Anne Bert
Een ode aan het leven en de vrijheid om er zelf over te mogen beslissen
Voorwoord
11
De dageraad
19
Het nieuws
25
Arabesken in het zand
37
Onwillig
43
Het glaasje wijn
49
Gevangen
53
Afstand doen van jezelf
57
Het einde der tijden
63
De langste dag van het jaar
69
Kies en bemin je keuze
77
De vijver
83
De smokkelaars
89
Oefening in verdwijnen
93
De sterrennacht
101
De smaak van de laatste keren
105
Terug in BelgiĂŤ
111
De avondhemel
113
Het straatorkest
117
Dankwoord
121
Artikel 6 – De vrijheid bestaat daaruit, alles te kunnen doen wat een ander niet schaadt. Zo heeft de uitoefening van de natuurlijke rechten van ieder mens alleen deze grenzen die aan de andere leden van de maatschappij het genot verzekeren van dezelfde rechten: Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.
Uit: Déclaration des droits de l’homme et du citoyen, 26 augustus 1789. Deze Verklaring van de rechten van de mens en van de Burger geldt in Frankrijk als een van de basisteksten van de verlichting.
9
Voorwoord
Ik heb me weer eens laten verrassen. Vanochtend, toen ik even niet oplette, zijn de seringen uitgekomen. Terwijl ik gisteren nog heel vroeg naar ze toe ben gegaan. Onder de schors van de bloemknoppen verscheen toen, heel subtiel nog, wat donkerrood, roze en zachtpaars. Ze moeten ’s middags zijn ontloken, toen ik even niet keek.
Dit jaar kon ik ze niet plukken. Ze hebben het huis niet kunnen bedwelmen met hun geur. Dus heb ik heel lang naar ze gekeken, mijn neus in de trossen gestoken en de geur diep opgesnoven. Ik wilde hun geur in me opnemen. Een vrij zware lucht die me doet denken aan de tuin van mijn overgrootmoeder. Net als hun kleur, die van oude dames, van overleden mensen en van afscheid.
11
Ik had verwacht dat ik van mijn stuk zou raken, maar ik heb me erbij moeten neerleggen. Dat ik ze voor de allerlaatste keer zag bloeien, riep geen intensere emotie bij me op dan anders. Ik voelde hetzelfde als vorig jaar. Niet meer dan dat. Ik was alleen teleurgesteld toen ik zag dat de klimop over de takken van de seringen heen groeide en ze bedreigde.
Later kwam mijn moeder bij me koffiedrinken. We zijn in de tuin gaan zitten om te praten, tegenover de haag. Heel zachtjes zei ik tegen haar: ‘Het is de laatste keer dat ik ze zie.’ En ik vertelde haar dat ik die ochtend woedend was omdat ik mijn hart niet sneller had voelen kloppen toen ik besefte dat ze voor mij niet meer zouden bloeien. ‘Waarom ben ik niet in tranen uitgebarsten? Waarom keek ik naar de klimop en hoopte ik dat die ze niet zou verstikken of dat ze niet zouden bezwijken door de droogte?’ ‘Ik weet zeker’, zei ik ten slotte tegen haar, ‘dat ik om de dood van de seringen zou hebben gehuild.’
Mijn moeder raakte mijn hand even aan en antwoordde: ‘Als ik in de woonkamer zit en naar mijn schitterende tuin kijk, naar de natuur waar ik zoveel van houd, dan denk
12
ik weleens dat het tijd zou kunnen zijn om voor altijd mijn ogen te sluiten. Alleen al de zekerheid dat de natuur steeds weer opnieuw tot leven komt en mij zal overleven, troost me.’
Ik deelde dit gevoel met mijn moeder. Het heeft me rust gegeven. Als wij doodgaan, sterft niets anders in de wereld, ook niet in de natuur. Als het moment daar is, houden alleen wij op te bestaan. De seringen blijven bloeien. De zomer verwarmt nog altijd de tuin, de herfst komt altijd weer terug.
De grote botsing tussen het zijn en het niet-zijn heeft met iets anders te maken, met ik-weet-niet-wat, een onmogelijke ervaring waaruit geen enkele les te trekken is, waar niets over te vertellen valt, maar wel van alles over te romantiseren valt. De dood is slechts fictie. En binnen de dood die ik me voorstel, is er geen plaats voor zinloos berouw.
Ik vecht tegen andere fabeltjes die mensen me willen opleggen. En die strijd stelt me zwaar op de proef, omdat ik mezelf daarmee blootgeef.
13
Ik heb mijn ongeneeslijke ziekte en hoe ik er daardoor uitzie nooit graag openlijk laten zien. Maar deze aandoening is van nature schaamteloos, door haar loop ik er poedelnaakt bij, op straat, overal, en het kan haar niet schelen wat ik daarvan vind. Omdat de artsen me geen behandeling kunnen bieden en omdat Frankrijk me niet wil helpen of ondersteunen bij het sterven, voel ik me verplicht om me in te zetten voor de publieke zaak, in de hoop dat ik door naar buiten te treden de bewustwording in gang zet en daarmee alle Fransen help om keuzevrijheid te krijgen. Doordat ik mezelf laat zien, worden de mensen die van me houden steeds opnieuw keihard aan mijn naderende dood herinnerd en het doet me oneindig veel verdriet dat ik ze daarmee dwing hun ogen open te houden, terwijl ze hun blik liever zouden afwenden van het onontkoombare.
Waarschijnlijk brengt mijn onbetamelijke dood hen in verlegenheid. Ik maak er mijn wapen van, zonder mezelf daarbij te verliezen.
Deze papieren vrouw die over haar dood praat lijkt op mij, maar ze vertegenwoordigt alleen maar de vrouw die ik ben.
14
Ze is mijn woordvoerder. Ik houd de doelen voor ogen alsof ik in het niets kijk, alsof er geen camera op me gericht is. Op de opnamen bewijs ik met mijn stem slechts lippendienst aan wat diep vanbinnen aan me vreet. Ik aanvaard alles wat voortkomt uit mijn visie op het leven en creëer vrijelijk mijn eigen fictie over de dood. Die staat veraf van de ideeën van sommige artsen en van behoudende mensen die beweren dat het leven geleefd moet worden tot aan het uiterste einde van de hel, ideeën die ons doen vergeten dat het leven op het moment van onze dood op geen enkele manier tot stilstand komt. Tot je begrijpt dat de dood niets meer is dan literatuur, woorden, bijzondere verbeeldingen van een universeel feit: een hart dat stopt met kloppen.
Wat geschreven is over de dood gaat nog altijd alleen over levende mensen, het werkwoord ‘sterven’ brengt alleen verhalen voort.
Al tien jaar lang verken ik door te schrijven het ongrijpbare en onzegbare van intimiteit. De ironie van het lot wil dat ik nu het onvoorstelbare moet proberen te doorgronden, omdat ik ben getroffen door amyotrofische laterale sclerose
15
(ALS), ook wel de ziekte van Charcot genoemd, een zenuwen spierziekte die binnen korte tijd onvermijdelijk tot de dood leidt, waardoor ik geleidelijk opgesloten raak in mijn eigen lichaam. Toen ik het nieuws kreeg, raakte ik al in een staat van verbijstering en verlamming. Daarna besloot ik om over het einde van mijn leven te schrijven om grip proberen te krijgen op het zo intieme mysterie van de dood. Ik wilde me bevrijden van de opvatting over sterven die onze cultuur en de Franse wetgeving ons opleggen. Op de weg die ik heb afgelegd naar de uiterste grenzen van mijn eigen wezen ben ik mannen en vrouwen tegengekomen uit alle lagen van de bevolking, met allerlei mogelijke opvattingen, van geweldige humanisten tot soms wanhopige obscurantisten. Eén ding is me daarbij duidelijk geworden: er zal – wat de wetgever daar ook over zegt – wat de dood betreft nooit gelijkheid zijn, niet hier en niet ergens anders, zelfs niet wat betreft de palliatieve zorg. In fine is het altijd het betrokken medisch team dat, afhankelijk van het bewustzijn dat zij als individuele verzorgers zelf hebben, interpreteert wat de zieke zegt of niet zegt, wil of niet wil.
16
Nochtans stopt onze vrijheid niet bij de deur van het ziekenhuis. Aan het einde van een ongeneeslijke ziekte kan alleen de wetgeving ervoor zorgen dat wij, die allemaal specifieke gevallen zijn, gelijk zijn door ons de keuze te geven om niet te hoeven ondergaan wat wij diep in ons hart en bewustzijn onacceptabel vinden. De dood zelf is nooit onwaardig. Wat onwaardig is, is dat we de persoonlijke waarden van het individu niet respecteren. Dit verslag, deze strijd, is overigens niet bedoeld als therapie – kun je trouwens genezen van doodgaan? Ik wil er ook geen activistisch pamflet van maken. Nee, het is meer een literair uitstapje langs de randen van het zelf. Langs de grens tussen het onzegbare en het zwijgen, tussen impressionisme en surrealisme, zoek ik in de taal naar woorden die kunnen zeggen waar ik nog niet bij kan.
In het licht van deze allerlaatste zomer, waarvan ik in heel goed gezelschap en tegelijkertijd toch zo alleen geniet, deel ik hier fragmenten waarin ik oog in oog sta met de eindigheid. Het is een verhaal waarop de chronologie geen vat heeft.
17
De dageraad
Ik houd ervan om op te staan voordat de zon opkomt, alsof ik de dag voor zou kunnen zijn. Vanmorgen werd ik weer vroeg wakker. De nacht was kort. Al twee jaar lang berooft ALS me van mijn dromen en verscheurt ze mijn lege nachten, die nooit meer vredig of diep zijn.
Het briesje aan het einde van de zomernacht verkoelt de kamer. In de verte roept de bosuil en zijn vrouwtje geeft antwoord. Uilen hebben me altijd gefascineerd, maar vandaag is het anders. Ik weet zeker dat hij het deze keer tegen mij heeft. Hij is speciaal voor mij gekomen om deze milde ochtend aan te kondigen.
19
Ik lig in bed en luister naar hem met open ogen. Ik beweeg me niet totdat hij eindelijk zwijgt, voor mij het teken om op te staan.
De eerste lichtstralen vallen de kamer binnen. De uil is gaan slapen. Een voor een beginnen de merels te fluiten, gevolgd door de wielewaal, die is teruggekeerd en een melodieus wiewouw ten gehore brengt. Stilletjes maak ik bewegingen en probeer ik moeizaam uit bed te komen.
Als ik uiteindelijk ben opgestaan, duw ik tegen de deur, die nog op een kier staat, en ga ik voorzichtig, met stramme benen, de trap af. In de schemering loop ik stilletjes tot aan de keukendeur. Ik verheug me erop de belofte te ontdekken die de vroege ochtend in zich draagt. Op mijn tenen, mijn rechterhand opgekruld onder mijn linkerhand, schommel ik met mijn bovenlichaam, dat ik naar voren gooi als een soort hefboom zodat mijn arm door die beweging de deurklink raakt en die ten slotte naar beneden kan duwen.
20
De schoonheid van het ochtendgloren is deze helse strijd zeker waard. De deur gaat open.
Speciaal voor mij is het concert van de vogels losgebarsten. Ik heb onmiddellijk zin om te huppelen, mijn hart is een luchtballon die zich vult en opstijgt. Ik glimlach gelukzalig. Mezen, de vink, de hop en het roodborstje hebben zich bij de merels en de wielewaal gevoegd. Dat zo weinig grammen zo veel vitaliteit en zo’n mooi gezang kunnen voortbrengen! De koffie pruttelt en vult mijn kopje. Het kopje dat hier gisteravond is neergezet door fijngevoelige handen, zonder me iets te zeggen, om me in de waan te laten dat ik niet afhankelijk ben. Of net om me dat te doen vergeten.
Ik ga op de stoel zitten, zijwaarts – een bedrieglijke houding die doet vermoeden dat er een rustige vrouw zit – mijn gezicht naar de deur die wijd openstaat. De kat en de hond strijken heel even langs mijn benen, maar ze vragen nergens om. Ze hebben door dat dit magische ochtendmoment speciaal voor mij is en proberen niet op te vallen.
21
Ik heb mijn koffie opgedronken met een rietje, zoals ik dat inmiddels moet doen. Ik loop naar buiten, op blote voeten door de dauw, om naar het oosten te kijken. De eerste zonnestralen en het strijklicht verlichten de boomgaard. En dan, in die ochtendlijke eenzaamheid, vergeet ik dat ik veroordeeld ben. De zomer doet er alles aan om me deze adempauze te schenken. Ik slenter door de tuin en raak voorzichtig de eerste bloemknoppen aan. Ik ben alert en raak betoverd. Alles fascineert me. De roos die gisteren nog in de knop was en vandaag ontluikt. Het eerste bloemblaadje dat valt. Het gras dat in de schaduw van de seringen weer een beetje te snel opkomt.
Daar ben ik, levend en wel, achter gesloten deuren met de natuur, die geen enkele boodschap heeft aan al het tumult van de mensen. De zon is nu helemaal boven de horizon. Ik weet niet hoe laat het is. Ik leef in de tijd van een andere wereld, niet die van horloges die ik niet meer draag.
22
Een buurman doet de luiken open, de eerste auto’s rijden voorbij, ik hoor zorgeloze stemmen. Voor mij is de tijd gekomen dat ik me erbij moet neerleggen dat het andere leven begint, het leven waarin ik niet langer thuishoor.
23
www.LAnnoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen.
omSLAgontwerp en vormgeving Thijs Kestens & Steven Theunis, Armée de Verre Bookdesign vertALing Karin Snoep AUteUrSFoto © Philippe Matsas/Leemage oorSpronkeLijke titeL Le tout dernier été Copyright © Librairie Arthème Fayard, 2017 This book is published by arrangement with Literary Agency Wandel Cruse, France Translation copyright © 2018 by Uitgeverij Lannoo nv D/2018/45/488 – iSBn 978 94 014 53738 – nUr 320/849 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.