met illustraties van
Sebastiaan Van Doninck
Daan Remmerts de Vries
HELDEN De mooiste Griekse mythen herverteld
Inhoud
Inleiding
6
PERSEUS
8
HERAKLES
30
JASON EN DE ARGONAUTEN THESEUS
80
OIDIPUS EN ANTIGONE Slot
134
102
58
Inleiding Ruim drieduizend jaar geleden leefden ze in Griekenland: de helden waarover dit boek gaat. De wereld waarin ze leefden was minder dichtbevolkt – er waren lang niet zoveel mensen als nu. En allerlei dingen die tegenwoordig heel vanzelfsprekend zijn, waren toen onmogelijk – geen internet, geen auto’s, geen tv’s en geen gasfornuizen of centrale verwarming. Als je rijk genoeg was, was het leven waarschijnlijk zo slecht nog niet. Had je dorst, dan liet je wijn halen door een slaaf. Je beschermde jezelf met een leger. Je kon vee of vrouwen roven van een heerser uit de buurt. Maar was je arm, dan had je niets te vertellen. Dan was het werken geblazen, je leven lang, en je zonen of dochters konden ontvoerd worden, waarna ze als slaven werden verkocht. De mensen kropen dan ook veelal bij elkaar; omdat ze steun zochten in elkaars gezelschap, omdat ze zich moesten wapenen tegen struikrovers, wilde dieren of natuurrampen. Je verzekeren was niet mogelijk. Maar de goden smeken of ze je wilden helpen kon weer wél. En die goden waren niet eens zo ver weg – want ze woonden op de berg Olympos. De onsterfelijken! Ze leken eigenlijk erg op mensen. Ze hielden van een feestje. En soms daalden ze af naar de wereld om zich met de stervelingen te bemoeien. En onder de wereld was het hiernamaals – Hades. Daar kwam je als je was gestorven. Je werd een rivier overgeroeid, en vervolgens had je nog een lang bestaan in de schemering, te midden van de schimmen. Voor de oude Grieken waren dit allemaal zekerheden. Met dit alles was het oude Griekenland een woest gebied. Avontuur bestond hier nog! Ik heb het niet over een middagje wildwatervaren of bungeejumpen – ik heb het hier over beesten die je in stenen konden veranderen. Ik praat hier over draken, over vloedgolven en over centauren (wezens met het bovenlichaam van een mens, maar ook met de vier benen van een paard). Er waren hier troepen krijgsvrouwen, geheimzinnige doolhoven en zwemmende meisjes die je in het water sleurden, waarna je verdronk. Op reis gaan was een onderneming! En het was zeer de vraag of je er ook van zou terugkeren. Toch trokken sommige heldhaftige jonge mannen eropuit. Soms omdat ze een of andere opdracht moesten uitvoeren, soms omdat ze het zelf opzochten. Als ware samoerai trokken deze dappere, taaie kerels door de onherbergzame streken, ze voeren naar verre kusten, doorkruisten bergen en moerassen, dwaalden door de onderwereld en met pijlen, zwaarden, speren en hun verstand bestreden ze iedere vijand die ze tegenkwamen. En niet eens onopgemerkt. Want er waren dichters, denkers, schrijvers. Die noteerden alles wat ze hoorden, alles wat hen opviel.
6
Sommige van die geschriften zijn bewaard gebleven op papyrus of in steen, andere geschiedenissen werden eenvoudigweg onthouden en doorverteld, als volksverhalen. Ze beschrijven fabelachtige gebeurtenissen, van mensen die onvoorstelbare dingen meemaakten. Maar het grootste wonder is misschien wel dat wij, na meer dan drieduizend jaar, nog steeds kunnen lezen over hun belevenissen.
7
PE RS EUS
De voorspelling van het orakel Koning Akrisios heerste over de stad Argos. Op een middag ging hij naar een orakel. Orakels waren meestal vrouwen. Ze leefden in een tempel, op of aan de rand van een berg. Die tempel stond precies boven de plek waar een geheimzinnige damp omhoog sijpelde door een gat of een sleuf. Mensen die iets hadden uit te zoeken kwamen hier naartoe. En zo’n vrouw – de hogepriesteres – hoorde dan de vraag aan van een bezoeker; meestal iets over kinderen of over de trouw van een echtgenoot of over de olijvenoogst, dat soort dingen. Na die vraag boog de vrouw zich over de dampwolk en als ze daarvan maar genoeg inademde, werd ze licht in haar hoofd. En dan hoorde ze opeens het antwoord. Dat kwam dan van Apollo, een van de goden. Nu verscheen dus koning Akrisios bij het orakel van de plaats Delfi. En ook hij vroeg iets over kinderen of kleinkinderen en hoe het daarmee in de toekomst zou gaan. De hogepriesteres snoof flink wat van de bedwelmende walm op en zei daarna: Euh… Ja? vroeg Akrisios. Tja, mompelde de vrouw. Ik heb ’t gehoord. Maar… als ik jou was zou ik het maar lekker laten zitten. Vertel nou! riep Akrisios, want hij begon zijn geduld te verliezen. Nou, zei de hogepriesteres. Als je het echt moet weten. Het zit zo: je zult een kleinzoon krijgen. Maar die kleinzoon zal het van je overnemen. Hij wordt later koning in jouw plaats. Watte…? zei Akrisios. En hij maakt je dood, zei de hogepriesteres. Maar… begon Akrisios. Dat is alles, zei de hogepriesteres gauw. We zijn klaar. Je kunt betalen bij de uitgang. Nee, Akrisios was niet in zijn nopjes daarna! Eenmaal terug in zijn paleis vloekte hij tegen zijn bedienden en gaf de hond een schop. Net op dat moment kwam zijn enige dochter Danaë binnen. Die was nog niet getrouwd, al had ze daar wel de leeftijd voor. Waardeloze meid! riep Akrisios toen hij haar zag. ’t Is allemaal jouw schuld! Papaatje…? zei Danaë geschrokken. Wat is er met j– Niks te papaatje! riep Akrisios. Ik stop je weg! Vandaag nog! In de hoogste toren die ik heb! En daar mag je blijven tot je geen kinderen meer kunt krijgen. Ja, het was een brok venijn, die Akrisios. Maar hij was koning en dus gebeurde het zoals hij het wilde: Danaë werd in een bronzen kerker opgesloten, ergens vele meters boven de aarde. Er was één raampje, in het dak, en daar zaten tralies voor. Daardoor kon ze nog wat zien van de lucht. Maar verder was het toch een troosteloze plek. Achter de deur stonden wachters en één keer per dag kreeg Danaë haar eten. Voor de rest van de tijd zat ze daar te treuren, zich afvragend waaraan ze dit had verdiend.
11
Danaë en Zeus Daar zou het niet bij blijven. Want ze was iemand opgevallen, niemand minder dan Zeus had haar al een paar maal met belangstelling bekeken. En daarbij had hij gedacht: Hallo! Dát is een lekkere griet… Zeus was de oppergod! De baas der bazen. Hij woonde, zoals gezegd, samen met de andere goden, op de berg Olympos. Daar had hij ook een vrouw, de godin Hera. De goden beslisten, natuurlijk, over de mensen. Ze konden zien, van bovenaf, wat de mensen uitspookten. Ze konden stormen aanwakkeren of oogsten laten mislukken. Ze konden allerlei gedaanten aannemen, straffen uitdelen en beloningen geven. Zeker. Maar bovendien konden ze soms, net als mensen, in vuur en vlam staan als ze iemand mooi vonden. En dát was het geval met Zeus! Hij mocht dan getrouwd zijn, eigenlijk was het een oude snoeper. Al vaker had hij een schone meid verleid… Nu was dus Danaë aan de beurt. Zeus kon niet zomaar in mensengedaante in haar cel verschijnen, dat niet. Als mensen hem zagen zoals hij was, werden ze door de bliksem getroffen. Zeus veranderde zich daarom in goud; als een regen van stofgoud dwarrelde hij tussen de tralies door omlaag. Daar lag Danaë op haar bed in de gevangenis. En stofgoud daalde op haar neer, bedekte haar. Danaë giechelde verbaasd… Zo werd ze zwanger. Op een dag besefte ze ineens dat ze in verwachting was. Ze begreep wel dat ze dat was geworden van Zeus – alleen de oppergod kon zulke streken uithalen. Toen het erg zichtbaar begon te worden, hoorde Akrisios hiervan; de wachters kwamen hem dit melden. Hoe kán dit nou?! riep Akrisios. Ze ziet daar niemand! Of heeft ze in het geniep iets met een van jullie of zo? De wachters bogen diep. Echt niet, heer! We práten niet eens met ’r. We snappen er niks van! Akrisios gromde. Een paar maanden later kreeg Danaë een zoon. Akrisios trapte de hond. Hij wierp een sinaasappel tegen een muur. Hij balde zijn vuisten. Het had allemaal geen zin. Dat ventje was inmiddels al geboren. De moeder maakte het goed, was nog een van de wachters komen zeggen. Het was best een koddige baby. Ze had hem Perseus genoemd.
12
Een drijvende kist Een paar jaren gleden voorbij. Akrisios had geen idee wat hij moest ondernemen. Het kind doodmaken was toch al te cru. Akrisios was een slechterik, maar dát durfde hij niet aan; de goden stelden zoiets niet op prijs! Op een dag hield hij het niet langer. Die Perseus werd maar groter, het kereltje groeide als kool. En Danaë verzorgde hem keurig. Het was onuitstaanbaar allemaal! Akrisios liet de wachters roepen. Die kwamen haastig naar hem toe. Dit moet nu eens afgelopen zijn, bromde Akrisios. Ik… ik moet ervan af! Weet je wat? Sluit ze allebei op in een kist. De wachters verstijfden. Een kist, heer? Een kist, ja! blafte Akrisios. Hebben jullie soms wat aan je oren?! En dan gaan jullie ermee naar het strand. En daar zet je dat ding in zee en je geeft het een flinke duw! Weg ermee! Opgedonderd! Ik wil ze nooit meer zien! De wachters gehoorzaamden. Ze zorgden voor een grote kist. Met een paar gaatjes in de bovenkant, dat wel. Maar verder goed getimmerd en stevig. Zodat hij kon blijven drijven… Natuurlijk begon Danaë te kermen zodra ze in de gaten kreeg wat haar te wachten stond. Het spijt ons erg, zeiden de wachters nog. Ze duwden haar naar binnen, met haar kind, ze deden het deksel erop. Vervolgens droegen ze de kist naar de kust. Daar zetten ze hem in het water en gaven hem een zetje. Gelukkig was het een kalme dag, de zee was glad. En daar ging dat ding, deinend op en neer. Er kwam een dof gehuil uit. Dat kwam van Danaë, want Perseus lag te slapen. Nog even keken de wachters of hij niet weer aanspoelde, maar dat was niet het geval. Langzaam dreef de kist naar de horizon. Met een stekend geweten liepen ze weg. Maar hé, alles was toch wat minder zwartgallig dan het leek. Zeus was er ook nog! En… het was zijn zoon die daar ronddobberde. En ook voor de moeder had hij nog wel wat tedere gevoelens. Zeus stak een reusachtige hand omlaag en traag stuurde hij de kist, als een bootje in een badkuip, in de richting van een eiland. De zee hield zich rustig, ook daar zorgde de oppergod voor. En dus, al na een paar benarde dagen, spoelde de kist aan op het strand van het eiland Serifos.
14
Op het eiland Serifos Ook Serifos was een koninkrijk. Hier heerste koning Polydektes. Polydektes was alweer zo’n boef. Hij had namelijk een broer, Diktys, en allebei hadden ze evenveel recht gehad om koning te worden. Maar helaas, Diktys was aardig, Polydektes inhalig en vals. Polydektes had dus de heerschappij naar zich toe gegraaid, hij had zich meester gemaakt van de troon. Nu woonde hij in een fraai paleis met bedienden, hij at van kunstig aardewerk en dronk uit sierlijke bekers. En Diktys had niks, die was uiteindelijk visser geworden en huisde in een armoedige hut bij het strand. Je kunt wel raden door wie de kist nu werd ontdekt. Diktys liep ’s ochtends te mijmeren, tot hij ineens op die houten bak stuitte, bij de vloedlijn. Met wat inspanning wrikte hij het deksel open en keek in het bleke gezicht van Danaë. Goeie god, dacht Diktys. Een vrouw! Een vrouw in een kist! Met een kind in haar armen… Maar zoals gezegd, hij was een brave kerel. Hij tilde de verzwakte Danaë omhoog en nam haar mee naar zijn hut, met haar kind. Binnen konden ze een beetje bijkomen van de verschrikkingen die ze hadden doorgemaakt. Diktys besloot dat ze maar bij hem moesten blijven wonen. Hij ging onmiddellijk ijverig aan de slag. Hij ving vissen en die verkocht hij op de markt, hij zorgde dus al spoedig voor een inkomentje en genoeg te eten. En intussen werd Perseus steeds groter – al die vis deed hem blijkbaar goed – hij veranderde langzaamaan in een gespierde jongeling. Maar Polydektes was er ook nog. Die hoorde op een dag dat zijn broer een vrouw in huis had. Ja, wat was dát nou weer? Zijn broer had ’m nooit iets verteld over een huwelijk. Polydektes ging maar eens op onderzoek. Daar stapte hij de vissershut binnen. Diktys was er niet, die zat weer eens op zee. Maar Danaë zat garnalen te pellen aan een tafel. Polydektes bleef op de drempel staan, met ronde ogen staarde hij haar aan. Ze mocht bij hem intrekken, dat besliste hij ter plekke. Sterker nog, ze moest bij hem komen wonen, Polydektes drong er flink op aan. In zijn paleis hoefde ze geen stinkende vis meer schoon te maken! Of eh… had ze soms al wat met Diktys? Nee? Prachtig! Dan ging ze mee, nu meteen! Perseus kwam toen net de kamer in. O juist. Dat was dus haar zoon… Hm… Nou vooruit, die mocht ook mee. Er was nog wel ergens een ongebruikt achterafkamertje in zijn burcht… Polydektes was verliefd, dat was duidelijk. Maar Danaë was dat niet. Toch ging ze volgzaam mee naar zijn paleis, ze had weinig keus. Het was namelijk zo, in die tijden, dat vrouwen niet erg veel hadden in te brengen. Mannen namen meestal de besluiten. Polydektes bleef dan ook doordrammen. Kom, kom, zei hij, als ze in de grote zaal aan het ontbijt zaten. Danaë, jij wordt mijn vrouw. Heus, dat zul je leuk vinden. Kijk toch eens even om je heen! Dit is toch beter dan zo’n droevige hut. Alles is net opnieuw in de verf gezet en
15
de meubels zijn van een geweldige kwaliteit. Olijfhout! Dat slijt maar nauwelijks… Als je met me trouwt, dan is alles hier óók een beetje van jou… Oké? Echt liever niet, zei Danaë zacht. Het maakte Polydektes humeurig. Helemaal omdat Perseus hem steeds meer in de weg begon te lopen. Hé Polydektes, kon die jongen zeggen, aan de andere kant van de tafel. Kappen nou, man! Je ziet toch dat ze je niet wil?! Hou maar gewoon op met je pogingen. Ik heb wel eens mooiere meubels gezien, begrijp je. Laat mijn mam met rust! Ja, dat was irritant. Temeer daar die Perseus steeds maar potiger en stoerder begon te worden. Dat joch had spieren als kabeltouwen! Er werd gefluisterd dat hij een godenzoon was, bovendien. Een halfgod! Niet iemand die je makkelijk aan de kant kon schuiven. Op een middag liep het uit de hand. Polydektes probeerde net Danaë te kussen, op een bank in een van zijn vertrekken, toen Perseus binnenkwam. Hé! riep Perseus. Wat hadden we nou afgesproken?! Polydektes kwam overeind. Hij had boven op Danaë gelegen, ze zag er wat verkreukeld uit. We hadden niks afgesproken… zei Polydektes ontstemd. Je moet met je poten van ’r afblijven! zei Perseus. Ik ben hier toch de koning! zei Polydektes, zijn kleren rechttrekkend. Maar… Hij zuchtte. Goed dan. Weet je wat? Doen we het zo: ik wil een geschenk van jou. Voor wat hoort wat, als je begrijpt wat ik bedoel. Als jij me nu iets kostbaars geeft, dan… dan laat ik je moeder verder met rust. Wat jij wil, zei Perseus. Kijk eens aan, zei Polydektes. De woorden van een echte man! Oké, vooruit met de geit: ik wil het hoofd van Medusa. Perseus slikte. Wat… Wat zei je? Nee! riep Danaë intussen. Niet doen hoor, lieve jongen! Ik trouw wel met hem! Geen sprake van! zei Perseus. Ik zal dat hoofd gaan halen! En dan zijn we af van dat gedonderjaag. Afgesproken, zei Polydektes gauw.
16
Perseus gaat op reis Perseus pakte diezelfde dag nog zijn reistas en ging op weg. Daar liep hij, door het stof. Vastberaden. Al had hij dan nog geen idee in welke richting hij moest zoeken. Zeus zag hem gaan, die keek weer vanuit de hoogte op hem neer. Met ontroering, want die zoon van hem, dat was toch een atletische knul geworden. Net zijn vader, had Zeus al een paar keer gedacht. En nu nam hij zich voor om hem wat te begeleiden. Kinderen moest je in die harde wereld toch een handje toesteken. Hij riep Athene bij zich. Een van de godinnen. Athene, zei hij, ik heb een opdracht voor je. Zorg jij nou eens even dat die jongen van mij – ja, die daar, ja – dat die succes heeft. Wat moet–ie doen? vroeg Athene. Hij moet het hoofd van Medusa zien te krijgen, zei Zeus. Zo! zei Athene. Heftig wel. Zeus knikte. Zeker heftig! Ik reken op je. Oké? Medusa was een van de Gorgonen; dat waren vrouwen met slagtanden en met slangen in plaats van haar. Het lastige was dat je er nooit rechtstreeks naar mocht kijken; deed je dat wél, dan werd je op slag van steen. Een hoop mensen had al geprobeerd om haar te overwinnen. Al die mensen waren nooit meer teruggekeerd. Het was dus een sluw verzoek geweest van Polydektes! Hij was er gewoon van overtuigd dat hij dat joch niet meer terug zou zien! Daar kwam nog bij dat niemand wist waar die Gorgonen intussen uithingen. Nee, die jongen kon wel wat steun gebruiken. Athene daalde af naar de aarde. Hoi, Perseus. Ik ben Athene. Wie? Athene! Je weet wel. De godin van de wijsheid. Maar ook van de krijgskunst. En óók van de vrede. O! Tjonge… Ja… Hoi. Ik ben gestuurd door je vader. Zeus dus. Goh. Eh… Krijgskunst en vrede zei je? Spreekt dat elkaar niet een beetje tegen? Nou zeg… Dat… Dat maakt me nou juist goddelijk! Twee zulke verschillende dingen. En toch verenigd in één iemand. Goed! Doet er niet toe! Ik ben hier niet gekomen om met jou te discussiëren, jochie. Ik ga je namelijk zeggen wat je moet doen. Ah! Zo… Dat komt mooi uit. Ik vroeg me al af in welke richting ik moest lopen. Eerst moet je een eindje varen, zei Athene. Naar Libië. Daar is een grot, daar wonen de Graiai. Dat zijn drie bejaarde vrouwen, echt stokoud. Eigenlijk een soort van heksen. Het zijn namelijk de zussen van de Gorgonen, begrijp je? Die weten vast wel waar Medusa te vinden is. Maar wat bijna nog belangrijker is, is dat ze je kunnen zeggen hoe je dat kreng moet verslaan.
18
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen.
Met steun voor de illustrator van Literatuur Vlaanderen. Š Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2020 Illustraties: Sebastiaan Van Doninck Vormgeving: Studio Lannoo (Mieke Verloigne) D/2020/45/516 NUR 283, 284 978 94 014 5389 9 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.