaald hebben, ze een betere gezondheid mogen verwachten. Die cijfers zijn uitermate interessant. De centrale vraag is echter hoe we die vaststellingen moeten verklaren. Dit is voer voor sociologen. DE VERKLARING … RELATIES TUSSEN MENSEN
Laat ons beginnen met een aantal eenvoudige redeneringen. We gaan uit van het idee dat opleidingsverschillen leiden tot sociale ongelijkheid, met andere woorden dat ze leiden tot verschillen in levenskansen. Ten eerste stimuleert een hoge opleiding het vermogen om ingewikkelde problemen in te schatten, bijvoorbeeld inzake de eigen medische problemen. De lange scholingstijd heeft ook een impact op de vorming van de persoonlijkheid. Met goed gevolg studeren betekent planmatig kunnen werken en met uitdagingen overweg kunnen. Ten tweede leidt in onze samenleving een diploma naar een job. Hoe hoger het diploma, hoe groter de kans dat een goede job gevonden wordt. Wat betekent dit laatste echter? Uiteraard is er het hogere loon. Dit hogere loon zorgt ervoor dat mensen met een goed betaalde job in betere buurten (kunnen) wonen. Die zijn meestal ver verwijderd van vervuilde en stresserende omgevingen. Dit draagt bij tot een betere gezondheid. Daarnaast biedt een hoog inkomen ook de mogelijkheid om uitgebreide medische verzorging te bekostigen. Maar er is veel meer. Bij een goede job is de kans ook zeer groot dat er meer variatie in het werk is en dat de arbeidsomstandigheden gezonder zijn. Met andere woorden, de kans op een hogere arbeidstevredenheid neemt toe naar gelang het opleidingsniveau. En als iemand tevreden is met de job, dan zal die persoon zich in het algemeen beter in zijn/haar vel voelen. Bovendien veronderstellen sociologen dat kenmerken van de ene leefsituatie kunnen worden overgedragen naar een andere. Zo kunnen kenmerken van de werkomstandigheden het doen en laten bepalen van mensen buiten het werk. Zijn mensen in staat om binnen de werkorganisatie zelf hun werk te bepalen en dus een zekere controle uit te oefenen? Of moeten ze misschien lijdzaam bevelen opvolgen en is hun eigen inbreng minimaal? Wie nooit initiatief moet nemen in de werksituatie, heeft minder kans om vaardigheden te ontwikkelen die helpen om situaties te controleren. We denken hierbij bijvoorbeeld aan stressbestendigheid, het maken van vergelijkende analyses, het synthetiseren van externe expertise, oog voor precisie en langetermijndenken. Er is dan ook een kans dat die vaardigheden, of het gebrek eraan, tot uiting komen in andere domeinen van het dagelijkse leven. Slagen mensen erin te kiezen tussen gezonde en minder gezonde voeding? Kijken ze naar de samenstelling van voedingsproducten die op de verpakking vermeld staat? Beseffen ze dat voldoende bewegen essentieel is voor een goede gezondheid? Samengevat, een hogere opleiding leidt tot materiële voordelen en bepaalt ook de persoonlijke vorming. Beide zorgen ervoor dat men het eigen leven beter in de hand heeft. Men heeft de mogelijkheden en vaardigheden ontwikkeld om gezonder te leven en om met bedreigingen om te gaan. Dit komt finaal duidelijk tot uiting in een hogere levensverwachting.1
1 Voor een bespreking van mogelijke verklaringen van socio-economische verschillen in gezondheid, naast Van Oyen et al. 2011, zie Willems, Sara (2005). The socio-economic gradient in health: a never ending story? A descriptive and explorative study in Belgium, p. 15-23. Gent: doctoral dissertation.
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 3
08-08-18 17:14
De bovenstaande redenering is een typisch sociologische redenering. Centraal staat de idee dat de wijze waarop mensen samen iets doen – zoals het volgen van onderwijs, het concurreren voor jobs, de taken verdelen op de werkvloer – een invloed uitoefent op het leven van die mensen. Anders gesteld, ondanks de aanwezigheid van een eigen lichaam en een eigen vrije wil, heeft de sociale omgeving waarin mensen verkeren, een grote invloed op wat die mensen in hun leven meemaken. Voor sociologen is dit een zeer logische stelling, maar niet iedereen denkt daar zo over. Vele mensen menen bijvoorbeeld dat iemand lang leeft omdat hij of zij nu eenmaal een sterk gestel heeft. Of dat iemand ‘slaagt in het leven’ omdat hij of zij daar zelf keihard voor werkte. Sociologen erkennen uiteraard het belang van de biologische en psychologische component van een individu, maar voegen eraan toe dat de sociale omgeving een cruciale factor is. Trouwens, om te weten te komen of de sociale omgeving al dan niet belangrijk is voor het verklaren van verschillen tussen mensen (bijvoorbeeld inzake kenmerken zoals levensverwachting, werkloosheid, mate van sportbeoefening, …), kunnen we een eenvoudig trucje toepassen. Vergelijk het voorkomen van dat kenmerk in tijd en ruimte, en voor verschillende deelgroepen van de samenleving. Zijn er verschillen observeerbaar tussen verschillende periodes, plaatsen en groepen, dan lijkt het plausibel dat de sociale omgeving – want die is natuurlijk vaak heel erg verschillend naar tijd, ruimte en groep – een belangrijke invloed heeft in het tot stand komen van dat kenmerk. Is werkloosheid een gevolg van individueel falen? Waarom schommelt de werkloosheid dan zo fel door de tijd heen, en waarom is die zo hoog in het ene land en zo laag in het andere land? Waarschijnlijk is hier meer aan het werk dan de louter individuele instelling van de werkloze…
1.2 DE SOCIOLOGISCHE VERBEELDING sociologische verbeelding
Het startpunt van een sociologische verklaring zou je de sociologische verbeelding kunnen noemen. Dit is een specifieke wijze van kijken naar wat met mensen in hun leven gebeurt. Alles wat mensen ervaren, maakt deel uit van hun levensloop of biografie. Mensen verliezen hun werk, ervaren discriminatie door een of ander kenmerk, verwerven een universitair diploma, beperken hun gezin tot twee kinderen, … Mensen verschillen hierin, en hiervoor zoeken we verklaringen. Hoe komt het dat een groep mensen zonder werk zit? Hoe komt het dat vandaag heel wat gezinnen het aantal kinderen beperkt tot twee? Hoe komt het dat in ons land ouderen op het einde van hun leven meestal in speciale tehuizen ondergebracht worden? Voor het beantwoorden van die vragen laat de socioloog haar/zijn sociologische verbeelding werken. Dit betekent dat gebeurtenissen die het leven van mensen typeren, gezien worden vanuit het ruimere geheel waarbinnen mensen met elkaar samenleven. Onze biografie kent een specifiek verloop omdat we samen leven met andere mensen. Met andere woorden, onze biografie ondergaat de invloed van het geheel van de sociale relaties waarvan we deel uitmaken. Voor de socioloog zijn de gebeurtenissen die deel uitmaken van een individuele biografie niet zo individueel. Het geheel van sociale relaties waarvan we deel uitmaken, noemen we onze samen leving. Voor ons komt dit neer op de maatschappelijke organisatie van België aan het begin van de 21ste eeuw. Dit geheel van sociale relaties is echter het resultaat van een historische ontwikkeling. De wijze waarop onze samenleving er nu uitziet, is mee bepaald door gebeurtenissen in de 19de en de 20ste eeuw, zoals de industrialisatie en de
4
HOOFDSTUK 1
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 4
08-08-18 17:14
SOCIOLOGIE, EEN EERSTE KENNISMAKING
5
hieraan gekoppelde urbanisatie. Anders gesteld, het historische verloop bepaalt het uitzicht van een specifieke samenleving. Dit leidt tot de volgende fundamentele zienswijze, die men ‘de sociologische verbeelding’ noemt: sociale relaties bepalen de biografieën van mensen; die sociale relaties zijn echter zelf het resultaat van een historisch proces. We geven enkele voorbeelden. Het gegeven dat een groot deel van de hedendaagse jongeren universitair onderwijs (een biografisch kenmerk) volgt, is niet louter het resultaat van de intelligentie van die jongeren (zijnde een individueel biografisch kenmerk). De samenleving (en haar beroepenstructuur) beïnvloedt de aspiraties van jongeren om universitair onderwijs te volgen. Dit komt tot uiting in de vraag van bedrijven naar hooggeschoolde werknemers. De productie van en het omgaan met kennis staat centraal in de laatkapitalistische samenleving. Zonder het 19de-eeuwse industrialisatieproces zou die kennisbehoefte nooit ontstaan zijn. Ook werkloosheid van hedendaagse 50-plussers wordt heel wat begrijpelijker indien we de sociologische verbeelding hanteren. Toen 50-plussers zovele jaren geleden afstudeerden met een diploma middelbaar onderwijs, was het niet vanzelfsprekend dat iedereen hoger onderwijs volgde. Met een diploma hoger secundair onderwijs waren de kansen op de arbeidsmarkt redelijk goed. Jongeren die toen stopten met studeren en voor tewerkstelling kozen, maakten een realistische keuze. Wanneer mensen uit die generatie nu zonder werk vallen, komen ze als 50-plussers op een arbeidsmarkt terecht waar de scholingseisen heel wat hoger liggen vergeleken met 20 tot 30 jaar geleden. Met een diploma hoger secundair onderwijs is het nu, bijvoorbeeld door de snelle technologische evolutie, moeilijker om aan de bak te komen. Het is niet zo verwonderlijk dat 50-plussers zonder gespecialiseerd hoger onderwijs, wanneer werkloos, het uitermate moeilijk hebben om opnieuw economisch actief te worden. Hoe moeten we dit interpreteren? Stoppen met studeren op 18 jaar was vroeger geen uitzondering. Als onderdeel van een geplande levensloop was die keuze begrijpbaar in het samenlevingsmodel van 20 tot 30 jaar geleden. Die samenleving is echter in die periode zo sterk veranderd, dat de keuzes van toen nu geen goede keuzes meer zijn. Anders gezegd, de levensloop van oudere werklozen met een niet-specialistische scholing kun je beter begrijpen door de sociologische verbeelding toe te passen.
‘Onaangepaste’ ouderen aan computer?
SOCIOLOGISCHE VERBEELDING: individuele gebeurtenissen plaatsen en verklaren vanuit het geheel van sociale relaties die zelf een specifieke historische oorsprong hebben.2 Biografie en sociale ontwikkeling 80 70 60 50 40 30 18 10 0
Leeftijd
Bi 1989
2
2007
o
a gr
fi
e Zijn de biografische keuzes gemaakt in 2007 nog relevant in 2029?
2029
Mills, Wright C. (1959). The Sociological Imagination. New York: Oxford University Press.
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 5
08-08-18 17:14
Abortus en jeugdcriminaliteit: is er een verband?
Het toepassen van de sociologische verbeelding bestaat ook uit het met elkaar in verband brengen van maatschappelijke fenomenen die op het eerste gezicht geen verband met elkaar hebben. Zo stelt men vast dat in de USA gedurende de jaren negentig van de vorige eeuw een sterke daling was van de jeugdcriminaliteit. Hoe kan men die daling verklaren? Waren het de economische omstandigheden die er door een toenemende tewerkstelling voor zorgden dat jongeren niet op het criminele pad terechtkwamen? Of lag het eerder aan een meer restrictieve wapenwet geving, waardoor wapens minder snel in de verkeerde handen terechtkwamen? Een andere verklaring zoekt het op een heel ander terrein. Zo stellen twee sociale wetenschappers dat de daling van de jeugdcriminaliteit in de jaren negentig in grote mate veroorzaakt werd door de legalisatie van abortus in de jaren zeventig. De logica is dat de toename van abortus, vooral bij arme vrouwen, leidde tot een afname van ongewenste kinderen, die, indien ze zouden geboren zijn, in sterke mate zouden hebben bijgedragen tot het criminele geweld van de jaren negentig. In die redenering past men de kennis toe die men heeft over de biografie van ongewenste kinderen (ongewenstheid leidt tot een aantal aanpassingsproblemen) om een maatschappelijk fenomeen te verklaren. De gebruikte methode hier is die van het gedachte-experiment, waarbij men zich de vraag stelt wat er zou gebeurd zijn indien dit of dat niet zou hebben plaatsgevonden (Rosenfeld, 2002).
1.3 VAN GEDRAG TOT SAMENLEVING De socioloog bekijkt de biografie vanuit haar verband met de ‘historische’ maatschap pelijke omgeving waarin ze tot stand komt. In de volgende stap zoomen we dieper in op de bouwstenen van de biografie en de maatschappelijke omgeving. Hiervoor doen we een beroep op de begrippen gedrag, sociaal handelen, interactie, context, structuur en cultuur. Ook gaan we dieper in op de samenhang tussen die begrippen. We doen dit aan de hand van het onderstaande schema. Omgeving
Sociale interactie
Gedrag
Figuur 1.1: Gedrag, interactie en omgeving
1.3.1 GEDRAG
Onder gedrag verstaan we elke actie of reactie van een individu, zoals een lichamelijke beweging, een verbale uiting of een subjectieve gewaarwording. Gedrag bevat altijd zowel een objectief waarneembare als een subjectief waarneembare dimensie. De objectief waarneembare of externe componenten van gedrag zijn die aspecten die door ten minste twee individuen, ego en alter, kunnen worden waargenomen. Voorbeelden zijn het gesproken woord, gebaren en lichamelijke bewegingen in het algemeen. 6
HOOFDSTUK 1
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 6
08-08-18 17:14
SOCIOLOGIE, EEN EERSTE KENNISMAKING
7
De subjectieve of interne component van het gedrag is maar door één waarnemer, ego, waarneembaar. Een belangrijk onderdeel van die subjectieve dimensie is de motivatio nele component. Hiermee wordt verwezen naar de ultieme drijfveren van het handelen die aanzetten, motiveren, tot gedrag. Belangrijke voorbeelden hiervan zijn: winstmaximalisatie, de zucht naar sociale erkenning (self-esteem), de zucht naar controle (mastery) en seksuele lust. Naast de motivationele component is er ook een emotionele component, zoals innerlijke gevoelens van angst en onrust, schaamte of schuld, een cognitieve component, zoals beelden die we ons vormen van de werkelijkheid, en een reflexieve component, zoals het beeld dat je van jezelf vormt. De verschillende dimensies van het gedrag kunnen doorgaans enkel analytisch van elkaar worden gescheiden. In de werkelijkheid doorkruisen ze elkaar. Zo impliceert het beeld dat je van jezelf vormt, jouw zelfbeeld of identiteit, altijd zowel reflexiviteit (je beschouwt jezelf als het ware vanuit een externe positie), cognitie (je identificeert jezelf met ‘een persoon’ als een abstracte categorie), als emotie (je schaamt je over jezelf of je bent trots op wie je bent). Een voorbeeld van de verwevenheid van de interne en externe dimensies van gedrag is het feit dat de meeste emoties samengaan met specifieke gelaatsuitdrukkingen.
1.3.2 SOCIAAL HANDELEN
De definitie van gedrag zoals hier gegeven, is heel ruim. Binnen het hele gamma van gedragingen nemen handelingen en sociale handelingen een bijzondere plaats in. Handelen wordt gekenmerkt door een gerichtheid op een object. Met andere woorden: handelen heeft als finaliteit altijd de realisatie van een doel. Handelen is dus gedrag met een nadrukkelijke doelgerichtheid. Wanneer we kijken naar waar de uitgang van een lokaal zich bevindt, zijn we het verlaten van dat lokaal al aan voorbereiden.
VOORBEELD
Dit ‘kijken’ is dus een handeling met een bepaald doel, namelijk te weten komen hoe we de zaal kunnen verlaten. Wanneer dit zonder obstakels kan gebeuren, zullen we ons niet uitermate bewust zijn van die mentale voorbereiding. Wanneer de weg naar de uitgang bezaaid is met hindernissen, zullen we het verlaten van het lokaal veel bewuster mentaal voorbereiden. Door de doelgerichtheid krijgt het handelen een betekenis. De betekenis van een handeling is gelijk aan de mentale voorbereiding of projectie van de voltooide handeling. We gaan even terug naar het voorbeeld. Wanneer een observator me vraagt wat ik doe, zal ik antwoorden dat ik het lokaal verlaat. De stappen die ik zet, hebben als betekenis het verlaten van het lokaal. Anders gesteld, de betekenis van een handeling valt samen met de mentale projectie die aan de handeling voorafgaat. Wanneer we ons handelen richten op het vroegere, het huidige of het toekomstige handelen van anderen, dan kunnen we volgens Max Weber3 (1864-1920) spreken van sociaal handelen. Handelen is dus sociaal wanneer de actor bij het plannen van haar/zijn handelen rekening houdt met wat anderen deden, doen of kunnen doen. Er is vanuit de handelende actor een subjectieve betekenis aanwezig die in verband staat met een tweede actor. Weber ontwierp ook een typologie van sociaal handelen. Hij maakte een onderscheid tussen instrumenteel rationeel handelen (Zweckrational), waarde rationeel handelen (Wertrational), affectief handelen en traditioneel handelen.
sociale handelings typologie
3 Weber, Max & Winckelmann, Johannes. (1992). Wirtschaft und Gesellschaft. Grundriss der verstehenden Soziologie. Tübingen: J.C.B. Mohr.
20185279_Sociologie_herdruk_2018.indb 7
08-08-18 17:14